CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

25062.05 - Bosseweg 33 Best (motivering BOPA)

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente BestBij agendapunt: 25062 - Bindend advies: Bosseweg 31-33, BOPA (oprichten appartementengebouw)16.958 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

25

Toets De parkeerbehoefte van onderhavige ontwikkeling is nader uitgewerkt in paragraaf 2.3. Geconcludeerd wordt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. 3.5.5 Volkshuisvestingsprogramma 2024-2028 De gemeente Best heeft de woonvisie uit 2017 geactualiseerd in het Volkshuisvestingsprogramma 2024-2028. In het programma is als hoofdlijn aangegeven: Onze huidige woonvoorraad bestaat voor ongeveer 80% uit eengezinswoningen. Om perspectief te bieden op doorstroming van senioren en iets toe te voegen aan de betaalbare voorraad en aansluit bij de vraag van jongeren en starters, sturen we op een divers aanbod van woningen en woonvormen. Dit betekent dat we inzetten op meer compacte grondgebonden woningen en meer appartementen voor één- en tweepersoons huishoudens. Daarbij hebben we bijzondere aandacht voor passende woningen voor senioren met mogelijkheden voor ontmoeting. In de Woondeal Zuidoost-Brabant 2023 is de opgave vanuit het landelijke beleidsprogramma 'wonen en zorg voor ouderen' omschreven: Nationaal is er tot 2030 behoefte aan 290.000 woningen geschikt voor ouderen. Het betreft 40.000 woningen geschikt voor verpleegzorg, 170.000 nultredenwoningen en 80.000 geclusterde woonvormen die ook geschikt zijn voor ouderen. Voor de gemeente Best is de totale woningbouwopgave voor levensloopbestendige woningen gesteld op 595 woningen.

In het volkshuisvestingsprogramma is naar aanleiding hiervan aangegeven: Gezien de bovengenoemde opgave en de totale woningbouwopgave stellen we dat 25% van de nieuwbouwwoningen die we tussen 2020 en 2040 realiseren levensloopbestendige woningen moeten zijn. Toets Het initiatief past in het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Met het project worden het aanbod (kleinere) nultredenwoningen voor één- en tweepersoonshuishoudens vergroot. Naast aantallen en typologie is ook de betaalbaarheid van het woningaanbod binnen de gemeente onderdeel van het beleid (koop/huur en prijsklasse (verkoopprijs of huurprijs op basis van het woningwaarderingsstelsel (WWS)). Voor deze ontwikkeling geldt als uitgangspunt dat 2/3 deel in de categorie betaalbaar moet worden gerealiseerd. Door de beperkte oppervlakte van de appartementen (40-60 m²) staat vast dat sprake is van betaalbare woningen. De woningen zijn geschikt voor één- en tweepersoons huishoudens, dus starters en senioren. De gezamenlijke tuin aan de voorzijde biedt mogelijkheden voor ontmoeting.

Het bouwplan, zijnde 21 appartementen, worden onderverdeeld in de volgende categorieën: • Categorie lage middeldure koop ==> tenminste 3 woningen • Categorie midden middeldure koop ==> tenminste 3 woningen • Categorie hoge middeldure koop ==> tenminste 9 woningen • Categorie dure koop ==> ten hoogste 6 woningen (deze kunnen vervangen worden door appartementen in de categorie Betaalbare koopwoning) 3.5.6 Welstand met beleid 2003 Het gemeentelijke welstandsbeleid bevat geen specifieke wetstandseisen voor het projectgebied. Bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen van toepassing is, worden door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit beoordeeld. In de nota Welstand met beleid zijn objectgerichte criteria opgenomen voor erfafscheidingen, dakkapellen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Toets Voorliggend projectvoornemen beoordeeld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het project voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

26

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Zoals in paragraaf 3.1 al is aangegeven, bevat het Bkl instructieregels. De BOPA is in die paragraaf al getoetst aan onderwerpen van nationaal belang. In paragraaf 2.5.2 is ingegaan op ruimte voor toekomstige functies voor autowegen. De instructieregel die toeziet op de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is reeds aan bod geweest in paragraaf 3.1.4. De verantwoordelijkheid van de toetsing van de BOPA aan een aantal andere instructieregels ligt bij de gemeente. In het gemeentelijk beleid wordt bijvoorbeeld sturing gegeven aan woningbouwcategorieën. In onderstaande tabel zijn de relevante omgevingsaspecten voor de beoogde herontwikkeling aan de Bosseweg 33 te Best opgenomen. Per onderwerp is aangegeven in welke paragraaf in dit hoofdstuk daar nader op wordt ingegaan. Onderwerp waarborgen van veiligheid beschermen van waterbelangen beschermen van gezondheid en milieu kwaliteit van de buitenlucht trillingen geluid en geur bodemkwaliteit beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

4.2

Paragraaf 4.7 4.9 4.11 4.4 n.v.t. 4.3 en 4.5 4.6 4.10

Activiteiten en milieuzonering

4.2.1 Toetsingskader Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Ook biedt deze zonering duidelijkheid waar bij de projectie van nieuwe milieugevoelige activiteiten rekening mee moet worden gehouden. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. Het ruimtelijk spoor ging onder de Wet ruimtelijke ordening uit van vaste richtafstanden op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (uit 2009). Die richtafstanden gelden vanaf een bepaalde activiteit tot rustig woongebied en gemengd gebied. Hierbij wordt rustig woongebied meer beschermd dan gemengd gebied. De nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering uit 2024 werkt niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een lijst van activiteiten met afstanden per activiteit. In plaats daarvan wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een lijst van activiteiten.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

27

4.2.2 Motivering De nieuwe woonfunctie is geen milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet. In de directe omgeving van de projectgebied bevinden zich geen plaatsgebonden activiteiten die een beperking zijn op de beoogde ontwikkeling. De winkel op het naastgelegen perceel vormt geen belemmering voor de bouw van woningen binnen het projectgebied. Deze winkel valt binnen de milieucategorie 1 waardoor een richtafstand van 10 meter voor geluid geldt. De te realiseren woningen worden op een grotere afstand dan 10 meter gerealiseerd. Daarbij wordt het akoestisch klimaat in de woning gegarandeerd zoals beschreven in paragraaf 4.3. Het perceel met een bedrijfsbestemming aan de achterzijde zal niet opnieuw in gebruik worden genomen omdat ook dat perceel zal worden herontwikkeld tot woningbouwlocatie. 4.2.3 Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.3

Geluid

4.3.1 Toetsingskader Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gaan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: - het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; - het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; - het bevorderen van bronmaatregelen; - het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: - het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane geluidsproductie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

28

gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3.2 Motivering Er is door De Roever omgevingsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 opgenomen. In deze rapportage is uitgegaan van 23 woningen. De aanpassing van het bouwplan naar 21 woningen zorgt niet voor een andere uitkomst dan berekend voor het 23 woningen. Gemeentewegen Uit het onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege gemeentewegen (Oude Rijksweg) maximaal 59 dB is en overschrijdt daarmee de standaardwaarde van 53 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd.

Rijkswegen De berekende geluidbelasting vanwege de rijksweg A2 is maximaal 59 dB en overschrijdt daarmee de standaardwaarde van 50 dB. De grenswaarde van 60 dB wordt niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Cumulatief wegverkeer en maatregelen Naast toetsing aan de standaardwaarden en de grenswaarden dient er ook te worden beschouwd of: • Er wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels; • Er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Deze beschouwing wordt gedaan op basis van het cumulatieve geluid van alle geluidbronsoorten samen. Het gezamenlijke geluid is het geluid van meerdere geluidbronsoorten energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Met wegverkeer als enige relevante geluidbron bij deze ontwikkeling is het gezamenlijk geluid gelijk aan het cumulatieve geluid. De karakteristieke geluidwering van de gevel van een verblijfsgebied moet daarvoor ten minste gelijk zijn aan de hoogste waarde van het geluid minus 33 dB. Het gezamenlijke geluid bedraagt aan de straatzijde ten hoogste 62 dB op de tweede verdieping. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt daarmee maximaal (62 – 33 =) 29 dB.

Woon- en verblijfsklimaat Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen kan gebruik worden gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Hieruit blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen de geluidsniveaus variëren van 41 tot 62 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Slecht’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan evengoed wel als acceptabel worden aangemerkt.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

29

Hierbij kunnen de volgende zaken in overweging worden meegenomen: • Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel • Uit oogpunt van een goed woon- en leefklimaat is het niet wenselijk dat er buitenruimtes gerealiseerd worden aan de meest geluidbelaste zijde. Om deze reden beschikken de woningen over een kleine geluidluwe privébuitenruimte en over een grotere gemeenschappelijk geluidluwe tuin, zie figuur 2.5 in paragraaf 2.2. • Aangezien nieuwbouw daarnaast over het algemeen aan hoge eisen voor de gevelwering voldoet kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat binnen in de woning niet in de weg staat. 4.3.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit als het akoestisch klimaat in de woning wordt gegarandeerd zoals hierboven staat beschreven.

4.4

Kwaliteit van de buitenlucht

4.4.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect kwaliteit van de buitenlucht instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de buitenlucht; - het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de kwaliteit van de buitenlucht als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd, de genoemde maximale waarde van 1,2 niet zal worden overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling.

In enkele situaties moet de kwaliteit van de buitenlucht altijd worden beoordeeld: - bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

30

-

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Schone lucht op zijn Bests Decentraal Uitvoeringsplan Luchtkwaliteit 2022-2026 en Schone Lucht Akkoord In uitvoeringsplan is een pakket van maatregelen opgenomen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zo zijn er maatregelen met betrekking tot mobiliteit, industrie en houtstook opgenomen. Best is één van de vele gemeenten die het Schone Lucht Akkoord heeft getekend. Ook heeft de gemeente Best haar beleid over luchtkwaliteit vastgelegd in Decentraal Uitvoeringsplan Luchtkwaliteit 2022-2026 ‘Schone lucht op zijn Bests’. Handreiking luchtkwaliteit en gevoelige bestemmingen Gemeenten moeten volgens de Omgevingswet de gezondheid van inwoners beschermen bij het toewijzen van functies aan locaties. De Gemeente Best doet dit door gevoelige bestemmingen zoals scholen en zorginstellingen niet dicht bij drukke wegen toe te staan. Hoewel normen bestaan voor NO₂, PM10 en PM2,5, blijkt dat ook ultrafijnstof en roet schadelijk zijn, zelfs onder de norm. Wegverkeer is een belangrijke bron van deze stoffen, vooral rond drukke wegen. Organisaties zoals VNG, GGD en het Longfonds adviseren daarom voorzichtigheid bij het bouwen van gevoelige bestemmingen op zulke locaties. Met gevoelige groepen bedoelen we mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigde stoffen, bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken.

Als gevoelige bestemmingen gelden gebouwen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis of verpleegtehuis. Hieronder vallen ook overige gebouwen die dezelfde functie hebben als hiervoor omschreven. Het gaat dan om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in omgevingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de voorziene functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In deze handreiking worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. 4.4.2 Motivering Ter hoogte van het projectgebied is sprake van een goede luchtkwaliteit:. de NO 2concentratie bedraagt 14,7 μg/m3 en PM10 16,1 μg/m3 (bron: Atlas Leefomgeving). Deze concentraties liggen ruim onder de grenswaarden van 40 μg/m3 waarmee sprake is van een goede luchtkwaliteit. Gelet op het feit dat op basis van artikel 5.54 Bkl sprake is van Niet In Betekenende Mate bij maximaal 1500 woningen kan worden gesteld dat dit project hier ruimschoots binnen blijft. Aangezien binnen het projectgebied slechts 21 woningen worden toegevoegd. Het projectgebied bevindt zich binnen de invloedsfeer van de A2. Hierdoor is toetsing aan de ‘Handreiking gevoelige bestemmingen Best’ aan de orde.

Voorliggend initiatief betreft geen gevoelige functie zoals bedoeld in de handreiking luchtkwaliteit en gevoelige bestemmingen. 4.4.3 Conclusie Het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

31

4.5

Geur

4.5.1 Toetsingskader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval moeten worden beschermd. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. De Verordening geurhinder en veehouderij maakt onderdeel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan Best. Aanvullend hier op heeft de gemeente de Beleidsregel geurgevoelig gebouw Best 2024 vastgesteld.

Onder geurgevoelig gebouw wordt in de gemeente Best verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het omgevingsplan, of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, daarbij inbegrepen gebouwen die op basis van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gebouwd mogen worden. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: - Geurnormen in het omgevingsplan - Rekenen - Afstand eisen - Randvoorwaarden. 4.5.2 Motivering De dichtstbijzijnde veehouderij met rundvee ligt op circa 300 meter afstand (SintOedenrodeseweg 18). De richtafstand voor dit bedrijf bedraagt 100 meter volgens de Omgevingswet. De achtergrond geurbelastingkaart toont een goede kwaliteit van de buitenlucht.

Omdat het projectgebied buiten deze richtafstand ligt en er een goede kwaliteit van de buitenlucht is, levert het project geen belemmeringen voor de veehouderijen op en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd. Nader onderzoek is daarom niet nodig.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

32

Uitsnede kaart achtergrond geurbelasting, projectgebied rood omlijnd (bron: atlas.odzob.nl)

4.5.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.6

Bodem en grondwater

4.6.1 Toetsingskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: - Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; - Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; - Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

4.6.2 Motivering Er is door Silt Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. De rapportage hiervan is als bijlage 1 opgenomen. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de er geen sprake is van potentiële bronnen van bodembelasting. Verder is geen sprake van een (mogelijke) overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem. Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

33

Er zijn geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven aan asbestverontreiniging te verwachten. Op basis van het verkennend bodemonderzoek bodem kan worden gesteld dat er milieuhygiënisch geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwactiviteit binnen het projectgebied. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor verder bodemonderzoek. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 4.6.3 Conclusie De aspecten bodem en grondwater vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.7

Omgevingsveiligheid

4.7.1 Toetsingskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: - Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. - Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). - Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. - Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. 4.7.2 Motivering Er is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Uit het onderzoek blijk dat het projectgebied is gelegen nabij een LPG-tankstation en de Rijksweg A2, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In de huidige situatie is binnen het projectgebied een woonfunctie en winkelfunctie aanwezig, waar overdag 87 personen aanwezig zijn en in de nacht 48 personen. In de toekomstige situatie worden 21 appartementen gerealiseerd. Op grond van het kengetal

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

34

voor wonen van 2,4 personen per woning, met een aanwezigheid van 50% overdag en 100% in de nacht, zullen binnen het projectgebied overdag circa 25 personen en in de nacht circa 50 personen aanwezig zijn. LPG-tankstation Het projectgebied ligt op circa 95 meter van het LPG-tankstation aan de Oranjestraat. Op grond van deze afstand vormen de PR 106l contouren geen belemmering voor het projectvoornemen. Het explosieaandachtsgebied van het vulpunt van het reservoir reiken voor een klein deel tot over het projectgebied. Voor het vulpunt bedraagt de afstand van het EAG 160 meter. Het EAG ligt voor een klein deel over het projectgebied. Uit het advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost blijkt dat het betreffende tankstation momenteel geen LPG meer verkoopt. Planologisch is dit echter wel nog mogelijk. De gemeente Best heeft echter te kennen gegeven de LPG-verkoop planologisch te verwijderen in de komende periode, waardoor het aandachtsgebied zal komen te vervallen. Rijksweg A2 Op circa 50 m is de Rijksweg A2 gelegen. De weg kent geen PR 10-6 contour, waardoor dit aspect geen belemmering oplevert. Het projectgebied ligt wel binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg A2. Explosieaandachtsgebied (LPG-tankstation en Rijksweg A2) Binnen het projectvoornemen worden geen functies voorzien voor minder zelfredzame personen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het explosieaandachtsgebied is vluchten het uitgangspunt. In voorliggend project kan bij een calamiteit bij het tankstation in zuidelijke richting via de Bosseweg worden gevlucht. Bij een incident op de Rijksweg A2 kan via de Esdoornstraat afzijdig van de risicobron worden gevlucht. Gifwolkaandachtsgebied (Rijksweg A2) Het projectgebied bevindt zich binnen het gifwolkaandachtsgebied. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, is het uitgangspunt dat zij met hulp van de aanwezig valide personen in veiligheid worden gebracht. Bij het vrijkomen van een toxische wolk wordt geadviseerd te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Gezien de realisatie van nieuwbouw, is het op grond van de vigerende bouwregelgeving van belang dat er voldoende aandacht wordt geschonken aan naad- en kierdichting, zodat de ruimten zo goed als mogelijk luchtdicht zijn. 4.7.3 Conclusie Met inachtneming van de in deze paragraaf genoemde punten vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.8

Natuur

4.8.1 Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

35

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: - er soorten aanwezig zijn; en - welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.8.2 Motivering Door Brabant Eco is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als bijlage 6. Daarbij is door NOx advies een memo stikstof opgesteld. De rapportage van deze memo is opgenomen als bijlage 5. De belangrijkste bevindingen zijn hierna opgenomen. In deze rapportages zijn tekeningen van een oud bouwplan opgenomen. De beschrijving van het project met de daarbij horende tekeningen zoals aangegeven in paragraaf 2.2 van deze bopa zijn leidend. Gebiedsbescherming Het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, gelegen op circa 8,5 km van het projectgebied, is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

36

Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositiebijdrage vanwege de bouw- en gebruiksfase berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het project relevante Natura 2000-gebieden. De voor stikstofdepositie mogelijk relevante bronnen ten gevolge van gebruik in de toekomstige situatie betreffen de verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers en de stikstofemissies ten gevolge van stookinstallaties. Gedurende zullen de aanlegfase emissies plaatsvinden door mobiele werktuigen en bouwverkeer. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Op circa 1,1 km van het projectgebied bevindt zich het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gelet op de afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen nadelige effecten verwacht op het NNN. Soortenbescherming Op basis van de ecologische quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: Vleermuizen Met de voorgenomen ontwikkeling is het niet uit te sluiten dat er vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn van de te slopen bebouwing binnen het projectgebied. Daarbij kunnen tijdens de sloopwerkzaamheden aanwezige vleermuizen verstoord worden.

Nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuizen volgens de richtlijnen van de Kennisdocumenten Huismus en Vleermuizen, evenals het Vleermuisprotocol 2021, is daarom noodzakelijk. Daarvoor dient tussen half mei en eind september met een zestal veldbezoeken de eventueel voorkomende soorten en verblijfsfuncties van de bebouwing te worden vastgesteld, dan wel uitgesloten. Broedvogels De sloop van de bebouwing in het projectgebied kan leiden tot verlies van jaarrond beschermde nesten van huismussen. Naar deze soorten is eveneens nader onderzoek noodzakelijk. Een deskundige op het gebied van huismussen moet tussen 10 maart en 20 juni de locaties van de broedplaatsen vaststellen. Er mag worden aangenomen dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als tijdens twee bezoeken tussen 1 april en 15 mei of tijdens drie bezoeken tussen 10 maart en 20 juni geen tekenen van aanwezigheid zijn waargenomen. Daarnaast zijn er mogelijk nesten aanwezig van vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Een negatief effect op deze soorten kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Overige soorten Voor de overige soorten geldt dat er geen negatieve effecten worden verwacht. Wat betreft algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door bij het bouwrijp maken van de locatie rekening te houden met het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus).

Nader onderzoek huismussen, spreeuwen en vleermuizen Door Brabant Eco is een nader onderzoek huismussen, spreeuwen en vleermuizen uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als bijlage 7. Uit het nader onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd. Het projectgebied is geen essentieel onderdeel van het leefgebied van huismussen, spreeuwen of vleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn geen huismussen noch spreeuwen waargenomen binnen het projectgebied. Ook zijn er geen aanwijzingen van vleermuisverblijfplaatsen vastgesteld. Het projectgebied vormt geen essentieel foerageergebied. Indien lichtverstoring van de enkelvoudige laanbeplanting aan de

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

37

Bosseweg wordt voorkomen kunnen negatieve effecten op potentiële vliegroutes ook worden uitgesloten. 4.8.3 Conclusie Significant negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen op basis van de uitgevoerde berekeningen worden uitgesloten. Een vergunningplicht Natura 2000 activiteit is niet aan de orde. De aspecten soorten- als gebiedsbescherming vormen vooralsnog geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit. Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen en huismussen zal uitwijzen of er een vergunningplicht aan de orde is. Er wordt een aantal nestkasten ingemetseld, waarmee natuurinclusief wordt gebouwd.

4.9

Water en watersystemen

4.9.1 Toetsingskader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. 4.9.2 Motivering Er is door AERES Milieu een rapport opgesteld. Dit rapport is als bijlage 2 opgenomen bij deze BOPA. Hierna wordt ingegaan op de relevante onderdelen. In de rapportage zijn tekeningen van een oud bouwplan opgenomen. De beschrijving van het project met de daarbij horende tekeningen zoals aangegeven in paragraaf 2.2 van deze bopa zijn leidend. Huidige situatie Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water De projectlocatie ligt niet in een grondwaterberschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Verder is in de directe omgeving van het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig. Verharding In de huidige situatie is het projectgebied vrijwel volledig verhard, namelijk 1.317 m 2. De toename van het verhard oppervlak is minder dan 500 m². Op grond van het waterschapsbeleid zijn er geen compenserende maatregelen nodig. Bij nieuwbouw is er vanuit de gemeente wel een verplichting om bij nieuwe ontwikkelingen watercompensatie aan te leggen. Hierbij geldt een waterbergingsopgave van 70 mm per vierkante meter.

Aan de omgevingsvergunning voor een BOPA zal een vergunningsvoorschrift worden opgenomen om hydrologisch neutraal te ontwikkelen en minimaal 70 mm compenserende waterberging per m2 verhard oppervlak te realiseren. Afvalwater Aan de Bosseweg is een bestaand gemengd rioolwatersysteem aanwezig. Het projectgebied wordt aangesloten op het rondom aanwezige gemeentelijk gemengd rioolstelstel. Toekomstige situatie Verharding Het projectgebied aan de Bosseweg is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard met 1.317 m2. Na realisatie van voorliggend projectvoornemen zal het toekomstig verhard

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

38

oppervlak toenemen tot 1.540m2. Hierbij geldt een waterbergingsopgave van 70 mm per vierkante meter. Dit komt neer op compensatie van (1.540 x 0,07 =) 107,8 m3. Deze waterbergingsopgave kan worden opgelost door middel van het plaatsen van een groendak, halfverharde parkeerplaatsen en/of een ondergrondse hemelwatervoorziening. De keuze voor een voorziening wordt nader uitgewerkt in het definitieve bouwplan. Riolering en hemelwater Bij nieuwbouw dient op eigen terrein minimaal een gescheiden rioolstelsel aangelegd te worden. Het projectvoornemen zal de toekomstige vuilwaterhoeveelheid naar verwachting circa 0,5-0,6 m3/u bedragen. In de huidige situatie is bebouwing aanwezig die reeds is aangesloten op het nu aanwezige gemengde rioolstelstel. De lichte toename vanuit het projectvoornemen kan naar verwachting zonder aanpassingen door het bestaand stelsel worden verwerkt. 4.9.3 Conclusie Uit de bijgevoegde rapportage is af te leiden dat door het projectvoornemen het verhard oppervlak 1.540 m2 bedraagt. Het gemeentelijk beleid geeft aan dat bij een nieuwe ontwikkeling 70 mm per m² verharding aan waterberging te worden ingepast. Het verhard oppervlak leidt tot een bergingsopgave van circa 107,8 m3. Om hierin te kunnen voorzien, is in bijgaande rapportage aangetoond dat bij een ondergrondse oplossing met kratten in totaal 263 kratten benodigd zijn.

Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigde van circa 190 m². Onder het toekomstig parkeerterrein is voldoende ruimte beschikbaar om deze kratten in te passen. De uiteindelijke oplossing wordt nader uitgewerkt. De aspecten water en watersystemen vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.10

Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw

4.10.1 Toetsingskader In artikel 1.2 Omgevingswet staat aangegeven dat de wet gaat over cultureel erfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan, is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Dit betekent ook dat voor cultureel erfgoed geldt dat activiteiten geen nadelige gevolgen mogen hebben hiervoor op grond van artikel 1.7 Ow. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.10.2 Motivering Binnen het projectgebied komen geen (archeologische) monumenten voor. Ook is het projectgebied geen onderdeel van een stads- of dorpsgezicht, cultuurlandschappen of ander cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op bestaande structuren. Het projectgebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Best (2015) deels in een zone Categorie 5 (middelhoge archeologische verwachting) en deels in een zone Categorie 7 (zonder archeologische verwachting: verstoord/ ontgrond/ archeologisch reeds vrijgegeven).

Categorie 7 betreft het zuidelijke deel: huidige gebouwen binnen percelen 1253 en 1254.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

39

Binnen het bestemmingsplan 'Parkeernormen en archeologie' (vastgesteld 2017) geldt voor het hele projectgebied het bestemmingsvlak Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting). Voor de zone Categorie 5 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 cm -mv. Voor Categorie 7 geldt er geen beperkingen ten aanzien van archeologie zijn. Aangezien het projectgebied met 1.540 m2 kleiner is dan de oppervlaktenorm van 2.500 m2 geldt er géén archeologische onderzoeksplicht. 4.10.3 Conclusie De aspecten cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 blijft er ten allen tijde een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.11

Bescherming van de gezondheid

4.11.1 Toetsingskader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Daarnaast kunnen ook de volgende aspecten van invloed zijn op een gezonde leefomgeving: nabijheid van veehouderijen, boom- en fruitteelt, hoogspanningsverbindingen en trillinghinder. Het aspect trillingen is niet aan de orde omdat het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van spoorlijnen ligt. 4.11.2 Motivering De aspecten geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht en bodem zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Daarnaast wordt met de realisatie van woningbouw de kwaliteit van de leefomgeving niet nadelig beïnvloed.

Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Voor de beoordeling kan de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0" worden gebruikt. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

40

relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen reikt. Er bevinden zich geen intensieve veehouderijen binnen een straal van 600 meter vanaf het projectgebied. Geitenhouderijen In een straal van 2 km rondom geitenhouderijen bestaat een verhoogde kans op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet worden beoordeeld of er een effect is op de gezondheid. Er bevinden zich geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 km vanaf het projectgebied. Boom- en fruitteelt In de nabijheid van het projectgebied zijn geen agrarische percelen aanwezig of andere bedrijven waar bestrijdingsmiddelen worden gebruikt die een risico vormen voor de gezondheid. Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen hoogspanningsverbindingen. De kortste afstand tot een bovengrondse leiding is ruim 1 km.

4.11.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.12

Mer-beoordeling

4.12.1 Toetsingskader Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Het bevoegd gezag neemt een besluit over het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hiervoor dient de aanvraag in ieder geval gepaard te gaan van een beschrijving van: a. het project, met in ieder geval een beschrijving van: 1. de fysieke kenmerken van het gehele project; 2. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: 1. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: 2. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en 3. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

41

4.12.2 Motivering Het bouwen van woningen kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit in kolom 3 (zonder voorwaarden). In beginsel betekent dat dat er een mer-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Er is sprake van een herstructureringslocatie, waarbij een bestaand gebouw wordt gesloopt en een nieuw gebouw wordt opgericht. Gelet op de ligging van het perceel en de schaal en omvang van het initiatief is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. De fysieke kenmerken en locatie van het project staan beschreven in hoofdstuk 2, de mogelijke milieueffecten van het project in hoofdstuk 4. De quickscan natuurwetgeving bevat een uitgebreide toelichting op de afstand tot en het effect op kwetsbare gebieden. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op de resultaten van dit natuurwaarden onderzoek. 4.12.3 Conclusie Uit voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

4.13

Duurzaamheid

4.13.1 Toetsingskader De Klimaateffectatlas geeft een eerste indruk van hoe kwetsbaar verschillende gebieden in Nederland zijn voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming. Voor Best gelden op dit vlak geen aandachtspunten. Groene maatregelen dragen bij een opgaven als verkoeling, waterberging en opvang van fijnstof. Natuur en groen hebben daarmee een positief effect op het klimaat en dragen bij aan het wooncomfort en de belevingswaarde door bewoners. 4.13.2 Motivering Om een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving te creëren worden er verschillende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen genomen. Aan duurzaamheid zal in het gebouw op verschillende manieren aandacht worden besteed. Het gebouw is voorzien van diverse duurzaamheidsmaatregelen, waarbij er een onderscheid is tussen enerzijds de keuze in toe te passen (natuurlijke) onderhoudsarme materialen, de herbruikbaarheid van deze materialen en bouwonderdelen en de energie bezuinigende maatregelen. Daarnaast worden er PV-panelen gelegd om de benodigde energie zelf op te wekken.

Hierbij is een onderscheid te maken in aandacht voor de onderdelen: - Energiebesparing - Duurzaam Energie opwekken - Waterhuishouding, hittestress en biodiversiteit - Mobiliteit - Duurzaam, circulair, materiaalgebruik Energiebesparing Om energie te besparen worden de volgende minimale isolatiewaarden voor de constructies gehaald: Bouwkundig: - - Gevels Rc > 4,7 - - Dak Rc > 6,3 - - Begane Grondvloer Rc > 3,7 - - Beglazing U ≤ 1,1 Installaties: - - energiezuinige installaties qua verwarming en koeling.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

42

Duurzaam Energie opwekken (energieneutraal) Omdat het gebouw geëlektrificeerd wordt zal de benodigde energie voor de installaties in de woningen en de overige gebouwgebonden installatie worden opgewekt met een PV installatie op het dak van de woningen waardoor de BENG eis gehaald wordt. Waterhuishouding, hittestress en biodiversiteit Het hemelwater afkomstig van de verharding en de daken wordt losgekoppeld van het aanwezige gemengde rioolstelsel. Onder de parkeerplaatsen zullen infiltratiekratten aangelegd worden om het water ter plaatse in de bodem te infiltreren. Toepassing van groen stimuleert biodiversiteit. Per appartement wordt minimaal 8 m2 voorzien met aandacht voor het toepassen van plantsoorten die interessant zijn voor insecten, voor o.a. ook bijen en vlinders . Dit zorgt er voor dat het ook goed is voor het aantal vogels in de omgeving. Voor vleermuizen en vogels, o.a. spreeuw en de huismus zullen nestkasten worden opgenomen. De parkeervakken op maaiveld achter het gebouw worden voorzien van open, graskeien, bestrating. Hierdoor kan een gedeelte van de openbestrating hemelwater doorlaten wat uitdroging van de bodem tegen gaat. Mobiliteit In het plan is een extra vanaf het maaiveld bereikbaar fietsenberging gerealiseerd om ook het fietsgebruik boven autogebruik te stimuleren.

Duurzaam materiaalgebruik Alle toegepaste materialen zijn getoetst en bekeken op de courante materialen, de milieubelasting en circulariteit. Voor de onderstaande materialen zijn de volgende maatregelen bepalend geweest om ze toe te passen in dit gebouw: Hout is een vernieuwbaar duurzaam bouwmateriaal. Een materiaal van een onuitputbare bron. Het groeit in de natuur. Het voorziet de aarde van zuurstof en neemt CO2 op. Het toepassen geeft daardoor geen milieubelasting maar slaat de CO2 juist op. Daarnaast is hout herbruikbaar waardoor het circulair kan worden ingezet. Hout wordt duurzaam geproduceerd onder FSC. Toe te passen materialen: - Kozijnen woningen Kunststof , stel kozijnen hout FSC - Groenvoorzieningen groenvoorzieningen in de privé en gemeenschappelijke tuin(en) - Hoofdraagconstructie Kalkzandsteen lijmelementen / beton met puingranulaat - (Prefab) Beton gerecycled Met puingranulaat en/of circulaire beton - Schilderwerk Zo minimaal mogelijk en anders watergedragen verf

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

43

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Kostenverhaal De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Dit kostenverhaal geldt voor kostenverhaalsplichtige activiteiten, waaronder bouwactiviteiten. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren. De initiatiefnemer en de gemeente zullen hiervoor een anterieure overeenkomst afsluiten.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Adviesrecht gemeenteraad De raad van de gemeente Best heeft in een beleidsnotitie vastgelegd dat een (bindend) advies van de gemeenteraad vereist is als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit binnen het stedelijk gebied en de aanvraag valt binnen één of meerdere van de in de beleidsnotitie opgenomen categorieën van gevallen. Eén van de categorieën van gevallen waarover advies moet worden gevraagd, is de realisatie van meer dan 11 woningen / wooneenheden / appartementen. Aangezien er op de projectlocatie meer dan 11 woningen worden gerealiseerd, is het adviesrecht van toepassing op deze BOPA. 5.2.2 Participatie In het kader van de omgevingsdialoog is in het voorjaar van 2025 individueel met eigenaren van aangrenzende percelen overleg geweest. Alle belanghebbenden zijn positief over het plan. Wel is een aantal praktische afstemmingspunten aangekaart. Het betreft met name van eigendomsgrenzen afwijkende positie van gebouwen en erfafscheidingen. De initiatiefnemer heeft toegezegd een inmeting te laten verrichten en in overleg met betreffende eigenaren tot een oplossing te komen voor het behouden of realiseren van een erfafscheiding. Het appartementengebouw zal na inmeting van het bestaande bijgebouw van de buren op 2 meter uit de gevel van dat gebouw worden gepositioneerd.

Indien dit leidt tot een kortere afstand tot de noordelijke perceelgrens worden zo nodig gevelopeningen aangepast. 5.2.3 Procedure Op verzoek van de initiatiefnemer wordt de uitgebreide procedure gevolgd en is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat houdt in dat het ontwerpbesluit 6 weken ter inzage wordt gelegd. Binnen deze termijn kan eenieder een zienswijze indienen. Nadat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen, neemt het bevoegd gezag een besluit over de omgevingsvergunning voor de BOPA. Het definitieve besluit gaat opnieuw 6 weken ter inzage. Tegen het besluit staat beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

44

Hoofdstuk 6 6.1

Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BOPA wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl)

Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde omgevingsplanactiviteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Voorliggende BOPA wijkt af van het (tijdelijke) omgevingsplan gemeente Best op de volgende punten: - Bouwen binnen de zone snelweg - Toestaan van ander gebruik, namelijk wonen - Bouwen buiten het bouwvlak - Bouwen van een gebouw met afwijkende goot- en bouwhoogte - Het afwijken van de nota parkeren (Er wordt niet volledig op eigen terrein voorzien in parkeermogelijkheden) Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat: 1. een woonfunctie op het perceel Bosseweg 33 niet van invloed is op de (beoogde toekomstige) gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen. 2.

door een verspringende voorgevel (zie figuur 2.2), de opdeling van de nieuwbouw in twee bouwdelen (zie figuur 2.3) en variatie in het materiaal- en kleurgebruik wordt een gebouw gerealiseerd dat niet massaal oogt en goed past bij de plek (zie par. 2.3 en 4.10). 3. met het parkeerdrukonderzoek (zie par. 2.3.2) is aangetoond dat in de directe omgeving van het projectgebied in de openbare ruimte voldoende capaciteit aanwezig is om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. 4. afwijking van de bouwmogelijkheden uit het omgevingsplan aanvaardbaar is. • De overschrijding van de goot- en bouwhoogte (bij het centrale gedeelte van de nieuwbouw en aan de achterzijde) is niet van invloed op de privacy op aangrenzende percelen. • De overschrijding van het bouwvlak (op de zuidzijde van het perceel) leidt aan de straatzijde tot een beperkt en daarmee aanvaardbaar minder uitzicht voor de woning ten zuiden van het projectgebied. • De overschrijding van het bouwvlak is niet van invloed op de privacy op aangrenzende percelen omdat gevelopeningen op meer dan 2 meter van de perceelsgrens zijn gepositioneerd en vanaf de galerij aan de achterzijde nauwelijks zicht is op de achtertuin van de betreffende woning. • Er zijn geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen. 5.

aspecten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld (zie hoofdstuk 4) en voldoen aan daarvoor geldende wet- en regelgeving, al dan niet met maatregelen (zie volgende paragraaf).

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Bosseweg 33 te Best

45

6.2

Conclusie

Met de beoogde ontwikkeling worden 21 woningen in de vorm van appartementen gerealiseerd in het projectgebied ‘Bosseweg 33 te Best’. Uit voorliggende motivering blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: • Er wordt voldoende parkeergelegenheid aangelegd, zie paragraaf 2.3.2. • Er wordt op eigen terrein voldoende groen aangelegd, zie paragraaf 3.4.3. • Er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende waterberging, zie paragraaf 4.9. • Er wordt voorzien in voldoende geluidwering om het akoestisch klimaat in de woning (het binnenniveau van 33 dB) te garanderen, zie paragraaf 4.3. • Er wordt aangetoond dat huismus en gebouwbewonende vleermuis momenteel niet aanwezig zijn of voldoende mitigerende maatregelen voor deze beschermde soorten worden genomen, zie paragraaf 4.8.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16320586/1