CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

25061.05 - TOELICHTING Bestemmingsplan Van der Valk Hotel Best 2023

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente BestBij agendapunt: 25061 - Bestemmingsplan Van der Valk Hotel Best15.495 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina 28

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

De komst van een fietsverhuur op deze locatie heeft een toegevoegde waarde voor de beleving van de omgeving, omdat het (duurzame) recreatie in de omgeving stimuleert. In Best Zuidrand zijn in de bestaande situatie geen fietsverhuurbedrijven aanwezig. Wel zijn er meerdere recreatieve bedrijven in de omgeving, die baat zullen hebben bij de komst van een fietsverhuur. De locatie is gunstig gelegen tussen Eindhoven en Best in. Daarmee is deze functie passend op de locatie en versterkt het, onder andere door de landschappelijke inrichting, de ruimtelijke kwaliteit. Nota Parkeernormen 2022 Algemeen De Nota Parkeernormen 2022 heeft als doel om de parkeernormen beter toepasbaar en flexibeler te maken voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die de komende jaren in Best gaan plaatsvinden. Bij (nieuwe) bewoners, bedrijven en ontwikkelaars moet helder zijn binnen welke kaders zij invulling kunnen geven aan de behoefte aan parkeren. Ook juridisch dient de invulling van de parkeernormen eenduidig geborgd te zijn. De nieuwe beleidsregels voor parkeernormen dienen ook een hoger doel, namelijk bijdragen aan een goed bereikbaar dorp waar het prettig wonen, werken en verblijven is. Essentieel zijn daarbij de volgende uitgangspunten: · · ·

De parkeernormen hebben een positieve invloed op de leefbaarheid, duurzaamheid (zoals klimaatadaptatie) en bereikbaarheid van de gemeente Best. Elke initiatiefnemer van (bouw)plannen is verantwoordelijk voor het realiseren van de eigen parkeeroplossing. Een bouwinitiatief of wijziging van een functie van een locatie mag geen parkeerproblemen in de openbare ruimte veroorzaken of die vergroten.

Belangrijke uitgangspunten bij het toepassen van de parkeernormen en de bijbehorende beleidsregels: · · · ·

Best wil een gastvrije gemeente zijn, waar bezoekers, bewoners, ondernemers en werkenden gemakkelijk een parkeerplaats kunnen vinden, zonder dat dit lokaal resulteert in een structureel overschot aan parkeren. Nieuwe bouwinitiatieven zullen het parkeren voornamelijk binnen de kaders van de ontwikkeling moeten oplossen. Afwijken van de Nota Parkeernormen kan slechts onder beperkte voorwaarden. Indien het afwijken betrekking heeft op een functiewijziging binnen bestaande bebouwing of op het ontwikkelen van een inbreidingslocatie en er sprake is van aan- en/of omwonenden, dan wordt de gewijzigde parkeersituatie vooraf besproken met de bewoners en belanghebbenden of met vertegenwoordigers namens deze groepen.

Plan specifiek Naast het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen, zoals OV, is ook de locatie van de functie van belang voor de parkeervraag. Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied, waarvoor geen specifieke parkeernormen gelden. In paragraaf 5.3 Verkeer en parkeren wordt het beoogde plan getoetst op de geldende parkeernorm.

Pagina 29

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

4. MILIEU-ASPECTEN Om conflictsituaties met functies in de omgeving te voorkomen, dient in bestemmingsplannen en bij ruimtelijke ontwikkelingen altijd aandacht besteed te worden aan de diverse omgevingsaspecten. Weliswaar is voor het merendeel van deze aspecten specifiek beleid en regelgeving vastgesteld, toch is ook sprake van een aanvullende werking ten opzichte van de ruimtelijke ordening. Zo kan het bestemmingsplan via de bestemmingskeuze aanwijzingen geven richting het milieubeleid. Andersom kan het milieubeleid richting geven aan de functietoedeling in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet wel in een aantal kleinschalige ontwikkelingen door middel van een omgevingsvergunningprocedure voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels of wijzigingsprocedure (zoals vergroting van bouwvlakken et cetera). Alvorens deze procedures kunnen worden geëffectueerd, dient altijd door middel van onderzoek te worden aangetoond dat aan de vereiste (milieu)randvoorwaarden wordt voldaan en anderen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Voor dit bestemmingsplan zijn onder meer de volgende milieuaspecten relevant: · · · · · ·

Geluid Geur Verkeer en parkeren Luchtkwaliteit Externe veiligheid Plan-m.e.r.

Als uitgangspunt voor deze bestemmingsplanherziening geldt dat geen strijdigheden (mogen) bestaan met de normen uit de betrokken milieuwetten, waaronder de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet geurhinder en veehouderij, het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het relevante gemeentelijke milieubeleid. 4.1 Milieuzonering Bij het realiseren van gevoelige bestemmingen, zoals personeelshuisvesting, dient rekening gehouden te worden met eventuele hinder van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Voor het waarborgen of realiseren van een goed woon- en leefklimaat wordt milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt ervoor milieubelastende activiteiten een passende locatie in nabijheid van milieugevoelige bestemmingen krijgen en dat deze op een verantwoorde manier van elkaar gescheiden worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen twee doelen: · ·

Het voorkomen van of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor de gevoelige bestemmingen. Het bieden van voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten, dat zij hun activiteiten kunnen uitoefenen.

Een hulpmiddel voor milieuzonering is de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” waarvan de laatste versie stamt uit 2009. Deze handreiking gaat uit van de hinderaspecten geur, stof, geluid en veiligheid. Bij het bepalen van richtafstanden is het omgevingstype van belang. Er zijn voor milieuzonering drie omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Pagina 30

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Naast de wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor en er is weinig verstoring door verkeer. Omgevingstype ‘rustig buitengebied’ is vergelijkbaar. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is er sprake van functiemenging en/of ligging nabij drukke wegen. De richtafstanden mogen bij ‘gemengd gebied’ met één stap verlaagd worden. Het plangebied ligt in een gemengd gebied het ligt nabij drukke wegen. Op basis van de VNG-handreiking dienen de volgende richtafstanden te worden gehanteerd. Tabel 2: Richtafstanden SBI-2008 code

Omschrijving

Milieucategorie

5510

Hotel, congrescentrum

1

(gemengd gebied)

Werkelijke afstand (m)

Geur: 0

< 10 meter

VNG richtafstand in meters

Stof: 0 Geluid: 0 Gevaar: 0 5521

autoparkeerterrein

2

Geur: 0

Ca. 6 meter

Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0

Zoals uit tabel 2 blijkt, wordt niet aan de richtafstanden ten aanzien van het parkeerterrein voldaan voor het aspect geluid. Het aspect geluid is daarom nader onderzocht. In paragraaf 3.2. wordt hier nader op ingegaan. Een ander aspect dat in de handreiking wordt aangegeven is lichthinder vanuit de aan- en afrijdende auto’s. Door het realiseren van een haag of een schutting tussen de personeelsverblijven en de parkeerplaatsen is lichthinder te voorkomen. Conclusie Door het nemen van voldoende maatregelen ter voorkoming van geluidhinder en lichthinder vanaf de parkeerplaats is een goed woon- en leefklimaat te realiseren binnen de personeelshuisvesting. 4.2 Geluid Geluid kan een belasting van het woon-, werk- en recreatie- leefklimaat van de mens met zich meebrengen. Als geluidsgevoelige bestemmingen gelden in ieder geval woningen en woonwagenlocaties, scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen met de daarbij behorende terreinen. Hotels en recreatiewoningen zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. Geluidzone luchtvaart Ten zuidwesten van het plangebied is vliegveld Eindhoven gelegen. In de nabijheid van het vliegveld Eindhoven gelden conform de Wet Luchtvaart en het Luchthavenbesluit geluidzones, waarbinnen beperkingen gelden voor oprichting van geluidsgevoelige functies.

Pagina 31

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

De grens voor de maximaal toelaatbare geluidbelasting voor nieuwe geluidgevoelige objecten bedraagt in principe 35 Ke. In de zone tussen 35 en 40 Ke is voor geluidgevoelige objecten de vaststelling van een hogere grenswaarde in beginsel mogelijk. Voor bestaande geluidgevoelige objecten (waaronder woningen) geldt in principe ook een grenswaarde van 40 Ke. Als gevelmaatregelen zijn getroffen, zijn voor bestaande geluidgevoelige objecten hogere grenswaarden (tot 65 Ke) toegestaan. De Ke-contouren zijn ter signalering op de verbeelding opgenomen met de aanduidingen 'geluidzone – luchtvaart 40 – 35 ke' respectievelijk 'geluidzone – luchtvaart 65 – 40 ke'. Akoestisch onderzoek Om te bepalen of ter plaatse van de huisvesting van medewerkers een goed woon- en leefklimaat te realiseren is, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat de geluidsbelasting in de personeelshuisvesting niet meer dan 38 dB mag bedragen. Via een voorwaardelijke verplichting is deze norm voor het maximale binnenniveau geborgd in de planregels van dit bestemmingsplan. 4.3 Geur Algemeen Sinds 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van kracht.

In deze wet zijn, ter beoordeling, de normen opgenomen van vergunningen krachtens de Wet milieubeheer voor veehouderijen, betreffende geurhinder door de, tot die veehouderijen behorende, dierenverblijven. Ook dient, in het kader van de ruimtelijke ordening, rekening gehouden te worden met de normen, opgenomen in deze wet. In de omgeving van het plan zijn enkele agrarische bestemmingen aanwezig, waar op grond van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied gebruik voor agrarische doeleinden (waaronder veehouderij)is toegestaan. Aan de Ploegstraat 2, tegenover het plangebied, ligt een agrarische bestemming. De bebouwing van Ploegstraat 2 is bestemd voor woondoeleinden. Omdat er geen ander bouwvlak is, kan er geen stal staan voor vee. Bij de overige agrarische bestemmingen in de omgeving zijn evenmin bouwvlakken aanwezig. Er is dus geen veehouderij met relevante geuremissie nabij het plangebied. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Watertoets Waterbeheerprogramma 2022-2027 Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.

Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water-

Pagina 32

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan 3. Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken.

Meer dan voorheen gaan we daarbij: · van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; · van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied; · van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.

Pagina 33

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthoudenbergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Beoogd plan Voor het bestemmingsplan van der Valk Best 2016 was een watertoets uitgevoerd, waarbij er voldoende waterberging was voorzien in het plan. Door de planwijzigingen die middels de omgevingsvergunning 2019 zijn vergund, was tevens een aangepaste berekening van de benodigde waterberging noodzakelijk. Nu er opnieuw wijzigingen zijn ten aanzien van de aanwezige bebouwing en verharding, dient opnieuw te worden aangetoond dat voldoende waterberging wordt gerealiseerd.

Voor de wateropgave zijn met name de volgende wijzigingen van belang: · toevoeging/verplaatsing parkeerterrein · behouden boerderij Ploegstraat 1 · wijziging aan groene daken Naar aanleiding van de concept waterparagraaf heeft het Waterschap verzocht om de waterberging van het gehele plangebied opnieuw in beeld te brengen, dus ook dat wat al in bestemmingsplan/vergunning geregeld was. In onderstaande afbeelding 13 zijn de water gerelateerde aspecten van het plan weergegeven.

Pagina 34

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Afbeelding 13: Water gerelateerde aspecten plan van der Valk Best

Op basis van de algemene regels van de keur van het Waterschap de Dommel 2015 geldt regel 15 Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak. Op grond van deze regel geldt dat vrijstelling wordt verleend van artikel 3.6 van de keur (verbod afvoer verhard oppervlak) In het bestemmingsplan van der Valk Best 2017 was er sprake van het realiseren van 7.100 m2 terreinverharding en 2.800 m2 bebouwing. In het onderhavige bestemmingsplan “Van der Valk Hotel Best 2023 (uitbreiding en herziening)” is er sprake van het toevoegen bestaande bebouwing van 385 m2 (de boerderij), bebouwing met groene daken en 2.441 m2 overige bebouwing. In bijlage 8 van dit bestemmingsplan is de volledige uitwerking van de hemelwaterberekening opgenomen. De hieruit te realiseren waterberging is ook opgenomen in de volgende afbeelding. Uit de documenten blijkt dat de compensatie voldoet aan de eisen van Algemene regel 15.

Pagina 35

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Afbeelding 14: Te realiseren waterberging

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

Pagina 36

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

4.5 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie, die daardoor ontstaat. Het bestemmingsplan ‘Van der Valk hotel Best’ dat is vastgesteld op 03 april 2017, bevat een ontwerp met een totaal aantal parkeerplaatsen van 359. Dit aantal parkeerplaatsen is onderbouwd met een parkeeronderzoek, uitgevoerd door Goudappel Coffeng, gepubliceerd in september 2016. Sinds 2016 is er een nieuwe parkeernota (Nota Parkeernormen 2022, destijds gold de Nota Parkeernormen 2015) voor de gemeente Best vastgesteld en het aantal parkeerplaatsen in het ontwerp is gewijzigd, daarom dient het nieuwe ontwerp getoetst te worden aan de huidige parkeernorm. Het totale aantal parkeerplaatsen in het nieuwe ontwerp is 419, waarvan vier voor de werknemers die verblijven in het pand Ploegstraat 1. Toetsing Aangezien het hotel onveranderd blijft, kunnen de functies, omvang en programma overgenomen worden van dit onderzoek. De terreinindeling (inclusief parkeerplaatsen) is gewijzigd en de personeelshuisvesting aan de Ploegstraat 1 is aan het plan toegevoegd. Het perceel van de Ploegstraat wordt via één in- en uitrit ontsloten.

Aan de Eindhovenseweg Zuid blijft het hotel ontsloten voor bezoekers via een inrit en een aparte uitrit, personeel en bevoorrading heeft in de nieuwe situatie een aparte in- en uitrit verder ten zuiden op de Eindhovenseweg Zuid. Dit zijn overzichtelijke en verkeersveilige ontsluitingen van de percelen. Parkeren wordt op het eigen terrein opgelost. Er worden in totaal 419 parkeerplaatsen gerealiseerd. In de Nota Parkeernormen 2022 is de hele gemeente Best als ‘Matig stedelijk’ en het projectgebied als ‘Buitengebied’ aangewezen. Buitengebied heeft als categorie in de nota de hoogste parkeernorm, omdat er vanuit wordt gegaan dat hier de meeste personen met de auto de locatie bezoeken. Voor de kamers die beschikbaar worden gesteld voor werknemers, zijn er geen specifieke gegevens beschikbaar in de Nota parkeernormen 2022 van de gemeente Best. Daarom is er gebruik gemaakt van het woningtype die het meest overeenkomt met de beoogde situatie, namelijk kamerverhuur. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied. In bijlage 7 is een parkeerberekening opgenomen. Hieruit blijkt dat 419 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Kencijfers van het CROW bieden een uitgangspunt om verkeersgeneratie te bepalen op basis van woning- of bedrijfstype. Voor het hotel is de verkeersgeneratie al onderzocht en toegelicht in het onderzoek van Goudappel Coffeng.

Dit onderzoek concludeerde dat de komst van het hotel een toename van ruim 1.000 verkeersbewegingen zou veroorzaken. Redelijkerwijs kan er vanuit worden gegaan dat dit aantal niet in betekenende mate zal zijn veranderd. De toevoeging van de personeelshuisvesting is in het onderzoek nog niet meegenomen. De verkeersgeneratie, afkomstig van deze personeelshuisvesting, op basis van de kencijfers van het CROW, staan in onderstaande tabel: Tabel 6: Kencijfers verkeersgeneratie van het CROW

Verkeersgeneratie minimaal - maximaal

Huur, appartement, midden/goedkoop 3,7 - 4,5

Huur, huis, vrije sector 7,0 – 7,8

Totaal (naar boven afgerond) 19 – 22

Pagina 37

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Conclusie Uitgaande van een worstcase situatie voor het beoogde plan, zal de verkeersgeneratie bestaan uit een toename van 20 (19,2) verkeersbewegingen per dag. Dit is een marginale toename naast de eerder berekende toename van 1.000 verkeersbewegingen, afkomstig van het hotel. Hoewel er niet aan de parkeernorm wordt voldaan, is op basis van het verkeersonderzoek bepaald dat er voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied zijn om te voorzien in het aantal verwachte bezoekers en personeelsleden, van alle verschillende functies binnen het plangebied, ten alle tijden. 4.6 Luchtkwaliteit Algemeen Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit hebben in 2007 geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer op het gebied van de luchtkwaliteitseisen. Het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” zijn in 2007 in werking getreden en het Besluit luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. Deze wetswijziging brengt de volgende veranderingen met zich mee: ·

· ·

Uitsluiting van het stand-still beginsel (zoals was opgenomen in het Besluit Luchtkwaliteit 2005). Het stand-still beginsel houdt in dat een situatie, die voldoet aan de normen, toch niet mag verslechteren tot aan de norm. Uitsluiting van dit beginsel ten aanzien van luchtkwaliteit betekent dat de luchtkwaliteit mag worden 'opgevuld' tot aan de grenswaarde. Er is voor (dreigende) overschrijding grenswaarden een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld en in werking getreden. Introductie van het principe 'Niet in betekenende mate verslechteren'; een verslechtering van de luchtkwaliteit is toegestaan, mits dit niet in betekende mate is. Hiervoor wordt een grens van 3% gehanteerd.

In het bestemmingsplan Van der Valk hotel Best, dat is vastgesteld op 03-04-2017, is geconstateerd dat luchtkwaliteit geen belemmering heeft gevormd bij de realisatie van het hotel. Door de maatregelen, die voortvloeiden uit het vervoersmanagementplan, is het effect van het verkeer op de luchtkwaliteit gereduceerd. Toetsing Naast de reeds bestemde nieuwbouw van het hotel voorziet dit plan in personeelshuisvesting voor maximaal acht medewerkers van het hotel, bestaande uit twee units met maximaal vier kamers per gebruikseenheid . Hiermee valt het bouwplan ruim binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de personeelshuisvesting draagt niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Pagina 38

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

4.7 Stikstofdepositieberekening De beoogde verbouwing van de voormalige boerderij zal de inzet van materieel vragen, daarnaast zal het gebruik van de personeelshuisvesting tot vervoerbewegingen leiden. Om inzichtelijk te maken welke stikstofdepositie dit tot gevolg heeft op Natura 2000 gebieden, is een stikstofdepositie uitgevoerd. Deze is toegevoegd als bijlage 6. Uit de berekeningen blijkt dat er geen significante negatieve gevolgen zijn voor nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. 4.8 Externe veiligheid In het bestemmingsplan Van der Valk hotel Best, dat is vastgesteld op 3 april 2017, is geconstateerd dat externe veiligheid geen belemmering heeft gevormd bij de realisatie van het hotel. Het aspect externe veiligheid is aanleiding geweest voor het, in overleg met de gemeente en de Veiligheidsregio, treffen van maatregelen. Het gaat daarbij onder meer om maatregelen bij de buisleidingen, het situeren van het gebouw op grootst mogelijke afstand, het rekening houden met vluchtroutes, materiaalkeuze en wijze van instorten van het gebouw bij calamiteit. Het plan is voorbereid met in acht name van deze maatregelen, zodat het risico zo veel mogelijk is beperkt. Algemeen Voorafgaand aan de uitvoering van nieuwe ruimtelijke plannen, dient de omliggende projectomgeving getoetst te worden op externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op risico's, die kunnen ontstaan voor mens en milieu bij het vervoer, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dit is in wet- en regelgeving voor externe veiligheid en ruimtelijke ordening opgenomen. Hieronder worden de relevante besluiten en definities genoemd. Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De volgende type bedrijven vallen onder de reikwijdte van het besluit: Lpg-tankstations; Bedrijven waar meer dan 10.000 kilo (of liter) verpakte gevaarlijke stoffen met brandbare en giftige verbindingen in één opslagvoorziening aanwezig is: · · ·

Grote ammoniakkoelinstallaties Spoorwegemplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen Bedrijven waarop het Besluit risico zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) van toepassing is

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de bijbehorende Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Regeling basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten).

Pagina 39

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

In de Regeling Basisnet staat een tabel met afstanden voor plaatsgebonden risico, die gelden voor transportroutes van het Basisnet. Deze afstanden gelden per trajectdeel. Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Een plasbrandaandachtsgebied is een gebied waarbinnen kwetsbare objecten te maken kunnen krijgen met de effecten van een plasbrand. Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een ketelschip of tankwagon. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden kunnen soms (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Deze moeten voldoen aan de extra eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloed gebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Deze moet worden opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan. Deze verantwoording heeft in elk geval betrekking op de mogelijkheden voor rampbestrijding en hulpverlening en de zelfredzaamheid van de bevolking. Als binnen de 200 meter van een transportroute wordt gebouwd, moeten ook andere elementen meegenomen worden. Het gaat daarbij om een berekening van de hoogte van het groepsrisico en het betrekken van mogelijke ruimtelijke maatregelen in het besluit.

Dit kan buiten beschouwing worden gelaten als het groepsrisico niet meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt of met niet meer dan 10% toeneemt én de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Toetsing Dit plan voorziet naast het reeds bestemde hotel in het realiseren van personeelshuisvesting, fietsverhuur en opslag in bestaande bebouwing. De risico’s ten aanzien van externe veiligheid zijn geïnventariseerd op basis van de signaleringskaart externe veiligheid. Hieruit blijkt dat er zich op basis van het Bevi, Bevb en Bevt geen risicobronnen bevinden in de relevante omgeving van de personeelshuisvesting. Het plaatsgebonden- en groepsrisico vormt om die reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid is ten aanzien van het reeds bestemde hotel ondervangen door maatregelen die in overleg met de veiligheidsregio zijn genomen. Het herbestemmen van de bestaande bebouwing vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.9 Milieu-effectrapportage Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten.

Voor het reeds bestemde hotel heeft de beoordeling, of een plan MER uitgevoerd moet worden, reeds plaatsgevonden met het vaststellen van het bestemmingsplan De noodzaak voor het opstellen van een plan MER voor het herbestemming van een boerderij naar personeelshuisvesting is nog niet beoordeeld. Tabel 7 bevat de relevante passage uit de Bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Het plan valt onder de activiteit, die in de tabel staat aangegeven.

Pagina 40

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Gelet op de aard en omvang van deze activiteit, wordt gesteld dat er geen sprake is van een geval, zoals benoemd in het Besluit m.e.r. Tabel 7: Relevante activiteit uit onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage (bron: Overheid Wettenbank) D 11.2

Activiteit De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Geval In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Plan De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat een planMER niet nodig is. 4.10

Landschappelijke inpassing

Bij het ontwerp van het hotel en de omgeving is veel aandacht besteed aan een landschappelijke inpassing en het creëren van een aantrekkelijke omgeving zowel voor de gasten, als voor bewoners en bezoekers van het gebied. Daarnaast worden er gebiedseigen bomen en struiken toegevoegd op diverse plaatsen op het terrein en de daaraan grenzende percelen van RWS. Door de aanleg van wandelpaden en een natuurspeelplaats wordt een educatief karakter aan het landschap toegevoegd. Tevens wordt een kruidenrijk grasland aangelegd, met daarin heesters en fruitbomen. In bijlage 4 is het landschapsplan, de landschapsinvestering en een toelichting opgenomen. In bijlage 5 is het beplantingsplan opgenomen. Verder is de berekening van de kwaliteitsverbetering opgenomen in bijlage 9.

Pagina 41

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

5. JURIDISCHE TOELICHTING Een bestemmingsplan is een planologische regeling, die zowel de burger, als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging, die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet, zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen, vervolgens op de verbeelding. Daarna wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Tot slot wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten. Omgevingswet Onder de Omgevingswet is het bestemmingsplan als planvorm komen te vervallen. In plaats daarvan is er het omgevingsplan, dat een bredere reikwijdte heeft. De Invoeringswet Omgevingswet voorziet in overgangsrecht, waaronder een uitzondering op basis van artikel 4.6 lid 2 onder a sub 2.

Hier is wat die bepaling inhoudt: Artikel 4.6 lid 2 onder a sub 2 Invoeringswet Omgevingswet Deze bepaling regelt dat het oude recht (de Wro) van toepassing blijft op een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan waarvan het ontwerp vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Dit betekent: - Als een ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd, dan blijft de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing totdat het plan van kracht is geworden. - Dit overgangsrecht is bedoeld om lopende procedures niet abrupt te laten vallen onder het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. 5.1 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden, RO Standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Onder vorige wetten werden bijna geen bepalingen gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan.

Dit, terwijl leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan van groot gewicht zijn. Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken, die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele

Pagina 42

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbel-bestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen, die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten. 5.2 Verbeelding De verbeelding (plankaart) heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend.

Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrond-gegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter. 5.3 Regeling De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen: Hierin is de verandering van het bouwvlak van het Hotel ten opzichte van het bestemmingsplan 2017 opgenomen. Tevens is hierin de bestemming horeca met functie-aanduiding parkeren opgenomen. Voor de personeelshuisvesting is eveneens een specifieke functie aanduiding en bouwvlak opgenomen, zodat deze bebouwing alleen voor dat doel gebruikt kan worden. De horeca categorie voor van der Valk is gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan 2017, er is aansluiting gezocht bij de categorie indeling, zoals opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied 2021, om eenheid in de regels te hebben binnen de gemeente. De locatie van de bestemming natuurspeelterrein is gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan 2017, de natuurspeeltuin is nu in de bestemming Groen gesitueerd.

Om zeker te stellen dat de landschapsinvesteringen, die met de bestemmingswijzigingen gepaard gaan, worden gedaan is een voorwaardelijke verplichting aan de bestemming Horeca toegevoegd. Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de anti-dubbeltelbepaling, de procedure bepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen.

Pagina 43

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoering eisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen, maximaal oppervlakte van bebouwing, bouwhoogten , plaatsing van de bebouwing, hellingbaan- en toerit tot parkeergarage. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen, waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven, die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden (de voormalige aanlegvergunning). Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven. Verschillende werkzaamheden zijn al uitgevoerd zonder dat daarvoor een aanlegvergunning is verleend (binnen en buiten het plangebied).

- aanleg van paden/ verharding (binnen bestemming 'Groen' en dubbelbestemming 'leiding- gas) - grondverzet - verwijderen van houtopstanden Voor deze werken zal na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan alsnog vergunning worden aangevraagd.” 5.4 Wijze van toetsen Werkwijze Om te kunnen beoordelen of bepaalde zaken of ontwikkelingen passen binnen het regiem van het bestemmingsplan, wordt de volgende werkwijze geadviseerd: 1. Ga op de verbeelding na welke bestemming(en) en aanduidingen voor de gronden zijn opgenomen, waarop de onderzoeksvraag/aanvraag betrekking heeft. 2. Kijk in de regels naar de bepalingen van het artikel van de bestemming die voor de gronden geldt. 3. Beoordeel of het aangevraagde/geconstateerde past binnen de bestemmingsomschrijving. Hierbij dienen meteen de nadere detaillering van de bestemming en de gebruiksbepaling te worden meegenomen, omdat die een nadere uitleg/inperking geven van de bestemmingsomschrijving. 4. Luidt het antwoord op punt 3 ‘ja’, dan moet in het geval van een bouwwerk tevens worden gekeken of deze ook past binnen de bouwregels. 5. Voor zover er tevens werken/werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, moeten worden uitgevoerd (waarbij gedacht kan worden aan werkzaamheden die bodem-/grondverzet met zich meebrengen), dan moet bovendien worden nagegaan of er een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden verplicht is gesteld. 6.

Indien aan de punten 3, 4 en 5 wordt voldaan of kan worden voldaan, dan kan medewerking worden verleend, waarbij het bevoegd gezag eventueel nog gebruik kan maken van

Pagina 44

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

de aan haar toekomende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, teneinde de aanvraag beter te kunnen inpassen. 7. Luidt het antwoord op de punten 3, 4 en/of 5 ‘nee’, dan kan nog worden gekeken of het plan voor dit aspect voorziet in een omgevingsvergunning. Is dit zo, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt in hoeverre afwijken van het bestemmingsplan in dit geval gewenst is. Voorzien de flexibiliteitbepalingen niet in een afwijkingsmogelijkheid of wordt afwijken onwenselijk geacht, dan dient het verzoek te worden afgewezen c.q. het geconstateerde (in principe) te worden gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan, tenzij het een situatie betreft waarop het overgangsrecht van toepassing is. Onevenredige aantasting Op deze open norm wordt op diverse plaatsen in de regels teruggegrepen. Vooral in de criteria bij de flexibiliteitbepalingen (omgevingsvergunningen) en de bepalingen bij de omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden, wordt regelmatig aangegeven dat “geen onevenredige aantasting” van bepaalde waarden mag plaatsvinden. Ook op een enkele plaats in de nadere detaillering van de bestemming en in de nadere eisenregeling worden deze woorden aangetroffen. Deze terminologie vraagt om een op de specifieke situatie toegesneden beoordeling.

Bij de beoordeling zullen dus steeds de bestaande situatie, de aanvraag, de tijdelijke gevolgen en de toekomstsituatie tegen elkaar moeten worden afgewogen. Er mag wel sprake zijn van een aantasting, maar deze mag niet dusdanig zijn dat de kwaliteit en/of kwantiteit van de te beschermen waarden in te grote mate afneemt. Afweging van belangen Het bevoegd gezag mag zelfstandig afwegen of een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden kan worden verleend. Voor deze afweging is inzicht nodig in het belang van de uitvoering van desbetreffende werken en/of werkzaamheden enerzijds en de schadelijkheid voor de aanwezige waarden anderzijds. Vervolgens kan het belang van de ingreep worden afgewogen tegen de negatieve effecten op de aanwezige waarden. Veel werken en werkzaamheden hebben tot doel een verbetering van de waterhuishouding, verkaveling en ontsluiting van agrarische gronden. In hoeverre de werken en werkzaamheden schadelijk zijn voor de aanwezige waarden is afhankelijk van: · · · ·

de precieze locatie van de uit te voeren werken en werkzaamheden; de omvang, (diepte, oppervlakte); het tijdstip van de uitvoering; de wijze van uitvoering.

Pagina 45

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen, die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan, moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. Er is een anterieure overeenkomst gesloten omtrent het beoogde plan. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg en inspraak De wijziging van de bestemmingen is via een brief aan de omwonenden gemeld en hen is de mogelijkheid geboden hierover vragen te stellen, contact op te nemen. Naar aanleiding van het concept bestemmingsplan zijn vooroverleg reacties binnengekomen van de provincie Noord-Brabant (13 oktober 2023) en het Waterschap de Dommel (21 september 2023). Onderstaand zijn deze samengevat weergegeven.

Provincie Noord-Brabant Op grond van het provinciaal beleid is het beoogde plan mogelijk als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De beoogde uitbreiding van een niet agrarische functie is voorstelbaar, mits aan de vereisten van de Interim-Omgevingsverordening wordt voldaan ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap. Aanpassingen Naar aanleiding van de vooroverleg reactie is het landschappelijk inrichtingsplan aangepast. Waterschap de Dommel Het plan voorziet in een wijziging van een eerder vastgesteld bestemmingsplan (2017)en een verleende omgevingsvergunning (2019), de waterparagraaf gaat in op deze wijzigingen, maar is lastig te volgen. Daarom verzoekt het waterschap om niet alleen de wijzigingen aan te geven, maar ook voor het totale plan de benodigde waterberging te berekenen. Er dient gerekend te worden met een maximale berging van 60 mm per m2 verhard oppervlakte. Voor de waterbergingsopgave dient uit te worden gegaan van een GHG van 80 cm onder maaiveld. In de situatietekening (bijlage 3) ontbreekt de diepte van de beoogde waterbergende voorzieningen. Ook is onduidelijk hoe de voorziening gewijzigd is, deze is gelegen in beschermd gebied van de Keur, de poel moet voldoen aan de vrijstellingsvereisten van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, lid 2 van de Keur.

Pagina 46

SPA WNP ingenieurs

2300654.r01

Tevens verzoekt het waterschap een standaard tekst ten aanzien van het beleid van het waterschap en de gemeente op te nemen in de toelichting. Daarnaast verzoekt het waterschap een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de waterberging op te nemen in de regels. Aanpassingen Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is de waterparagraaf in de toelichting aangepast, tevens is de gevraagde voorwaardelijke verplichting toegevoegd aan de regels. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. De zienswijzentermijn is van 20 december tot en met 30 januari 2024.

Pagina 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16320528/1