26014.04 - Motivering TAM-omgevingsplan Nieuwstraat 64
Tekst van het document
Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 4.4.2 Toetsing De beoogde projectlocatie valt binnen het aandachtsgebied ‘Eindhoven’, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 5.51. De gemeente Best valt binnen dit agglomeratie gebied. Om aan te tonen dat beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de luchtkwaliteit is er een berekening gedaan met de NIBM-tool en CIMLK. NIBM Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn.
Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in paragraaf Verkeer en parkeren. Bij de berekening is uitgegaan van de maximum verkeersgeneratie, namelijk 140,3 motorvoertuigen per etmaal. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in tabel 4.4.1.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
26/49
Tabel 4.4.1 NIBM tool
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO2 en PM10 is niet hoger dan 1,2 ug/m3. Hiermee is sprake van een NIBM-project. Nader onderzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Hierdoor is toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 niet nodig. Tevens behoort het projectgebied niet tot een van de aandachtsgebieden, welke genoemd zijn in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De bouw van woningen is geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het is geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. CIMLK Aangetoond moet worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. In tabel 4.4.2 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de luchtkwaliteit. Tabel 4.4.2 Achtergrondwaarden CIMLK NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2,5 μg/m3
Jaar
17273055_28386
14,3161
16,1419
6,02
9,1858
2023
17273055_28387
14,3388
16,1444
6,02
9,867
2023
17273055_28388
13,8613
16,09
6,02
9,1674
2023
17273055_28389
13,8909
16,0931
6,02
9,1685
2023
40
40
35
25
-
ID
Normen
4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
27/49
4.5 Bodem 4.5.1 Toetsingskader Het meewegen van de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit is onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een omgevingsplan bevat daarom in ieder geval waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Het Bkl bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen in de bodem en neemt de gemeente de grenswaarden in acht (artikel 5.89i en 5.89j Bkl). Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k en 5.98ka Bkl). Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie (artikel 5.89p Bkl).
Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen (artikel 5.89o Bkl). 4.5.2 Onderzoek Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Met onderhavig planvoornemen worden er bodemgevoelige gebouwen gerealiseerd, namelijk woningen. In 2021 zijn er ter plaatse van het projectgebied bodemonderzoeken uitgevoerd. Naar aanleiding van de uitgevoerde bodemonderzoeken is in 2024 nog een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor dit onderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het bepalen van de concentratie PFAS stoffen in de bodem. Er zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage. De belangrijkste conclusies worden in deze paragraaf nader samengevat. Tabel 4.5.1 Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken
Bodemonderzoek Verkennend bodemondonderzoek Verkennend asbest in bodem onderzoek Verkennend- en aanvullend bodemonderzoek
Bureau Van Vleuten Consult bv Van Vleuten Consult bv
Datum 04-02-2021 22-04-2021
Hopveld advies
06-02-2024
Verkennend bodemonderzoek– 04-02-2021 Op basis van de Wet bodembescherming vormen de aangetroffen verhoogde waarden geen aanleiding voor aanvullend en/of nader onderzoek. De verhoogde parameters in de grond, waar zintuiglijk een bijmenging met puin is aangetroffen, zijn vermoedelijk te herleiden aan de puinbijmenging. Ter plaatse van deellocatie 2 (2 voormalige ondergrondse tanks) is plaatselijk in de ondergrond een lichte verhoging aan ethylbenzeen en xylenen aangetroffen. Mogelijk zijn deze verhogingen veroorzaakt tijdens het verwijderen van de ondergrondse tanks. De parameters zijn slechts licht verontreinigd en er is géén aanvullend en/of nader onderzoek noodzakelijk. Op basis van het vooronderzoek kan niet voldoende worden onderbouwd dat de aangetroffen bijmengingen met puin niet aan asbest is te relateren bevelen wij aan een asbest in bodemonderzoek uit te voeren. Geadviseerd wordt bij herinrichting van het terrein alert te zijn op bodemvreemde bijmengingen en deze grond mogelijk apart te af te graven.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
28/49
Verkennend asbest in bodemonderzoek – 22-04-2021 Visueel is in een aantal asbestgaten zwak tot sterk puin aangetroffen. In geen van de inspectiegaten zijn visueel asbestverdachte materialen aangetroffen. Ter plaatse van inspectiegaten is analytisch een zeer gering gehalte asbest in de bodem aanwezig. Geconcludeerd wordt dat de abestconcentratie is de bodem de interventiewaarde niet overschrijdt. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. De onderzoekslocatie is voldoende onderzocht op het voorkomen van asbest in de bodem. De zeer lichte overschrijdingen van asbest in de bodem geven geen aanleiding voor aanvullend en/of nader asbest in bodemonderzoek conform de NEN5707. Er is geconcludeerd dat er vanuit milieu hygiënisch oogpunt geen bezwaren zijn voor het toekomstige woongebruik van de locatie. Verkennend- en aanvullend bodemonderzoek – 06-02-2024 Het uitgevoerde verkennend- en aanvullend bodemonderzoek geeft samen met de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken een volledig beeld van de actuele milieukundige kwaliteit van de bodem. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Er is geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten geen beperkingen opleveren ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Hopveld Advies geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
4.5.3 Conclusie De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor het beoogde planinitiatief. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.6 Activiteiten en milieuzonering 4.6.1 Toetsingskader Het is van belang dat verschillende activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving en milieugevoelige functies in evenwicht zijn met elkaar. Onder de Omgevingswet heet dit ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Dit evenwicht kan in hoofdzaak op twee manieren worden bereikt: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Activiteiten met gebruiksruimte en bijbehorende regels Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De regels zijn niet alleen gericht op milieuzaken, maar ook op stedenbouwkundige overwegingen.
De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Overeenkomstig het Bkl is in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) alleen het wonen hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
29/49
Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 4.6.2 Toetsing In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat binnen het projectgebied. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Onderzocht is of er ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd, en of omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen worden geschaad.
Gebiedstype Het projectgebied is gelegen in het centrum van Best, waarbij sprake is van een ‘gemend gebied’ hier komen de bestemmingen wonen, dienstverlening, horeca en detailhandel voor. Uitwaartse milieuzonering De beoogde woningen vormen geen milieuhinderlijke activiteit. Een beoordeling van uitwaartse milieuzonering is niet nodig. Inwaartse milieuzonering De beoogde woningen vormen een milieugevoelige activiteit. Op basis van het omgevingsplan zijn de milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving bepaald. De meest dichtstbijzijnde milieuhinderlijke activiteiten zijn in onderstaande tabel weergegeven. De beoogde woningen ter plaatse van het projectgebied zijn buiten de zones rondom milieubelastende activiteiten gelegen. Daarom is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast kan gesteld worden dat het planvoornemen niet voor belemmeringen zorgt in de bedrijfsvoering van verschillende omliggende activiteiten. Tabel 4.6.1 Milieuhinderlijke activiteiten omgeving
Functie
Categorie
Zone
Restaurant (Nieuwstraat 55b)
Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.
FM2
FM
0 meter
13 meter
Restaurant (Nieuwstraat 68-70)
Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.
FM
FM
0 meter
12 meter
Tandarts (Nieuwstraat 60a)
Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven
FM
FM
0 meter
0 meter
Geluid
Minimale richtafstand
Daadwerkelijke afstand
Geur
Ter plaatse van het projectgebied was voorheen een tankstation gevestigd, dit tankstation is inmiddels geamoveerd. Tevens is de milieuvergunning van het tankstation aan de Nieuwstraat 64 te Best op 6 september
2 FM staat voor functiemenging
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
30/49
2022 ingetrokken door het college van de gemeente Best 3. Hieruit blijkt dat er geen sprake meer is van een milieuhinderlijke activiteit ter plaatse van het projectgebied. 4.6.3 Conclusie Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.7 Weging van het waterbelang Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het project op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld.
Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De concretere invulling met regels om dit te verwezenlijken is opgenomen in de omgevingsverordening. 4.7.1 Toetsingskader De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Bkl artikel 5.37, lid 1, een “weging van het waterbelang” uit te voeren. Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers online, middels de digitale watertoets, nagaan of hun ruimtelijk plan voldoende rekening houdt met de waterbelangen. Uit de digitale watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom. Aanvullend op dit advies dient in het plan verantwoording afgelegd te worden over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders. Dit gebeurt meestal in de “weging van het waterbelang” van het ruimtelijke plan. De doelen op langere termijn zijn op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau opgenomen in een Omgevingsvisie. Hieraan wordt invulling gegeven via diverse programma's, waaronder het programma Water. De
3 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2022-404824.html
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
31/49
thema's die behandeld worden in het programma zijn: afvalwater, regenwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater. Beleid Waterschap De Dommel Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma “Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. Het waterschap werkt aan drie waterdoelen die elk een programmatische aanpak hebben. De hoofdstukken die hierin aan bod komen zijn droge voeten, schoon water en voldoende water. Met dit beleid is er meer aandacht voor klimaatadaptatie en een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Voor het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de verordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd worden.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in Balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; • functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; • wat schoon is moet schoon blijven.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater wegstroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico's voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. opnieuw gebruiken; 2. vasthouden / in laten trekken in de grond; 3. water bergen; 4. afvoeren naar sloten of rivieren; 5. afvoeren naar een riool.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
32/49
Waterschapsverordening De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing. In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: 'Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam'). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de regels waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; • de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; • de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
• de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.
Beleid gemeente Best Waterplan Best In het 'Waterplan Best, op naar een veerkrachtig watersysteem' wordt een visie gegeven op het watersysteem van Best. Het Waterplan Best dient als input en toetsingskader voor de diverse lopende projecten en processen binnen het gemeentelijk grondgebied. De visie is onderverdeeld naar vier thema's aan de hand waarvan de waterproblematiek beschreven en aangepakt kan worden. Deze waterthema's zijn waterkwaliteit, verdrogingsbestrijding, wateroverlast en waterbeleving. Voor onderhavig projectgebied zijn met name de thema's waterkwaliteit en wateroverlast van belang. Ten aanzien van waterkwaliteit staat het behouden en verkrijgen van schoon grondwater, schoon oppervlaktewater en schone waterbodems centraal. Dit kan worden bereikt met de trits; voorkomen - scheiden zuiveren'. Met het thema wateroverlast wordt bedoeld dat er een natuurlijk evenwicht bestaat tussen water en de gebruiksfunctie bebouwing. Door de grote oppervlakten verharding in de bebouwde omgeving, kan het regenwater niet meer op natuurlijke wijze in de grond infiltreren en/of afstromen naar beken. Piekafvoeren in inundaties buiten het stedelijk gebied zijn het gevolg. Binnen een veerkrachtig systeem dient water de ruimte te krijgen. Daarom wordt ten aanzien van wateroverlast de trits 'Infiltreren - vasthouden - afvoeren' gehanteerd.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
33/49
Water- en rioleringsplan Het waterbeleid van de gemeente Best is vastgelegd in het Water- en rioleringsplan. In het Water- en rioleringsplan wordt ingegaan op de gemeentelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Zo zijn voor deze aspecten, en ook voor het aspect oppervlakte, een aantal opgaven en speerpunten geformuleerd: Stedelijk afvalwater: • inzameling van stedelijk afvalwater; • transport van het stedelijk afvalwater; • continueren huidige rioleringszorg. Hemelwater: • inzameling van hemelwater; • verwerken van ingezameld hemelwater; • inspelen op klimaatverandering. Grondwater: • voorkomen van grondwateroverlast. Oppervlaktewater: • waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur; • mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ten aanzien van de inzameling van stedelijk afvalwater is aangegeven dat alle percelen waar afvalwater vrijkomt, aangesloten worden op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. Bij kleinschalige in-/uitbreidingen kan daarbij aansluiting op het bestaande (gemengde) systeem acceptabel zijn. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer.
Voor wat betreft het hemelwater wordt ingezet op de trits 'schoonhouden (voorkomen) - scheiden - zuiveren' en 'Infiltreren - vasthouden - afvoeren'. Vertrekpunt daarbij is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij de zorgplicht voor grondwater is het met name van belang dat er geen wateroverlast zal optreden als gevolg van planologische wijzigingen. 4.7.2 Toetsing Er is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage. De belangrijkste conclusies worden in deze paragraaf nader samengevat. Uit de meetresultaten blijkt dat de k-waarde van de zandlagen in de onverzadigde zone tussen de 0,2 en 0,8 m/dag bedraagt en is daarmee slecht tot matig te noemen. Op basis van de bodemopbouw en de meetresultaten van de onverzadigde zone wordt de locatie momenteel niet geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater en de aanleg van infiltratievoorzieningen. Op de locatie is sprake van een slecht doorlatende zandlaag waarbij tot circa 1,0 m-mv sprake is van humeus zand met plaatselijk bodemvreemde bijmengingen. In de ondergrond is sprake van een sterk zandige leemlaag of plaatselijk siltige zandlagen met laagjes leem. Om de doorlatendheid van de bodem te verbeteren kan worden gedacht aan het toepassen van bodemverbetering ter plaatse van te realiseren infiltratievoorzieningen.
Er zijn geen recente grondwatermeetreeksen van de locatie of de directe omgeving beschikbaar zijn. Daarom kan geen exacte uitspraak worden gedaan over de GHG op de locatie. Binnen het projectgebied wordt het hemelwater en vuilwater gescheiden afgevoerd. Het hemelwater afkomstig van verhardingen en daken wordt losgekoppeld van het bestaande rioolstelsel. Om infiltratie te bevorderen, worden de parkeervakken en delen van de ontsluitingswegen uitgevoerd met open bestrating, zoals graskeien.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
34/49
Deze open bestrating maakt het mogelijk dat een deel van het hemelwater direct in de bodem infiltreert, wat bijdraagt aan het voorkomen van uitdroging van de bodem. Onder de parkeerplaatsen wordt aanvullend een infiltratiesysteem aangelegd, zodat het water ter plaatse in de bodem kan worden opgenomen. Daarnaast wordt in het openbaar groen een wadi gerealiseerd, die dient als buffer voor hemelwater en zorgt voor infiltratie in de ondergrond. De waterbergingsopgave is als volgt berekend: Tabel 4.7.1 Overzicht vereiste compensatie
Gebouwen Privé tuinen (verhard) Privé tuinen (onverhard) Verhard oppervlak rijbaan, tegelpaden en parkeerkoffers Paden Groene / blauwe ruimte Totaal verhard Totaal projectgebied
Huidig m2 (circa)
Toekomstig m2 (circa)
0 0 0
1.650 (1.495 + 155) 279 651
0
2.070 (1.665 + 405)
1.450 4.150
1.601
1.450 5.600
3.999 5.600
* Voor de privétuinen is als uitgangspunt gehanteerd dat 70% door de toekomstige bewoners verhard zal worden.
De vereiste compensatie wordt berekend door het toekomstig verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 70 mm (0,07 m) en de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 280 m3 (3.999 m2 x 0,07 x 1). De waterberging wordt binnen het plan opgelost door het realiseren van wadi’s van 75 m3. Daarnaast vinden de volgende vormen van waterberging plaats: • IT-riool: 70 m3 (Uit de GHG van de omgeving (circa. 14.00 NAP) herleiden we dat een IT-riool tot de mogelijkheden behoort (maaiveld wordt ingericht op circa 15.70+).; • Infiltratiekratten particulier eigendom: 78 m3; • Waterbergende fundering onder parkeervakken, dikte 400 mm en 35% holle ruimte: 57 m 3. Totale berging: 280 m3 Op figuur is aangegeven hoe de waterberging gerealiseerd kan worden. In het verder planproces vindt een nadere detaillering van de waterberging plaats. De figuur is i.v.m. de leesbaarheid ook opgenomen in de bijlage.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
35/49
Figuur 4.71. Invulling waterberging
4.7.3 Conclusie Vanuit het aspect weging van het waterbelang is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dit volgt uit de uitgevoerde stikstofberekening in het kader van het planvoornemen. 4.8 Ecologie 4.8.1 NNN-gebieden Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Doorwerking projectgebied Het projectgebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 880 meter ten zuidoosten van het projectgebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.8.2 Soortenbescherming Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
36/49
• Vogels; • Europees beschermde soorten; • Nationaal beschermde soorten. Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie. Specifieke zorgplicht Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. Doorwerking projectgebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een ecologische quickscan uitgevoerd. De volledige onderzoek rapportage is opgenomen als bijlage. In onderstaande tekst worden de belangrijkste conclusies toegelicht.
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt genomen: • De woning aan Nieuwstraat 62B zijn potentiële nesten en verblijfplaatsen aanwezig van huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Indien bij de werkzaamheden binnen 3 meter wordt gebouwd of bouwmateriaal wordt geplaatst (o.a. steigerwerk) zijn negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten. In dat geval dient middels een protocollair onderzoek in het juiste seizoen de aan- of afwezigheid van de betreffende soorten te worden bepaald. • Met betrekking tot de bouw zijn schadelijke handelingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van essentieel leefgebied van wezel, bunzing en steenmarter op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. • Vervolgonderzoek naar gebruik van waardplanten binnen het projectgebied door teunisbloempijlstaart dient hieromtrent uitsluitsel te geven. • Binnen het projectgebied zijn op meerdere plaatsen individuen van de Japanse duizendknoop waargenomen. Om verdere verspreiding te voorkomen dient dit te worden uitgevoerd conform het ‘Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen’.
Geadviseerd wordt om de soort uit te roeien binnen het projectgebied alvorens met de werkzaamheden wordt gestart. • Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. • In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Vervolgonderzoeken Op basis van de quickscan flora en fauna is er voor diverse soorten vervolgonderzoek geadviseerd, te weten: • Huismus, gierzwaluw, vleermuizen; • Wezel, bunzing en steenmarter; • Teunisbloempijlstaart. De onderzoeken worden op het juiste moment in het seizoen uitgevoerd. Als uit de vervolgonderzoeken blijkt dat er een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit nodig is, zal deze separaat worden aangevraagd.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
37/49
4.8.3 Conclusie Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied en/of NNB-gebied. Met de realisatie van het planvoornemen worden dan ook geen negatieve effecten op een van deze gebieden verwacht. Dit is mede aangetoond door het uitvoeren van een AERIUS-stikstofberekening. Aan de hand van de uitgevoerde quickscan flora en fauna wordt vervolgonderzoek uitgevoerd naar enkele soorten. Als uit de vervolgonderzoeken blijkt dat er een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit nodig is, zal deze separaat worden aangevraagd. 4.9 Stikstof 4.9.1 Natura 2000-gebieden De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. 4.9.2 Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd.
Het stikstofonderzoek is opgenomen als bijlage. In onderstaande tekst worden de belangrijkste conclusies toegelicht. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 8,5 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 26 grondgebonden woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is uitgevoerd om toename van stikstofdepositie uit te sluiten. Er is door De Movares een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage. De belangrijkste conclusie wordt in deze paragraaf samengevat. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie voor dit aspect worden uitgesloten. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect stikstof is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dit volgt uit de uitgevoerde stikstofberekening in het kader van het planvoornemen. 4.10
Geur
4.10.1 Toetsingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
38/49
Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: • indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; • indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten. Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: 1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); 2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); 3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art.
5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De aanwijzing van geurgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfunctie van een ander Omgevingswetsinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn de volgende gebouwen geen gebouw met woonfunctie: • gevangenissen (celfunctie); • hotels (logiesfunctie); • asielzoekerscentra (logiesfunctie); • recreatiewoningen (logiesfunctie). De wet wijst gebouwen met deze functie niet aan als geurgevoelig gebouw. Wel kan de gemeente ervoor kiezen om deze gebouwen als geurgevoelig aan te wijzen in het omgevingsplan. 4.10.2 Toetsing Beoogd planvoornemen voorziet in een geurgevoelig gebouw (woningen). Een geurgevoelig object is een gebouw bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Een woning is te beschouwen als een geurgevoelig object. Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen op de voorgenomen planlocatie.
Dat kan worden achterhaald aan de hand van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst ‘Zuidoost-Brabant’. Ook is achterhaald of het planinitiatief eventuele belemmeringen voor veehouderijen met zich meebrengt. In de regio Zuidoost-Brabant zijn veel intensieve veehouderijen gevestigd, zo ook in de omgeving van het voorgenomen projectgebied. Veehouderijen in de omgeving zijn weergegeven in figuur 4.10.1. Alle uitstoot van geur van alle veehouderijen kan gezamenlijk weergegeven worden, dit wordt de achtergrondbelasting genoemd. Figuur 4.10.2 toont een uitsnede van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur juni 2023. Dit geeft de aanwezigheid van odour units per kubieke meter weer (ouE/m3).
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
39/49
Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling wordt de kwaliteit leefomgeving gekwalificeerd als ‘zeer goed’. Hier geldt een achtergrond belasting van < 3 ouE/m3.
Figuur 4.10.1 Bestaande veehouderijen in de omgeving van het projectgebied zijn met een groene stip weergegeven. Ligging projectgebied indicatief met zwart rondje (bron: ODZOB)
Figuur 4.10.2 Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur. Projectgebied weergegeven met locatiepin (bron: ODZOB)
De beoogde woningen vormen geen belemmering voor omliggende veehouderijen, het initiatief heeft geen negatieve invloed op de bestaande agrarische bedrijfsvoering. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
40/49
5
Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden
5.1 Archeologie 5.1.1 Toetsingskader Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op: • het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek. 5.1.2 Toetsing Er is door Archeologisch Adviesbureau De Tijd een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage. De belangrijkste conclusies worden in deze paragraaf nader samengevat. De verplichting tot archeologisch onderzoek komt voort uit het vigerende bestemmingsplan ‘Parkeernormen en Archeologie Best’ (vastgesteld d.d. 06-02-2017). Voor het projectgebied gelden dubbelbestemmingen waarde archeologie 3 en 5. De voor deze waarde aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de op of in de grond aanwezige of te verwachte archeologische waarden.
Specifiek voor dit projectgebied houdt dit in dat voor bouwplannen groter dan respectievelijk 250 en 2500 m2 en dieper dan 30 cm -mv een verplichting tot archeologisch onderzoek geldt. Het is evident dat met de voorgenomen bouwplannen deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Uit het bureauonderzoek blijkt de volgende gespecificeerde verwachting: Laat-paleolithicum en mesolithicum: Jager-verzamelaars kozen vaak voor hoger gelegen gebieden nabij water vanwege drinkwater en biodiversiteit. Hoewel het projectgebied op aantrekkelijk hoger dekzand ligt, ontbreken waterlopen, waardoor de archeologische verwachting voor deze periode laag is. Eventuele resten (zoals haardkuilen en vuurstenen artefacten) kunnen onder het plaggen- of esdek zitten. Neolithicum tot vroege middeleeuwen: Vanaf het neolithicum ontstonden landbouwculturen met permanente bewoning op hoger gelegen gronden. Het projectgebied ligt gunstig en in de omgeving zijn vondsten uit de ijzertijd bekend. Daarom geldt een hoge verwachting voor resten uit deze periode, zoals paalkuilen, aardewerk en gebruiksvoorwerpen. Volle en late middeleeuwen: De Oranjestraat en Nieuwstraat verbonden historische kernen van Best en Verrenbest. Bebouwing langs de Nieuwstraat begon rond 1858. Nabij het projectgebied zijn middeleeuwse vondsten gedaan, waaronder een boerderijplattegrond en aardewerk.
Dit leidt tot een hoge verwachting voor resten uit de volle en late middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor de nieuwe tijd. Resten worden verwacht vanaf het maaiveld. Conclusie Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan worden gesteld dat het projectgebied een hoge archeologische verwachting heeft voor bewoningsresten vanaf het neolithicum. In contrast tot deze hoge verwachting staat het vermoeden dat een zeer groot deel van het projectgebied is gesaneerd. Hoewel de exacte omvang van de sanering tot op heden niet bekend is, blijkt uit een overzichtstekening van aanwezige ondergrondse tanks, leidingen en (pomp)installaties dat tenminste 50% van het projectgebied in meer of mindere
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
41/49
mate gesaneerd zal zijn. Voor deze delen van het projectgebied kan de archeologische verwachting bijgesteld worden naar geen verwachting. Geadviseerd wordt om de intactheid van de bodemopbouw in eerste instantie te controleren aan de hand van het saneringsrapport. Mocht dit rapport niet voorhanden zijn dan is een alternatief het uitvoeren van een verkennend booronderzoek in de delen van het projectgebied waarover twijfel bestaat of de bodem (volledig) is verstoord. 5.1.3 Conclusie Het projectgebied heeft een hoge archeologische verwachting voor bewoningsresten vanaf het neolithicum. Echter is de verwachting dat door eerdere saneringen minstens 50% van het gebied verstoord is, waardoor de verwachting daar wordt bijgesteld naar geen verwachting. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt geadviseerd om de bodemintactheid te controleren via het saneringsrapport of, bij afwezigheid daarvan, een verkennend booronderzoek uit te voeren. Het bureauonderzoek dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag, de gemeente Best. 5.2 Cultuurhistorie 5.2.1 Toetsingskader Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed.
Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed (par. 5.1.5.5 Bkl). In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek. 5.2.2 Toetsing De Cultuurhistorische waardenkaart 2024 is door de provincie Noord-Brabant herzien, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Uit de CHW kaart van de provincie Noord-Brabant (zie figuur 5.2.1) volgt dat binnen het projectgebied geen sprake is van de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden. In de omgeving van het projectgebied zijn wel enkele cultuurhistorische elementen gelegen, waaronder Rijksmonumenten, monumentale bomen, historische stedenbouw en historisch groen. Onderhavige ontwikkeling heeft echter geen invloed op deze monumenten en doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische panden en waarden.
Figuur 5.2.1 Uitsnede CHW kaart, projectgebied rood gearceerd (bron: Provincie Noord-Brabant)
De Nieuwstraat maakt onderdeel uit van het historisch dorpslint Oirschotseweg – Hoofdstraat – Nieuwstraat. Kenmerkend voor dit lint is de bebouwing met overwegend langskappen die evenwijdig aan de straat zijn
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
42/49
georiënteerd. In het plan wordt de woning aan de Nieuwstraat op een afwijkende wijze benaderd ten opzichte van de overige nieuwe woningen die achter het lint zijn gelegen. Qua materiaalgebruik sluit de woning aan op het bestaande karakteristieke straatbeeld door de toepassing van baksteen in de gevel met een kleur die aansluiting vindt aan het lint. Ook in bouwvolume wordt aangesloten bij de historische context: de nieuwe woning krijgt een langskap, passend binnen de traditionele vormtaal van het dorpslint. 5.2.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3 Gezondheid 5.3.1 Toetsingskader In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. 5.3.2 Toetsing Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, is het essentieel om te onderzoeken op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. De herontwikkeling van het voormalige tankstation naar een woonhofje met circa 26 woningen draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarnaast profiteert het van een gunstige locatie nabij diverse voorzieningen zoals winkels, supermarkten, scholen, gezondheidszorgfaciliteiten en horeca. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid zouden kunnen veroorzaken, wat een weigering van de omgevingsvergunning rechtvaardigt.
Andere milieuaspecten, die nauw verbonden zijn met gezondheid en in deze ruimtelijke motivering aan bod komen, bevestigen dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. 5.3.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.4 Trilling 5.4.1 Toetsingskader Er dient rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Deze trillingen dienen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.4 Bkl). Indien de trillingen niet meer bedragen dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen zijn aangegeven in onderstaande tabellen. Trillinggevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie. Het gaat om activiteiten anders dan wonen die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, uitgezonderd industrieterreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
43/49
Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen in de buurt van spoorwegen moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan. 5.4.2 Toetsing Met beoogd planvoornemen worden trilling gevoelige gebouwen gerealiseerd, er is namelijk sprake van nieuwe woonfuncties. Het intercitytraject tussen Eindhoven en ’s-Hertogenbosch loopt in de nabijheid van Best. Het projectgebied is gelegen op circa 820 meter gelegen vanaf het spoor. Gezien de ruime afstand tussen het spoor en het projectgebied is er geen sprake van trillinghinder op het beoogde planvoornemen. 5.4.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
44/49
6
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid Deze wijziging van het omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien. De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd. De gronden zijn deels in eigendom van de ontwikkelaar, een deel van de ontwikkellocatie is nog eigendom van de gemeente. Een deel van de ontwikkellocatie is nog in eigendom van de gemeente. De gronden worden pas aan de ontwikkelaar verkocht wanneer het omgevingsplan onherroepelijk is, de omgevingsvergunning onherroepelijk is en de Japanse duizendknoop volledig van het terrein is verwijderd. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er heeft een inloopavond op 16 september 2025 voor omwonenden plaatsgevonden. De uitnodigingsbrief en een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in de bijlagen. Daarnaast hebben er diverse keukentafel gesprekken plaatsgevonden. De verslagen van deze gespreken zijn opgenomen in dezelfde bijlage.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
45/49
7
Belangenafweging en conclusie
Om te beoordelen of het planvoornemen resulteert in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving nauwkeurig onderzocht en afgewogen. Met name uit hoofdstuk 4 ‘Omgevingsaspecten’ en hoofdstuk 5 ‘Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden’ kan worden geconcludeerd dat de beoogde activiteit leidt tot een situatie waarin er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij doeltreffend verband is gelegd tussen de instrumenten van de Omgevingswet en recent beleid. Er is een duidelijke link gecreëerd tussen de belangen van de initiatiefnemer, de doelen van de gemeente, en de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
46/49
Separate bijlagen Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Beschouwing externe veiligheid Bijlage 5: Stikstofnotitie Bijlage 6: Bodemonderzoek Bijlage 7: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 8: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 9: Wateropgave Bijlage 10: Doorlatendheidsonderzoek
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
47/49
Colofon Opdrachtgever
Best 01 B.V.
Uitgave
Movares | BRO Adviseurs B.V. Willemsplein 2
Telefoon
+31 (0)73 - 208 91 55
Ondertekenaar
CVe
Projectnummer
P08435
Kenmerk
DST-25008511
© 2026, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
48/49
DST-25008511 / Proj.nr. P08435 / Vrijgegeven / Versie 4 / 10-04-2025
49/49