CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

26017.03 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA transportverdeelstation Hallenweg

Raadsvergadering 15 juni 2026, gemeente BestBij agendapunt: 26017 - Bindend adviesrecht BOPA Hallenweg10.145 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ID0878

TOELICHTING AANVRAAG TRANSPORTVERDEELSTATION HALLENWEG IN BEST MET ONDERBOUWING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)

Enexis Netbeheer B.V.

Concept

Documenttitel

Toelichting aanvraag transportverdeelstation Hallenweg in Best met onderbouwing Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)

Soort document

Concept

Datum

13 april 2026

Projectnaam

Transportverdeelstation Hallenweg

Projectnummer

ID0878

Opdrachtgever

Enexis Netbeheer B.V.

Auteur

D. Roelofs

Vrijgave

1

Inhoud 1.

Toelichting op de aanvraag

2

1.1 Aanleiding en doel

2

1.2 Locatie

3

1.3 Leeswijzer

5

2.

6

Voorgenomen ontwikkeling

2.1 Projectbeschrijving

6

2.2 Toetsing aan het omgevingsplan

6

2.3 Conclusie strijdigheid en scope van de aanvraag

10

2.4 Procedures en bevoegd gezag

10

3.

11

Toetsing aan het beleid

3.1 Rijksbeleid

11

3.2. Provinciaal beleid

11

3.3 RES Metropoolregio Eindhoven

12

3.4 Gemeentelijk beleid

13

4.

14

Toetsing instructieregels

4.1 Instructieregels & scope beoordeling

14

4.2 Waarborgen van de veiligheid / externe veiligheid

14

4.3 Beschermen van waterbelangen

15

4.4 Gezondheid en milieu

16

4.4.1 Luchtkwaliteit

17

4.4.2 Geluid

17

4.4.3 Trillingen

19

4.4.4 Bodemkwaliteit

20

4.4.5 Geur

20

4.4.6 Elektromagnetische velden (EMV)

21

4.5 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

21

4.5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

22

4.5.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed

22

4.5.3 Omgevingskwaliteit

22

4.6 Verkeer en mobiliteit

23

4.7 Instructieregels Omgevingsverordening Noord-Brabant

23

5. Toetsing voorbeschermingsregels

25

0

6.

Uitvoerbaarheid

26

6.1 mer- (beoordelings-)plicht

26

6.2 Natuur

27

6.2.1 Gebiedsbescherming

27

6.2.2 Soortenbescherming

28

6.2.3 Bomen

29

6.3 Financieel - economische uitvoerbaarheid

29

6.4 Grondposities

29

7.

Participatie

30

8.

Belangenafweging en conclusie

30

9.

Toelichting (bouw) Omgevingsplanactiviteit

30

1

1.

TOELICHTING OP DE AANVRAAG

1.1 Aanleiding en doel Als regionaal netbeheerder onderhoudt Enexis Netbeheer B.V. (hierna: ‘Enexis’) het energienet en legt nieuwe netten aan. Ook zorgt Enexis voor het transport van energie. Via onze kabels en leidingen, worden gas en elektriciteit naar woningen en bedrijven gebracht. Enexis doet dit voor het verzorgingsgebied Groningen, Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. Als gevolg van de energietransitie is er een sterke toename van duurzame initiatieven, in het bijzonder de toename van decentrale elektriciteitsopwekking. De transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van hernieuwbare elektriciteit zorgt voor een druk op het elektriciteitsnet. Deze toename heeft als gevolg dat de infrastructuur van Enexis Netbeheer (hierna: Enexis) uitgebreid moet worden. Enexis moet nieuwe middenspanningsgebouwen en transformatorhuisjes bouwen, en nieuwe middenspanningskabels aanleggen. In dit licht is ook de uitbreiding van het middenspanningsnet in de gemeente Best noodzakelijk. Volgens de prognose voor 2035 wordt een significante toename van elektriciteitsvraag verwacht als gevolg van de energietransitie. Dit omvat onder andere de uitbreiding van laadpunten voor elektrische voertuigen, de groei van decentrale opwek, en de toenemende elektrificatie van huishoudens, industriële processen en warmtevoorziening.

De huidige netcapaciteit is onvoldoende om aan deze toekomstige vraag te voldoen, wat resulteert in de noodzaak voor netverzwaring. Wegens grote toename van de belasting (met name opwek) loopt het transportnet naar de gemeente Best vol. Daarnaast blijkt uit het belastingscenario van Enexis dat de belasting nog sterk zal toenemen. Om overbelasting te voorkomen en klanten te kunnen blijven aansluiten, is een uitbreiding van het transport- en distributienet nodig. Netsituatie gemeente Best

Figuur 1 Capaciteitskaart (bron: Netbeheer Nederland, 2024).

2

In Figuur 1 staat de netsituatie in de omgeving van het station weergegeven. De rood gekleurde gebieden kennen acuut een tekort aan transportcapaciteit: hier geldt een wachtlijst voor nieuwe aansluitingen. Er is dus een noodzaak om het station op korte termijn uit te breiden en zo nieuwe bedrijven en woningen in de gemeente Best op het elektriciteitsnet aan te kunnen sluiten. De gemeente Best is in het geheel rood gekleurd. Kortom, er is een noodzaak om het station op korte termijn uit te breiden en zo nieuwe bedrijven en woningen in de gemeente Best op het elektriciteitsnet aan te kunnen sluiten.

1.2 Locatie Perceel Enexis Netbeheer wil een transportverdeelstation bouwen op een gedeelte van het kadastrale perceel gemeente Best, sectie C, perceelnummer 4676. Figuur 2 en figuur 3 geven het kadastrale perceel met blauw aan.

Figuur 2 Ligging kadastraal perceel

3

Figuur 3 Kadastraal perceel

Figuur 4 Aanzicht vanaf de Hallenweg

Het perceel is in eigendom van de gemeente Best. De beoogde projectlocatie bevindt zich op een grasveld op het bedrijventerrein ‘’t Zand’. Het terrein is nu in gebruik is als een stukje groen. Het terrein wordt begrensd door een rij bomen aan de noordoostkant van het perceel, en een weg aan de zuidwestkant van het perceel.

4

Figuur 5 geeft de locatie van het transportverdeelstation weer. Dit is een uitsnede van de situatietekening die als bijlage is opgenomen.

Figuur 5 Situatietekening

Vóór het transportverdeelstation komt een toegangspad te liggen met klinkerverharding. Ook komt op de projectlocatie een opstelplek voor een bus voor onderhoud van het transportverdeelstation. Het perceel is 20,3 meter bij 17,7 meter. Het roze kader geeft het perceel weer waar het transportverdeelstation gebouwd gaat worden. Voor het perceel komt een uitweg. Deze aanvraag ziet alleen op de bouw van het transportverdeelstation. Activiteiten buiten het rode kader op de situatietekening (bijvoorbeeld het aanleggen van het kabeltracé) maken geen onderdeel uit van deze aanvraag.

1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in de rest van deze motivering uitgelegd waarom het transportverdeelstation bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het project. In hoofdstuk 3 wordt getoetst in hoeverre het project passend is binnen het Rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid, en gemeentelijk beleid. Daarna wordt het project getoetst aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hoofdstuk 4). Vervolgens wordt, in hoofdstuk 5, getoetst aan de voorbeschermingsregels, instructies en projectbesluiten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid aan bod. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op participatie. Uiteindelijk volgt, in hoofdstuk 8, de eindconclusie. In hoofdstuk 9 wordt de bouwactiviteit (omgevingsplan) kort toegelicht.

5

2.

VOORGENOMEN ONTWIKKELING

2.1 Projectbeschrijving Het project bestaat uit de bouw van een transportverdeelstation. Een transportverdeelstation (of schakelstation) versterkt het elektriciteitsnet. Het zorgt ervoor dat elektriciteit over lange afstanden wordt verdeeld. In een transportverdeelstation worden geen transformatoren gebruikt omdat er geen spanning wordt omgezet. De stroom wordt alleen verdeeld. Het station is te vergelijken met een stekkerdoos waar andere elektriciteitsstations op worden aangesloten. Het gebouw is 14,56 meter breed, 3,72 meter lang, en 3,67 meter hoog. Onder het station komt een kelder van 2,35 meter diep. Het transportverdeelstation krijgt de kleur dennengroen (RAL 6009). Ook zal Enexis een uitweg aanleggen. In de bijlage bij deze onderbouwing zijn de bouwtekeningen van het transportverdeelstation en de situatietekeningen opgenomen. Op het transportverdeelstation komen twee airco’s te staan. De airco’s reguleren de temperatuur en de luchtvochtigheid in het transportverdeelstation. De totale hoogte inclusief airco’s bedraagt 4,34 meter. Er zal altijd slechts één airco in werking zijn. De andere airco dient als backup. Tekeningen van het transportverdeelstation inclusief airco’s staan in de bijlage.

Figuur 6 Aanzicht transportverdeelstation

Het dak van het transportverdeelstation wordt een groen dak (sedum). Dit zal als voorschrift in de BOPA komen te staan. Naast de bouw van het transportverdeelstation, zal er ook verharding worden aangebracht in de vorm van een toegangspad.

2.2 Toetsing aan het omgevingsplan Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen van rechtswege omgezet in een (tijdelijk) omgevingsplan. Het (tijdelijk) omgevingsplan bestaat uit de voormalige bestemmingsplannen, de bruidsschat omgevingsplan (voormalige rijksregels) en enkele gemeentelijke verordeningen (erfgoedverordening, hemelwater- en geurverordening). De belangrijkste regels staan in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’, vastgesteld op 6 februari 2012. Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’

6

De projectlocatie valt binnen de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied - 1’ en binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeolgie - 5’. De projectlocatie heeft de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’.

Figuur 7 Uitsnede Omgevingsplan

Gebruiks- en bouwregels Op grond van artikel 18.1 van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’ is de grond bestemd voor: a.

verblijfsgebied met een functie voor verkeer en verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1': een overkapping ten behoeve van het parkeren en de stalling van winkelwagens; met de daarbij behorende voorzieningen zoals: c. parkeervoorzieningen; d. e. f. g.

straatmeubilair; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; nutsvoorzieningen.”

De bouwregels voor de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied - 1’ staan in artikel 18.2 van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’: “Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van overkappingen zoals bedoeld in lid 18.1 sub b bedraagt ten hoogste 6 m; c. de bouwhoogte van verlichting en vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 18 m; d. de bouwhoogte van reclamezuilen en antennes bedraagt ten hoogste 15 m; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 6 m.”

7

Artikel 30.3.2 van het bestemmingsplan bevat bouwregels voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken: “Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in dit plan opgenomen afwijkende regels, de volgende bepalingen: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan daar waar bovengronds mag worden gebouwd; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt minimaal 2,6 m en maximaal 4 m onder peil; In het geval een ondergrondse parkeergarage is toegestaan, geldt hiervoor een maximale diepte van 5 m onder peil; d.

e.

bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen; het bepaalde onder a t/m d is niet van toepassing op de ondergrondse spoorbaan, zoals bedoeld in lid 16.1 sub c.”

Artikel 30.3.3 van het bestemmingsplan bevat een binnenplanse afwijkbevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 30.3.2 sub c van het bestemmingsplan: “Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 30.3.2 sub c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 m onder peil onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord en voorafgaande aan het verlenen van de omgevingsvergunning advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder.” Aanduidingsregels De projectlocatie ligt binnen de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’. Artikel 33.2 van het bestemmingsplan stelt regels over de grond binnen de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’: “Ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie' geldt het volgende: a.

b.

c.

ter plaatse van de 'geluidszone - industrie' zijn de gronden in aanvulling op het bepaalde in de regels als bedoeld in hoofdstuk 2 mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand' op geluidsgevoelige objecten; in afwijking van het bepaalde bij de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen geldt ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone – industrie', dat een op grond van de andere aangewezen bestemmingen toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welke kan worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van bestaande geluidsgevoelige objecten, slechts mag worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde; tot een gebruik, strijdig met de aanduiding 'geluidzone – industrie' wordt in ieder geval gerekend het gebruik van niet geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelig object.”

Toets aan bestemmingsplanregels

8

Gebruik Het transportverdeelstation is een nutsvoorziening en valt daarom onder de bestemmingsomschrijving in artikel 18.1 sub n van het bestemmingsplan. Artikel 1.61 van het bestemmingsplan definieert ‘nutsvoorziening’ als: “voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.” Het transportverdeelstation is een voorziening van openbaar nut want het transportverdeelstation is een schakelstation dat elektriciteit verdeelt richting de inwoners en bedrijven van Best. Bouw De bouw van het transportverdeelstation is in strijd met de bouwregels in artikel 18.2. Het transportverdeelstation is een gebouw en op grond van artikel 18.2 sub a van het bestemmingsplan is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Het transportverdeelstation voldoet ook niet aan de regels in artikel 30.3.2 van het bestemmingsplan voor ondergrondse bouwwerken. Het transportverdeelstation heeft een kabelkelder en is dus een ondergronds bouwwerk volgens artikel 1.65 van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’.

Het transportverdeelstation voldoet aan artikel 30.3.2 sub a van het bestemmingsplan omdat op de projectlocatie bovengronds mag worden gebouwd. Het transportverdeelstation voldoet echter niet aan artikel 30.3.2 sub b van het bestemmingsplan omdat de kabelkelder van het transportverdeelstation het maximaal toegestaan bebouwde oppervlakte met meer dan 15 m2 overschrijdt. Het transportverdeelstation voldoet ook niet aan artikel 30.3.2 sub c van het bestemmingsplan. De kabelkelder van het transportverdeelstation is 2,35 meter diep terwijl de minimale diepte van ondergrondse bouwwerken 2,6 meter bedraagt. Aanduidingsregels Het transportverdeelstation voldoet aan artikel 33.2, aanhef, en onder a van het bestemmingsplan. Om te bepalen of het transportverdeelstation samen met de andere bedrijven geen te hoge geluidbelasting produceert, moet getoetst worden aan het ‘zonebeheerplan industrieterrein ’t Zand, Heide en Breeven te Best’ (hierna: ‘het zonebeheerplan’) Kabeltracé Op de projectlocatie zullen ook kabels worden aangelegd. Het aanleggen van de kabels op het perceel maken onderdeel uit van deze aanvraag. De kabels lopen tot aan de rand van het perceel. Een gedeelte van het kabeltracé is buiten de situatieschets gelaten. De kabels geven een indicatie van de breedte van het kabeltracé. De kabels kunnen binnen de bestemming ‘Verkeer’ zonder omgevingsvergunning worden aangelegd.

Het ontbrekende deel van het kabeltracé maakt daarom geen deel uit van deze aanvraag. Overige bestemmingsplannen Daarnaast gelden de volgende bestemmingsplannen op de projectlocatie:

9

‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’ (vastgesteld op 4 februari 2013;

‘Gerechtelijke uitspraak Bedrijventerreinen Best – ’t Zand, Breeven en Heide’;

‘Parkeernormen en archeologie’;

‘Parapluplan Wonen en kamerverhuur’.

Deze bestemmingsplannen bevatten een aantal relevante bepalingen maar die komen overeen met de relevante bepalingen in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’, dat is vastgesteld op 6 februari 2012.

2.3 Conclusie strijdigheid en scope van de aanvraag Het project is in strijd met de bouwregels van het omgevingsplan, omdat het bouwen van gebouwen binnen de bestemming ‘Verkeer’ niet is toegestaan en omdat ondergrondse bouwwerken op de projectlocatie ook niet zijn toegestaan. Ook voldoet de diepte van de kabelkelder niet aan de minimale diepte in artikel 30.3.2 sub c van het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan bevat een binnenplanse afwijkbevoegdheid om met een omgevingsplanactiviteit van de bepaling af te kunnen wijken. De overige onderdelen van het project passen wel binnen het omgevingsplan. In art. 8.0a en 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor de aanvraag van de BOPA. Een BOPA dient te worden verleend, indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit houdt in dat: de beoogde ontwikkeling in lijn moet zijn met het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. Dit wordt getoetst in hoofdstuk 3. de beoogde ontwikkeling moet passen binnen de instructieregels, afkomstig van het Rijksoverheid en de provincie Noord-Brabant. Dit zal besproken worden in hoofdstuk 4. de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met een rijks- of provinciale instructie, een

-

voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, of een belemmering vormen voor de uitvoer van een project waarvoor een rijks- of provinciaal projectbesluit is vastgesteld. Hier wordt in hoofdstuk 5 aandacht aan besteed. de beoogde ontwikkeling niet kennelijk onuitvoerbaar is. Dit zal in hoofdstuk 6 worden getoetst.

2.4 Procedures en bevoegd gezag De voorliggende aanvraag voor een omgevingsvergunning betreft een aanvraag voor (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (art. 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet), hierna ‘BOPA’. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd gezag voor het verlenen van deze omgevingsvergunning (art. 5.8 Ow). Op de aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure met een beslistermijn van 8 weken (art. 16.64 Ow). Op grond van artikel 16.15a, sub b, onder 1, jo. artikel 16.15b, jo. artikel 16.16, eerste lid, Omgevingswet, jo. artikel 4.21, lid 2, kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin de gemeenteraad advies- en instemmingsrecht heeft bij een omgevingsvergunning voor een BOPA. De gemeenteraad van de gemeente Best (hierna: ‘de gemeenteraad’) heeft dat gedaan in ‘de beleidsnotitie Omgevingswet: bindend adviesrecht bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 2022’ (hierna: ‘de beleidsnotitie’). De relevante categorie staat in artikel 2, lid 2 van de beleidsnotitie. “Artikel 2 Categorieën van gevallen binnen het stedelijk gebied en bedrijventerreinen met uitzondering van beschermde stads- of dorpsgezichten

10

(…) De realisatie van bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening hoger dan 5m, of groter dan 50m²;” Het transportverdeelstation wordt op het bedrijventerrein Breeven gebouwd, en de oppervlakte is 54,2 m2. De gemeenteraad heeft dus adviesrecht.

3.

TOETSING AAN HET BELEID

3.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) en het programma Energie Hoofdstructuur (PEH) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Energie is daar ook een onderwerp in. In de NOVI zijn vier prioriteiten genoemd: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling Door de bouw van het transportverdeelstation wordt rechtstreeks bijgedragen aan de energietransitie (prioriteit 1). Indirect maakt de uitbreiding van de netcapaciteit duurzame economische groei mogelijk (prioriteit 2) en draagt het bij aan sterke en gezonde steden en regio’s (prioriteit 3). Door de netcongestie te verminderen, kan de aansluiting van nieuwe bedrijven en woningen op het net mogelijk worden gemaakt. Conclusie Het beoogde project past binnen het Rijksbeleid.

3.2. Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant geldt vanaf december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant. De Brabantse Omgevingsvisie bevat de ambities van de provincie Noord-Brabant voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de periode tot 2050 en zet in op het behouden en verdere ontwikkeling van een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving. Daarbij richt de provincie zich op vier hoofdopgaven: -

De energietransitie;

-

Ontwikkeling van een Noord-Brabant dat om kan gaan met klimaatverandering;

-

Noord-Brabant als slimme netwerkstad;

-

Behouden en verder ontwikkelen van een concurrerende en duurzame economie.

Energie en milieu

11

Mede door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming in de provincie Noord-Brabant noodzakelijk is. In toenemende mate wordt erkent dat er op een andere manier naar onze samenleving en economie moet worden gekeken en naar hoe die anders georganiseerd moet worden. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie, grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staat daarbij centraal. Er is een transitie noodzakelijk naar (vooral ook) decentrale opwekking van hernieuwbare energie, hergebruik van grondstoffen en energie-efficiëntie. De provincie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke keuzen die samenhangen met de opwekking van hernieuwbare energie en het bij elkaar brengen van partijen. Duurzame energiehuishouding De provincie Noord-Brabant wil een significante bijdrage leveren aan deze energietransitie. Eén van de ambities zijn om een duurzame energiehuishouding te realiseren: hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar te houden. Een transitie die noodzakelijk is vanwege de klimaatverandering en het opraken van fossiele grondstoffen. Als stip aan de horizon ziet de provincie een circulair, CO2neutraal Noord-Brabant. Energie-infrastructuur De huidige energie-infrastructuur in de provincie Noord-Brabant bestaat voor een belangrijk deel uit energienetwerken van elektriciteit en gas.

Met de energietransitie zullen meer decentrale, kleine netwerken ontstaan, geënt op andere energiebronnen. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan (hoge en lage temperatuur) warmte, biogas en hernieuwbaar opgewekte elektriciteit. Dit betekent dat aanpassing dan wel uitbreiding van zowel bovengrondse als ondergrondse energie-infrastructuur noodzakelijk is.

Conclusie Met het beoogde project wordt bijgedragen aan de opgave van de energietransitie, dit is aldus in lijn met de Omgevingsvisie. Het beoogde project past binnen het beleid van de provincie.

3.3 RES Metropoolregio Eindhoven RES staat voor Regionale Energie Strategie. Er zijn door de overheid 30 RES-regio’s benoemd waarbij provincies, waterschappen, gemeenten en organisaties gezamenlijk een RES opstellen waarin ze keuzes maken in de duurzame opwek van elektriciteit (zon en wind) en warmte. Het doel vanuit het Klimaatakkoord is dat Nederland in 2030 voor 35 terrawattuur (TWh) aan duurzame stroom gaat opwekken. De gemeente Best maakt onderdeel uit van de RES-regio Metropoolregio Eindhoven (hierna: ‘MRE’). De RES MRE 1.0 is eind 2021 vastgesteld. De MRE heeft als einddoel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap wil de MRE uiterlijk in 2030 49% minder CO2 uitstoten dan in 1990. Ook wil de MRE 2 TWh aan duurzame energie opwekken. Tot slot staat in RES 1.0 dat uitbreiding van het elektriciteitsnet noodzakelijk is om ontwikkelingen in RES 1.0 mogelijk te maken. De bouw van het een nieuw transportverdeelstation past binnen het beleid van de RES 1.0. Conclusie De bouw van het transportverdeelstation draagt bij aan het voldoen aan de doelstellingen in de RES en het Klimaatakkoord.

12

3.4 Gemeentelijk beleid Deze paragraaf gaat in op het gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. 3.4.1 Omgevingsvisie De gemeenteraad heeft op 31 januari 2022 de ‘Omgevingsvisie Best’ (hierna: ‘de Omgevingsvisie’) vastgesteld. De bouw van het transportverdeelstation draagt bij aan meerdere kernopgaven die de gemeenteraad in de Omgevingsvisie heeft vastgesteld. De gemeenteraad heeft in de kernopgave ‘Ruimte voor comfortabel wonen’ de volgende ambitie geformuleerd: “De woningvoorraad en fysieke leefomgeving zijn duurzaam, aangepast aan het veranderende klimaat en dragen positief bij aan de energietransitie en circulaire economie.”1 De bouw van het transportverdeelstation zorgt voor meer capaciteit op elektriciteitsnet, waardoor meer woningen van het gas afkunnen en positief kunnen bijdragen aan de energietransitie.

Daarnaast heeft de gemeenteraad als kernopgave het “accommoderen van een vitale en schone economie” geformuleerd.2 Daar horen onder andere de volgende ambities bij: “Best draagt met een vitale en schone economie bij aan een duurzame economische ontwikkeling van de Brainportregio.”3 “Best is een duurzame gemeente en levert in regionaal verband een volwaardige bijdrage aan de 95% broeikasgasreductie in 2050 ten opzichte van 1990 - met als tussendoel 49% broeikasgasreductie in 2030.”4 “Energie wordt voor een groot deel duurzaam opgewekt, zowel collectief als op het niveau van het gebouw. In Best is de benodigde energie infrastructuur op een kwalitatieve manier ingepast in de fysieke leefomgeving.”5 De bouw van het transportverdeelstation draagt bij aan de realisering van bovenstaande ambities. Het elektriciteitsnet moet uitgebreid worden om de toenemende vraag naar elektriciteit aan te kunnen. Alleen met een uitbreiding van het elektriciteitsnet is het mogelijk om de transitie te maken naar een duurzame gemeente waar het grootste deel van energie duurzaam wordt opgewekt.

Omgevingsvisie Best, p.31. Omgevingsvisie Best, p. 37. 3 Omgevingsvisie Best, p. 38. 4 Omgevingsvisie Best, p. 38. 5 Omgevingsvisie Best, p. 38. 1 2

13

Conclusie De gemeente Best zet zich in voor verduurzaming binnen de gemeente. Onderhavig project past binnen het gemeentelijk beleid en draagt bij aan het bereiken van gemeentelijke ambities voor de verduurzaming.

4.

TOETSING INSTRUCTIEREGELS

4.1 Instructieregels & scope beoordeling Instructieregels Bkl In het Bkl zijn de Rijksinstructies opgenomen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Afdeling 5.1van het Bkl bevat instructieregels omtrent: - Waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2); -

Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3);

-

Beschermen van gezondheid en milieu (kwaliteit buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit) (§ 5.1.4);

-

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5);

4.2 Waarborgen van de veiligheid / externe veiligheid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de veiligheid van de omgeving (externe veiligheid). Als algemeen uitgangspunt geldt dat een brand, ramp of crisis dient te worden voorkomen, beperkt en te worden bestreden. Personen moeten zich in veiligheid kunnen brengen en de toegankelijkheid voor hulpdiensten moet zijn gewaarborgd (art 5.1 Bkl). De rijksinstructies bevatten daarbij specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2 Bkl). Het gaat daarbij – kort gezegd- om de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit. Als er sprake is van een risicovolle activiteit is er in de regel een onderzoek naar externe veiligheid nodig. Als risicovolle activiteiten zijn in het Bkl aangewezen: 

Opslag, productie gebruik en vervoer gevaarlijke stoffen en windturbines (§ 5.1.2.2 Bkl en bijlage VII). Hierbij gaat het om o.a. aardgas (tanken LPG), opslaan van brandstoffen, & ammoniak schaatsbanen) en opwekken van elektriciteit door drie windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m. Buisleidingen gevaarlijke stoffen (§ 5.1.2.3 Bkl jo. 3.101 Bal) Hierbij gaat het – kort gezegd - om brandbare, explosieve of giftige stoffen of warmte, als onderdeel van het warmtenet.

Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (§ 5.1.2.4 Bkl)

Veiligheid rond luchthavens (§ 5.1.2.5 Bkl)

Veiligheid van infrastructuur rond Seveso-inrichtingen (§ 5.1.2. Bkl)

Beoordeling De beoogde activiteit is niet aangewezen als risicovolle activiteit in de zin van het Bkl. Het te plaatsen bouwwerk voldoet daarbij aan de technische veiligheidseisen zoals opgenomen in het Bbl, en er is geen belemmering voor hulpdiensten.

14

Conclusie Het aspect ‘waarborgen van de veiligheid’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Beschermen van waterbelangen Deze paragraaf ziet op de vraag of met de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het beheer van watersystemen. Voor een duiding van de gevolgen wordt de opvatting van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het betreffende watersysteem betrokken (art. 5.37 Bkl). In Nederland zijn er verschillende bestuursorganen betrokken bij het waterbeheer. Waterbeheerders zijn: Rijkswaterstaat (voor o.a. primaire waterkeringen), gedeputeerde staten (voor o.a. regionale vaarwegen en de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden), de waterschappen (o.a. regionale wateren en zuivering stedelijk afvalwater) en gemeente (o.a. afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en stedelijk afvalwater). Hieronder wordt kort toegelicht dat er voldoende rekening wordt gehouden met de waterbelangen van elke waterbeheerder. Rijkswaterstaat (RWS) In het Bkl zijn voor een aantal onderdelen specifieke regels vastgesteld. Dit gaat over primaire waterkeringen, de kust, de grote rivieren en het IJsselmeergebied. De projectlocatie ligt niet binnen een beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is van het Rijk en de voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de belangen van RWS.

Waterschap De Dommel De beperkingengebieden in beheer bij het waterschap staan in de Waterschapsverordening van het betreffende waterschap. Dit kan gaan om zowel oppervlaktewater als waterkeringen. Daarnaast gelden er algemene regels voor het aanbrengen van verharding, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. In dit geval gaat het om het Waterschap De Dommel. Uit de ‘Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024’ en de leggerkaart blijkt dat de projectlocatie niet binnen een beperkingengebied dat in beheer is bij het Waterschap De Dommel. Als in het kader van de uitvoering grondwater wordt onttrokken voor bouwputbemaling dan worden de hiervoor geldende maatregelen nageleefd. De Waterschapsverordening bevat ook regels dat een toename van verharding gecompenseerd moet worden met het aanleggen van waterberging. Er geldt echter een vrijstelling van deze verplichting als het verhard oppervlak met maximaal 500 m2 toeneemt op grond van artikel 2.31, lid 3, sub a, van de Waterschapsverordening. De toename van verharding blijft ruim onder de drempelwaarde van 500 m2. Tot slot heeft Enexis een onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen voor de waterhuishouding als gevolg van de bouw van het transportverdeelstation. Dit onderzoek is als bijlage bijgevoegd.

Uit het onderzoek volgt dat de bouw van het transportverdeelstation geen gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding.

15

Provincie Noord-Brabant De provincie beheert vaarwegen in haar beheer. Daarnaast heeft de provincie de taak om de kwaliteit van het grondwater te beheren (artikel 2.18, lid 1 onder c, Ow). Elke provincie stelt eigen regels over activiteiten binnen deze grondwaterbeschermingsgebieden. Tevens staan in de Omgevingsverordening regels over grondwatersanering en de ontgrondingsactiviteit. De beoogde ontwikkeling ligt niet een beperkingengebied en daarbij is er geen sprake van grondwatersanering of een ontgrondingsactiviteit. De belangen van de provincie als waterbeheerder worden niet geschaad. Gemeente Best Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goed grondwaterpeil. Gemeenten kunnen regels opnemen in een Hemelwaterverordening of het omgevingsplan. De Hemelwaterverordening maakt van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan (art. 22.2, onder a Ow en art. 4.6 Iow). In dit geval zijn geen regels opgenomen in de Hemelwaterverordening en het omgevingsplan. Enexis gaat de toename in verharding niet compenseren met waterberging. De toename aan verharding bedraagt slechts 45,7 m2. Het transportverdeelstation zelf krijgt namelijk een groen dak. Verder kan het hemelwater aflopen op het omliggende grasveld. Het aanleggen van een waterberging is dus niet noodzakelijk voor een goede waterhuishouding.

Tot slot heeft Enexis een onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen voor de waterhuishouding als gevolg van de bouw van het transportverdeelstation. Dit onderzoek is als bijlage bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat de bouw van het transportverdeelstation geen gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 Gezondheid en milieu Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de gezondheid en het milieu. Instructieregels De rijksinstructieregels voor ETFAL zien toe op: -

Kwaliteit van de buitenlucht (§ 5.1.4.1)

-

Geluid door activiteiten (§ 5.1.4.2), waaronder: o o o

Geluid door industrieterreinen Geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden

-

Trillingen (§ 5.1.4.4)

-

Bodemkwaliteit (§ 5.1.4.5)

-

Geur (§ 5.1.4.6)

Volledigheidshalve wordt tot slot ingegaan op het onderwerp elektromagnetische velden (EMV).

16

4.4.1 Luchtkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit. Instructieregels In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in paragraaf 5.1.4.1 Bkl instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit in verband met de aanleg of wijziging van wegtunnels en auto(snel)wegen (art. 5.50 Bkl) en op de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen of activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen en spoorwegen (art. 5.51 Bkl). Een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning plaatsvindt is uitgezonderd van de regels (art. 5.52 Bkl). Beoordeling De locatie van de beoogde activiteit is niet publiek toegankelijk en er vindt ook geen bewoning plaats. Gelet hierop bestaat er geen belemmering op grond van de luchtkwaliteit.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.2 Geluid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het geluid. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.2 Bkl instructieregels opgenomen voor geluid. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Geluidsnormen omgevingsplan Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege geluidsnormen in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.4 In tabel 22.3.1 van het omgevingsplan zijn de volgende waarden vastgesteld voor geluid op een geluidgevoelig gebouw:

17

Activiteiten en milieuzonering De VNG heeft de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering gepubliceerd (hierna: ‘de handreiking’). De handreiking bevat een indicatieve lijst met activiteiten, waarin per activiteit de verwachte geluid- en geurbelasting is weergegeven. De activiteiten van Enexis vallen onder categorie CO, specifiek Productie en distributie van stroom, aardgas, stoom en warm water. Binnen deze categorie richt de beoordeling zich op subcategorie C01: Electriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen. Het is belangrijk om op te merken dat de nieuwe Handreiking niet van toepassing is op activiteiten die als "grote lawaaimaker" worden aangemerkt conform artikel 5.78b, lid 1, onder c Bkl, en waarvoor geen uitzonderingen conform het tweede lid gelden. Bij grote lawaaimakers zijn de regels voor Industrieterrein (IT) van toepassing. Deze BOPA ziet niet op een grote lawaaimaker. Voor de beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid kan gebruik worden gemaakt van de transponeringstabel zoals opgenomen in de Nieuwe Handreiking. In onderstaande tabel zijn de oude richtafstanden opgenomen in relatie tot het transformatorvermogen, evenals de corresponderende positie in de nieuwe handreiking en transponeringstabel.

De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht (hekwerk of de uiterste begrenzing van de bebouwing) tot aan de grens van het gebied waar geluidgevoelige gevels (woningen, scholen en zorginstellingen) staan of gebouwd mogen worden, al dan niet vergunningsvrij.

Het transportverdeelstation heeft een vermogen van <10 MVA en valt dus onder milieucategorie 2. Het transportverdeelstation bevat geen transformatoren die geluid veroorzaken. Wel worden er twee airco’s op het transportverdeelstation geplaatst. De airco’s hebben een brongeluid van 63 dB. Er zal slechts één airco tegelijk aan te staan. De tweede airco staat alleen aan op het moment dat de andere airco uitvalt. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object ligt op ongeveer 330 meter afstand van het transportverdeelstation (Koekoeklaan 3). Bij een dergelijk grote afstand wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een bedrijf uit milieucategorie 2. Het transportverdeelstation zal dus geen onaanvaardbare geluidhinder produceren. Gezoneerd industrieterrein De projectlocatie heeft de gebiedsaanduiding ‘gezoneerd industrieterrein’. Artikel 33.2 sub a van het bestemmingsplan bepaalt:

18

“Ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie' geldt het volgende: a. ter plaatse van de 'geluidszone - industrie' zijn de gronden in aanvulling op het bepaalde in de regels als bedoeld in hoofdstuk 2 mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand' op geluidsgevoelige objecten;”. De projectlocatie ligt op het bedrijventerrein ’t Zand. Burgemeester en wethouders hebben onder andere voor dit bedrijventerrein een zonebeheerplan vastgesteld. Het bestemmingsplan bevat geen koppeling in de planregels met het zonebeheerplan. Het zonebeheerplan is daarom slechts een beleidsregel. Uit het zonebeheerplan volgt het volgende. De gecumuleerde geluidbelasting van alle bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein mag ’s nachts maximaal Letmaal 40 dB(A) bedragen op de zonegrens op grond van het zonebeheerplan. Voor de bouw van hetzelfde transportverdeelstation met dezelfde airco’s op bedrijventerrein Breeven heeft Enexis laten berekenen wat de bijdrage is van het in werking hebben van één airco op de gecumuleerde geluidbelasting. Daaruit bleek het volgende. Met een geluidvermogen van 63 dB(A) bedraagt het ‘langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT’ van een airco op een afstand van 73 meter ongeveer 17 dB(A).

Dit is een worstcasescenario: de airco-unit is continue in bedrijf is en straalt dit geluidvermogen continue uit, ook ’s nachts. In de nacht mag de geluidbelasting vanwege het hele industrieterrein samen 40 dB(A) zijn. De geluidbijdrage van de aircounit is dus minimaal 23 dB lager. Als 17 dB(A) energetisch wordt opgeteld bij 40 dB(A), dan neemt het geluidniveau toe met 0,02 dB. Een dergelijke toename is volledig verwaarloosbaar. De afstand van het transportverdeelstation tot aan het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object (Koekoeklaan 3) bedraagt ongeveer 330 meter. Deze afstand is vele malen groter dan de 73 meter in de berekening voor het transportverdeelstation op het bedrijventerrein Breeven. Met een afstand van 73 meter was de bijdrage van de airco aan de gecumuleerde geluidbelasting verwaarloosbaar met een berekende toename van 0,02 dB. Op 330 meter zal de bijdrage aan de gecumuleerde geluidbelasting nog vele malen kleiner zijn. Kortom: de bouw van het transportverdeelstation op de projectlocatie is niet in strijd met artikel 33.2 sub a van het bestemmingsplan.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.3 Trillingen Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor trillingen. Instructieregels In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.4 Bkl instructieregels opgenomen voor trillingen. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (art. 5.83 Bkl). Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie; onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (5.80 Bkl).

19

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet staan van rechtswege trillingsnormen in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.5. van de planregels. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In art. 5.87a van het Bkl zijn standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Beoordeling In onderhavig project worden geen activiteiten verricht die herhaalde of continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw. Conclusie Het initiatief behelst geen activiteiten die continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.4 Bodemkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de bodem. Op verschillende plekken in de Omgevingswet zijn regels te vinden over de bodem. Er gelden instructieregels over bodemkwaliteit vanuit het Bkl waar het initiatief aan dient te voldoen. Instructieregels De rijksinstructieregels over bodemkwaliteit staan in paragraaf 5.1.4.5 Bkl, onder meer over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (§ 5.1.4.5.1). De instructieregels uit § 5.1.4.5.1 Bkl zijn alleen van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Van een bodemgevoelig gebouw is alleen sprake voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten in het gebouw aanwezig zullen zijn. De beoogde ontwikkeling bevat geen gebouwen waar mensen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Beoordeling Het transportverdeelstation is niet geschikt voor menselijk verblijf. Enkel in het kader van onderhoud zullen er incidenteel mensen aanwezig zijn op het station. De instructieregels uit het Bkl zijn daarmee niet van toepassing op het project.

Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.5 Geur Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het onderdeel geur.

20

Instructieregels In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.6 Bkl instructieregels opgenomen voor geur. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet staan van rechtswege geurregels in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.6. De regels gelden voor activiteiten die geur veroorzaken door landbouwhuisdieren en paarden en pony’s te berijden in een dierenverblijf, geur als gevolg van overige agrarische activiteiten en geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Beoordeling De beoogde activiteit veroorzaakt geen geur. Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.6 Elektromagnetische velden (EMV) In beginsel is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als aan de instructieregels van hoofdstuk 5 Bkl is voldaan. Volledigheidshalve besteden we in onderstaande paragraaf aandacht aan het onderwerp Elektromagnetische velden. EMV komen overal voor. EMV ontstaan bij het opwekken, transporteren en gebruiken van elektriciteit. Deze ontstaan bij hoogspanningslijnen, kabels en elektriciteitsstations, maar ook bij het gebruik van huishoudelijke apparaten zoals een stofzuiger, scheerapparaat en waterkoker. Een EM-veld ziet op een gebied rondom apparaten, kabels en elektriciteitsstations waarbinnen elektromagnetische straling meetbaar is. Deze mag niet hoger zijn dan een Europees vastgestelde limiet. Deze limiet is 100 microtesla. Enexis zorgt ervoor dat de sterkte van de EM-velden buiten het stationsterrein altijd beneden deze waarde blijft. Op 18 juli 2023 is er tussen Netbeheer Nederland en de minister van Klimaat en Energie een convenant gesloten over het nemen van proportionele bronmaatregelen die zien op het realiseren van nieuwe netcomponenten, waaronder op hoog- en middenspanningstations. Enexis past de genoemde bronmaatregelen uit dit convenant toe bij de bouw en het gebruik van het transportverdeelstation ter beperking van magneetvelden.

Conclusie Het aspect ‘EMV’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De rijksinstructieregels voor ETFAL zien – voor zover van belang – toe op: -

Ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5.4 Bkl)

21

Cultureel en werelderfgoed (§ 5.1.5.5 Bkl)

-

4.5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (§ 5.1.5.4). De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft reeds overwogen dat de realisatie van een transformatorstation, gelet op de Nota van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening en de strekking van de regeling die mede gericht is op het tegengaan van leegstand, niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.6 Er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze jurisprudentielijn onder de Omgevingswet wordt verlaten. Conclusie Het aspect ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. Instructieregels Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. In § 5.1.5.5 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor cultureel erfgoed. Het gaat daarbij – onder andere – om het voorkomen van aantasting van: 1) rijksmonumenten; (2) beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen; (3) archeologische monumenten; (4) verrichten van archeologisch onderzoek (bij meer dan 100 m2 niet van toepassing, tenzij anders is bepaald) en (5) behoud van werelderfgoed. Beoordeling Uit het omgevingsplan gemeente Best volgt dat de locatie geen rijksmonument is, niet ligt in beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen, geen archeologisch monument is en niet behoort tot het werelderfgoed. De gemeente Best heeft geen archeologische aanduidingen in het omgevingsplan vastgelegd voor de locatie van het transportverdeelstation. Tevens heeft de gemeente een cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld, maar de locatie heeft geen cultuurhistorische waarde.

4.5.3 Omgevingskwaliteit Bij omgevingskwaliteit speelt een rol of de bebouwing aansluit op de directe omgeving in het plangebied. Landschappelijke inpassing De locatie van het transportverdeelstation

ligt

op

het

bedrijventerrein

Breeven.

Het

transportverdeelstation wordt naast een rij met bomen en groen gebouwd. Het transportverdeelstation valt weg tegen de achtergrond van de bomen. Daarnaast krijgt het transportverdeelstation de kleur 6

ABRvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 en ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724.

22

dennengroen (RAL 6009). Verder ligt het station op een bedrijventerrein zodat een uitgebreide landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is. Welstand De Welstandsnota ‘Welstand met beleid 2003’ is van toepassing op de projectlocatie. De projectlocatie ligt in een industriegebied, namelijk het bedrijventerrein ‘Breeven’. De Welstandsnota bevat algemene criteria voor industriegebieden: “Voor nog nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen is het van belang dat deze op zichzelf met een consequent doorgevoerde architec- tuur worden uitgevoerd, waarbij de architectuur van direct omliggende gebouwen gerespecteerd moet worden. Dit is gezien de grote verscheidenheid van architectuur van de betreffende gebouwen niet vooraf in criteria uit te drukken.” Beoordeling De architectuur van het station is consequent doorgevoerd en de vorm van het transportverdeelstation past bij de omliggende bebouwing op het bedrijventerrein. P.M. Aanvullen met welstandsadvies

Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Verkeer en mobiliteit De invloed van het project op de verkeer- en vervoersbewegingen in de omgeving kan een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie bijv.: ECLI:NL:RBGEL:2024:2827). Hieronder vallen eveneens de invloed van het initiatief op de parkeerdruk en de verkeersveiligheid in de omgeving. Beoordeling De bouw van transportverdeelstation zorgt voor een tijdelijke toename van het bouwverkeer. Dit zal naar verwachting een geringe invloed hebben op de verkeersstromen en verkeersveiligheid het bedrijventerrein Breeven. Na afronding van de werkzaamheden zal het transportverdeelstation enkel bezocht worden in het kader van onderhoudswerkzaamheden. Een structurele toename van de verkeers- en parkeerdruk kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Conclusie Het aspect ‘verkeer’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7 Instructieregels Omgevingsverordening Noord-Brabant Op grond van de omgevingsverordening Noord-Brabant geldt de algemene instructieregel van artikel 5.7 (zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit). Een omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geven bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

23

invulling aan een veilige gezonde leefomgeving met een goede leefomgevingskwaliteit. Daartoe wordt krachtens lid 2 van artikel 5.7 toepassing gegeven aan 

Zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 5.8

De lagenbenadering als bedoeld in artikel 5.9 en

Meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10.

De bouw van het transportverdeelstation is in overeenstemming met de uitgangspunten in artikel 5.8, 5.9, en 5.10 van de Omgevingsverordening. Artikel 5.8 lid 1 sub a van de Omgevingsverordening bepaalt dat ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ inhoudt dat een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag. ‘Bestaand ruimtebeslag’ is onder andere bestaand Stedelijk gebied op grond van artikel 5.4 van de Omgevingsverordening. De projectlocatie ligt binnen Stedelijk gebied, waardoor het project voldoet aan artikel 5.8 van de Omgevingsverordening. Artikel 5.9 lid 1 van de Omgevingsverordening bepaalt: “Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.” Artikel 5.9 lid 2 van de Omgevingsverordening bepaalt: “Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c.

de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.” De bouw van het transportverdeelstation heeft geen gevolgen voor de aardkundige of archeologische waarden. Op de projectlocatie zijn geen aardkundige waarden aanwezig en het project is in overeenstemming met de archeologische dubbelbestemming. Ook draagt het transportverdeelstation bij aan de netwerklaag. Het transportverdeelstation breidt namelijk het energienetwerk uit. Ook tast de bouw van het transportverdeelstation het natuurnetwerk niet aan. Dit staat verder uitgelegd in par. 6.2 van deze onderbouwing. Tot slot zijn er geen cultuurhistorische en landschappelijke waarden aanwezig op de projectlocatie. Enexis onderbouwt verderop in de BOPA dat deze onderbouwing van het transportverdeelstation geen gevolgen heeft voor de lucht, milieu, veiligheid, en de gezonde leefomgeving. Artikel 5.10 bepaalt dat ‘meerwaardecreatie’ een evenwichtige benadering van de economische, ecologische, en sociale aspecten in een gebied bij een ontwikkeling zijn betrokken. De bouw van het transportverdeelstation is een goede afweging van economische en ecologische aspecten. Het

24

transportverdeelstation draagt bij aan de economie in de gemeente Best doordat het elektriciteitsnet wordt uitgebreid en meer bedrijven op het elektriciteitsnet kunnen worden aangesloten. Daarnaast heeft Enexis ecologisch onderzoek laten doen (zie par. 6.2). Uit het ecologische onderzoek blijkt dat de bouw van het transportverdeelstation geen afbreuk doet aan de verplichtingen rondom soortenbescherming en gebiedsbescherming.

5. TOETSING VOORBESCHERMINGSREGELS Rijks instructies – voorbeschermingsregels – projectbesluit Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructie, of als deze betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, of als door de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een rijks projectbesluit is vastgesteld, zou worden belemmerd. Beoordeling Het omgevingsplan gemeente Best bevat Rijksvoorbeschermingsregels met betrekking tot hyperscale datacentra. De ontwikkeling die deze BOPA mogelijk maakt, valt niet onder de reikwijdte van deze voorbeschermingsregels. Er zijn verder geen instructies of projectenbesluiten van toepassing op de locatie. Provinciale instructies – voorbeschermingsregels – projectbesluit Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructie of een –regel, of als deze betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, of als door de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een provinciaal projectbesluit is vastgesteld, zou worden belemmerd.

Beoordeling Het omgevingsplan gemeente Best bevat voorbeschermingsregels vanuit de provincie met betrekking tot mobiele verontreinigingssituaties. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub b, van de voorbeschermingsregels is het verboden om een bouwactiviteit te verrichten zonder voorafgaand bodemonderzoek. Enexis heeft een bodemonderzoek laten uitvoeren waaruit blijkt dat het grondwater op de locatie niet verontreinigd is. Het verbod in artikel 2.1, eerste lid, sub b, van de voorbeschermingsregels is daarom niet van toepassing. Er zijn vanuit de provincie Noord-Brabant verder geen instructies of projectenbesluiten van toepassing op de locatie. Conclusie Het beoogde project past binnen de voorbeschermingsregels van de Rijksoverheid en de provincie Noord-Brabant.

25

6.

UITVOERBAARHEID

Onder de wetgeving vóór de Omgevingswet gold op grond van art. 5.20 Bor jo, 3.1.6 Bro en de jurisprudentie dat in de toelichting/onderbouwing van een plan c.q omgevingsvergunning (2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo) moet worden ingegaan op de inzichten over de uitvoerbaarheid van een plan/project. Onder de Omgevingswet zijn deze bepalingen niet teruggekomen. Uit de toelichting van de wetgever valt op te maken dat er geen sprake zou zijn van ETFAL indien op voorhand aannemelijk is dat een activiteit niet kan worden uitgevoerd. Een evenredige belangenafweging (art. 3:4, tweede lid Awb) kan hierbij ook een rol spelen.7 Gelet hierop worden in deze paragraaf op enkele aspecten met betrekking tot de uitvoerbaarheid ingegaan.

6.1 mer- (beoordelings-)plicht De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Het aanwijzen van mer.-(beoordelings-) plichtige projecten vindt plaats op basis van artikel art. 16.43 Ow en art. 11.6 Omgevingsbesluit en Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Beoordeling Eén van de in bijlage V genoemde categorieën betreft de Energie-industrie (categorie C), hieronder vallen onder andere: -

thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water;

-

Windparken;

-

Kerncentrales en andere kernreactoren;

-

Installaties voor de productie of verijking van splijtstoffen.

Enexis is een netbeheerder en produceert geen elektriciteit. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de onder C aangewezen categorieën. Het project valt evenmin onder categorie J, infrastructuur en ruimte. Meer specifiek niet onder categorie J8, de aanleg of wijziging van hoogspanningsleidingen, deze aanvraag ziet immers op de bouw van een transportverdeelstation voor de middenspanning. De beoogde ontwikkeling valt evenmin onder categorie J10 – Industrieterrein. Dat is het geval als de ontwikkeling zou inhouden dat er sprake is van een gelijktijdig ingeschakeld vermogen van meer dan 200MVA (artikel 2.11a Ow in combinatie met artikel 5.78b, lid 1 onder c Bkl). Een dergelijke ontwikkeling kan alleen worden mogelijk gemaakt door wijziging van het omgevingsplan. Er zou dan sprake zijn van een mer.-beoordelingsplicht (kolom 3), waarvoor een mededeling/aanmeldnotitie moet worden gedaan (zie artikel 16.45 jo 11.10 Ob). In voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling valt tot slot niet onder categorie J11 – ‘stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte voor interpretatie laat. Echter, niet iedere wijziging of uitbreiding binnen een stedelijke context kan automatisch worden beschouwd als een wijziging of

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17017406/1