26022.10 - Bijlage Archeologisch onderzoek ArcheoPro PvE Aarleseweg (A)
Tekst van het document
21
Aanvulling op specificatie OS05 (identificeren en registreren van grondsporen in vlak en profiel) OS06 (hoogtemetingen van vlakken sporen en/of vondsten) en OS08 (fotoregistratie). ,
,
21
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best. •
•
•
• •
versie 08-07-2025
,
Er worden meerdere overzichten , actie- en sfeerfoto’s van het onderzoek gemaakt , waarop het opgravingsproces , toegepaste methoden en karakteristieke punten uit de omgeving te zien zijn. Van complete objecten en andere belangrijke vondsten wordt terstond na berging een foto gemaakt met daarop naast het object een goed leesbaar vondstenkaartje. Om de leesbaarheid te vergroten , worden sporen (en zo nodig delen van het vlak) aanvullend met de schep opgeschaafd. Het onderzoeksvlak wordt gefotografeerd , sporen worden ingekrast , het vlak wordt beschreven en opgetekend. Vervolgens wordt het digitaal ingemeten met een robotic Total Station (rTS) of RTK-GPS. Vlak- en maaiveldhoogtes worden digitaal ingemeten (max. afwijking van 1-3 cm in X- , Y- en Z-dimensie). Van de vlakken worden foto’s gemaakt in overzichten en -indien noodzakelijk- in secties. Bij belangwekkende en/of kwetsbare vondsten worden op de vondstlocatie foto’s gemaakt. NAP-waarden worden gemeten op alle relevante vlakken alsook langs de lange zijde van een onderzoeksput waar ook de profielen worden beschreven.
6. 4. Omgang met kwetsbaar vondstmateriaal Het bergen van kwetsbaar vondstmateriaal gebeurt volgens de KNA leidraad ‘Eerste Hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. Bij complexe situaties (zoals en bloc-bergingen) dient een erkend conserverings- en/of materiaalspecialist te worden geraadpleegd en zo mogelijk te worden ingeschakeld om de berging te begeleiden (zie ook OS11). 6. 5 Structuren en grondsporen , scheepswrak of vliegtuig 22 •
•
•
Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen , dienen tijdens het proefsleuvenonderzoek in principe alle sporen te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen duidelijke structuren of een overvloed aan sporen. Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient contact opgenomen te worden met de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant/gemeente Best. Bij de verwachting dat het proefsleuvenonderzoek doorgestart zal worden naar een opgraving , wordt in overleg met het bevoegd gezag bepaald of alle nietnatuurlijke sporen volledig onderzocht en afgewerkt moeten (mogen) worden in de fase van het proefsleuvenonderzoek dan wel dat het onderzoek ervan beter in de fase van de opgraving wordt gedaan. Tijdens de opgraving worden alle niet-natuurlijke sporen volledig onderzocht en afgewerkt. Bij meerlaagse onderzoeken dient het onderzoek van de bovenste laag volledig afgerond te zijn (dus couperen , documenteren en afwerken) alvorens verdiept kan worden naar een volgend archeologisch niveau. In overleg met en in afstemming met de bevoegde overheid kan hiervan afgeweken worden indien de aard van de aangetroffen resten hierom vraagt. Sporen en lagen die zowel in het vlak als in het profiel zichtbaar zijn , krijgen hetzelfde spoornummer.
• • • • •
22
Van bijzondere sporen en structuren worden detailtekeningen gemaakt (schaal 1:20 of nauwkeuriger indien nog analoog getekend wordt). Greppels worden in iedere onderzoeksput tegen de profielwand minstens één keer over een breedte van minstens 1 meter gecoupeerd. Greppelstructuren worden aan gebruiksfasen toegewezen en waar mogelijk vergeleken met de oudste kadastrale kaarten of andere beschikbare historische kaarten. De vulling uit de gecoupeerde sporen wordt bij sporen van de bronstijd of jonger nagezocht met de metaaldetector. Er worden representatieve foto’s gemaakt van de grondsporen in het vlak en de coupes.
Aanvulling op (fotoregistratie).
specificatie OS07
(couperen
en
registreren
van
sporen)
en
aanvulling
op
OS08
22
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
Waar relevant en/of noodzakelijk voor de onderzoeksvragen worden monsters genomen voor 14C of dendrochronologische dateringen en voor archeobotanisch , micromorfologisch of palynologisch onderzoek. • Bij het aantreffen van water- en/of beerputten , kuilen of dumps die groter zijn dan 4 m² wordt in overleg met de bevoegde overheid een vervolgonderzoek bepaald. Waar mogelijk wordt met een (guts)boring diepte en/of gelaagdheid vastgesteld. • In geval van aantreffen van graven , zie paragraaf 6. 8. Huisplattegronden en/of structuren • Structuren moeten (waar mogelijk) volledig vrijgelegd worden alvorens onderzoek start. • Alle structuren worden getekend , ingemeten , beschreven , gecoupeerd en afgewerkt volgens bovenstaande definitie van afwerken. • Alle sporen van één structuur dienen in dezelfde richting gecoupeerd te worden met uitzondering van de sporen op de hoeken. Muurwerk , bouwpuin en uitbraaksleuven: • Bij het aantreffen van muurwerk of een uitbraaksleuf moet altijd voor een profiel(dam) worden gezorgd. Een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau , met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond. Na documentatie van het opgaande muurwerk wordt de muur doorgesneden en wordt de doorsnede van de muur opgenomen in de profieltekening. Daarbij wordt acht geslagen op een eventuele insteek.
Complexe en/of grote profielen van muurwerk kunnen ook middels fotogrammetrie gedocumenteerd worden. • Van muurwerk wordt de bovenzijde en de onderzijde opgemeten en van iedere versnijding wordt de hoogtemaat genomen. De hoogtematen worden in ieder geval aan het begin en het eind van de betreffende muur genomen , alsmede op hoeken en/of aanhechtingen. Bouwkundige details zoals reparaties of faseringen dienen nauwgezet te worden vastgelegd op tekening en middels een foto. Bij funderingsonderzoek worden met name de hoeken onderzocht. • Aangegeven wordt waar en welke mortel is toegepast. Bouwmateriaal en mortel wordt bemonsterd (o. a. met het oog op een OSL-datering). • Bij natuursteen wordt acht geslagen op de diversiteit van de gesteentesoorten. Van alle aanwezige afzonderlijke baksteenmaten wordt een baksteen verzameld. Het baksteen wordt beschreven en de baksteenformaten worden opgemeten. Ook een 5-lagenmaat of wanneer mogelijk een 10-lagenmaat dient te worden genoteerd. • Van natuursteen worden relevante maten genomen en wordt het metselverband geregistreerd. Ook moet het metselverband worden beschreven en de relatie met aangrenzend muurwerk. • Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek , onder de muur uit de funderingssleuf , ingesloten tussen de stenen , liggend op het muurrestant/uit de uitbraaksleuf.
• Concentraties (bouw)puin worden op het vlak ingetekend en als spoor afgewerkt (zie boven) met opgave van materiaalsamenstelling , mate van fragmentatie , depositionele interpretatie (bijvoorbeeld: ophoging , afbraaklaag) , dikte van de laag , al dan niet aanwezig zijn van mortels. Van de diverse materialen wordt een monster genomen. Van hele stenen worden de maten genoteerd. Crematiegraven • Voor de berging van crematiebegravingen is de senior KNA archeoloog verantwoordelijk. • Berging van crematieresten gebeurt volgens de inmiddels gangbare “methode Hiddink” 23 . • Indien containers (bijv. – vrijwel - compleet vaatwerk van aardewerk of glas) en/of beenderblokken worden aangetroffen worden ze bij voorkeur behandeld als monsters. Dit wil zeggen dat ze indien mogelijk ‘en bloc’ worden geborgen. •
23 Hiddink 2003 , 97-107.
23
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
De inhoud van de containers en de beenderblokken worden via een “micro-opgraving” en/of zeefmethode onder laboratoriumomstandigheden onderzocht. Voor de eventuele “microopgraving” en uitwerking van crematiebegravingen is een fysisch antropoloog verantwoordelijk. Inhumatiegraven • Voor het onderzoek (de berging) en uitwerking van inhumatiebegravingen is een fysisch antropoloog verantwoordelijk (menselijke resten) of een specialist op het gebied van archeozoölogie (bij complete dierlijke skeletten). • Bij een opgraving wordt bij het aantreffen van een grafkuil het vlak opgeschoond , gefotografeerd en getekend. Vervolgens wordt de kuil gecoupeerd in 2 of 4 segmenten , waarbij de inhoud per segment laagsgewijs wordt verzameld , gefotografeerd en getekend. De inhoud van grafkuilen wordt gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 2 millimeter. Circa 1 liter van de inhoud dient apart verpakt te worden ten behoeve van paleo-ecologisch onderzoek naar eventuele bijgiften op plantaardige basis. Concentraties verkoold materiaal en concentraties botmateriaal worden volledig verzameld. • De inhumaties worden digitaal of analoog op schaal 1:10 getekend , maar kunnen ook middels fotogrammetrie gedocumenteerd worden. • Menselijk en/of dierlijk skeletmateriaal wordt opgegraven , gedetermineerd en uitgewerkt volgens de beroepsgroep heersende normen (o. a.
leeftijdsbepaling , geslachtsbepaling , pathologie , bijgaven , etc. ). Ovens en haarden • Ovens en haarden worden direct volledig afgewerkt met speciale aandacht voor de bemonstering van organisch materiaal. • Bij (mogelijke) ijzerovens of haarden dient altijd een materiaalspecialist betrokken te worden. Hutkommen en/of grote 24 kuilen incl. water- en/of beerputten • Grote kuilen en/of hutkommen worden d. m. v. een kwadrantenmethode onderzocht en gedocumenteerd (kwadrantprofielen tekenen , fotograferen , bemonsteren). In eerste instantie worden 2 schuin tegenover elkaar liggende kwadranten onderzocht. Wanneer er geen zicht is op duurzaam fysiek behoud , of wanneer de bevoegde overheid beslist dat om andere redenen volledige afwerking nodig is , vindt volledige afwerking plaats. • Water- en/of beerputten worden in een proefsleuvenfase beperkt gedocumenteerd ; voldoende om een vervolgstrategie aan te bevelen. Minimaal wordt de diepte , het onderzoekspotentieel en gelaagdheid bepaald. De vervolgstrategie kan bestaan uit duurzaam fysiek behoud , gedeeltelijke documentatie of een volledige afwerking. De beslissing van de vervolgstrategie wordt gedaan in overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. De archeologisch uitvoerder geeft in voorkomende gevallen steeds een advies.
• In het profiel wordt bepaald of in hutkommen loopvlakken en/of Schwellbalken (wandfunderingen) te onderscheiden zijn. Op het niveau van het loopvlak wordt een vlak aangelegd , dat daarna schavend verdiept en gedocumenteerd wordt tot het niveau onder de kuilbodem ; hoek- en wandpalen worden gecoupeerd en getekend. • Vondsten en monsters op loopvlakniveau worden apart verzameld. Indien in de vulling aparte lagen zijn te onderscheiden , worden vondsten en monsters per laag verzameld. • Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor organisch materiaal , voor verbrand materiaal (huttenleem , slakken/sintels) en voor resten van ambachtelijke activiteiten (stoken , textielproductie). • De vulling van hutkommen wordt gezeefd (maaswijdte van 4 mm). Andere grote kuilen worden gezeefd indien zij kansrijk zijn t. a. v. de aanwezigheid van klein vondst- en/of botmateriaal. Het monster wordt in een big bag verzameld en getransporteerd. • Wanneer de bodem van hutkommen en/of grote kuilen incl. water- en/of beerputten niet gravend bereikt kan worden , wordt de diepte en opbouw bepaald door middel van booronderzoek , waarbij ook botanische monsters worden genomen. •
24 Onder grote
kuilen wordt verstaan kuilen groter dan 4 m². 24
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
Vuursteenconcetratie(s) Indien in een onderzoeksput bij het laagsgewijs verdiepen tot het sporenvlak sprake is van meer dan 5 vuursteenvondsten binnen een oppervlakte van 4 bij 4 m , dan wordt in eerste instantie schavend met een schep vastgesteld of het hier een vuursteenconcentratie kan betreffen. Indien dit het geval lijkt , wordt in overleg met een vuursteenspecialist , de bevoegde overheid en de opdrachtgever gekozen voor de meest geëigende techniek om de omvang en fysieke kwaliteit van de concentratie vast te stellen. De eerste stap hierin kan zijn , het plaatsen van Edelmanboringen (diameter 12 cm) in een boorgrid van 2 bij 25, meter over de vermoede concentratie , waarbij de boorkernen (nat) worden uitgezeefd over een zeef met een maaswijdte van 2 mm. De boringen dienen minstens doorgezet te worden tot 30 cm in de in situ C-bodem. Op basis van een eerste inzicht in de spreiding van vuursteen , wordt in overleg met de vuursteenspecialist bepaald wat de nadere strategie zal zijn. In elk geval wordt het vlak bij het vermoeden van een vuursteensite niet verder machinaal verdiept. Indien wenselijk kan (in overleg met de vuursteenspecialist , de bevoegde overheid en de opdrachtgever) besloten worden om ter hoogte van de concentratie enkele zeefvakjes aan te leggen. Afspraken over de te volgen strategie zullen dan nader afgestemd moeten worden.
Aardewerkconcentratie(s) Indien in een onderzoeksput bij het laagsgewijs verdiepen tot het sporenvlak sprake is van een mogelijke vondstconcentratie van met name aardewerk (concentratie = meer dan 5 scherven op 1 m²) , dan wordt in eerste instantie schavend met een schep vastgesteld of de insteek van de kuil echt niet gedetecteerd kan worden. Bij uitblijven van een insteek of kuil , wordt de vondstconcentratie als een spoor behandeld. Dit houdt in dat rond de concentratie een aflijning aangebracht wordt en dat het ‘spoor’ vervolgens gecoupeerd (en indien nodig) afgewerkt wordt. Indien wenselijk (vanuit de vraagstelling en/of waardering) worden eveneens bodemmonsters genomen voor specialistische onderzoek. Scheepwrak of vliegtuig Deze resten worden binnen het plangebied niet verwacht. Indien onverwacht toch aanwezig , dient in overleg met een ter zake deskundig specialist en de bevoegde overheid en na goedkeuring van opdrachtgever de beste onderzoekmethodiek bepaald te worden. 6. 6 Aardwetenschappelijk onderzoek 25 •
• •
•
•
Het aardwetenschappelijk onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw en de aangelegde vlakken door een fysisch geograaf , bodemkundige of (geo)archeoloog met aantoonbare ervaring op zandbodems en de onderzoeksregio. Uitgangspunt is dat de volledige profielen van de onderzoeksputten en de in de profielen optredende veranderingen volledig begrepen worden. Profieldocumentatie vindt plaats middels het documenteren van twee profielkolommen van minimaal 2 m per proefsleuf. Indien profielkolommen van elkaar afwijken en daardoor verschillende informatiewaarde hebben , worden profielen over een grotere breedte gedocumenteerd. De profielkolommen worden hetzij digitaal , hetzij analoog in schaal 1:20 gedocumenteerd. Van het profiel dient minimaal de bodemopbouw (bodemkundig en lithologisch) bestudeerd te worden vanaf het maaiveld tot minimaal 03, m onder het niveau waarop sporen zichtbaar zijn of moesten zijn. Bij voorkeur liggen de gedocumenteerde profielkolommen aan dezelfde putwand en in elkaars verlengde , tenzij dit niet wenselijk of niet mogelijk is. Verspringingen in het profiel bij een getrapte aanleg worden op tekening aangegeven. In profieltekeningen moeten x- , y- en zwaarden in RD-coördinaten en m +NAP worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen.
Bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de putwand (te denken valt aan lokale depressies , restanten van oud loopvlak , karrensporen , houtwallen etc. ) wordt het
25 Aanvulling op
specificatie OS08 (beeldregistratie). 25
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
•
• •
,
versie 08-07-2025
gehele profiel voldoende ruim over deze fenomenen gefotografeerd en getekend (analoge schaal 1:20). Grote profielen kunnen ook middels fotogrammetrie gedocumenteerd worden. De profielen worden beschreven en getekend op basis van bodemkundige kenmerken , archeologica , textuur , kleur , structuur , lithostratigrafie , humusgehalte , consistentie , laaggrenzen en gleyverschijnselen. Profielen worden onderzocht op vondsten. Bij het aantreffen van vondsten worden deze per laag geregistreerd , verzameld en bestudeerd. Alle gedocumenteerde profielen worden in overzichten en waar nodig in detail (al dan niet fotogrammetrisch) gefotografeerd.
6. 7 (An)organische artefacten 26 •
• • •
Alle vondsten dienen te worden verzameld , gedocumenteerd , genummerd , geregistreerd , verwerkt , gesorteerd en zo verpakt te worden dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Hiervoor wordt verwezen naar de Leidraad KNA Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal. Selectie in het veld vindt in principe niet plaats. Indien selectie door hoge vondstaantallen of bijzondere vondstcategorieën toch aan de orde is , wordt verwezen naar PS06. Van (sub)recente 27 vondsten wordt een representatief deel verzameld indien dit voor de interpretatie van sporen , vlakken of profielen (verstoringen) nodig is. Vondsten dienen verzameld te worden per chronologisch relevante vulling (spoor) , laag en/of vlak òf worden bij bijzondere vondsten/vondstconcentraties als puntlocatie ingemeten. Stortvondsten worden per putlengte van tien meter verzameld en geregistreerd. Bij de aanleg van de vlakken wordt vondstmateriaal per stratigrafische eenheid of per spoor verzameld. Indien deze niet herkenbaar of aanwezig zijn , worden de vondsten als puntlocaties ingemeten indien het om kleine hoeveelheden gaat. Bij grotere hoeveelheden wordt in vakken van 4 x 5 m verzameld. De verzamelstrategie kan al naar gelang de bevindingen worden aangepast.
•
• •
•
In het geval van bijzondere vondsten moeten specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen , het bergen van de vondsten en het bemonsteren. Tijdens de aanleg van de vlakken is het gebruik van een metaaldetector verplicht. Metaalvondsten en vuursteenvondsten worden tijdens het laagsgewijs verdiepen individueel ingemeten en verzameld , tenzij sprake is van een concentratie. Natuursteen uit vlakken en profielen wordt verzameld indien dit archeologisch relevant is. In ieder geval wordt een steekproef genomen. Organische artefacten en objecten worden integraal verzameld of bemonsterd. Sporen met complete organische objecten die in situ worden aangetroffen , dienen gefotografeerd , getekend en grondig beschreven te worden , waarna deze in hun geheel per laag gedocumenteerd kunnen worden met toepassing van de kwadrantenmethode. Bijzondere voorwerpen of grote hoeveelheden worden gemeld aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid , waarna in overleg bepaald wordt hoe hiermee om te gaan.
6. 8 Archeozoölogische , archeobotanische en fysisch antropologische resten 28 Ten behoeve van een waardenstelling van de archeozoölogische en/of archeobotanische resten worden monsters genomen uit ecologisch veelbelovende sporen (veel houtskool , extreem goede conservering in natte dan wel verkoolde omstandigheden) die bovendien op basis van vondsten gedateerd kunnen worden. Archeozoölogische contexten worden in principe geheel opgegraven en bij uitwerking geanalyseerd , tenzij anders overeengekomen met opdrachtgever en de bevoegde overheid. Fysisch antropologische resten: zie paragraaf 6. 5 26 Aanvulling op specificatie OS04 en OS11. 27 Onder subrecent wordt verstaan: na circa 1900. Onder recent 28 Aanvulling op specificatie OS04.
wordt verstaan: na circa 1950. 26
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
Verwerking en karakterisering van de diverse monsters wordt door specialisten uitgevoerd. Dit gebeurt in eerste instantie door middel van een waardering (scan). 6. 9 Overige resten 29 Niet van toepassing. 6. 10 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek • Het verkrijgen van absolute dateringen is belangrijk. Daartoe kunnen monsters worden het verkrijgen van een datering. Dit zullen voornamelijk 14 C- , genomen voor dendrochronologische - en/of OSL-dateringen betreffen. In het veld dient te worden bepaald of de betreffende sporen/lagen ook daadwerkelijk geschikt zijn voor bemonstering. Monstername kan gedaan worden , wanneer vondstmateriaal geen uitsluitsel geeft over de datering van sporen en/of lagen , maar ook wanneer wel potentieel daterend vondstmateriaal aanwezig is. Dit ter verificatie en aanscherping van typologische vondstdateringen. • Fosfaatonderzoek wordt ingezet bij (mogelijke) boerderijlocaties , indien sporen met fosfaatverkleuringen aanwezig zijn. Ook worden enkele referentiemonsters genomen buiten de grenzen van de structuur. • Ten behoeve van het aardwetenschappelijk onderzoek kan de inzet van pollen- en/of micromorfologisch onderzoek zinvol zijn. Indien tijdens het veldwerk hiertoe gunstige locaties aangetroffen worden (denk aan vegetatie horizonten , humusrijke lagen etc. ) dienen de nodige monsters genomen te worden.
• Bij twijfel over het potentieel van de monsters dient een specialist ter zake ingeschakeld te worden. • Eventuele uitwerking van tijdens het veldwerk genomen monsters en de met zich meebrengende kosten , worden in het evaluatieverslag ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. 6. 11 Beperkingen • Op basis van het vooronderzoek kunnen de te verwachten aantallen vondsten en monsters niet beredeneerd ingeschat worden. De bijlage ‘Lijst met te verwachten aantallen’ die bij het KNA-format PS05 behoort , is derhalve ook niet ingevuld. Indien sprake is van een doorstart naar een opgraving dient de bijlage ‘Lijst met te verwachten aantallen’ van PS05 beredeneerd ingevuld te worden o. b. v. de resultaten van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek. • Het planvoornemen behoudt een aantal structuren die momenteel reeds aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied: de woning Aarleseweg 42 met tuin en de houtwal/groenvoorziening tussen beide woonblokken. Deze zones worden weerhouden uit het beoogde uit te voeren onderzoek.
HOOFDSTUK 7 EVALUATIE , UITWERKING EN RAPPORTAGE 7. 1 Evaluatie 30 Na het veldwerk en de technische uitwerking , wordt door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies – een evaluatieverslag opgesteld. Een evaluatieverslag is niet nodig indien door de projectleider , opdrachtgever en de bevoegde overheid bij overleg is vastgesteld dat direct met het eindrapport kan worden begonnen. Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid overlegd. Deze toetst en keurt het goed. De selecties ten aanzien van deponering en conservering dienen ook te zijn goed gekeurd door de
29 Aanvulling op 30 Aanvulling op
specificatie OS04. specificatie OS12. 27
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
depothouder (Provincie Noord-Brabant). De financiën zijn ter goedkeuring voor de opdrachtgever. Op basis van de evaluatie wordt bepaald of het PvE voor de uitwerking en rapportage c. q. het noodzakelijke vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving moet worden aangevuld middels het opstellen van een addendum (bijvoorbeeld andere of meer onderzoeksvragen) en welke consequenties dit heeft voor de kosten van uitwerking en rapportage (zie verder § 8. 1 en 11. 3). Pas als de selecties door de bevoegde overheid , de depothouder en de opdrachtgever zijn goedgekeurd , kan het onderzoek worden uitgewerkt en kan -indien er geen sprake is van een aanvullend onderzoek- het plangebied door de bevoegde overheid worden vrijgegeven voor de verdere planuitvoering. Het evaluatieverslag bestaat uit de volgende onderdelen: • Een bondige eerste samenvatting van de resultaten van alle onderzoeksfases ; • Een of meerdere overzichtskaarten met een eerste zonering en globale datering van vindplaatsen ; • Aangelegde m 2 vlak en profielopnames ; • Aantallen / hoeveelheden grondsporen , vondsten en monsters ; • Een eerste waardering van vondsten , monsters en het onderzoeksgebied ; • Een eerste aanzet voor het wel/of niet kunnen beantwoorden van de gestelde onderzoeksvragen.
• Een voorstel (en een kort plan van aanpak daarvoor) voor de verdere uitwerking van het onderzoek , met: 1) selectie van vondsten die worden uitgewerkt ; 2) selectie van monsters die worden uitgewerkt. Hiertoe heeft een scan op potentie reeds plaatsgevonden ; 3) selectie van vondsten die duurzaam geconserveerd dienen te worden ; 4) selectie van vondsten en monsters die gedeponeerd dan wel afgestoten worden. Van onherkenbare metalen voorwerpen (roestklompen) worden ter vaststelling van de behoudenswaardigheid röntgenopnamen gemaakt ; • Offerte uitwerkingskosten c. q. opgraving (enkel ten behoeve van de opdrachtgever). 7. 2 Structuren , grondsporen , vondstspreidingen 31 Vindplaatsen worden op grond van spoor- en vondstspreidingen geïnterpreteerd en op basis van informatie over tijd (periode) en ruimte begrensd in zones , sites of als off site fenomenen. Deze zones , sites etc. worden vervolgens geïnterpreteerd en met een deugdelijke onderbouwing (KNAconform) gewaardeerd. Sporen worden uitgewerkt tot op het niveau dat noodzakelijk is om de opgestelde onderzoeksvragen te beantwoorden. De beschrijving van de sporen dient zoveel mogelijk in te gaan op de aard , het karakter , de datering , gaafheid en conservering van de aangetroffen vindplaatsen. 7.
3 Analyse aardwetenschappelijke gegevens De verzamelde gegevens dienen zodanig te worden uitgewerkt dat de landschappelijke context , de bodemopbouw en (post)depositionele processen van de vindplaats kunnen worden bepaald conform de onderzoeksvragen. De interpretatie en analyse van de aardkundige en bodemkundige informatie gebeurt zoveel als mogelijk in het veld. Indien besloten wordt tot de inzet van een fysisch geograaf/bodemkundige ten tijde van de uitwerkingsfase en deze stelt een apart deelrapport op , dan wordt dit integraal verwerkt dan wel als bijlage opgenomen in het rapport. Indien noodzakelijk voor een goed begrip van de bodemgesteldheid en bodemgenetische evolutie of voor een landschappelijke reconstructie wordt bekeken in hoeverre de genomen monsters 31 Aanvulling op
specificatie OS14 (analyse van sporen en structuren). 28
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
uitgewerkt en geanalyseerd moeten worden. Een en ander wordt ter beoordeling en goedkeuring in het evaluatieverslag opgenomen. Na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden de genomen monsters (micromorfologie , OSL , pollen , textuur , sedaDNA , e. d. ) op voordracht van de projectleider geanalyseerd en uitgewerkt , hetzij aansluitend op het proefsleuvenonderzoek , hetzij nadat de opgraving is uitgevoerd. 7. 4 (An)organische artefacten 32 Iedere vondst die tijdens het archeologisch onderzoek gedaan is , wordt onderzocht. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden gescand en geteld en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Voor alle vondsten uit gesloten context (lagen dan wel sporen) wordt per (an)organisch archeologisch artefact (AF) per vondstcategorie minimaal gedocumenteerd:33 1. het spoor (of laag) waarin het AF is aangetroffen ; 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand , vergaan , etc.) ; 3. de determinatie ; 4. de datering van het AF ; 5. een beschrijving van het AF (grootte categorie , versiering , bewerkingssporen , etc. ). Uitgangspunten: Aardewerk: determinatie per periode op ‘bakselniveau’ , en voor zover mogelijk op type. • Natuursteen/vuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig-/gebruikstype en • indien mogelijk op herkomst.
Metaal: determinatie op metaalsoort , zo mogelijk op artefacttype en periode. • Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): er dient ook gedetermineerd te worden op • houtsoort. 7. 5 Archeozoölogische , archeobotanische en menselijke/dierlijke botresten 34 Al het aangetroffen archeozoölogische en fysisch antropologische vondstmateriaal wordt gewassen (mits toegestaan in verband met de conservering). Een archeoloog (minimaal KNA Archeoloog) zal het vondstmateriaal analyseren en determineren middels een quickscan. Indien noodzakelijk voor de beantwoording van de onderzoeksvragen dienen de betreffende vondsten te worden voorgelegd aan een materiaalspecialist. De Senior KNA Archeoloog (al dan niet met advies van een materiaalspecialist) beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. Botanische resten (incl. zadenmonsters) worden na het veldwerk gescand door een specialist ter bepaling van de kwaliteit en het archeologisch potentieel. Een en ander wordt ter beoordeling en goedkeuring in het evaluatieverslag opgenomen. Na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden botanische resten op voordracht van de projectleider geanalyseerd en uitgewerkt.
Uitgangspunten bij de documentatie van botmateriaal: • Het spoor (of laag) waarin het bot is aangetroffen ; • De conserveringstoestand van het bot (verbrand , vergaan , etc.) ; Specifiek voor dierlijk botmateriaal: determinatie op type bot en soort dier ; eventueel • datering. Specifiek voor menselijk botmateriaal: determinatie op geslacht , ouderdom en pathologie. • 32
Indien opgesteld dient de uitwerking en conservering plaats te vinden volgens het vastgestelde evaluatierapport. 33 De archeologisch aannemer dient zelf kennis te nemen van de specifieke eisen die het betreffende depot stelt aan de aanlevering van het vondstmateriaal. 34 Indien opgesteld dient de uitwerking en conservering plaats te vinden volgens het vastgestelde evaluatierapport. ,
29
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
versie 08-07-2025
,
7. 6 Beeldrapportage •
•
• •
• •
De (uiteindelijke) onderzoeksputten dienen op een goed leesbare/herkenbare topografische ondergrond in kleur weergegeven te worden. Hierbij dient duidelijk aangegeven te worden welke zones verstoord waren alsook de dieptes van de onderzochte gebieden (lees vlakhoogtes in m -mv en m +NAP). Alle locaties van profielkolommen alsook de sporen en structuren worden afgebeeld op een alle-sporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid. Hierop dienen de locaties van de onderzoeksputten herkenbaar te staan afgebeeld met sleufnummer. De sporen en structuren worden met verschillende periodekleuren op de alle-sporenkaart aangegeven. Verspreidingskaart van de verzamelde aanlegvondsten per periode (4 x 5 meter vakken) indien het gaat om significante hoeveelheden. Coupes van sporen , profielen en profielkolommen worden ter documentatie als scan gedigitaliseerd. Representatieve sporen en profielen worden in opgemaakte vorm in het rapport afgebeeld. Minimaal dient een referentieprofiel in het rapport afgebeeld te worden. Bij de evaluatie van het veldwerk wordt in overleg met het bevoegd gezag op basis van het evaluatieverslag bepaald welke objecten getekend of gefotografeerd worden. Een referentieprofiel wordt altijd afgebeeld in het rapport.
7. 7 Eindrapportage 35 Het eindrapport van dit archeologisch onderzoek dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het archeologisch onderzoek is pas definitief afgerond nadat het rapport is goedgekeurd door de bevoegde overheid. Inhoud eindrapport • De resultaten van het onderzoek dienen op integrale wijze te worden besproken. De verkregen resultaten dienen tevens bezien en geduid te worden in het licht van de bestaande kennis over de bewoningsgeschiedenis van het desbetreffende gebied (de onderzoeksvragen worden dus niet alleen apart beantwoord). • De tekst dient op alle essentiële punten door afbeeldingen en tabellen ondersteund te worden. • In het rapport dienen een samenvatting met de meest opmerkelijke resultaten van het onderzoek en enkele afbeeldingen ten behoeve van een persbericht aangeleverd te worden. • Ten behoeve van de waardering (indien relevant voor het onderzoek) wordt per aangetroffen complex 36 een KNA-conforme waarderingstabel ingevuld. De waardering wordt in een lopende tekst toegelicht. Verstrekking eindrapport & onderzoeksdocumentatie Het eindrapport (definitieve versie) wordt in digitale vorm verstrekt aan: • Opdrachtgever conform BRL SIKB 4000 / opdrachtverstrekking ; • Bevoegde overheid en regiodienst ODZOB (digitaal).
• De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (ARCHIS) • Het Provinciaal Depot Bodemvondsten E-depot • • De erfgoedvereniging van Best (secretariaatdvb @gmail.com) en de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (awnafdeling23 @gmail.com). Eventuele andere lokale
35 Aanvulling op
specificatie OS15 (standaardrapport Opgraven). In de rapportage dient rekening te worden gehouden met de volgens de NOaA vereiste terminologie voor de middeleeuwen. In tabellen kunnen de Archis-aanduidingen LMEA en LMEB gebruikt worden. In teksten dient gesproken te worden van volle en late middeleeuwen (respectievelijk 1050-1250 ; 1250–1500). 36 Indien geen specifiek complex aangewezen kan worden dient de waardering op vindplaatsniveau plaats te vinden. ,
30
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
heemkundekringen of belanghebbenden worden door de bevoegde overheid waar nodig geïnformeerd of van een digitale versie van het rapport voorzien. Onderzoeksdocumentatie wordt beschikbaar gesteld aan: • E-depot • Bevoegde overheid en regiodienst ODZOB: op een digitale drager in origineel format. De digitale GIS-informatie dient in een leesbaar format te worden aangeleverd (als Shapefilebestand). Opleveringstermijnen Reeds gedurende het veldwerk wordt begonnen met de verwerking van de veldgegevens. • • Planning/termijnen: Uiterlijk 4 weken na afloop van het veldwerk wordt het evaluatierapport aangeleverd. Het evaluatieverslag wordt digitaal geleverd. Binnen 6 maand na goedkeuring van de evaluatie (en goedgekeurde selecties) wordt het concept-eindrapport aangeleverd. De conceptversie van het eindrapport wordt digitaal geleverd. Toetsing van het concept-eindrapport aan het PvE gebeurt door de bevoegde overheid. Correcties worden verwerkt in het definitieve eindrapport. Na uiterlijk 4 weken na beoordeling levert de opdrachtnemer het definitieve rapport aan opdrachtgever en de bevoegde overheid. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken , in het bijzonder wanneer noodzakelijke laboratoriumanalyse ( 14 C-onderzoek of anderszins) of aanvullend archeologisch onderzoek meer tijd vraagt.
Het verlengen van de termijn gebeurt altijd in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. HOOFDSTUK 8 (DE)SELECTIE EN CONSERVERING 8. 1 Selectie materiaal voor uitwerking 37 Na afloop van het veldwerk selecteert de projectleider / senior KNA archeoloog het materiaal dat uitgewerkt moet worden. Deze selectie wordt beargumenteerd in het evaluatierapport middels een lijst voor uitwerking (zie ook 7. 1). Indien materiaal niet wordt geselecteerd voor uitwerking , moet dit eveneens beargumenteerd worden in een evaluatierapport. Een voorstel voor uitwerking van monsters wordt eveneens gedaan in een evaluatierapport. In beginsel komen alle vondsten in aanmerking voor determinatie en analyse. Inhoud lijst voor uitwerking: 1. vondstnummer , 2. context , 3. soort materiaal , 4. soort object , 5. globale datering , 6. mate van gaafheid , 7. bijzonderheden (inscripties , bewerkingssporen , etc.) , 8. wijze van uitwerking. 8. 2 Selectie materiaal voor verwijdering (deselectie) Na afloop van het veldwerk stelt de projectleider / senior KNA archeoloog , eventueel in samenspraak met een specialist , een selectierapport op waarin hij of zij een voorstel (met motivatie) doet voor te deponeren en te verwijderen vondsten en monsters (middels lijst voor deponering dan wel verwijdering). Aan de selectie van het te deponeren en te verwijderen 37
Aanvulling op OS13 (selectie van vondsten & monsters / afstoting en vernietiging niet geselecteerde vondsten & monsters / selectierapport). 31
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
vondstmateriaal ligt specificatie PS06 (KNA-Protocol 4001 Programma van Eisen) ten grondslag. Het selectierapport wordt altijd ter goedkeuring aan de eigenaar van dit vondstmateriaal (de depothouder) voorgelegd. Vondsten en monsters die aangemerkt worden voor verwijdering moeten , ook na akkoord van de depothouder , bewaard worden totdat een Verklaring van Overdracht vanuit het depot is gegeven voor de onderzoeksdocumentatie en het gehele vondstcomplex. Inhoud van de lijst voor deponering dan wel verwijdering: 1. vondstnummer , 2. context , 3. soort materiaal , 4. soort object , 5. globale datering , 6. mate van gaafheid , 7. gemotiveerde reden van deselectie. Tijdsduur reactie tijdens het veldwerk: Reacties t. a. v. wel/niet meenemen (naar tussendepot uitvoerder) is 2 werkdagen (48 uur) op werkdagen vanaf het moment van aantoonbaar melden per telefoon of email bij de depothouder. Bij uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen (uitvoerder , opdrachtgever , de bevoegde overheid) beslissen of zij het materiaal wel of niet tijdelijk deponeren. Tijdsduur reactie na het veldwerk (evaluatiefase): (Aantoonbaar) aanmelden , maken afspraak met depothouder: afhandeling verzoek goedkeuring maximaal 15 werkdagen.
Bij uitblijven reactie kan het werk in samenspraak met opdrachtgever en de bevoegde overheid zonder goedkeuring van de depothouder worden voortgezet. Deselectie is dan nooit aan de orde. 8. 3 Selectie materiaal voor conservering 38 Alle vondsten en monsters zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie NoordBrabant (Erfgoedwet art. 5. 7). Alle vondsten moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot , zodat er geen noemenswaardige achteruitgang van het materiaal zal plaatsvinden. Monsters worden in overleg met de depothouder aangeleverd dan wel na onderzoek verwijderd. Na afloop van het veldwerk selecteert de projectleider / senior KNA archeoloog het materiaal dat geconserveerd moet worden (middels lijst voor conservering). Deze selectie wordt beargumenteerd in een selectierapport. Indien materiaal niet wordt geselecteerd voor conservering , moet dit eveneens beargumenteerd worden. De selectierapporten die na afloop van het veldwerk opgesteld worden , zijn een onderdeel van een evaluatierapport en worden voor dat onderdeel altijd aan de depothouder ter goedkeuring voorgelegd. Inhoud lijst voor conservering: 1. vondstnummer , 2. context , 3. soort materiaal , 4. soort object , 5. globale datering , 6. mate van gaafheid , 7. conserveringstoestand (corrosie , etc.) , 38 Aanvulling op
OS16 (conservering van vondsten & monsters). 32
Programma
Aarleseweg
Eisen:
van
42-42a
te
versie 08-07-2025
Best,
Gemeente Best.
8.
röntgen Ja/Nee (röntgen
van een object is verplicht als het een metalen de vondst op het oog niet te determineren is vanwege bijv. de corrosie). Gemotiveerd conserveringsvoorstel
9.
Indien vondsten conservering hebben welke vondsten welke op wijze
conserveringsrapporten de gehele documentatie aangeboden.
worden
Omdat
is hoeveel
nog
worden
van
niet bekend
is het
aangetroffen,
ondergaan,
altijd aan
de
depothouder ter goedkeuring aangeboden archeologische project via de pakbon kan
het betreffende
niet
welke
en
—
mogelijk
betreft
en
wordt in een conserveringsrapport vastgelegd welke middelen De zijn geconserveerd.
met
en
object
archeologische
-
vondsten
resten
en
worden er
een
te
maken
zullen
het inschatting aantal te verwachten kwetsbare vondsten en monsters. Daarom is, in overeenstemming met de KNA 4.2, Protocol 4001, PS07, ervoor gekozen om voor de conservering van kwetsbaar vondstmateriaal een voorlopige stelpost op te nemen van € 5.000,- (ex. BTW). om
verantwoorde
voordat
van
Uitgangspunten zijn: Bijzondere vondsten die geconserveerd of gerestaureerd moeten worden, worden in overleg met de bevoegde overheid, opdrachtgever en provinciaal depot overgedragen aan een specialist. Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt altijd een specialist geraadpleegd. Metaalvondsten en vondsten van organisch materiaal dienen, voor zover behoudenswaardig, geconserveerd te worden. De behoudenswaardigheid wordt in overleg met de bevoegde overheid en opdrachtgever vastgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder van het provinciaal depot. Van onherkenbare worden ter van de voorwerpen (roestklompen) vaststelling behoudenswaardigheid röntgenopnamen gemaakt. Dit dient uitgevoerd te worden bij de eerste verwerking en ter beoordeling opgenomen te worden in het evaluatieverslag. Het gesorteerde en geanalyseerde materiaal wordt zo verpakt dat het stabiel kan worden opgeslagen in het provinciaal depot. Uitgangspunt bij de conservering is dat het behoud duurzaam en voor lange tijd gewaarborgd e
e
e
e
e
is.
HOOFDSTUK
9 DEPONERING
9.1 Eisen betreffende
depot
Er is conform de KNA
sprake
depothouder (zie e
van
een
hiervoor hoofdstuk
Voor
aanvang depotbeheerder
van van
het
aantal
overleg-
en
goedkeuringsmomenten
wordt
het Provinciaal Depot
van
Bodemvondsten
e
definitieve Voor
door de
het
voor
PvE
(nogmaals)
Bodemvondsten.
aangeleverd
Contactpersoon
bij
de
(g anonimise rd) betref
plaats in het Provinciaal Depot voor opgestelde eisen van aanlevering. In hoofdlijnen komt het neer op aanlevering met een pakbon via het provinciaal depot beheer systeem. Deponering van vondsten en documentatie vindt gelijktijdig plaats, na afronding van het Deponering
de
de vondsten
en
8).
onderzoek
(geanonimiseerd) e
met
en
de documentatie vindt
conform de daarvoor
rapport.
actuele
aanlevervoorwaarden
van
het
Provinciaal
depot
voor
Bodemvondsten
moet
voorafgaand aan het onderzoek contact opgenomen worden met de depotbeheerder. Minimaal geldt: Na afronding van het onderzoek wordt het geheel, conform de daarvoor geldende normen en eisen (KNA-specificatie DSO2 & DS03) aangeleverd via het landelijk e-loket ArcheoDepot (www.archeodepot.nl), geüpload via het E-formulier en zo overgedragen 33
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (PDB). Het deponeren van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie vindt plaats volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie , protocol 4004 Opgraven , OS17: “Gestandaardiseerde beschrijving van projectdocumentatie bij het deponeren van archeologische vondsten en monsters (d. m. v. pakbon)” ; De vondsten zijn minimaal beschreven conform Códetabel 1 Artefacttype. Onder protocol 4004 wordt onder het begrip pakbon verstaan: het document dat bij het te deponeren materiaal en/of de documentatie wordt gevoegd en op gestandaardiseerde wijze een beschrijving geeft van de inhoud van het aangeleverde. Bij de digitale aanlevering bestaat de pakbon uit een XML-bestand , conform SIKB-protocol en wordt zo tevens als digitale documentatie , conform KNA-specificatie DS05 , overgedragen aan het e-Depot DANS. Na deponering is het Onderzoeksmeldingsnummer (ARCHIS) structureel gelinkt met de Persistent Identifier (DANS) , zodat de data digitaal altijd te traceren zijn. aan
9. 2 Te leveren product Eindproduct is een rapport volgens KNA en de projectdocumentatie. Bij het eindproduct hoort: Een eindrapport zie ook paragraaf 7. 7 Een door het provinciale depot af te geven bewijs van overdracht van vondsten , monsters en documentatie Indien van toepassing: overdracht van alle dendrochronologische data (alle meetgegevens , gebruikte referentiekalenders , metadata , foto’s , dendrochronologische jaarringseries , hun beschrijvende en interpretatieve metadata) die voortkomen uit dit onderzoek conform de daarvoor geldende normen en eisen via het digitale archief van jaarringgegevens Digital Collaboratory for Cultural Dendrochronology (DCCD) (https://dataverse. nl/dataverse/dccd). De dendrochronologische data wordt duurzaam gearchiveerd in het DCCD en worden ten ieders voordeel ter beschikking gesteld. De normen en eisen zijn tevens te vinden in het document Dendrochronological Data in Archaeology: Guide Good A to Practice (https://guides. archaeologydataservice. ac. uk/g2gp/Dendro_Toc). Indien van toepassing: overdracht van alle informatie aangaande de houtvondsten die voortkomen uit dit onderzoek aan de openbare web-database over archeologische houtvondsten WOODAN , conform de daarvoor geldende normen en eisen van WOODAN: https://woodan. org. Dit omvat alle meetgegevens , metadata , waaronder de beschrijvende en interpretatieve metadata incl.
gebruikte referentieliteratuur bij de houtsoortbepaling en de interpretatie van de houtvondsten , dateringsmethodiek en datering , foto’s , aanbevelingen ten opzichte van eventueel vervolgonderzoek , en welke specialist de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Op deze wijze worden de resultaten van het houtonderzoek duurzaam gearchiveerd , zijn deze openbaar en staan deze ter beschikking voor alle onderzoekers en belangstellenden. Voor aanvullende informatie kan WOODAN direct worden benaderd: info @woodan.org.
HOOFDSTUK 10 RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN 10. 1 Personele randvoorwaarden • Het proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd door een archeologisch onderzoeksbureau met een geldig certificaat BRL SIKB 4000 , protocol 4003 (IVOp) en/of 4004. Een eventuele opgraving dient uitgevoerd te worden door een archeologisch onderzoeksbureau met een geldig certificaat BRL SIKB 4000 , protocol 4004. • Het onderzoek wordt uitgevoerd door een veldteam bestaande uit minimaal twee personen waaronder een senior KNA archeoloog en waarin minimaal de senior KNA archeoloog aantoonbaar ruime ervaring heeft in de regionale archeologie. De Senior KNA Archeoloog is 34
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
full time ter plaatse om de voortgang van het onderzoek te controleren en om zich door eigen waarneming een oordeel over sporen , structuren en de landschappelijke situatie te kunnen vormen. •
•
• •
• •
•
De machinale graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring op de zandgronden en met een graafmachine met gesloten bak met gladde snede. Een fysisch geograaf , bodemkundige of (geo)archeoloog met aantoonbare bodemkundige specialisatie en ervaring met betrekking tot zandgronden wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen in het veld. De metaaldetector dient gehanteerd te worden door een deskundig persoon met ervaring in metaaldetectie. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur , botanische en/of archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. Naar verwachting dienen geen specialisten betrokken te worden bij het opstellen van het plan van aanpak , noch tijdens het veldwerk. Bij de uitwerking dienen aardewerk- , metaal- en/of vuursteenspecialisten betrokken te worden indien de vondsten en/of onderzoeksresultaten daarom vragen. De analyse en beschrijving van complex muurwerk wordt gedaan door of onder verantwoordelijkheid van een bouwhistoricus met aantoonbare ervaring. Voor aanvullende werkzaamheden kan – mits veiligheid niet in het gedrang komt en hierover met de opdrachtgever overeenstemming is verkregen – een beroep worden gedaan op de gekwalificeerde , georganiseerde amateurarcheologen.
Het opgravingsbedrijf dient zo georganiseerd te zijn dat flexibel op wijzigingen of uitloop van werkzaamheden gereageerd kan worden en dat ondersteunend of vervangend personeel of specialisten snel ter plaatse kunnen zijn.
10. 2 betrokken partijen Zie voorblad van het PvE. 10. 3 Overlegmomenten In overleg met de opdrachtgever worden de uitvoeringsperiode en de opleveringstermijn van het veldwerk vastgelegd. Bij het aantreffen van archeologische resten die , gezien de initiële verwachting , niet verwacht werden , wordt de bevoegde overheid , de depothouder en de opdrachtgever zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld. Zaak is dat de archeologisch uitvoerder te allen tijde ter beschikking staat om opdrachtgever en/of de bevoegde overheid van informatie en advies te voorzien. Afstemming tussen de verschillende partijen vindt plaats op de volgende momenten: • De start van de werkzaamheden wordt minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden per e-mail gemeld bij het bevoegd gezag (gemeente Best en ODZOB). • Voor aanvang van het veldwerk vindt een (telefonisch) startgesprek plaats tussen de betrokken projectleider(s) en het bevoegd gezag. Hierbij wordt de strategie op basis van plan van aanpak en de uitvoeringsplanning wederzijds bevestigd. • Tijdens het veldwerk vindt zo vaak als nodig is overleg plaats. Hierbij wordt de stand van zaken besproken , alsook de voortgang van de werkzaamheden geëvalueerd. Voorstellen over het wel of niet onderzoeken van bijzondere sporen dan wel uitbreiden van het proefsleuvenonderzoek ten behoeve van een waardering van sporen , worden hierbij aan de orde gesteld.
Dit speelt in het bijzonder bij complexe fenomenen , waarbij besloten kan worden deze pas bij een opgraving volledig te documenteren. Dit overleg kan eveneens telefonisch of per mail plaatsvinden. • Indien belangwekkende zaken worden aangetroffen die niet in het PvE zijn voorzien of wanneer substantieel van het PvE afgeweken dient te worden , vindt overleg plaats met het bevoegd gezag en de opdrachtgever. 35
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best. •
,
versie 08-07-2025
Het bevoegd gezag en de opdrachtgever worden op het einde van de laatste veldwerkdag mondeling op de hoogte gesteld van einde veldwerk. Op dat moment wordt bekeken of een evaluatierapport zinvol c. q. noodzakelijk is en of het plangebied per direct kan worden vrijgegeven voor verdere ontwikkeling indien er geen relevante archeologische resten en/of sporen zijn aangetroffen.
10. 4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen Opdrachtgever en/of bevoegd gezag • De opdrachtgever zorgt voor de toegankelijkheid en de milieutechnische vrijgave van het onderzoeksterrein. In dit kader worden door de opdrachtgever ook kopieën van de milieurapporten overhandigd (indien deze voorhanden zijn). • De opdrachtgever verzorgt de contacten met andere belanghebbenden. • Door de opdrachtgever worden hekken en borden ‘verboden toegang’ geplaatst rondom het plangebied indien dit vanwege veiligheid gewenst of noodzakelijk is. • De opdrachtgever draagt zorg voor de betreedbaarheid van het onderzoeksterrein en het feit dat het onderzoek onder ‘droge’ omstandigheden uitgevoerd kan worden. Indien sprake is van opstijgend of inzijgend grondwater tijdens het onderzoek , dient dit weggepompt te worden. Indien hiervoor vergunning noodzakelijk zijn , dan is opdrachtgever hiervoor verantwoordelijk. • De opdrachtgever voorziet een veilige locatie voor een schaftwagen/directiekeet met toiletvoorziening dan wel stelt een nabij gelegen (toilet)ruimte hiervoor beschikbaar. Archeologisch uitvoerder • De opdrachtnemer verzorgt het meetsysteem en de inrichting van het terrein. • De opdrachtnemer doet de KLIC-melding. • Binnen het plangebied zullen risicovolle plekken zoals (diepe) profielputten door de opdrachtnemer met rood-wit lint worden afgezet.
• De opdrachtnemer neemt preventieve maatregelen tegen inbraak en vandalisme. Opgravingdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven. Geplande publiciteit (bijv. persberichten , aangekondigde bezoeken van media in het veld , etc. ) • vindt alleen plaats na toestemming van de opdrachtgever. Bij niet te plannen publiciteit (bijv. spontaan bezoek van media) wordt doorverwezen naar de opdrachtgever. HOOFDSTUK 11 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET GOEDGEKEURDE PVE 11. 1 Wijzigingen tijdens het veldwerk Belangrijke afwijkingen ten opzichte van het PvE bij aanvang van het onderzoek of gedurende het veldwerk worden schriftelijk/per e-mail aangevraagd bij de bevoegde overheid en de opdrachtgever en zijn alleen mogelijk na overleg met de opdrachtgever en instemming van de bevoegde overheid. Doorgevoerde afwijkingen ten opzichte van het PvE worden door opdrachtnemer op schrift • vastgelegd , waarbij het PvE kan worden aangepast of aangevuld middels een oplegvel. Na goedkeuring van de aanvulling op het PvE door de bevoegde overheid kan het veldwerk worden vervolgd. • Kleine wijzigingen worden vastgelegd in de verslagen van werkoverleg en/of in de dag/weekrapporten. Indien meerkosten aan de wijzigingen verbonden zijn , is goedkeuring vereist van de opdrachtgever. •
11. 2 Belangrijke wijzigingen • Afwijking van de archeologische verwachting ; 36
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best. • • • • •
,
versie 08-07-2025
Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode Wijzigingen fysieke of technische omstandigheden ; Vastleggen overleg- en evaluatiemomenten ; Onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld m. b. t. omvang vindplaats , complextype , aantallen vlakken et cetera). Significante afwijkingen (meer dan 10%) van verwachte vondsten en monsters (hoeveelheid , soorten materialen , soorten voorwerpen , type conservering).
Belangrijke wijzigingen worden door de Senior KNA Archeoloog aan alle partijen voorgelegd en besproken met de bevoegde overheid. Deze bepaalt , zo nodig in samenspraak met opdrachtgever , welke wijzigingen kunnen worden doorgevoerd. Indien meerkosten aan de wijzigingen verbonden zijn , is eveneens goedkeuring vereist van de opdrachtgever. 11. 3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk én tijdens uitwerking en conservering • •
•
Op basis van het evaluatieverslag wordt bepaald of het PvE voor de uitwerking en rapportage moet worden aangepast. Gewenste wijzigingen ten opzichte van het PvE na de evaluatiefase van het veldwerk en gedurende de uitwerking en conservering worden uitsluitend schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde overheid en de opdrachtgever en zijn alleen mogelijk na overleg met en goedkeuring door de opdrachtgever en de bevoegde overheid. In overleg met de bevoegde overheid kan worden besloten eindrapportage van het proefsleuvenonderzoek op te nemen in de rapportage van een eventuele opgraving.
LITERATUUR , (DIGITALE) BRONNEN EN BIJLAGEN Literatuur • •
•
• • • • •
Carmiggelt A. & P. J. W. M. Schulten , 2002. Veldhandleiding Archeologie. Archeologie Leidraad 1 , Zoetermeer. Exaltus , R. & J. Orbons , 2025. Aarleseweg 42-42a , Best , Gemeente Best. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) ; Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport 24080. Hiddink , H.A. , 2003. Het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-DemerScheldegebied , in het bijzonder van twee grafvelden bij Weert , Amsterdam (Zuid-Nederlandse Archeologische Rapporten 11). Lauwerier , R.C.G.M. , 2011. KNA Leidraad Archeozoölogie , SIKB , Gouda. SIKB , 2006. Leidraad eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal. SIKB , 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4. 1. SIKB , 2022. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4. 2. Tol , A.J. , E. Heunks , L. I. Kooistra , L. Meurkens & J. P. W. Verspay , 2017. Tussen Aarlese weg en Broekstraat. Archeologisch onderzoek van een historisch cultuurlandschap in Aarle , gemeente Best. Archol Rapport 280.
(Digitale) bronnen •
www. noaa. nl
•
www.
•
www.
•
pdok. nl topotijdreis. nl www. omgevingswet. overheid. nl/regels-op-de-kaart/
37
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
Bijlagen 1. Invullijst te verwachten aantallen 2. Overzicht van te raadplegen specialisten 3. Topografische ligging van het plangebied
38
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
versie 08-07-2025
,
Bijlage 1. Invullijst te verwachten aantallen Omdat nog niet bekend is hoeveel – en welke - archeologische vondsten en resten er zullen worden aangetroffen , is het niet mogelijk om een verantwoorde inschatting te maken van het aantal te verwachten kwetsbare vondsten en monsters. Daarom is , in overeenstemming met de KNA 4.2 , Protocol 4001 , PS07 , er voor gekozen om voor de conservering van kwetsbaar vondstmateriaal een voorlopige stelpost op te nemen van € 5.000-, (ex. BTW). Ten behoeve van het verkrijgen van vergelijkbare offertes is desalniettemin een inschatting gemaakt. Er kunnen echter geen rechten aan de ingevulde te verwachten aantallen ontleend worden. Deze verwachte aantallen zijn schattingen op basis van beschikbare informatie , in het veld kunnen de aangetroffen aantallen hiervan afwijken. Als de feitelijk aangetroffen aantallen afwijken ten opzichte van de verwachtte aantallen , geldt specificatie PS04 , meer in het bijzonder de bepalingen daarin rond “Afwijkingen in vondsten en monsters (hoeveelheden , soorten , etc. ) ten aanzien van verwachtingen in het PvE”. Omvang plangebied: 6. 100 m² / omvang onderzoeksgebied: 5.
700 m² Omvang bodemverstoringen: onbekend Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Organische resten (divers) Submoderne materialen
Verwachte aantallen (N) 40 15 5 5 0 0 15 5 0 0 0 0 0 0 0 4 0 0 0 10
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen , diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) Vismonsters DNA Dendrochronologisch monster
Verwachte aantallen (N) 1 3 0 0 1 0 4 0 0 0 39
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
versie 08-07-2025
,
Bijlage 2. Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen * Indien gewenst en naar inzicht van de projectleider kan een specialist al tijdens het veldwerk worden geraadpleegd bij het aantreffen van bijzondere vondsten , vondstconcentraties of structuren.
** De projectleider kan naar eigen inzicht tijdens de evaluatiefase en uitwerkingsfase een specialist raadplegen voor de uitwerking van de verzamelde vondstcategorieën en/of de genomen monsters.
Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen , diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster
Raadplegen bij PvA Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Raadplegen bij veldwerk * Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Raadplegen bij uitwerking ** Ja Ja Ja Ja Nee Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Nee Nee
Ja Nee
Ja Ja
40
Programma van Eisen: Aarleseweg 42-42a te Best Gemeente Best.
,
versie 08-07-2025
Bijlage 3. Topografische ligging van het plangebied
41