01 Toelichting en regels BP Leegstraat Winssen.pdf
Tekst van het document
Leegstraat Winssen
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldende plannen 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 8
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
9 9 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
13 13 14 16 18
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie Leidingen 4.11 4.12 Bezonning 4.13 Vormvrije MER-beoordeling
19 19 20 21 22 24 25 26 28 31 33 35 35 36
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen
37 37 38
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Maatschappelijke haalbaarheid
40 40 40 40
Bijlagen toelichting
42
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
43
Bijlage 2
Akoestisch
onderzoek industrielawaai
44
Bijlage 3
Verklaring gebruik bestrijdingsmiddelen
45
Bijlage 4
Quickscan Wet natuurbescherming
46
Bijlage 5
Waterhuishoudkundig advies
47
Bijlage 6
Stikstofdepositie
48
Bijlage 7
Verkennend archeologisch onderzoek
49
Bijlage 8
Archeologisch proefsleuvenonderzoek
50
Bijlage 9
Bezonningsstudie
51
Bijlage 10
Nota Zienswijzen
52
2
onderzoek
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Regels
Leegstraat
Winssen
54
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
55 55 58
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Groen Wonen Waarde - Archeologie 2
59 59 60 63
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels
65 65 65 66
Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
67 67 67
Bijlagen regels
69
Bijlage 1
70
Dove gevels
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
3
bestemmingsplan
4
Leegstraat
Winssen
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
Toelichting
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
5
bestemmingsplan
Hoofdstuk 1 1.1
Leegstraat
Winssen
Inleiding
Aanleiding
CPO d’Ouwe Jongensschool is voornemens een vijftal levensloopgeschikte woningen te realiseren op de kruising van de Leegstraat en het Kerkpad op een gedeelte van het perceel naast Leegstraat 2 in Winssen. Dit perceel is nog in eigendom van de gemeente, maar zal te zijner tijd gedeeltelijk worden verkocht en overgedragen aan het CPO. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Leegstraat, in het hart van de kern Winssen, nabij de kerk en staat kadastraal bekend als gemeente Winssen, sectie B, nummer 2505 (deels). Het plangebied heeft een omvang van circa 2.000 m2 en wordt begrensd door: » Noordzijde: een speeltuin; » Oostzijde: de zijdelingse perceelsgrens van de woning aan de Leegstraat 2; » Zuidzijde: de Leegstraat; » Westzijde: het Kerkpad. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding. .897
'
‘UITERWAARD-
Hoek
;“S[ŵįíj -BIE2ENVWĮ»0ļ
Winsserv
y/Z: ^tStRAÁl-
irīA
•HEEMSTRAWEG*"
6
plangebied
^
'lijk 3äŝ
"/x * Globale ligging
k,
-
V.
(rode stip)
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Globale begrenzing
1.3
plangebied
Leegstraat
Winssen
(rode omkadering)
Geldende plannen
De gronden in het plangebied zijn onderdeel van het bestemmingsplan 'Kern Winssen', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 3 juni 2013. Het plangebied is grotendeels bestemd als 'Groen'. Enkel in de zuidwesthoek is een klein gedeelte van het plangebied bestemd voor 'Verkeer'. Daarnaast geldt voor het hele plangebied de dubbelbestemming'Waarde - Archeologie 2'. Behalve het bestemmingsplan 'Kern Winssen', is ook het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' van toepassing op het hele plangebied. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 mei 2018. In dit parapluplan zijn de gronden binnen het plangebied voorzien van de aanduiding 'overige zone - rest bebouwdekom'.
’; lIPlwl
mm İ śŵ-'
Uitsnede geldend
bestemmingsplan
met globale
aanduiding
plangebied
(rode omkadering)
De bouw en het gebruik van de beoogde nieuwe woonbebouwing is niet toegestaan op basis van de geldende groenbestemming. Vandaar dat het bestemmingsplan moet worden herzien.
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
7
bestemmingsplan
1.4
Leegstraat
Winssen
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebbengeleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd. Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat uitvoerbaarheid van het plan.
8
in op de financieel-economische
en maatschappelijke
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Hoofdstuk 2 2.1
Leegstraat
Winssen
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
Het plangebied heeft een historisch verleden. Op het perceel stond ooit een jongensschool. Momenteel is het plangebied ingericht als grasveld, met een groene omkadering. Langs de noord- en oostzijde is een groene erfafscheiding en langs de Leegstraat is een bomenstructuur aanwezig Het plangebied is gelegen tussen twee woonpercelen en een speeltuin. Ten noordoosten van het plangebied ligt de groene kern van Winssen met de Sint-Antonius van Paduakerk. In de omgeving van het plangebied is voornamelijk woonbebouwing aanwezig, evenals maatschappelijke voorzieningen, zoals een huisartsenpraktijk, een basisschool en een voormalige zorginstelling. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van het plangebied en de omliggende bestaande bebouwing weergegeven:
■ĩjmļ • ìjT - •*ŵ'1
■M '
X ~ * MM
'rfr
’x' ī .
tŘi
Impressie van het plangebied
bestemmingsplan "Leegstraat
vanaf de zijde van de Leegstraat met doorzicht
Winssen" (definitief)
naar de kerk
9
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
,.
ŞStr /ĵâŕ ĩ&tfjįįŕ'. ittttW
řţs
Impressie van het plangebied
Ackr en de directe omgeving
I I Mft MOtENSTB&^í
ît m
nä,ŖpTi .|Nŭï-Nİŷį.SJį
j do k rrRūŕsoNÑivuũsjRj
Impressie bestaande bebouwing
10
met globale
aanduiding
plangebied
iüS(rode omkadering)
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
2.2
Toekomstige
Leegstraat
Winssen
situatie
In de toekomstige situatie gaat het CPO d’Ouwe Jongensschool vijf grondgebonden woningen realiseren in het plangebied. Het idee is om een samenhangend ensemble te creëren met eenzelfde dorpse signatuur. De woningen hebbeneen hoogte en formaat, die passend is bij de omgeving. De verkaveling bestaat aan de oostzijde uit drie geschakelde woningen en aan de westzijde uit twee vrijstaande woningen. Door het relatief grote oppervlak op de begane grond, waar zowel een woonkamer, alsmede een slaap- en badkamer gerealiseerd worden, zijn de woningen levensloopgeschikt De beoogde woningen vormen een aanvulling op de omliggende burgerwoningen en versterken de woonfunctie binnen de bestaande dorpse bebouwingsconcentratie. Aansluitend op de omliggende groene kern van Winssen, krijgen de kavels een groene inpassing. De groenstructuur langs het Kerkpad wordt voortgezet en er blijft een groene voorruimte langs de Leegstraat behouden, waaronder de bestaande bomenstructuur. Ook krijgen de kavels een groene erfafscheiding. De ontsluiting van de kavels vindt direct plaats vanaf de Leegstraat, doormiddel van een centraal op het perceel gelegen insteekweg. Ter hoogte van de insteekweg blijft een doorzicht naar de kerk en de Oude Toren mogelijk. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van de de toekomstige situatie weergegeven. D D
D
1 Kavel 3 \ 337 m2 J\ Kavel 2 398 m2 Kavel 4 ļ 336 m2
Kavel 1 398 m2
ľ Kavel 5 ļH 378 m2
U
Impressie verkavelingsplan
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
11
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
«'•ą Vs 'V
'
V
•x y*:**
xff'
Impressie van de signatuur van de woningen
SpSf ’v
* ‘mm-.
'Ás*
rW'
kÙÉEŭÉ
1 Impressie van het doorzicht
12
naar de kerk en de Oude toren ter hoogte
van de insteekweg
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Hoofdstuk 3
Leegstraat
Winssen
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: » Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; » De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; » Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; » Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbijwordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
13
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.'Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreftde toevoeging van vijf wooneenheden in een bebouwingsconcentratie in de kern van Winssen. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda, zie subparagraaf 3.3.2.
3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
belangen in het geding.
Op 19 december2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorendegeactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)' heeft het college van Gedeputeerde Staten op 31 maart 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.
3.2.2
Omgevingsvisie
De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing.
Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.
14
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobielerdan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied wordt gebouwd. Het plangebied ligt in de kern van Winssen en wordt omgeven door woonpercelen. Bovendien is de beoogde woningtoevoeging afgestemd in het woningbouwprogramma, zie hiervoor subparagraaf 3.3.2.
Daarnaast worden de nieuwe woningen, aansluitend op de provinciale duurzaamheidsambities, zonder aardgasaansluiting en zoveel mogelijk zelfvoorzienend gerealiseerd. Tevens wordt het hemelwater op de eigen percelen geborgd. De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor de nieuw te bouwen woningen.
3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebbenop de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek In artikel 2.2 is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Zoals in subparagraaf 3.3.2 is beschreven, past de beoogde ontwikkeling zowel binnen de woonvisie alsmede binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (en daarmee binnen de subregionale woonagenda). Daarnaast is het plangebied onderdeel van een intrekgebied van een waterwingebied.
De omgevingsverordening regelt in artikel 2.38 dat een intrekgebied geen bestemming mag krijgen die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Hiervan is geen sprake. In de omgevingsverordening zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de planrealisatie.
3.2.4
van
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale
bestemmingsplan "Leegstraat
belangen in het geding.
Winssen" (definitief)
15
bestemmingsplan
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Beuningen
Leegstraat
Winssen
De gemeentebrede Omgevingsvisie is op 21 december2021 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale en lange termijn visie tot 2040 over de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de gemeente Beuningen. Het motto van de Omgevingsvisie bestaat uit de kernwaarden van de gemeente: verbinding, betrokkenheid en mooi plekje. De Omgevingsvisie richt zich op 5 ambities. Deze ambities zijn gebaseerd op de analyse van de trends en ontwikkelingen en de beleidsanalyse, zoals die zijn opgenomen in de Notitie van Uitgangspunten Omgevingsvisie Beuningen. De ambities laten zien welke onderwerpen de gemeente belangrijk vindt en waaraan de gemeente de komende jaren, in gezamenlijkheid met inwoners, organisaties, de regio en overige partners, wil werken. Bij het werken aan de toekomst van Beuningen worden de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden beschermd. Deze waarden zijn het uitgangspunt bij ontwikkelingen, samen met de kernwaarden uit het motto.
De vijf ambities voor de fysieke leefomgeving in de komende jaren zijn: » Beuningen heeft voldoende woningen en voldoende bereikbare voorzieningen op de juiste plek, waardoor we leefbare kernen hebben; » Beuningen is gezond, inclusief en veilig; » Beuningen is energieneutraal en klimaatbestendig; » Beuningen heeft een schone leefomgeving met een waterkwaliteit, bodemkwaliteit en luchtkwaliteit die voldoen aan de normen. Ook heeft Beuningen zo min mogelijk hinder van geluid, geur, licht en omgevingsrisico ’s. Beuningen streeft naar vergroting van de biodiversiteit; » Beuningen is ondernemend en uitnodigend. Voldoende woningen Beuningen is een echte woongemeente. Er is een uiteenlopend aanbod van woonmilieus, van landelijk tot dorpscentrum. Dat is een aanvulling op de meer grootstedelijke milieus in de regio. De gemeente wil dit aanbod blijven bieden, versterken en uitbouwen. Hierbij wordt rekening gehouden met de demografische ontwikkeling en dynamiek op de regionale woningmarkt. Bij de groei staat het behoud van de woonkwaliteiten (groen, blauw, rust en ruimte) voorop. Daarvoor moeten een andere aanpak worden gekozen dan ongebreideld uitbreiden. In samenhang met thema ’s als duurzaamheid en klimaatverandering is een uitgekiende ontwikkeling nodig.
Dit resulteert in de volgende opgaven: » Voldoende woningen voor de eigen behoefte én de regionale groei; » Betaalbare woningen voor diverse doelgrepen, verschillende soorten woningen binnen de wijken, levensloopbestendige woningen en bevordering van doorstroming; » Behoud van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en geschikte woningen voor toekomstige doelgroepen; » Nieuwe woningen moet zoveel mogelijk duurzaam, klimaatbestendig en circulair worden gebouwd, maar ook de bestaande voorraad moet verduurzamen. Inbreiding Bij nieuwbouw wordt het principe ‘inbreiding voor uitbreiding’ gehanteerd. In de bestaande kernen is beperkte ruimte voor inbreiding. Onbebouwde,laag gewaardeerde locaties komen nauwelijks voor. Mogelijkheden ontstaan vooral door functieverandering. De invulling is altijd maatwerk. Dat geldt voor iedere inbreidingslocatie. Het gaat om goed aanhaken op de bestaande structuur en benutten van mogelijkheden zodat de woningbouw bijdraagt aan versterking van het dorp. Behoud van het eigen, groene karakter is daarbij belangrijk. Naast functieverandering is het in Beuningen beleid om waar mogelijk ook mee te werken aan vervanging van oudere slechtere woningen voor moderne, energieneutrale woningen. Planspecifiek Het plangebied ligt nabij het groene dorpshart van Winssen.
Aansluitend hierop krijgen de kavels een groene omkadering, waarbij onder andere de groene voorruimte met de bestaande bomenstructuur langs de Leegstraat behouden blijft. De beoogde woningen vormen een aanvulling op de omliggende burgerwoningen en krijgen een dorpse signatuur. Bovendien worden de woningen levensloopbestendig uitgevoerd, waardoor ze complementair zijn aan het reguliere woningaanbod.
16
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
3.3.2
Leegstraat
Winssen
Woonvisie
De gemeenteraad heeft de woonvisie voor de periode 2018 - 2023 op 19 december2017 vastgesteld. Met deze Woonvisie stelt de gemeente haar woonbeleid voor de komende jaren vast. De Woonvisie vormt de basis voor het woningbouwprogramma in de komende jaren, afstemming met de buurgemeenten en prestatieafspraken met Woonwaarts. De woonvisie gaat uit van een vitaal, zorgzaam en duurzame gemeente. In de toekomst (stip op de horizon circa 2030) bestaat de gemeente uit dorpen waarin het fijn wonen is voor mensen, ongeacht hun leeftijd, inkomen, mobiliteit of gezondheid. Kernen in een rustige, groene omgeving met de kracht van de nabijheid en bereikbaarheid van werk en voorzieningen in de stedelijke agglomeratie. De kernen zijn aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefgemeenschappen, passend bij de (veranderende) vraag van de consument. De gemeente Beuningen is een bewuste keuze voor jonge gezinnen die de stad verlaten om in de gemeente rust en ruimte te zoeken, alsmede voor ouderen en zorgbehoevenden die in de gemeente willen blijven wonen. Met duurzame en zorgzame woonmilieus beschikt Beuningen over een onderscheidend, kwalitatief hoogwaardig palet aan woonmilieus in de regio.
Kwalitatieve opgave: inspelen op de mismatch Het is de ambitie om over voldoende woningen te beschikken én de juiste woningen op de juiste plekken te hebben,passend bij de doelgroepen en woonwensen nu en op langere termijn. De mismatch tussen vraagontwikkeling en huidig woningaanbod is daarbij maatgevend. Binnen de gemeente moet een gevarieerd aanbod aan woonmilieus worden aangeboden: landelijk, dorps en centrum-dorps wonen. Uitgangspunten zijn voorts: » Inbreiding gaat voor uitbreiding, tenzij inbreiding ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit van een wijk of kern (ruimte en groen). Uitbreiding buiten stedelijk gebied zal dan juist een ruimtelijke kwaliteitsimpuls voor het buitengebied (of de overgang van bebouwdekom en buitengebied) moeten bieden of een bijzonder woonmilieu moeten creëren dat niet mogelijk is in de bestaande kern; » De gemeente zet in op transformatie van leegstaand c.q. vrijkomend (agrarisch) vastgoed richting woningbouw, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat dit meerwaarde biedtvoor de volkshuisvestelijke, maatschappelijke en/of ruimtelijke kwaliteit; » Transformatie wordt als een bredere opgave gezien.
Daaronder vallen ook: aanpassingen van woningen met het oog op levensloopbestendigheid, investeringen in verduurzaming in energetisch opzicht, verkoop van huurwoningen en terugbouwen van toekomstgerichte sociale huurwoningen (de dubbelslag), transformatie van wijken (herstructurering), splitsing grotere boerderijen/ woningen; » Er wordt ingezet op een goede mix van appartementen en grondgebonden woningen, waarbij de specifieke kwaliteiten en potenties van de locaties leidend zijn; » De gemeente geeft prioriteit aan projecten die echt op korte termijn ontwikkeld moeten worden, vanwege de behoefte en de impuls die de projecten bieden voor bijvoorbeeldde woningmarkt; » Er wordt ingespeeld op de specifieke behoeften van doelgroepen die in de knel komen op de woningmarkt; » Voor woningbouwinitiatieven wordt een kwalitatieve meetlat ontwikkeld. Deze meetlat moet ervoor zorgen dat (ver-)bouwplannen zoveel mogelijk sporen met de door ons gewenste kwaliteiten. De meetlat wordt toegepast op nieuwe initiatieven, maar ook de huidige projecten worden getoetst. Zo kan de gemeente optimaal op kwaliteit sturen. Kwantitatieve opgave: bandbreedte Vanzelfsprekend is het inspelen op de kwalitatieve mismatch op de woningmarkt op termijn cruciaal, dat is het vertrekpunt. Een kwantitatieve bandbreedte, als kader waarbinnen de juiste kwaliteiten gerealiseerd kunnen worden, blijft echter nodig.
Meer dan in het verleden wil de gemeente daarin ruimte voor flexibiliteit creëren, zodat sneller wordt ingespeeld op nieuwe kansrijke initiatieven. Het is belangrijk dat er de komende jaren in iedere kern wordt gebouwd, passend bij de ontwikkeling van de kern, zodat deze vitaal blijven. Geen grootschalige uitbreidingen, maar kleinschalige impulsen, passend bij de bestaande sfeer en identiteit.
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
17
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
Planspecifiek Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030' van kracht. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Beuningen komt dit neer op circa 1.325 woningen. De beoogde toevoeging van vijf levensloopbestendige wooneenheden voorziet in een lokale woningbehoefte en past zowel binnen de woonvisie, alsmede binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma van 1.325 woningen (en daarmee binnen de subregionale woonagenda).
3.3.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan
18
is passend
c.q. niet strijdig met het beleid van de verschillende overheden.
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Hoofdstuk 4
Leegstraat
Winssen
Milieu- ä omgevingsaspecten
4.1
Verkeer S parkeren
4.1.1
Verkeer
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Om de verkeersgeneratie te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente Beuningen is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwdekom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op: » 7,4 voertuigbewegingen per woning (koop, tussen/hoek); » 8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand). In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen, als gevolg van de beoogde ontwikkeling, met drie geschakelde en twee vrijstaande woningen toe. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen beperkt toeneemt met ((3 x 7,4) + (2 x 8,2) ^ 38,6 extra voertuigbewegingen per weekdag. De beoogde woningen worden ontsloten op de Leegstraat. De capaciteit van de Leegstraat voldoende om de toename van het aantal voertuigbewegingen op te vangen.
is ruim
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is conform het 'Parapluplan Parkeren' gebruik gemaakt van CROW-kencijfers uit de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Beuningen gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de gemiddelde parkeernorm. Voor onderhavige ontwikkeling, in de 'rest bebouwdekom', bedraagt de gemiddelde parkeernorm: » 2,0 parkeerplaatsen per woning (koop, tussen/hoek); » 2,3 parkeerplaatsen per woning (koop, vrijstaand). In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen, als gevolg van de beoogde ontwikkeling, met drie geschakelde en twee vrijstaande woningen toe. Dit betekent dat er ((3 x 2,0) + (2 x 2,3) ^ 10,6 parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de parkeernorm. Het uitgangspunt is dat de parkeervraag voor een nieuwe ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Ter plaatse van het plangebied is voldoende ruimte om in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien. De vrijstaande woningen krijgen beide een dubbeleoprit en de geschakelde woningen krijgen ieder een enkele oprit. Hiermee wordt voorzien in zeven parkeerplaatsen. De andere vier benodigde parkeerplaatsen zijn beschikbaar op de mandelige weg in het plangebied. Bezoekers kunnen hier hun auto parkeren.
Het daadwerkelijk moeten voldoen aan de parkeernorm is geborgd in de algemene regels van dit bestemmingsplan. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
19
bestemmingsplan
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Leegstraat
Winssen
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet onaanvaardbaar verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).
4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Vanwege de beoogde functiewijziging en de voormalige aanwezigheid van bebouwing, een boomgaard en een gedempte sloot, is ter plaatse van het plangebied, een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een teeltlaagonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen. Verkennend bodemonderzoek en teeltlaagonderzoek Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging, waarbij het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de oorspronkelijke teeltlaag, gedempte sloot en voormalige bebouwing aandachtspunten vormden. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde verdachte hypothese worden verworpen, aangezien in de boven-, ondergrond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse zware metalen en/of PAK zijn aangetoond. In de oorspronkelijke teeltlaag zijn geen verhoogde gehalten voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 en de interventiewaarde niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb.
Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de gedempte sloot en voormalige bebouwing. De gedempte sloot heeft niet geleid tot een (ernstige) bodemverontreiniging en/of verslechtering van de bodemkwaliteit. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping van de sloot eventueel slib verwijderd en is de sloot gedempt met gebiedseigen grond. Verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de verdachte hypothese worden verworpen, aangezien zintuiglijk in de opgeboorde en opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond in de onderzochte grondlagen.
20
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.
Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure ” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:\ » waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; » waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.
Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel. Zonebreedte Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
5 of meer 3 of 4 1 of 2
350 meter 350 meter 200 meter
600 meter 400 meter 250 meter
Overzicht zonebreedtes
(vanaf de as van de weg tot de volgende
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
breedte aan weerszijden van weg)
21
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijkgebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwdekom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwdekom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.
4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidscontour van een weg met een snelheidsregime van 50 km/u of meer. Daarom hoeft er geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden voor de beoogde woningen in het plangebied. Wel ligt direct ten noorden van het plangebied een speeltuin. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is doormiddel van een akoestisch onderzoek industrielawaai de geluidsbelasting van de speeltuin op de gevels van de te bouwen woningen bepaald. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. De berekeningen zijn uitgevoerd conform methode II.8 van de handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM,1999) met behulp van het softwarepakker Geomilieu versie 2021.1. In het model zijn de inrichting en de directe omgeving opgebouwd door middel van gebouwen, bodemgebieden, geluidsbronnen en toetspunten. De noordelijke gevels van kavel 2 en 3 zullen doof worden uitgevoerd. De dove gevels zijn in de planregels vastgelegd. Alleen voor het maximale geluidniveau vindt een overschrijding plaats van de richtwaarde(s) van de VNG-publicatie. De overschrijding bedraagt maximaal 8 dB op de westgevel van kavel 3 (ter plaatse van toetspunt 21). Het verplaatsen van de toestellen wordt, gezien de kosten die hier aan verbonden zijn en de geringe reductie van de geluidbelasting die daar tegenover staat, niet doelmatig geacht.
Gezien de ligging van de woningen, geringe ruimte in de omgeving en de kleinschaligheid van het plan is het plaatsen van een geluidscherm ook niet doelmatig. Een geluidscherm staat daarnaast ook haaks op de stedenbouwkundige visie van de gemeente. Voor de woningen dient het uiteindelijke akoestisch klimaat in de woning te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels dan ook noodzakelijk. Indien genoeg gevelwering gerealiseerd wordt, kan een passend woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebbenin het kader van de Wet milieubeheer of moeten via een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijfof inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeelddrukke woonwijken of een gemengd gebied.
22
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorendegewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie
Richtafstand
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden
omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000m 1.500 m
Richtafstand
omgevingstype
gemengd gebied
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000m
VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Spuitzones Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico's voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige nieuwe bestemming aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeldde uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk ” bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt (bijvoorbeeldde uitspraak van 4 mei 2016 in zaak nr. 201506413/1/R2 ).
Bij het maken van een nieuw bestemmingsplan waar sprake is van een bestaande situatie/afstand mag de gemeente de bestaande afstand als voldoende aanduiden, aangezien niet vaststaat dat de eventuele nadelige gevolgen daarvan vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht, De Raad van State heeft dat onderschreven in diverse uitspraken (bijvoorbeeldde uitspraak van 12 november 2014 in zaak nr. 201306395/3/R2). Het belang van de fruitteler en het feit dat de bestaande situatie niet zomaar opgelost kan worden, telt hierbij zwaar mee. Bovendien geldt in dergelijke situaties de verregaande bescherming die de Wro aan bestaande rechtmatige toestanden geeft. Die bescherming is mede terug te vinden in het standaard overgangsrecht, dat ingevolge art. 3.2.2 Bro in ieder bestemmingsplan voor bestaand rechtmatig gebruik dient te worden opgenomen. Vanaf 1 januari 2018 is het vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheerverplicht een 75 0Zo reducerende spuittechniek (DRT75) toe te passen binnen een boomgaard. Bij teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen geldt op basis van artikel 3.80a van het Activiteitenbesluit de verplichting tot toepassen van een 75 07o reducerende spuittechniek vanaf 1 januari 2021.
4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Het plangebied is onderdeel van gemengd gebied. In de directe nabijheid van het plangebied komen geen bedrijven voor met een hindercontour die tot in het plangebied reikt. Ten aanzien van de huisartsenpraktijk ten westen van het plangebied, het Kindcentrum De Wegwijzer ten noordwesten van het plangebied en het (voormalige) verpleeghuis ten zuidwesten van het plangebied, wordt aan de richtafstanden voldaan. Bovendien zijn de bestaande woningen tussen het plangebied en de omliggende bedrijvigheid maatgevend voor de mogelijkheden van de betreffende bedrijven. Dit
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
23
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
betekent dat de beoogde woningen geen bedrijven in hun bedrijfsvoering schaden en de woningen geen overlast ondervinden van de bedrijven. Er is sprake van een goede woon- en leefomgeving. Spuitzones Ten noordoosten van het plangebied is op circa 15,0 m vanaf de perceelsgrens de fruitboomgaard bij de Sint Antonius van Paduakerk in Winssen gesitueerd. Sinds het einde van de 20e eeuw is geen sprake meer van commerciële exploitatie van fruit voor de verkoop. Nadat de boomgaard de exploitatiefunctie verloor is deze in verval geraakt. Om verdere achteruitgang tegen te gaan, heeft een groep vrijwilligers eind 2015 groot onderhoud gepleegd. Uit deze groep is eind 2016 Stichting Dorpsboomgaard 't Groene Hart Winssen ontstaan. De stichting heeft het behoud en onderhoud van de boomgaard als doel. Bij het onderhoud van de boomgaard worden geen chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen gebruikt. De bestrijding van ziekten en plagen gebeurt op biologische basis. Zodoende is van drift geen sprake. Een verklaring van Stichting Dorpsboomgaard 't Groene Hart Winssen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen is als bijlage 3 aan de toelichting toegevoegd. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: » negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. » mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheervoorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: » er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. » een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. » een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 “/o ten opzichte van de grenswaarde).
Het gaat hier bijvoorbeeldom woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. » een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg.
In de context van dit besluitworden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
24
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
bestemmingsplan
4.5.2
Leegstraat
Winssen
Doorvertaling bestemmingsplan
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op de realisatie van maximaal vijf wooneenheden en valt dus ruimschoots binnen de NIBM-regeling. Vandaar dat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijktdat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 pg/mS (voor NO2 en PM10) en 25 pg/mS (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: » voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; » voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwdekom en buiten de bebouwdekom. De wet beschrijft in artikel S de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwdekom diercategorieën
Buiten bebouwdekom
Rgv
Concentratiegebied
Nietconcentratiegebied
maximaal
maximaal
S ouE/m3
2 ouE^
andere diercategorieën
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën
maximaal
maximaal
Rgv
14 ouBm3
andere diercategorieën minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
8 ouE^
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedtgemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: » de geurbelasting wordt bepaald; » de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 201S zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij
bestemmingsplan "Leegstraat
Winssen" (definitief)
25
bestemmingsplan
Leegstraat
Winssen
de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurbij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument 'Handleiding Geur Industrie' en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de 'Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017' voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder.
Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijfwaarop nog slechts 1 /o van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeldrondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluitverplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld.