CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Algemene Plaatselijke Verordening 2022

Commissie Samenleving & Bestuur (S&B) 28 september 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel wijziging Algemene Plaatselijke Verordening13.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Beuningen 2022 De raad van de gemeente Beuningen; gelezen het voorstel van het college van burgemeesters en wethouders van 23 augustus 2022; overwegende dat; het gewenst is om de verordening te wijzigen om te voldoen aan wet- en regelgeving. gelet op artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; b e s l u i t vast te stellen de volgende verordening:

Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Beuningen 2022

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen a.

bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de

grenzen heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b.

bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht; c.

bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de

Bouwverordening; d.

de Groene Heuvels: het voor dagrecreatie bestemde gebied beheerd door de

(ondernemingen van) de RGV, gelegen aan "de Groene Heuvels". e.

openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen

de weg als bedoeld onder m; f.

college: het college van burgemeester en wethouders;

g.

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de

Woningwet; h.

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee

kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i.

openbaar water: wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek

bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j.

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een

zakelijk of persoonlijk recht; k.

vaartuig: alle vaartuigen en drijvende voorwerpen, die de mogelijkheid hebben om

ermee te varen; l.

voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; m.

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de

Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of

ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

3.

In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen

omgevingsrecht (Wabo) van toepassing vanaf datum inwerkingtreding van artikel 2.2. van de Wabo*, als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11. (* de Wabo is in werking getreden 1 oktober 2010).

Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden

verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan

verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten

opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.

indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en

beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.

indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of

gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e.

indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:6 Termijnen 1.

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning

of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.

De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding

voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7 Weigeringsgronden 1.

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang

van: a.

de openbare orde;

b.

de openbare veiligheid;

c.

de volksgezondheid;

d.

de bescherming van het milieu.

2.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor

minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare Orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1. Samenscholing en ongeregeldheden 1.

Het is verboden op een openbare plaats op enigerlei wijze de orde te verstoren,

zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.

Degene die op een openbare plaats:

a.

aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te

ontstaan; b.

aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek

waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c.

zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.

Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die

door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde

verbod. 5.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen

en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

AFDELING 2. BETOGING

Artikel 2:2 [gereserveerd]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden,

geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.

De kennisgeving bevat:

a.

naam en adres van degene die de betoging houdt;

b.

het doel van de betoging;

c.

de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van

beëindiging; d.

de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

e.

voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

f.

maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig

verloop te bevorderen. 3.

Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip

van de kennisgeving is vermeld.

4.

Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00

uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid,

genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:4 Afwijking termijn [gereserveerd]

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens [gereserveerd]

AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder

publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.

Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.

Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan

huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

AFDELING 4. VERTONINGEN E.D. OP DE WEG

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. [gereserveerd]

Artikel 2:8 Dienstverlening [gereserveerd]

Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1.

Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf,

tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.

De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en

uren. 3.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG

Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of plaats 1. Het is verboden: a. een openbare plaats of een gedeelte ervan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: 1° het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; 2° het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. kabels of snoeren ten behoeve van het laden van elektrische motorvoertuigen, dan wel daartoe bestemde kabelgoten, beschermmatten of overige toebehoren op, over of boven een openbare plaats te leggen of te houden, tenzij deze kabels of snoeren zich bevinden op of over de openbare parkeergelegenheid waarop het motorvoertuig staat

geparkeerd en de verbinding leggen tussen dit voertuig en een bij die parkeergelegenheid behorende laadpaal. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woonen leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 3. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 4. Het bevoegd orgaan kan nadere regels stellen ten aanzien van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; c. terrassen die onderdeel uitmaken van de exploitatievergunning van artikel 2:28 APV of de Drank- en Horecavergunning van artikel 3 lid 1 van de Alcoholwet. 6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of de Omgevingsverordening Gelderland. 7. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10A Gedrag voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:10B Sluiting voor publiek toegankelijke ruimten 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij

behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en er naar het oordeel van de burgemeester voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin te betreden of bezoekers toe te laten of te laten betreden. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf te betreden. 6.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:10C Verbod betreden van voor het publiek gesloten ruimten 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een

niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een

lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 3.

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het

lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Gelderland, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 4. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:11A Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat

bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de

Waterstaatwet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitrit of uitweg te maken, al dan niet over een trottoir naar de weg of verandering te brengen in een bestaande inrit of uitweg naar de weg. 2. Het college kan de vergunning weigeren:

a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. in het belang van de bescherming van de groenvoorziening binnen de gemeente; d. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; e. indien er reeds een bestaande uitweg vanuit een perceel met woonbestemming aanwezig is; f. indien er sprake is van een uitweg van een perceel met bestemming anders dan wonen dat al door een andere uitweg wordt omsloten en de aanleg van deze tweede uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, groenvoorziening, of het uiterlijk aanzien van de omgeving. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Gelderland. 4. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

AFDELING 6. VEILIGHEID OP DE WEG

Artikel 2:13 [gereserveerd]

Artikel 2:14 [gereserveerd]

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Plaatsing en markering containers 1. De container dient buiten de weg geplaatst te worden. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, dient de container zoveel mogelijk naar de zijkant van de weg geplaatst te worden. 2. Containers die op de openbare weg zijn geplaatst, moeten in het belang van de veiligheid van het verkeer, voorzien zijn van voldoende markering van retroreflecterend materiaal.

Artikel 2:18 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp voor voetgangers, fietsers 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of fietsers bestemde deel of te gebruiken deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,5 meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstanden dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

Artikel 2:19 Opsporen metalen 1.

Het is verboden opgravingen te doen als bedoeld in artikel 2.2. Besluit Erfgoedwet

archeologie. 2.

Het is verboden op een openbare plaats een metaaldetector of enig ander

voorwerp waarmee metalen kunnen worden opgespoord bij zich te hebben, met het kennelijke doel deze te gebruiken voor het opsporen van metalen. 3.

De verboden uit het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op opgravingen

door een certificaathouder als bedoeld in paragraaf 5.1 van de Erfgoedwet.

4.

De verboden uit het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een bedrijf

dat in bezit is van een systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCSOCE).

Artikel 2:20 – 2:23 [gereserveerd]

AFDELING 7. EVENEMENTEN

Artikel 2:24 Begripsbepaling 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke

verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

bioscoopvoorstellingen;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en

artikel 5:22 van deze verordening; c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d.

het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare

manifestaties; f.

activiteiten als bedoeld in 2:9 en 2:39 van deze verordening.

2.

Onder evenement wordt mede verstaan:

a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie;

c.

een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze

verordening, op de weg; d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

e.

een straatfeest of buurtbarbeque op één dag (klein evenement).

Artikel 2:25 Evenement 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester

een evenement te organiseren. 2.

Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in het eerste lid

moet worden ingediend uiterlijk 8 weken vóór datum van het evenement. 3.

Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien aan alle hierna genoemde

criteria wordt voldaan: a.

het aantal aanwezige personen inclusief deelnemers niet meer bedraagt dan 250

(tweehonderdvijftig); b.

het evenement tussen 9.00 en 24.00 uur plaats vindt;

c.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 24.00 uur;

d.

het evenement geen of een zeer geringe beperking van het gebruik van de weg of

anderszins veroorzaakt en geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e.

slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10

m2 per object; f.

er een organisator is;

g.

de organisator tenminste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan

melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4.

De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten het

organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor

zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6.

Op de vergunning is onverminderd art. 1:8 lid 2 van de APV van toepassing.

7.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25A Beëindiging evenement 1.

Degene die een evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding

heeft, is verplicht: a.

dat evenement onverwijld te beëindigd indien de burgemeester een bevel geeft;

b.

ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoelde bevel door de burgemeester is

gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt; c.

ervoor te zorgen dat daartoe aangewezen ambtenaren te allen tijde toegang

hebben tot het evenement. 2.

Het is voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien

waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, onder a, is gegeven.

Artikel 2:25B Op de weg achtergebleven stoffen na een evenement Het college kan de organisatie van een evenement verplichten te zorgen dat de op of in de nabijheid van de plaats waar het evenement wordt of werd gehouden, op de weg achtergebleven stoffen, die het milieu verontreinigen en direct verband houden of hielden met het evenement worden verwijderd overeenkomstig door hen te stellen regels.

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

2.

Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag

aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 3.

Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere

voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 4.

Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van

politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid ter stond en stipt op te volgen.

Artikel 2:26A Voetbalwedstrijd 1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder voetbalwedstrijd: een

voetbalwedstrijd die wordt georganiseerd op een speelterrein in de gemeente Beuningen en waarbij ten minste één betaald-voetbalorganisatie is betrokken. 2.

Een voetbalwedstrijd is een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van deze

verordening. 3.

Het verbod als bedoeld in artikel 2:25 lid 1 geldt niet voor een voetbalwedstrijd

als bedoeld in lid 1, indien de organisator uiterlijk 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk melding heeft gedaan aan de burgemeester en daarbij de noodzakelijke informatie heeft verschaft voor een goede risicobeoordeling. 4.

De burgemeester kan na ontvangst van de melding besluiten nadere voorschriften

te stellen dan wel het organiseren van het evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de oprenbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.

Vanaf vier uur voor het vastgestelde begin tot vier na afloop van een

voetbalwedstrijd als bedoeld in lid 1 is het niet toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te verstoren.

Artikel 2:26B Verwijdering voetbalsupporters Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

AFDELING 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN

Artikel 2:27 Begripsbepalingen 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a.

Openbare inrichting:

1° Een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; 2° Elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid; b.

Terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel

daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. c.

Leidinggevende:

1° De natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare richting wordt uitgeoefend; 2° De natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgeoefend; 3° De natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanige openbare inrichting. 2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de

burgemeester. 2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de vergunning indien de

vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en

geen medewerking zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid eveneens weigeren indien de leidinggevende(n): a.

Onder curatele staan; en

b.

In enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; en

c.

De leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt.

3.

Onverminderd het bepaalde in lid 2, dien(t) (en) de leidinggevende(n) te voldoen

aan de eisen gesteld in hoofdstuk 3 eisen zedelijk gedrag leidinggevende van de Alcoholwet, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag. 4.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning

geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5.

Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de

burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 6.

Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden

indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting. 7.

Een vergunninghouder doet melding aan de burgemeester indien:

a.

Een leidinggevende op de vergunning dient te worden bijgeschreven;

b.

Een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd als deze geen

bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting. 8.

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

a.

een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de

activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

b.

een zorginstelling;

c.

een museum;

d.

een bedrijfskantine of – restaurant;

e.

droge horeca, met uitzondering van coffeeshops en soortgelijke inrichtingen en

cafetaria´s en snackbars; of f.

horecabedrijven die vergunningplichtig zijn op grond van de Alcoholwet.

9.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 2:28A Intrekkingsgronden 1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning

ingetrokken indien: a.

de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of

onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b.

een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in

artikel 2:28 tweede lid; c.

zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan,

die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d.

indien voor de exploitatie van een horeca-inrichting tevens een vergunning op

basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2.

Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken indien:

a.

is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan

verbonden voorschriften; b.

niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn

bepaald;

c.

de intrekking van de vergunning op grond van het eerste lid, onder b, eerst kan

geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de vergunninghouder zelf niet langer voordoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:28 tweede lid; d.

in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door

een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; e.

op verzoek van de exploitant.

3.

Ten aanzien van de openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen

ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Artikel 2:28B Vervallen vergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a.

de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is

overgedragen; b.

zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de

exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c.

gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van

de exploitatievergunning.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.

Openbare inrichtingen zijn gesloten op dinsdag tot en met vrijdag tussen 01:00

uur en 05:00 uur, en op zaterdag tot en met maandag tussen 02:00 uur en 05:00 uur (sluitingstijd). 2.

Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of

bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

3.

De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere

sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. 4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

5.

Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid onder a, gelden

dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6.

Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin

geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 7.

Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid

of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde

onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.

de orde te verstoren;

b.

zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten

dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.

Artikel 2:31A Kansspelen 1. Het is verboden in een openbare inrichting in enigerlei vorm met of om geld te spelen.

2. Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot kansspelautomaten waarvoor ingevolge artikel 30b van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend door de burgemeester.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1

van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.

De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een

voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

AFDELING 8A. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE ALCOHOLWET

Artikel 2:34A Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

alcoholhoudende drank:

-

horecabedrijf;

-

horecalokaliteit;

-

inrichting

-

paracommerciële rechtspersoon;

-

sterke drank;

-

zwak-alcoholische drank

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet; b.

de bijeenkomst van persoonlijke aard: een bijeenkomst, waarbij alcoholhoudende

drank wordt genuttigd, die geen direct verband houdt met de statutaire activiteiten van de paracommerciële instelling. Voorbeelden van bijeenkomsten van persoonlijke aard zijn bruiloften, recepties bij jubilea, verjaardagsfeesten, barbecues, bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten en dergelijke.

Artikel 2:34B Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.

Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend

verstrekken dagelijks tussen 12.00 uur tot 01.00 uur. 2.

Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank

tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:34C Voorwaarden en beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 2:34D Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

AFDELING 9. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF

Artikel 2:35 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.

inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of

bedrijf, aan personen tijdelijk de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; b.

houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding

heeft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Verschaffen gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

AFDELING 10. TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN

Artikel 2:38 Speelgelegenheden 1.

Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke

gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te

exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a.

speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van

de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

b.

speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit

bevoegd is vergunning te verlenen; c.

speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel

als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3.

De burgemeester weigert de vergunning:

a.

indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in

de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b.

indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend

bestemmingsplan. 4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:39 Speelautomaten 1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

a.

Wet: de Wet op de kansspelen;

b.

automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet ;

c.

hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de

Wet; d.

laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de

Wet. 2.

In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

3.

In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40 Aankondiging speelverbod onder 18 jaar

Aan de vergunning voor een kansspelautomaat wordt het voorschrift verbonden dat op een voor het publiek vanaf de kansspelautomaat zichtbare plaats een aanduiding aanwezig is van een verbod voor het spelen op de automaat voor personen onder de 18 jaar.

AFDELING 11. MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel

174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.

Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b

van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het

lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:41A Verblijfsontzeggingen De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde of zedelijkheid aan een persoon het bevel te geven zich niet te bevinden, anders dan in een middel van openbaar vervoer, op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit bevel wordt enkel opgelegd aan degenen die herhaaldelijk strafbare feiten plegen en geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.

Artikel 2:42 Plakken en kladden (zie ook 2.10) 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat

vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een

openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te

doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b.

met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te

brengen of te doen aanbrengen. 3.

Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt

krachtens wettelijk voorschrift. 4.

Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van

meningsuitingen en bekendmakingen. 5.

Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van

handelsreclame. 6.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen

en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.

De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een

opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 [gereserveerd]

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of

vermommingsmiddelen te vervoeren of bij zich te hebben of te dragen. 2.

Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen of

vermommingsmiddelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen, of herkenning bij het plegen voornoemde strafbare feiten te voorkomen.

Artikel 2:45 Rookverbod op een openbare plaats bij een speeltuin of schoolterrein 1.

Het is verboden te roken op een openbare plaats die op minder dan 10 meter

afstand is gelegen van: a.

het terrein van een speeltuin of van een school.

b.

een door het college aangewezen overheidsgebouw.

2.

Dit verbod is niet van toepassing op gevallen waarin de Tabaks- en rookwarenwet

voorziet.

Artikel 2:46 [gereserveerd]

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats:

a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping,

constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.

zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van

nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel

424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 3.

Het is verboden te vissen ter voorkoming van overlast op een door het college

aangewezen plaats of gedurende voor een aangewezen plaats geldende dagen en/of tijden.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op

een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.

Het verbod is niet van toepassing op:

a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de

Alcoholwet; b.

een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een

ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

Het is verboden:

a.

zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

b.

zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een

gebouw te zitten of te liggen. 2.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw,

appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:51 – 2:56 [gereserveerd]

Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven

of te laten lopen: a.

op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

b.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte

kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

c.

of op een andere door het college aangewezen plaats.

2.

Het verbod in het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college

aangewezen plaatsen. 3.

Het college kan voor plaatsen bepaalde perioden en tijden instellen waarvoor de

plicht genomen in het eerste lid onder a of b of c niet geldt. 4.

Het eerste lid, aanhef en onder a, b en c, is niet van toepassing op de eigenaar of

houder van een hond: a.

die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat

begeleiden; of b.

die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale

hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.

Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of

hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.

Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond

aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.

Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond

voorzien te houden van een muilkorf die:

a.

vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b.

door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat

verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c.

zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen

de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.

aanwezig te hebben, of

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde

regels, of c.

aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

Artikel 2:61 – 2:65 [gereserveerd]

AFDELING 12. [gereserveerd]

Artikel 2:67 t/m 2:70 [gereserveerd]

AFDELING 13. VUURWERK Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).

Artikel 2:72 [gereserveerd]

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.

Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in

het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.

Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als

dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.

De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op

situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

AFDELING 14. DRUGSOVERLAST

Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet , of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

AFDELING 15. BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN, CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:47, 2:48 of 2:50 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij

ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.

De burgemeester kan besluiten overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet

tot het plaatsen van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van toezicht op een openbare plaats. 2.

De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende

andere plaatsen: a.

Parkeerterreinen;

b.

Overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie

van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen.

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of

beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan

een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.

Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare

feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

4.

De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij

dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151 onder d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen

betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.

Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt

naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. 3.

De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

a.

geluid- of geurhinder;

b.

hinder van dieren;

c.

hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf

aanwezig zijn; d.

overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

e.

intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Opgenomen in de separate Verordening seksinrichtingen 2011, vastgesteld bij raadsbesluit 12 april 2011.

HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

AFDELING 1. GELUIDHINDER EN VERLICHTING

Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

b.

inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit ;

c.

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of

anderszins een inrichting drijft; d.

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal

inrichtingen is verbonden; e.

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein

aantal inrichtingen; f.

geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1

van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; g.

geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet

geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; h.

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19, 2:19a en 2.20

van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van

sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen

dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een

nieuw kalenderjaar bekend. 5.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien

was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.

a. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt

niet meer dan: Muziekweergave binnen het bebouwde

Muziekweergave buiten het

gedeelte van de inrichting (niet voor de

bebouwde deel

buitenruimte)

LAeq op de gevel

07.00 –

19.00 –

23.00 –

07.00

19.00

23.00 –

19.00

23.00

01.00/02.00

–

–

00.00/01.00

19.00

23.00

80

80

dB(A)

dB(A)

65 dB(A)

65 dB(A)

65 dB(A)

van gevoelige

B(A)

gebouwen óf op 50 meter

b. Geluidnormen worden gemeten op een hoogte van 1,5 meter. 7.

De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en

exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

8.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra

muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk: a.

bij muziekweergave, op dagen waarop een algemene vrije dag volgt, binnen het

bebouwde deel om 02.00 uur te worden beëindigd; b.

bij muziekweergave, op dagen waarop géén algemene vrije dag volgt, binnen het

bebouwde deel om 01.00 uur te worden beëindigd; c.

bij muziekweergave, op dagen waarop een algemene vrije dag volgt, buiten het

bebouwde deel om 01.00 uur te worden beëindigd; d.

bij muziekweergave, op dagen waarop géén algemene vrije dag volgt, buiten het

bebouwde deel om 00.00 uur te worden beëindigd. 9.

lid 6 t/m 8 zijn overeenkomstig van toepassing op evenementen die plaatsvinden

op een dag(deel) die is aangewezen als collectieve festiviteit én die niet plaatsvinden binnen een inrichting.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.

Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per

kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste drie weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten

per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste drie weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

4.

De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en

naar waarheid ingevuld en tijdig is ingeleverd bij het college.

5.

De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op

verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.

a. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt

niet meer dan: Muziekweergave binnen het

Muziekweergave buiten het

bebouwde gedeelte van de inrichting

bebouwde deel

(niet voor de buitenruimte) 07.00 –

19.00 –

23.00 –

07.00

19.00

23.00 –

19.00

23.00

01.00/02.00

–

–

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=035a84d3-cebe-4c30-848d-6fa573e08d25