CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Toelichting en regels BP Leegstraat Winssen.pdf

Raadsvergadering 19 april 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Leegstraat Winssen20.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan me risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico's worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

STfel

.

.

M1 í í’ j|

ñ: R&' sEìSR

Uitsnede risicokaart met globale

aanduiding

plangebied

(blauwe omkadering)

_ -v .

Inrichtingen c.q. bedrijven Uit zowel de gegevens vanuit de provinciale risicokaart als de gemeentelijke signaleringskaart dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting.

blijkt

Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is op circa 850 m van de Waal gelegen. Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarweg). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt. Het plasbrandaandachtsgebied ligt op 25 m langs de vaarweg. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een weg of spoorlijn, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg, is de A50, op circa 1,8 km van het plangebied. Er is geen sprake van een overschrijding van de plaatsgebonden risicocontour.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

27

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een hogedruk aardgastransportleidingen. De dichtstbijzijnde aardgastransportleiding ligt circa 2,0 km ten westen van het plangebied. Gelet op de relatief grote afstand bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Aan nieuwe woningen worden hoge eisen gesteld aan kierdichtheid.

Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de vervoersassen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de vervoersassen af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

Wettelijkkader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het uitvoeren van een watertoets juridisch verplicht bij bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, wordt een watertoets uitgevoerd op basis van de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt onder meer de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken. Dit wordt bereikt door waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet mee te nemen in de planvorming. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft hoe rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en andersom. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.

28

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

4.8.1

Leegstraat

Winssen

Relevant beleid en regelgeving

Nationaal en provinciaal De Rijksoverheid is verantwoordelijk voor het nationale beleid en landelijke maatregelen op het gebied van de waterhuishouding. De provincie is verantwoordelijk voor de vertaling van het nationale waterbeleid naar regionale maatregelen. Waterschap Rivierenland De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet vergunningen af voor lozingen op oppervlaktewater. Ook verstrekt het waterschap ontheffingen/vergunningen voor activiteiten in en nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater. Het beleid en de regelgeving van het waterschap is beschreven in: » Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten'; » Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en; » Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente Beuningen Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Het Gemeentelijk Rioolen Waterplan (GRWP 2018-2022) beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie.

» Zorgplicht afvalwater: de gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmbart 10.33) » Zorgplicht hemelwater: perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). » Zorgplicht grondwater: In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). 4.8.2

Beschrijving watersysteem

Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Winssen en grenst aan de Leegstraat en het Kerkpad. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als grasveld. Er is geen oppervlakteverharding aanwezig. Tot halverwege jaren ’90 was op de locatie wel bebouwing aanwezig. Sinds de jaren ’30 was op de locatie een basisschool. In de loop van de twintigste eeuw is deze school gesloten. Grondwatersysteem Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Het maaiveld van het plangebied varieert tussen +8,2 en +8,4 m NAP. De zuidelijke punt van het plangebied en de Leegstraat zijn lager, op een hoogte van +7J à 7,9 m NAP, gelegen. De gemiddeld hoogste grondwaterstand van het freatisch grondwater bevindt zich tussen de 1 en 1,5 m -mv Oppervlaktewater Op en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Op circa 250 m ten noordwesten van het plangebied en vlak onder de noordoostelijk gelegen dijk zijn A-watergangen aanwezig. Op circa 150 m ten oosten van het plangebied zijn C-watergangen in de vorm van greppels/smalle sloten aanwezig. De locatie bevindt zich in peilgebied QVU168, wat betekent dat hier sprake zomerpeil van +7,00 m NAP en een winterpeil van +6J5 m NAP.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

is van een geregeld

29

bestemmingsplan

4.8.3

Leegstraat

Winssen

Doorvertaling bestemmingsplan

Voor de beoogde ontwikkeling is een waterhuishoudkundig 5 bij de toelichting gevoegd.

advies opgesteld. Dit advies is als bijlage

Hemelwaterafvoer Ter plaatse van het plangebied bestaat de bodem tot 1,5 m -mv uit zandige klei, met deels inschakelingen van zandlagen. Deze zandlagen zijn mogelijk het gevolg van antropogene invloeden (bebouwing). Beneden 1,5 m -mv is siltige, zwak humeuze klei aanwezig. Op basis van de bodemopbouw in het plangebied zijn niet voldoende mogelijkheden van infiltratie van regenwater. Dit houdt in dat regenwater op de locatie dient te worden geborgen, waarna het vertraagd via oppervlaktewater of een gescheiden stelsel zal worden afgevoerd. In de toekomstige situatie wordt een gedeelte van het plangebied bebouwd.De hoeveelheid verhard oppervlak neemt met circa 1.593 m2 toe ten opzichte van de bestaande situatie. De bij de bouw ontstane toename aan verhard oppervlakte kan volgens de vuistregel van waterschap Rivierenland worden gecompenseerd met: » 105,8 m3 aan kunstmatige bergingsvoorzieningen (zoals wadi ’s of kratten) of; » 69,5 m3 aan berging in open water. In de regels is een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen, opdat met realisatie van de woningen wordt voorzien in voldoende waterberging. Aangezien de overgrote meerderheid van het plangebied is opgenomen in de kavels, en gezien de voorgenomen indeling van de kavels, is er geen ruimte voor berging in open water. De inzet van kunstmatige bergingsvoorzieningen blijft over.

Hier kan in meerdere manieren invulling aan worden gegeven: » Waterberging op daken, met een sedumdak of een waterbergende dakgoot; » Waterberging in regentonnen, deze kunnen vervolgens gebruikt worden om de tuin te beregenen en als ‘grijs ’ water binnen; » Een hemelwaterriool onder de toegangsweg kan verbreedworden aangelegd om hier water in te bergen; » Een greppel in het stukje groen tussen de kavels en de Leegstraat . Waarschijnlijk is een combinatie van deze bergingsvoorzieningen noodzakelijk. Aangezien infiltratie van hemelwater geen optie is, zal het water uiteindelijk moeten worden afgevoerd. Oppervlaktewater is vrij ver van de locatie af gelegen, waardoor afvoer met een gescheiden rioolstelsel de opvolgende optie is. Als deze nog niet aanwezig is, kan overtollig hemelwater aan het vuilwaterriool met een aparte aansluiting worden aangeboden. In overleg met waterschap is ervoor gekozen om het hemelwaterafvoersystem zo in te richten dat zoveel mogelijk water wordt vastgehouden en daarna gedoseerd af te voeren. Waarvoor de volgende maatregelen worden genomen: » Toepassing van sedumdaken op de platte daken (30 l/m2 waterbergend vermogen); » Toepassing van hemelwateropvang in regentonnen.

(200 l waterbergend vermogen per perceel); » Open afvoersysteem naar een middengoot in de mandelige weg; » Toepassing van waterdoorlatende bestrating voor de opritten en de mandelige weg; » Toepassing van een horizontaal infiltratieriool onder de mandelige weg. De overstort, voor het overtollige water wordt aangesloten op de gemeentelijke 'kwelleiding'. Deze is aangesloten op een eerder door de gemeente gerealiseerde waterberging. De overcapaciteit van die waterberging mag voor dit plan worden gebruikt. De inzet van deze waterberging als waterbergingsbank is opgenomen in de verleende watervergunning voor de waterberging (kenmerk 2019084910/2019095420,voorschrift 2.12) Bergingscapaciteit waterberging Het waterpeil van de waterberging in Winssen is gereguleerd met een stuw. De maximale stuwhoogte is ingesteld op NAP +7,30m. Bij een stuwpeil van NAP + 7,30m heeft de waterberging een bergingscapaciteit van ruim 3.100 m3

30

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Oppervlakte op:

Leegstraat

Winssen

West

Midden

Oost

Totaal

m2

m2

m2

m2

539

2145

2684

zomerpeil QvU16

NAP+6,65 m

Opmerkingen

NAP+6.75 m

1523

-

-

-

bodemniveau west

NAP+7,3 m

2221

710

2984

5915

stuwpeil

Bergingscapaciteit op: m3

m3

m3

m3

NAP+7,3 m

406

1667

3102

1030

Na aftrek van de benodigde compensatie voor dit plan heeft de waterberging aan resterende bergingscapaciteit van (3.102 m3 - 106 m3 ^ 2.996m3.

bij stuwpeil Kennedysingel een

Wateroverlast In het plangebied is sprake van een geregeld peil van 7,00 m NAP. Voor voldoende drooglegging zou hier een bouwpeil van 8,3 m NAP de aanbeveling verdienen. Dit peil komt globaal overeen met de huidige maaiveldhoogte. Om het peil van de woningen boven het peil van de toegangsweg te leggen wordt eventueel overwogen de woningen iets hoger aan te leggen. Met betrekking tot wateroverlast verdient de directe omgeving meer aandacht. Bij hevige regenval kan in de huidige situatie ter plaatse van de Leegstraat wateroverlast ontstaan. Deze overlast mag niet verergeren als gevolg van het onderhavige plan. Daarom dient versneld afvloeiend regenwater niet richting de Leegstraat, maar juist richting de bergingsvoorzieningen af te stromen. In de planvorming wordt hiermee rekening gehouden. Afvalwater Voor de afvoer van het afvalwater zijn de initiatiefnemers verantwoordelijk voor de rioolaansluiting. De nieuwe woningen worden aangesloten op de bestaande riolering. Vanwege de beperkte omvang van het plan, namelijk 5 woningen, is geen sprake van een significante toename van de belasting van het aanwezige rioolstelsel. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeelddoor het coaten van loodslabben). Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit

De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

31

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten ” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Aïtikti 3.1. Vorhotfon m-b.l- van njiur# in Nederland ín hei wild levend* vogels

hef is verboden om; 1.

Levende vogels opzettelijk la daden of be vangen.

. Nesten, fustpiîelwn en eieren opzettelijk le vernielen oí le beschadigen of nesten ven vogels «es te nemen

2

Ĵ. 4.

Eieren van vt^ei* te rapen en deze onder zich íe hebben. Vogels opzellelijk te sloren.

hel verbod, bedoeld in het vierde üd, is n^n van toepassing indien de storing mei van wezenlijke mdoed ie op de sisal van nstentnouding ven de desbelreUtende vogeisood

Artikel 3.5. Ver bodsbcpnlinge n ten aanzien

van soorten van de Habitalrichlllijn en de verdragen van Bern en Bonn.

Hel is verboden om: 1,

2. ĵ, 4, 5.

Het e verboden In hei y,*j revende dieren van deze soorten m tmn nahwriįjk verspnerdingsget«ed opzeileii|k le deden of te vangen Hel is verboden dieren als bedoeld in hel eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden «ren van deren ais bedeeld m hel eerste kd in de nsw opzettelijk le vernielen eí 1e raten. Het is verboden de voodpisniingspiaatsen of mslpiaatseti van deze dienen te beschadigen ol le vernielen, Het is verboden plannen van soorten uil de HabiLalrichtlijn of betVerdrag van Bem in bun naluurtjjke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en ta verzamelen, af te snijden, 1e ontwortelen of te vamielan.

Aŕti hel 3-10. VerhOd*bOŕílingen t.a.v overige soorten 1 plant- «o diersoorten!.

Hel is verboden om: c) d) e)

In hel wild levende zoogdieren, amfibieën, repLelan. vissen, dagvlinders, libellen an kevers van da soorten genoemd m da bijlage, onderdeel Al. bi[ deze wet. opzellelijk le deden of te vangen. De vasle voortpiantingspiaalsen of rustplaatsen van ieren als bedoeld in onderdeel 9 opzettelijk te beschadigen ol 1e vernieten, Vaatplantan van de soorten, genoemd in da bijlage, onderdeel 52. bij deze wat, in hun naluuriijkje verspre : ngsgeb od opzellalijk ta plukken en te verzamelen, af te snijden, le ontwortelen of te vernielen.

Verbodsbepalingen

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebbende bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in het plangebied. 4 bij de toelichting gevoegd.

Dit onderzoek is als bijlage

Soortenbescherming Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van de soortenbescherming in het kader van de Wnb.

32

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 300 m ten noorden van het plangebied. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitatypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig. Ten aanzien van de stikstofdepositie is via de AERIUS calculator vastgesteld of er sprake is van een melding- of vergunningplicht. De AERIUS berekeningen zijn als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Uit de berekeningen blijktdat in de aanlegfase het projecteffect op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken ’ maximaal 0,07 mol/ha/jaar bedraagt. Het projecteffect ten gevolge van de aanlegfase op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken ’ is groter dan 0,00 mol/ha/jaar. De aanlegfase bevat echter werkzaamheden welke van tijdelijke aard zijn. Conform de provinciale redeneerlijn (zie hoofdstuk 2) geldt dat projecten met een kleine, tijdelijke depositie in de aanlegfase op voorhand niet zullen leiden tot significant negatieve effecten.

Uitgangspunt hierbij is dat projecten met een depositie kleiner dan of gelijk aan 0,10 mol/ha/jaar in beginsel niet vergunningsplichtig zijn. Het maximale projecteffect ten gevolge van de aanlegfase bedraagt 0,07 mol/ha/jaar. Aangezien het op een tijdelijke depositie < 0,10 mol/ha/jaar gaat, kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. De werkzaamheden ten behoeve van de aanlegfase worden hiermee niet vergunningsplichtig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming. Uit de berekening van de gebruiksfase blijktdat het projecteffect op omringende Natura 2000gebieden kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal de gebruiksfase niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis hiervan blijktdat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.10

Archeologie Å cultuurhistorie

4.10.1

Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads­ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2021.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

33

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Er is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied. bijlage 7 bij de toelichting opgenomen.

Dit onderzoek is als

Op basis van het vooronderzoek geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen vanaf een diepte van 70 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 170 cm -Mv. Vandaar dat in het bestemmingsplan een hoge archeologische verwachting is opgenomen. Waarbij een diepte van 50 cm -Mv vrij wordt gesteld van archeologisch vervolgonderzoek (met een buffervan 20 cm tot het archeologisch relevante niveau). In het kader van de beoogde werkzaamheden is de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied doormiddel van een karterend en waarderend archeologisch onderzoek nader onderzocht. Het vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en is als bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. Tijdens de proefsleuvenfase zijn drie werkputten aangelegd in het plangebied, waarmee circa 180 m2 is opgegraven. De hoge verwachting uit het Programma van Eisen op archeologische resten uit de periode IJzertijd - Late-Middeleeuwen is met het proefsleuvenonderzoek grotendeels bevestigd. Voor de periode Neolithicum - Bronstijd kon de hoge verwachting nog niet worden getoetst, vanwege de hoge spoordichtheid uit de Volle-Middeleeuwen. Wel is de vegetatiehorizont in de top van de komklei aanwezig in het plangebied, waarop gewoond kon worden in het Neolithicum - de Bronstijd.

Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardestelling is in het plangebied sprake van minimaal één behoudenswaardige vindplaats. Weinig sporen zijn gecoupeerd, omdat in het vlak reeds de aard van de sporen kon worden vastgesteld en duidelijk was dat ongeveer tweederde van de sporen paalkuilen zijn die onderdeel uitmaken van één of meerdere (volmiddeleeuwse) gebouwplattegronden. De sporen zullen een hogere informatiewaarde hebbenals ze samen met aanvullende sporen van een opgraving kunnen worden onderzocht. Tevens is een ouder, dieper gelegen niveau uit de periode Neolithicum - Bronstijd nog nauwelijks aangesneden, veroorzaakt door de vele (vooral volmiddeleeuwse) sporen op het hoger gelegen niveau. Geadviseerd wordt om alle delen van het plangebied op te graven bij bodemingrepen dieper dan 6,7 m +NAP, dit is inclusief een bufferzone. Hieronder vallen de bouwvlakken, kabels, leidingen, riool en groenvoorzieningen, en overige zaken die de grond zullen verstoren. Cultuurhistorie Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart is het plangebied onderdeel van het gebied dat is aangeduidt als 'oud cultuurland (Vroege Middeleeuwen)'. Het plangebied bevat geen specifiek benoemde cultuurhistorisch vlakken of cultuurhistorisch waardevol plekken, voor dit gebied.

De Leegstraat, ten westen van het plangebied, is aangeduid als 'weg of pad, situatie 1821' met langs de weg 'wegbeplanting. De groene voorruimte langs de Leegstraat blijft behouden, waaronder de bestaande bomenstructuur.

4.10.3

Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, mits de delen ter plaatse van beoogde bodemingrepen dieper dan 6,7 m +NAP worden opgegraven. In de delen van het plangebied die niet worden verstoord, geldt dat de archeologische waarden in situ worden behouden. Dit houdt in dat voor die delen de dubbelbestemminggeldig blijft. Mochten in de toekomst overige grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden, dan dient opnieuw archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in de nog niet opgegraven delen van het plangebied.

34

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

4.11

Leidingen

4.11.1

Regelgeving

Leegstraat

Winssen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: » gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; » aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; » defensiebrandstoffen; » warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorendebebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

4.12

Bezonning

4.12.1

Regelgeving

In Nederland zijn geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van bezonning van gebouwen. Wel is er een norm van het TNO, welke een lichte en een strenge norm omvat. Volgens de lichte norm is er sprake van een goede bezonning wanneer er twee bezonningsuren zijn per etmaal, in de periode 19 februari tot en met 21 oktober, op het midden van de vensterbank aan de binnenzijde van het raam. Volgens de strenge norm is er sprake van een goede bezonning wanneer er drie bezonningsuren zijn per etmaal, in de periode 21 januari tot en met 22 november, op het midden van de vensterbank aan de binnenzijde van het raam. De lichte norm is de meest gangbare norm. Er zijn zelfs geen gemeenten bekend die de strenge TNO-norm hanteren.

4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan Er is onderzoek gedaan naar de schaduweffecten van de beoogde nieuwbouw op de omgeving. De bezonningsstudie is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Uit de resultaten blijktdat er van 19 februari tot en met 21 oktober op 1 gevelkant (voor- en/of achter) al minstens 2 zonuren per etmaal aanwezig zijn. Aangezien het aantal genormeerde zonuren opgeteld mag worden van voor- en achtergevel, wordt ruimschoots voldaan wanneer deze uren bij elkaar zouden worden geteld. De beperkte volumes van de woningen, en de ruime onderlinge afstand zorgen er voor dat er nagenoeg geen schaduwhinder ontstaat. Ook bij omliggende bebouwing is de invloed van de voorgenomen ontwikkeling minimaal. Het plan voldoet aan de lichte normering van het TNO.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

35

bestemmingsplan

4.13

Vormvrije MER-beoordeling

4.13.1

Regelgeving

Leegstraat

Winssen

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreftde m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben,de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: » belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; » belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.13.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat het aantal woningen in de toekomstige situatie met maximaal vijf wooneenheden toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

36

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Hoofdstuk 5 5.1

Leegstraat

Winssen

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2

Bestemmingsregels

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden bepaalde bouwregels.

toegekend aan

het bevoegd gezag

Specifieke gebruiksregels In de bestemmingsregeling is in bepaalde situaties expliciet aangegeven in strijd wordt geacht met de aan de gronden gegeven bestemming. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden bepaalde gebruiksregels.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

toegekend aan

ten aanzien

van

welk gebruik in ieder geval

het bevoegd gezag

ten aanzien

van

37

bestemmingsplan

5.1.3

Leegstraat

Winssen

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bijhet toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en parkeren. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent parkeren.

5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan

5.2

op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Bestemmingen

Het bestemmingsplan

kent één bestemming en één dubbelbestemming:

Groen Deze bestemming is bestemd voor groen en bijbehorendevoorzieningen, zoals in- en uitritten. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Wonen De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor woningen. Voor de situering en maatvoering van de woningen zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot de bouwwijze, de goot- en bouwhoogte, en de situering van gebouwen. Het hoofdgebouw en bijbehorendebouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als uitgangspunt gehanteerd dat deze op het gehele bouwperceel zijn toegestaan. Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten, die qua functie ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. De 'niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit' is rechtstreeks mogelijk, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De 'publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis' is mogelijk indien hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. In de bestemming is verder een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen. Deze verplichting regelt dat de te realiseren woningen niet gebouwd/in gebruik mogen worden genomen, als niet wordt voorzien in de aanleg van voldoende hemelwaterberging.

38

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Waarde - Archeologie 2 (dubbelbestemming) De gemeente Beuningen heeft een archeologische verwachtingenkaart laten vervaardigen, deze is samen met de beleidsnota archeologie vastgesteld door de gemeenteraad op 9 november 2010. Het archeologisch beleid is vertaald in 4 dubbelbestemmingen,'Waarde - Archeologie 1,2 en 3' en 'Waarde - Archeologisch rijksmonument'. In tegenstelling tot de dubbelbestemmingen'Waarde Archeologie 1 t/m 3' is er in de dubbelbestemming'Waarde - Archeologisch Rijksmonument' geen inhoudelijke bestemmingsregeling opgenomen. Voor archeologische rijksmonumenten geldt namelijk op grond van de Erfgoedwet dat de Minister het bevoegd gezag is, en dat voor werkzaamheden binnen het rijksmonument bij de Minister een vergunning aangevraagd dient te worden. Een regeling in de beheersverordening zou derhalve dubbelop zijn. De gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarde, bekende vindplaatsen, oude woongronden en historische boerderijlocaties evenals een zonering van 50 m rondom de monumenten zijn op de verbeelding opgenomen middels de dubbelbestemming'Waarde archeologie 2'. Voor bodemingrepen met een diepte van meer dan 0,3 m beneden maaiveld in gebieden die vallen binnen de dubbelbestemming'Waarde - archeologie 2' (hoge archeologische verwachtingswaarde) wordt bij een omvang van meer dan 100 m2 nader archeologisch onderzoek verplicht gesteld.

De keuze voor 0,3 m is gebaseerd op de gemiddelde verstoringsdiepte in Nederland, ook wel de bouwvoor genoemd. Deze keuze wordt onderbouwd door een uitspraak van de Raad van State van 23 mei 2007: 'Voorts is aannemelijk dat bij het vergraven en het afgraven van de bodem dieper dan 30 cm de in de bodem archeologische waarden onherstelbaar kunnen worden beschadigd'. In sommige gevallen is het vanuit praktisch oogpunt niet gewenst om een archeologisch onderzoek te eisen. Dit levert slechts administratieve lasten voor zowel de verstoorder als het bevoegd gezag op, terwijl de archeologische winst minimaal is. Dit geldt in situaties waarvan het zeer aannemelijk is dat de bodem geroerd is en de kans op archeologische vondsten minimaal. Dit betreft: » voortzetting van normaal agrarisch gebruik zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken, vervangen van bestaande drainage, aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van boomgaarden; » omgevingsvergunningen voor het bouwen waarbij het nieuw te bouwen bouwwerk zich bevindt op de bestaande fundering of ten hoogste 2,5 m hierbuiten; » vervangen of beheren van riolering, kabels, leidingen of bestratingen. Voor gronden aangeduid met de dubbelbestemming'Waarde - archeologie 2' geldt in geval van bovenstaande situaties een vrijstelling voor archeologisch onderzoek.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

39

bestemmingsplan

Hoofdstuk 6 6.1

Leegstraat

Winssen

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): » de bouw van één of meer woningen; » de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; » de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m2 of met één of meer woningen; » de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; » de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; » de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Omdat de gemeente alle gronden en/of opstallen in eigendom heeft, zelf de grondexploitatie voert en de bouwgrond uiteindelijk tegen een marktconforme prijs bouwrijp levert, wordt ook voldaan aan de eis van verplicht kostenverhaal.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan » Provincie Gelderland; » Waterschap Rivierenland.

6.3

Maatschappelijke

de volgende partijen:

haalbaarheid

Inspraak Leden van het CPO d’Ouwe Jongensschool hebbende omwonenden geïnformeerd over de plannen. De omwonenden stellen het op prijs dat zij vooraf geïnformeerd zijn. De reacties op het plan zijn divers. Enerzijds is er begrip voor het plan. Anderzijds wordt het jammer gevonden dat het open, groene terrein bebouwdgaat worden. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 26 november 2021 tot en met donderdag 6 janurai 2022 (gedurende zes weken) ter visie gelegen. Er zijn tijdens deze periode 5 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn in een aparte nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlage 10). Tevens zijn er enkele ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Ook deze zijn in de nota zienswijzen benoemd.

40

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

Leegstraat

Winssen

41

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Bijlagen toelichting

42

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Bijlage 1

Leegstraat

Winssen

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

43

bestemmingsplan

Bijlage 2

44

Akoestisch

Leegstraat

Winssen

onderzoek industrielawaai

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Bijlage 3

Leegstraat

Winssen

Verklaring gebruik bestrijdingsmiddelen

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

45

bestemmingsplan

Bijlage 4

46

Leegstraat

Winssen

Quickscan Wet natuurbescherming

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Bijlage 5 Waterhuishoudkundig advies

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

47

bestemmingsplan

Bijlage 6 Stikstofdepositie

48

Leegstraat

Winssen

onderzoek

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Bijlage 7 Verkennend archeologisch onderzoek

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

49

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Bijlage 8 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

50

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Bijlage 9

Leegstraat

Winssen

Bezonningsstudie

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

51

bestemmingsplan

Bijlage 10

52

Leegstraat

Winssen

Nota Zienswijzen

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

Leegstraat

Winssen

53

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

Regels

54

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Leegstraat

Winssen

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan Leegstraat Winssen met identificatienummer NL.IMRO.0209.BPleegstraatWinvadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan: De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorenderegels en daarbij horende bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwenvan deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aardkundige waarde: gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die een bepaalde (beperkte) mate van bescherming genieten; 1.6 archeologische waarden: waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.7 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.8 bed & breakfast: een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, met een absoluut maximum van zeven overnachtingen, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; 1.9

begane grondbouwlaag: de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder. 1.10 bestaand: » t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; » t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.11 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluitten aanzien van een aanvraag omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

om een

1.14 bijgebouw: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of geringere afmetingen visueel onderscheid; 1.15 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

55

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

1.16 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.17 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.18 bouwlaag: een begane grond of hoger gelegen verdieping, waarbij ruimten in de kap zonder zelfstandige functie niet worden meegerekend; 1.19 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop bebouwing is toegelaten;

ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende

1.20 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.21 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.22 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.23 bouwwijze: de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij: a. onder 'vrijstaand' wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning niet begrensd is door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen; b.

onder 'aaneengebouwd' wordt verstaan dat het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen, die naar twee zijden door scheidsmuren van naastgelegen hoofdgebouwen zijn begrensd, met uitzondering van de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen; 1.24 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.25 dove gevel: een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.26 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, omsloten ruimte vormt;

overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden

1.27 hoofdgebouw: een (deel van een) gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.28 langzaamverkeersroutes: routes voor ongemotoriseerd verkeer, scootmobielen, wandelaars, behorende bermen en straatmeubilair;

skeeleraars,

en dergelijke, daarbij

1.29 mantelzorg: het anders dan bedrijfsmatig bieden van zorg aan een of meer leden van een op dat perceel wonende huishouding, die hulpbehoevend is of zijn op fysiek, psychisch en/of sociaal vlak;

56

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Leegstraat

Winssen

1.30 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorendebouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 1.31 publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis: een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksaantrekkend zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorendebouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan; 1.32 seksinrichting een gelegenheid waarin beroepsmatig of bedrijfsmatig voorstellingen en/of vertoningen van hoofdzakelijk pornografische aard plaatsvinden, en/of verkoop en/of uitstalling van hoofdzakelijk goederen van pornografische en/of erotische aard plaats heeft, en/of tegen vergoeding seksuele diensten worden verricht dan wel bedrijfsmatig gelegenheid wordt gegeven tot seksuele handelingen; 1.33 voorgevel: de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw, indien een gebouw met meerdere gevels naar de

weg is toegekeerd wordt de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel van een hoofdgebouw aangemerkt als voorgevel; 1.34 voldoende parkeergelegenheid: Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormering zoals opgenomen in de rij 'weinig stedelijk', aanwezigheidspercentages en berekeningsaantallen zoals opgenomen in CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Op het moment dat de CROW een opvolger van de hiervoor genoemde publicatie publiceert, wordt deze 'opvolger' gehanteerd voor het bepalen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 1.35 waterhuishoudkundige doeleinden: doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang

e.d.;

1.36 woning/ wooneenheid: een complex van fysiek aan elkaar verbonden ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

57

bestemmingsplan

Artikel 2

Leegstraat

Winssen

Wijze van meten

2.1 bebouwingspercentage: een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage; 2.2 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord,of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.6 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein; 2.7 peil: de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor

de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

58

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

bestemmingsplan

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Leegstraat

Winssen

Bestemmingsregels

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. langzaamverkeersroutes; c. in- en uitritten; d. nutsvoorzieningen en telecommunicatie; e. parken; f. plantsoenen; g. voorzieningen voor de verkeersgeleiding; h. water, waterafvoer en waterbeheer; één en ander met de bijbehorendevoorzieningen.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Situering van bo uwwerken

Voor de situering van bouwwerken geldt het volgende: a. gebouwen zijn niet toegestaan; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,0 m; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer niet meer dan 9,0 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m. 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a. buitenopslag.

bestemmingsplan "Leegstraat

Winssen" (definitief)

59

bestemmingsplan

Artikel 4 4.1

Leegstraat

Winssen

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met inachtneming het bepaalde in lid 4.4.2; c. water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; één en ander met de bijbehorendevoorzieningen.

4.2

van

Bouwregels

4.2.1 Situering van bo uwwerken Voor de situering van bouwwerken geldt het volgende: a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', met inachtneming van het volgende: 1. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengeschakelde woningen toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan; 3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven; 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' moeten gevels van het gebouw als dove gevel worden uitgevoerd, conform bijlage 1 bij de regels, en in stand worden gehouden, zolang niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of de maximale ontheffingswaarde in de Wet geluidhinder. b. bijbehorendebouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', met dien verstande dat erkers aan de voorgevel van het hoofdgebouw zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in 4.2.3; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. 4.2.2 Maatvoering

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=40c91749-9e02-44af-9cb7-668701f6eb8b