26021.17 - Regels - TAM-omgevingsplan Kapelweg 27
Tekst van het document
aan het gebruik kan nimmer het recht worden ontleend op woningsplitsing; k. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat c.q. de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit die bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van deze mantelzorgbehoefte; l. indien het tweede huishouden in een ander gebouw verblijft dan de bedrijfswoning, dan gelden de volgende aanvullende voorwaarden: 1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; 2. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; m. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR); n. indien gebruik wordt gemaakt van een tijdelijke woonunit (onder e) is juridisch en financieel geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.
28 NOVEMBER 2025
23
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
ARTIKEL 6 LEIDING – RIOOL 6.1 Functieomschrijving 6.1.1 Algemeen De voor ‘Leiding – Riool’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies / gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse rioolwatertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook. 6.1.2 Voorrangsregeling Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leiding als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de artikelen 4 en 5, prevaleert de regeling zoals opgenomen in de functie ‘Leiding – Riool’.
6.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels. 6.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten mag – met inachtneming van de voor de betrokken functies / gebruiksactiviteiten geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder straatpeil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
6.3 Omgevingsplanactiviteit In afwijking van artikel 6.2.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de andere functies / gebruiksactiviteiten van deze gronden, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels: a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dienen te zijn gewaarborgd; b. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
28 NOVEMBER 2025
24
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het vellen of rooien van houtgewas; d. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in artikel 6.1 is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren; h. het plaatsen van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 6.4.2 Uitzonderingen Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of beheer ten dienste van de functies / gebruiksactiviteiten betreffen; b. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 6.4.3 Voorwaarden De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad; b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.
ARTIKEL 7 LEIDING – WATER 7.1 Functieomschrijving 7.1.1 Algemeen De voor ‘Leiding – Water’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies / gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse watertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook. 7.1.2 Voorrangsregeling Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leiding als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de artikelen 4 en 5, prevaleert de regeling zoals opgenomen in de functie ‘Leiding – Water’.
7.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels. 7.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
28 NOVEMBER 2025
25
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten mag – met inachtneming van de voor de betrokken functies / gebruiksactiviteiten geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder straatpeil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
7.3 Omgevingsplanactiviteit In afwijking van artikel 7.2.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de andere functies / gebruiksactiviteiten van deze gronden, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels: a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dienen te zijn gewaarborgd; b. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in artikel 7.1 is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren. 7.4.2 Uitzonderingen Het in 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of beheer ten dienste van de functies / gebruiksactiviteiten betreffen; b. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
7.4.3 Voorwaarden De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad; b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.
28 NOVEMBER 2025
26
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
ARTIKEL 8 WAARDE – ARCHEOLOGIE 4 8.1 Functieomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies / gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
8.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels. 8.2.1 Algemeen Binnen het voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gebied mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten, indien en voor zover het een bouwplan betreft: a. met een oppervlakte van maximaal 500 m², of; b. met een oppervlakte groter dan 500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld, of; c. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
8.3 Omgevingsplanactiviteit 8.3.1 Algemeen In afwijking van artikel 8.2.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels: a. op basis van (archeologisch) onderzoek dient te zijn aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit, die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. b. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
28 NOVEMBER 2025
27
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
8.4 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een maatwerkvoorschrift te verbinden aan de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid is erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.5.1 Verbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren: a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; c. het ophogen en egaliseren van gronden; d. het verlagen van het waterpeil; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren; g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 centimeter bedragen; indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 500 m².
8.5.2 Uitzonderingen Het in 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies en/of gebruiksactiviteiten van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; d. binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
28 NOVEMBER 2025
28
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
8.5.3 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat: a. de in artikel 8.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij: 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of; 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad. c. voor zover de in artikel 8.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 8.5.4 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.4.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
8.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 8.6.1 Verbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in deze gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 500 m² en de diepte meer dan 0,5 meter onder maaiveld bedraagt. 8.6.2 Maatwerkvoorschriften Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij. 8.6.3 Omgevingsvergunning In afwijking van artikel 8.6.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.
28 NOVEMBER 2025
29
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
ALGEMENE REGELS ARTIKEL 9: ANTI-DUBBELTELREGEL Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
ARTIKEL 10: ALGEMENE BOUWREGELS 10.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van de bouwwerken, ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid.
10.2 Bestaande afwijkende maatvoering In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet dan wel Omgevingswet tot stand is gekomen, op het tijdstip van ter-inzage-legging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, met dien verstande dat het gebouw is opgericht ten behoeve van een uit de huidige (of vergelijkbare) functieomschrijving voortvloeiende functie / gebruiksactiviteit.
10.3 Ondergronds bouwen Voor ondergronds bouwen (bouwen beneden straatpeil) gelden de volgende bepalingen: a. bij (agrarische) bedrijfsgebouwen: de bebouwing mag uitsluitend worden gebouwd onder de (agrarische) bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat binnen de gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren; b. in overige gevallen: de bebouwing moet worden opgericht onder een (bedrijfs)woning en/of onder de bij de (bedrijfs)woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 meter buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken; c. de inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd; d. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4 meter.
28 NOVEMBER 2025
30
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
10.4 Regels veehouderij Onderstaande regels met betrekking tot het bouwen ten behoeve van een veehouderij, gelden uitsluitend in combinatie met de regels in de betreffende functieomschrijvingen. In de betreffende bepalingen is aanvullend verwezen naar de hieronder opgenomen bepaling(en). 10.4.1 Voorwaarden voor een veehouderij Voor een uitbreiding van, vestiging of omschakeling naar een veehouderij alsmede uitbreiding van de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf binnen een bestaand bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; b. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; c. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief. 10.4.2 Bebouwing in stalderingsgebied In het kader van staldering gelden de volgende bepalingen: a.
de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij is alleen toegestaan als bewijs is overlegd dat: 1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; 2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen; 3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling; b. een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat: 1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; 2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling; c.
het bewijs dat aan de voorwaarden van lid a en b is voldaan, is uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten; d. onder een bestaand dierenverblijf wordt verstaan: een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of melding, bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.
28 NOVEMBER 2025
31
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
ARTIKEL 11: ALGEMENE GEBRUIKSREGELS 11.1 Algemeen Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven functies / gebruiksactiviteiten.
11.2 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het (laten) gebruiken voor: a. seksinrichtingen; b. de verkoop van softdrugs; c. het gebruik van bijgebouwen of bedrijfsgebouwen als zelfstandige woning; d. het gebruik van gebouwen voor kleinschalige overnachting, behalve kleinschalige overnachtingen die binnen een functie / gebruiksactiviteit expliciet zijn toegestaan, dan wel de bestaande kleinschalige overnachtingen; e. evenementen, anders dan evenementen die binnen een functie / gebruiksactiviteit expliciet zijn toegestaan; f. kleinschalig kamperen; anders dan kleinschalig kamperen dat binnen een functie / gebruiksactiviteit expliciet is toegestaan dan wel anders dan de bestaande kleinschalige kampeerplaatsen; g. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie / gebruiksactiviteit gerichte gebruik van de grond; h. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie / gebruiksactiviteit gerichte gebruik van de grond.
ARTIKEL 12: ALGEMENE OMGEVINGSPLANACTIVITEITEN 12.1 Algemeen Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het afwijken van: a. de regels en staat toe dat de functiegrenzen of het bouwvlak in geringe mate worden / wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij geldt dat de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast; b. de regels ten behoeve van een overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,50 maal de maximaal toegestane (nok)hoogte van het betreffende gebouw, met dien verstande dat de maximale hoogte van schoorstenen 15 meter bedraagt;
28 NOVEMBER 2025
32
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
ARTIKEL 13 OVERIGE REGELS 13.1 Parkeeractiviteiten 13.1.1 Parkeergelegenheid a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft. b. Bij een aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en, 2. een parkeerbalans en toelichting hierop. c. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: 1. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en / of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort (er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de “Nota parkeernormen 2022” of de op dat moment vastgestelde actualisatie van de gemeentelijke parkeernota); en, 2.
de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer (er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto’s, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de “Nota parkeernormen 2022” of de op dat moment vastgestelde actualisatie van de gemeentelijke parkeernota); of, 3. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub 1 en 2: • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en, • als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik. d. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid. 13.1.2 Laden en lossen a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft. b. Bij een aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 1.
een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en, 2. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen. c. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: 1. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of 2. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub 1: • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en, • als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is. d. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.
28 NOVEMBER 2025
33
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
13.2 Regels met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen 13.2.1 Nieuwbouw of herbouw woningen en andere geluidgevoelige gebouwen Ten aanzien van nieuwbouw of herbouw van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan als: a. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 33 dB te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van weg-, spoorweg en vlieglawaai; b. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 35 dB(A) te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van industrielawaai; c. de verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe of aan de minst geluidbelaste zijde gerealiseerd worden; d. de woning minimaal één geluidluwe zijde heeft; e. de woning een geluidluwe buitenruimte heeft; f. omliggende bedrijven en voorzieningen niet in onevenredige mate worden beperkt in hun bedrijfsvoering. 13.2.2 Toevoegen van geluidgevoelige ruimten bij bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen Ten aanzien van het toevoegen van geluidgevoelige ruimten bij bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan als: a.
de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 33 dB te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van weg-, spoorweg- en vlieglawaai; b. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 35 dB(A) te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van industrielawaai; c. nieuwe verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe of aan de minst geluidbelaste zijde gerealiseerd worden; d. omliggende bedrijven en voorzieningen niet in onevenredige mate worden beperkt in hun bedrijfsvoering. 13.3 Overige zone – esdekken agrarisch Ter plaatse van de als ‘overige zone – esdekken agrarisch’ aangewezen gebieden gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functies / gebruiksactiviteiten waarbinnen dit geldt.
13.4 Luchtvaartverkeerszone – ihcs en invliegfunnel Al dan niet in afwijking van het elders in de planregels bepaalde, geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – ihcs en invliegfunnel’ ten behoeve van een obstakelvrij start- en landingsvlak met zijkanten ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien deze een bouwhoogte kennen, die de in bijlage 4 aangegeven waarde (uitgedrukt in meters boven NAP) overschrijdt.
28 NOVEMBER 2025
34
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
13.5 Vrijwaringszone – radar Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 90 meter boven NAP, in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen. 13.6 Wetgevingzone – voorwaardelijke verplichting 13.6.1 Verwijzing bijlagen Ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingzone – voorwaardelijke verplichting’ geldt de voorwaardelijke verplichting, zoals opgenomen in bijlage 5. 13.6.2 Omgevingsplanactiviteit landschappelijk inpassingsplan In afwijking van artikel 13.6.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor wijzigen van het in bijlage 5 opgenomen landschappelijk inpassingsplan, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels: a. er dient sprake te zijn van een zorgvuldig landschappelijk inpassingsplan met een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden als in het – in bijlage 5 opgenomen – oorspronkelijk landschappelijk inpassingsplan; b. het aangepaste landschappelijk inpassingsplan dient te zijn beoordeeld en goedgekeurd door de deskundige van de gemeente; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden.
28 NOVEMBER 2025
35
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
OVERGANGS- EN SLOTREGELS ARTIKEL 14: OVERGANGSRECHT 14.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
ARTIKEL 15: SLOTREGEL Deze regels worden aangehaald als: Regels van het “TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best”.
28 NOVEMBER 2025
36
Regels TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
BIJLAGEN
28 NOVEMBER 2025
37