CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24108.05 - TOELICHTING - Ontwerp Bestemmingsplan Eindhovenseweg-zuid 69a

Raadsavond 20 januari 2025, gemeente BestBij agendapunt: 24108 - Bestemmingsplan Eindhovenseweg-zuid 69a16.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM1 0 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

33

voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening.

Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. Er wordt met dit bestemmingsplan geen nieuwe gevoelige bestemming conform het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Daarnaast valt het project, zeer ruim onder de ondergrens van de categorie "niet in betekenende mate" bijdragend. Als een bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, kan toch een luchtkwaliteitsbeoordeling nodig zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Daarbij staat dan de vraag centraal, of de nieuwe bestemmingen aanvaardbaar zijn bij de bestaande luchtkwaliteit (het woon- en leefklimaat). Voor wat betreft het woon- en leefklimaat zijn de concentraties PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van het landhuis van belang. Voor de actuele achtergrondconcentraties is de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) geraadpleegd. Binnen het plangebied liggen de concentraties ver onder de wettelijke grenswaarden en benaderen de gezondheidskundige advieswaarden:

Achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) op locatie tussen 10 en 12 ug/m3

34

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

Achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) op locatie tussen 18 en 20 ug/m3

Achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) op locatie tussen 15 en 20 ug/m3 Er is geen dreigende overschrijding van de grenswaarden, aangezien de heersende achtergrondconcentraties ver onder de grenswaarden liggen en bovendien de verwachte toekomstige achtergrondconcentraties lager liggen (dalende trend).Ten aanzien van luchtkwaliteit is in de bestaande situatie ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat, aangezien de achtergrondconcentraties ver onder de wettelijke toetswaarden liggen en zelfs de gezondheidskundige WHO-advieswaarden benaderen. Ten aanzien van de beoogde planontwikkeling is gezien voorgaande geen sprake van significant nadelige milieueffecten

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

35

ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 5.1.4 Externe veiligheid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ter plaatse van het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen.

Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. Om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor de toekomstige gebruikers van het plangebied in kaart te brengen is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd door Kragten (dec. 2022). Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. In de rapportage is het volgende geconcludeerd: Transport over het water en spoor Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorlijn waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over de weg Gebleken is dat het plangebied op kleine afstand van de rijksweg A2 is gelegen. Aan de hand van de vuistregels uit de HART is aangetoond dat het groepsrisico als gevolg van het planvoornemen niet toeneemt en zowel in de huidige als toekomstige situatie lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Verder is gebleken dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A2 en A58 is gelegen. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch en BLEVE scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding, waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding geen belemmering vormt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied bevindt ligt deels binnen het invloedsgebied van de inrichting Imperial Chemical Logistics dat in de omgeving van het plan is gelegen. De hoogte van het groepsrisico zal als gevolg van de planvorming niet toenemen, aangezien het plan van zeer beperkte omvang is (één woning) en aan de uiterste grens van het invloedsgebied is gelegen. Wel dienen de risico's als gevolg van deze inrichting (toxisch scenario) meegenomen te worden in een beperkte verantwoording. Op basis van het rapport kan worden geconcludeerd, dat er geen belemmeringen zijn voor het voornemen,

36

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

maar dat er wel een beperkte verantwoordingsplicht geldt ten aanzien van het groepsrisico. Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt nagenoeg niet toe ten gevolge van de wijziging. Naar aanleiding van de resultaten uit het onderzoek externe veiligheid is door Kragten tevens een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico uitgevoerd (dec. 2022). Deze verantwoording is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. In de verantwoording is nader beschreven in hoeverre externe veiligheidsrisico's binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen zijn getroffen om het risico zoveel mogelijk te beperken. Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a. b.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden voor het standaard advies. Het standaard advies kan daarom worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico's van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid.

Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario's. Ook wordt verwezen naar NL-alert. De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012. Het plan zal voor wat betreft de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening aan de Veiligheidsregio worden voorgelegd. Zelfredzaamheid Aangenomen kan worden dat de personen in de woning kunnen worden beschouwd als zelfredzame personen.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

37

Deze personen kunnen vluchten van de bron af.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.1.5 Milieuzonering Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1.

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar).

Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van hindergevende functies. In de omgeving bevinden zich hoofdzakelijk burgerwoningen. Ten zuidwesten van de planlocatie is een conferentie hotel gelegen (op 150 meter afstand). Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' worden hotels en congrescentra aangemerkt als categorie 1 bedrijf. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 10 meter. Het voornemen voldoet ruimschoots aan deze richtafstand. Er is daarmee geen sprake van belemmeringen voor het planvoornemen, danwel omgekeerd belemmeringen voor omliggende functies. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen beperking voor dit plan.

38

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

5.1.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder te opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odour units per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom. De meest dichtbijgelegen veehouderij is gelegen op een afstand van bijna 2 km afstand van het plangebied. Derhalve kan worden gesteld dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt ten aanzien van het voornemen.

Daarnaast kan zonder nader onderzoek geconcludeerd worden dat de (cumulatieve) geurcontouren van omliggende bedrijven het plangebied niet zullen overschrijden en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zie hiertoe ook onderstaande afbeelding van de achtergrondgeurbelasting met de planlocatie voorzien van een blauwe markering.

Uitsnede achtergrondbelasting geurhinder, planlocatie blauw gemarkeerd (bron: ODZOB)

Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

39

5.1.7 Obstakelvrije zones Op grond van het Luchthavenbesluit Eindhoven ligt rond Vliegbasis Eindhoven (Eindhoven Airport) een beperkingengebied, waar beperkingen gelden voor het oprichten van bebouwing en/of het gebruik van de gronden. Het beperkingengebied bestaat uit zones met bouwhoogtebeperkingen (ten behoeve van de veiligheid van het vliegverkeer en de ongestoorde werking van radarapparatuur), zones waar beperkingen gelden vanwege luchtvaartverkeerslawaai en een zone waar beperkingen gelden voor bestemmingen met een vogelaantrekkende werking. Het vliegveld beschikt over een Instrument Landing System (ILS). Het ILS is bedoeld voor het nauwkeurig naderen van het vliegveld door vliegverkeer, ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Dit gebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Het is derhalve van belang dat, in onderhavig bestemmingsplan, wordt voorkomen dat een object wordt opgericht in de genoemde zones. Nabij het plangebied bedraagt de verstoringshoogte ca 60 meter + NAP.

Alhoewel met het voornemen geen wijzigingen van de bestaande bebouwing zijn voorzien en de huidige bebouwing ruimschoots onder de verstoringshoogte blijft is volledigheidshalve ten behoeve van de signaleringsfunctie, een gebiedsaanduiding voor de ILS in het plan opgenomen. Het plan vormt daarmee geen belemmering voor het verstoringsvlak Instrument Landing System.

5.2

Waterhuishouding

5.2.1 Inleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde, is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 5.2.2

Waterbeleid

5.2.2.1 Nationaal Waterplan 2022 -2027 Het Nationaal Waterplan 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta: Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dat vraagt om maatregelen die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is geen beleidsterrein op zich, het is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Veel beleid en maatregelen in dit NWP dragen bij aan klimaatadaptatie.

40

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio's en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Dit gebeurt in het Deltaprogramma Zoetwater en met de maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heeft in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine flesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. 5.2.2.2 Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap de Dommel Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant.

Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet.

En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal.

Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken,

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

41

de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. 5.2.2.3 Regionaalwater en bodemprogramma Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

5.2.2.4 Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015', in 2019 na aanpassing inwerking getreden, bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd op basis van de Beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2 , 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². 5.2.2.5 Gemeentelijk Rioleringsplan2019-2023 Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 (GRP) is op 24 maart 2020 in werking getreden. De gemeente beoogt met dit GRP het beleid voor de omgang met afval-, regen- en grondwater bestendig en duurzaam vorm te geven. Het GRP 2019-2023 bouwt voort op de GRP 2015-2018, waar een aantal nieuwe elementen in waren verwerkt. Vooruitstrevend was de omgang met de vervangingsvraag en de implementatie van risico gestuurd rioolbeheer. Hiermee kon het beheer van de riolering voor de burgers betaalbaar blijven terwijl de kwaliteit van het beheer op peil kon worden gehouden of zelfs kon worden verbeterd. Dat beleid wordt doorgezet. De gevolgen van de klimaatverandering en de benodigde vervangingsvraag van bepaalde rioolstelsels blijven

42

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

van invloed op de watertaken van de gemeente. De urgentie en noodzaak nemen toe om, naast beheer- en onderhoudswerkzaamheden, op korte termijn ook meer maatregelen tot uitvoer te brengen die zich richten op renovatie en vernieuwing in de vorm van integrale (klimaat-) projecten. Dit zal kostenverhogend zijn ten opzicht van het voorgaande GRP en zal meer inspanningen vragen van de gemeentelijke organisatie, onze partners, huishoudens en bedrijven. Het wordt dus meer dan voorheen een opgave die gemeente en burger samen zullen moeten aangaan. Gemeente Best heeft op het gebied van hemelwater de volgende ambities: Het gemeentelijk rioleringsstelsel dient klimaat en toekomstbestendig te zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de voorkeurstrits hemelwater, wordt voldoende ruimte voor water gereserveerd en worden zo goed als geen uitlogende materialen toegepast. Indien kosteneffectief te realiseren, hemelwater zo veel mogelijk vasthouden in het gebied waar het valt, ook in bestaande situaties waar we dit nog niet of niet geheel doen. Het aandeel foutieve aansluitingen van hemelwater op het drukrioleringsstelsel wordt binnen de planperiode van het GRP teruggebracht.

De voorkeurstrits hemelwater betreft de volgende voorkeursvolgorde van de afvoer van hemelwater: (Her-)gebruik van hemelwater; het hemelwater wordt opgevangen om binnen de ontwikkeling nuttig in te zetten waardoor het niet tot afvoer komt. Bergen en vertraagd afvoeren; na (hevige) regenval wordt water in het plangebied opgevangen en tijdelijk geborgen om vervolgens vertraagd te worden afgevoerd naar de openbare ruimte. Voorbeelden zijn: bergingsvijvers, wadi’s, groenvoorzieningen, groene daken, infiltratieriolering, etc. Rechtstreeks afvoeren naar oppervlaktewater; indien hemelwater niet kan worden geborgen wordt het afgevoerd naar gebieden met oppervlaktewater zoals vijvers, sloten en kanalen. Afvoeren naar het rioolstelsel; alleen als de eerste drie opties niet mogelijk zijn vindt afvoer plaats via de (vuilwater-)riolering. Voor nieuwbouw (herbouw) op percelen geldt (in lijn met de bouwverordening) dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld en bij afvoer naar het gemeentelijk rioolstelsel, ter hoogte van de perceelgrens gescheiden moet worden aangeboden. 5.2.3 Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen leidt niet tot een verandering van de bestaande situatie. De waterhuishoudkundige situatie ter plekke van het plangebied veranderd niet, er vindt geen toename plaats van de verharding en er zijn geen bouwactiviteiten beoogd.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem van het bosgebied. Bij grote neerslaghoeveelheden wordt het hemelwater opgevangen in 't Lisseven. Huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd worden naar het gemeentelijke (gemengde) vuilwaterstelsel. Er zijn geen wijzigingen in de aansluiting voorzien. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering. De waterbelangen zijn voldoende geborgd.

5.3

Flora & fauna

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Met de invoering van deze wet zijn drie wetten vervangen; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

43

5.3.1 Soortbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt.

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Door het planvoornemen verandert de fysieke gesteldheid van het plangebied niet. Er zijn geen bouwactiviteiten, sloopactiviteiten of grondwerk beoogd. Ook zijn er geen andere ingrepen in het plangebied voorzien waardoor het leefgebied, fourageergebied of nestgelegenheden van beschermde soorten kunnen worden verstoord. In het ecologisch onderzoek is aangegeven, dat ter plaatse van het woonperceel geen natuurwaarden aanwezig zijn. 5.3.2 Gebiedsbescherming Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN). Natuurnetwerk Brabant Het plangebied is gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Op basis van het rijksbeleid (Nota ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) geldt voor het NNB de verplichting tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het planvoornemen voorziet niet in fysieke ingrepen in het landschap en leidt daarmee ook niet tot aantasting van de huidige situatie. Omdat het plangebied wel is gelegen in het NNB, is ingezet op een kleinschalige herbegrenzing van het NNB. Hiertoe is een NNN effectbeoordeling uitgevoerd door Staro. Deze rapportage is als Bijlage 4 bij de toelichting van het dit bestemmingsplan opgenomen). In de rapportage is het volgende geconcludeerd: Het plangebied betreft twee percelen langs de Eindhovenseweg Zuid 69a te Best, waarbij één perceel vrijwel geheel is aangewezen als NNB met het beheertypen Droog bos met productie. Op basis van het terreinbezoek en toetsing kan geconcludeerd worden dat voorliggende situatie beschouwd kan worden als een kleinschalige herbegrenzing dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden en regels volgens de Interim Omgevingsverordening 2022. Het betreft een kleinschalige herbegrenzing doordat op de locatie van het aangewezen NNB een woning aanwezig is en verdere ecologische waarden en kwaliteiten van het aangewezen beheertypen ontbreken. Het gaat daardoor bij herbegrenzing slechts om een fictief verlies op basis van de

44

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

kaartregistratie. Geadviseerd wordt om 605 m2 aan NNB te verwijderen uit de aangewezen NNB op de kaartregistratie en dit fysiek te compenseren in het naastgelegen bos. Het aangewezen bos voldoet aan de afbakeningen en eisen van het beheertypen 'Droog bos met productie' en heeft een gezamenlijke oppervlakte van circa 2.010 m2 . Met deze herbegrenzing wordt het NNB in oppervlakte groter en wordt een verbinding gerealiseerd tussen bestaand NNB ten noorden en zuiden van het plangebied. In afwijking van het gestelde in de NNN effectbeoordeling wordt voor dit bestemmingsplan voorgesteld om niet het gehele bosgebied (2.010 m2 ) aan te duiden als NNB, maar de gronden die overlappen met het reserveringsgebied weg ten behoeve van een mogelijke toekomstige uitbreiding van de A-2 hiervan uit te zonderen. Het areaal bestaand bosgebied toe te voegen aan het NNB bedraagt derhalve 1.600 m2 .Door het NNB te compenseren in het naastgelegen perceel en dit toe te voegen aan het NNB kunnen (fictieve) effecten ruimschoots worden gecompenseerd en geborgd. Natura 2000 gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking.

Gezien de aard van het planvoornemen (planologisch bestendigen van een bestaande woonsituatie) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden 8,8 km (Kempenland-West), 10,8 km (Kampina & Oisterwijkse Vennen) en 11,8 km (Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux), is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Externe effecten van mogelijke stikstofdepositie dienen echter wel te worden onderzocht. Daarbij moet zowel naar de realisatiefase als toekomstige gebruiksfase worden gekeken. Derhalve is er een stikstofbeoordeling uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen stikstofeffect optreedt voor de omliggende Natura 2000 gebieden, zie Bijlage 5. Significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Er is geen ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.4

Cultureel erfgoed

5.4.1 Archeologie Met de inwerkingtreding van de 'Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz)' per 1 september 2007 is de implementatie van het 'Verdrag van Malta' (1992) een feit. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Om het bodemarchief beter te beschermen is het sindsdien verplicht om de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden te beoordelen. Op de planlocatie is conform het bestemmingsplan 'Parkeernormen en Archeologie' de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 5' van toepassing. Op basis van deze dubbelbestemming is oprichting van bouwwerken en/of uitvoering van fysieke bodemingrepen zonder nader archeologisch onderzoek niet toegestaan, tenzij de te verstoren oppervlakte minder dan 2.500 m² bedraagt danwel de verstoringsdiepte minder dan 0,30 meter bedraagt. Het planvoornemen voorziet in toevoeging van een woonbestemming aan een in 2011 herbouwd pand ter plaatse van een voormalig bijgebouw, dat in gebruik was ten behoeve van wonen. Het voornemen leidt niet tot bouwwerkzaamheden of andere bodemingrepen die de onderzoeksgrens overschrijden en daarmee tot verstoring van eventuele archeologische waarden zouden kunnen leiden.

Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is ten behoeve van mogelijk toekomstige bodemingrepen is in dit bestemmingsplan de geldende archeologische dubbelbestemming overgenomen. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

45

5.4.2 Cultuurhistorie Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft hiertoe in haar Interimverordening cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid. Deze gebieden verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten. De planlocatie is niet gelegen in een door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied.

De locatie maakt conform de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ook geen onderdeel uit van een overig waardevol historisch geografisch vlak. De Eindhovenseweg Zuid is (evenals vele overige wegen in het buitengebied) wel aangeduid als historische weg van redelijk belang. Met de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen vindt er evenwel geen aantasting van de bestaande wegenstructuur plaats. Op de planlocatie bevindt zich geen monumentaal pand. Er bevinden zich ook geen overige (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische elementen die mogelijk 'aangetast' zouden kunnen worden met het voorgenomen initiatief. Het aspect cultuurhistorie leidt voor het voornemen niet tot een belemmering.

5.5

Leidingen

In het plangebied zijn geen leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding met het plangebied.

46

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

Hoofdstuk 6 6.1

Juridisch plan

Algemeen

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.

6.2

Systematiek

SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen) geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. De toelichting maakt immers - strikt juridisch gezien - geen deel uit van het bestemmingsplan. De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

6.3

Opzet van de bestemmingsregeling

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid (niet van toepassing op dit plan). Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

47

6.4

Bestemmingen & regelingen

In hoofdstuk 2 van de regels worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemming(en) opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Bos: de bestemming bos is overgenomen uit de huidige bestemmingsregeling voor de gronden die als bos in gebruik zijn. De bestemming is gericht op bos, groenvoorzieningen en behoud, herstel en instandhouding van het ruimtelijke beeldbepalende karakter van de houtopstanden in het bosgebied. Oprichting van bebouwing is niet toegestaan. Wonen: door de bestemming wonen toe te kennen aan het voormalig bijgebouw wordt met een maatwerkwerkregeling in aansluiting op de woonbestemmingsregeling van het recent vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2021' burgerbewoning planologisch-juridisch geborgd. Met een aanduiding 'bouwvlak' is de situering van het hoofdgebouw vastgelegd, evenals de bestaande goot- en bouwhoogte met een aanvullende maatvoeringsaanduiding. Daarnaast is de situering van bijgebouwen beperkt tot de aanduiding 'zone bijgebouwen'. Met de aanduiding 'geluidzone - hogere grenswaarde' is in de juridische regeling nader geborgd, dat voor de woonfunctie moet worden voldaan aan de voorwaarden van het besluit hogere grenswaarden.

Daarnaast zijn de dove gevels met een specifieke bouwaanduiding op de verbeelding opgenomen. Water: de bestemming water is overgenomen uit de bestaande bestemmingsregelen en borgt de planologische bescherming van de bestaande waterpartij; Dubbelbestemming 'waarde -ecologie': door het opnemen van deze dubbelbestemming op overeenkomstig de geldende regeling is geborgd dat de ecologische kwaliteiten in het kader van de herbegrenzing ook in het bestemmingsplan duurzaam zijn verankerd. De regeling is gericht op instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Dubbelbestemming 'waarde -archeologie 5': overgenomen uit bestaande bestemmingsregeling, waardoor bescherming van mogelijke archeologische waarden ook in de toekomst is geborgd. Voor grootschalige bodemingrepen > 2.500 m2 geldt een nadere onderzoeksplicht. Hoofdstuk 3 van de regels bevat een aantal algemene regels. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. Algemene aanduidingsregels geven, daar waar op de verbeelding een specifieke aanduiding is gegeven, extra regels naast de regels van de onderliggende bestemmingen.

In de ‘algemene aanduidingsregels’ zijn overeenkomstig de bestaande regeling de regels overgenomen ten aanzien van de gebiedsaanduidingen 'Luchtvaartverkeerszone-ILS', 'overlegzone RWS' en 'vrijwaringszone - weg'. Daarnaast is de bestaande gebiedsaanduiding 'Geluidzone - Grote Luchtvaart 'geactualiseerd conform de huidige gemeentelijke plansystematiek en aangeduid als 'geluidszone - luchtvaart 40 - 35 ke'. Tenslotte is de aanduiding 'geluidszone - hogere grenswaarde' toegevoegd ter borging van de noodzakelijke maatregelen in het kader van het hogere grenswaardenbesluit en uitgevoerde gevelweringsonderzoek. Op het oostelijk deel van het plangebied zijn de aangeduide vrijwarings- en overlegzone van toepassing. Alhoewel hier geen ingrepen zijn voorzien is de geldende regeling wel overeenkomstig in het bestemmingsplan opgenomen. Binnen de vrijwaringszone van 35 meter vanaf de A2 zijn geen bouwwerken toegestaan die een toekomstige uitbreiding van Rijkswegen kunnen belemmeren. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de overlegzone van 35 tot 75 meter vanuit de kant van de verharding dient overleg te worden gevoerd met Rijkswaterstaat om ook toekomstige ontwikkelingen op gebied van ruimte en mobiliteit goed op elkaar te blijven afstemmen.

48

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

Alhoewel het voornemen niet voorziet in wijziging van de woning en de bouwhoogte van de bestaande woning niet voorziet in een dergelijke bouwhoogte, is in dit bestemmingsplan in verband met de aanwezige luchtvaartverkeerszones voor de ILS van vliegveld Eindhoven conform de huidige bestemmingsregeling gebiedsaanduidingen overgenomen, inclusief de daarbij behorende regels met specifieke hoogtebeperkingen. Tenslotte zijn ten behoeve van de gewenste herbegrenzing van het Natuurnetwerk Brabant een tweetal gebiedsaanduidingen opgenomen, om de gewenste herbegrenzing nader te duiden, conform de provinciale beleidsregels hieromtrent, te weten 'overige zone - in IOV toe te voegen NatuurNetwerk Brabant' en 'overige zone - in IOV te verwijderen NatuurNetwerk Brabant'.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

49

50

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

De voorgestane ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook geheel gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Dit zal worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, die voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer wordt afgesloten. Hierin wordt tevens vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden. De gemeente acht de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

51

52

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden en zijn direct omwonenden nader geinformeerd over het voornemen.

Vooroverleg Over het voornemen heeft in het verleden reeds herhaaldelijk overleg plaatsgevonden met de provincie. De provincie heeft hierin aangegeven dat de situering van de planlocatie in de NNB 'opgelost' kan worden door een kleinschalige herbegrenzing. Aangezien geen sprake lijkt te zijn van bestaande rechten beschouwt de provincie het voornemen als 'planologische' nieuwvestiging van een burgerwoning in het buitengebied. Dit is alleen in zeer specifieke gevallen mogelijk, waaronder in geval sprake is van een Ruimte-voor-ruimte kavel. Dan moet er echter wel sprake zijn van een aanvaardbare locatie. De provincie heeft eerder aan gegeven dat ze onderhavige locatie niet als een aanvaardbare locatie beschouwt, omdat de locatie in hun ogen geen onderdeel uitmaakt van en bebouwingsconcentratie en er geen sprake is een afronding van het Stedelijk Gebied. Zoals in onderhavige toelichting beschreven wordt op basis van nader ecologisch onderzoek een kleinschalige herbegrenzing van het NNB voorgesteld, waarbij sprake is van een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de natuurwaarden van het gebied. Ten behoeve van het voornemen zal een Ruimte-voor-ruimte titel worden aangekocht.

In onderhavige toelichting is nader gemotiveerd, dat de planlocatie beschouwd kan worden als gelegen binnen een bebouwingsconcentratie, gelet op haar ligging aan het historisch bebouwingslint aan de Eindhovenseweg Zuid, ingeklemd tussen de A-2 en in het gemeentelijk beleid aangeduid als zone waar ruimte is voor kleinschalige herontwikkeling van het buitengebied Eindhovenseweg-zuid. Door kleinschalige transformatie kan er hier ruimte worden geboden aan landelijk wonen in het buitengebied.

Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

bestemmingsplan Eindhovenseweg Zuid 69a

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14963766/1