24080.3 - TOELICHTING Vleutstraat 6 en 6a
Tekst van het document
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
23
Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Afbeelding 9: Uitsnede kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ Iov, plangebied weergegeven met plusteken
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en Strabrechtse Heide & Beuven. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 8 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
24
kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurbescherming in werking getreden. In het kader van deze wet is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het splitsen van de langgevelboerderij (interne verbouwing) en het slopen van de voormalige agrarische bebouwing. Bovendien betreffen de bouw- en sloopfase een tijdelijke en kortdurende fase. De toename in verkeersbewegingen ten behoeve van sloopactiviteiten zal niet opwegen tegen de afname van de totale stikstofemissie als gevolg van de sanering van de rundveehouderij. Voor twee om te zetten bedrijfswoningen zal geen toename van verkeersbewegingen plaatsvinden. De verkeersbewegingen van en naar een reguliere burgerwoning zullen namelijk gelijk zijn aan die van een bedrijfswoning.
Het splitsen van de langgevelboerderij heeft wel tot gevolg dat er een geringe toename in lichte verkeersbewegingen plaats zal vinden. Het volledige rundveebedrijf zal gesaneerd worden. Vergeleken met de huidige agrarische activiteiten zal het aantal (zware) verkeersbewegingen in de beoogde situatie dus aanzienlijk afnemen. Hieruit blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
25
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Vleutstraat 6 (a), dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bedrijfsbebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op d.d.
16 juli 2021 is door Brabant Eco een ecologisch quickscan uitgevoerd waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora & fauna aanwezig zijn, zie Bijlage 2. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten door werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde Provincie Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 10. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
26
Afbeelding 10: Uitsnede kaart cultuurhistorische en aardkundige waarden Iov, plangebied weergegeven met plusteken
Gemeente De locatie aan de Vleutstraat 6 is opgenomen in de monumentenlijst van de gemeente Best. Binnen het bestemmingsplan is tevens een aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ opgenomen voor de langgevelboerderij. Door het toevoegen van een extra woning binnen deze langgevelboerderij zal een additionele economische drager worden toegevoegd en op deze wijze zal het onderhoud en de opwaardering van de cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij beter worden verzekerd. Er is door Monumentenhuis Brabant een redengevende omschrijving met waardestelling en een aanvullende brief opgesteld. In de redengevende omschrijving met waardestelling zijn de cultuurhistorische waarden van de woonboerderij vastgesteld. Daarna zijn in de aanvullende brief voorwaarden/aandachtspunten beschreven waarmee rekening gehouden dient te worden wanneer de woonboerderij gaat worden gesplitst. Aan deze voorwaarden dient te worden voldaan ten behoeve van het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, derhalve zijn deze voorwaarde geborgd in de regels, artikel 4.4.4 van het bestemmingsplan. De redengevende omschrijving met waardestelling en de aanvullende brief zijn bijgevoegd in Bijlage 8.
4.4.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen en dergelijke. In het bestemmingsplan zijn de beoogde woonkavels gelegen binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Bij bouwplannen groter dan 250 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling behelst het herbestemmen van twee agrarische bedrijfswoningen naar drie reguliere burgerwoningen, middels het splitsen van één bestaande bedrijfswoning. Er zullen daarbij geen activiteiten plaatsvinden waarbij de bodem geroerd zal worden. Het realiseren van de bijgebouwen zal plaatsvinden op gronden die reeds geroerd zijn. Ten tijden van de bouw van deze bestaande bebouwing is de grond rondom reeds verstoord geraakt door het bouwrijp maken en afgravingen ten behoeve van fundering en mestkelders. Enkel op het meest rechter kavel kan het zijn dat bijgebouwen worden opgericht op gronden die nog niet geroerd zijn. Op dit kavel blijft echter al een schuur van 120 m² behouden, waardoor het niet meer mogelijk is om bijgebouwen met een oppervlakte groter dan 250 m² op te richten.
Mogelijke archeologische waarden Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
27
zullen derhalve niet worden aangetast door het realiseren van eventuele bijgebouwen bij de woningen. De sloop van de aanwezige bedrijfsbebouwing zal tevens geen aantasting van eventuele archeologische waarden met zich mee brengen, doordat de gronden tijdens de bouw al geroerd zijn door het doen van afgravingen ten behoeve van de funderingen en mestkelders. Ter plaatse van de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing. Aangezien op deze gronden geen gebouwen met een oppervlakte groter dan 250 m² zijn toegestaan zullen ter plaatse geen verstoringen van eventuele archeologische waarden plaatsvinden. Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen in het plangebied zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’, zoals is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, identiek overgenomen in dit bestemmingsplan. Hierdoor is verzekerd dat bij eventueel toekomstige ingrepen in de bodem er eerst een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Tot slot is het op grond van artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet verplicht om een toevalsvondst aan het bevoegd gezag te melden, mocht hier toch nog sprake van zijn. Hier zal gehoor aan worden gegeven. 4.5.
Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er is daarom door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 3. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.6.
Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De planlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
28
voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen echter geen boomgaarden voor. Bovendien is het vigerende bestemmingsplan al geborgd dat ter plaatse van de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ binnen 50 meter van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies geen fruit- en boomteelt plaats mag vinden. De bestaande bedrijfswoningen zijn derhalve al beschermd tegen gewasbeschermingsmiddelen. Aangezien de reguliere burgerwoningen inpandig in de bestaande bedrijfswoningen zullen worden gerealiseerd zijn er voor de beoogde woningen geen belemmeringen omtrent spuitzones te verwachten en wordt eventueel toekomstige bomenteelt niet meer belemmerd dan in de bestaande situatie het geval is. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.
Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies, zoals agrarische bedrijven. In de beoogde situatie worden de bestaande bedrijfswoningen herbestemd naar burgerwoningen. Er is getoetst of de beoogde woningen voldoen aan de gestelde richtafstanden tot bedrijven in de omgeving. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een paardenhouderij aan de Hogevleutweg 9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv of artikel 3.117 lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.
Het bedrijf ligt op circa 180 van de planlocatie. De buitenste woonkavels met een toegestane maximale oppervlakte van 260 m² aan bijgebouwen zijn uitermate geschikt voor kleinschalige bedrijvigheid. Voor stalling van een bus, een kleine werkplaats en opslag is 100 m² aan kleinschalige bedrijvigheid een te klein oppervlak. Derhalve wordt voor deze woonkavels afgeweken naar 200 m². De kleinschalige bedrijvigheid zal zodanig uitgevoerd blijven dat
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
29
de activiteiten met behoud van de woonfunctie en omliggende woonfuncties kunnen worden uitgevoerd. De grotere oppervlakte aan kleinschalige bedrijvigheid zal slechts worden toegestaan ten behoeve van meer oppervlak ten behoeve van opslag van gereedschap, apparatuur en materialen van een kleinschalig bedrijf. Deze activiteiten leveren geen onevenredige hinder op voor het woonmilieu en doen geen onevenredige afbreuk aan het woonkarakter van de woonkavels en de omgeving. De activiteiten vallen niet onder milieuwetgeving, zijn kleinschalig van aard, zijn in overeenstemming met het woonkarakter van de beoogde woonkavels en worden uitgevoerd door de bewoner van de bijbehorende woning. Bovendien zal de bestaande agrarische bedrijfsbestemming met bijbehorende bedrijfsgebouwen gesaneerd worden, waardoor er geen onevenredige belemmeringen voor omliggende woningen zullen ontstaan. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen omliggende bedrijvigheid en de beoogde woningen. 4.8. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan.
De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.8.1. Omgekeerde werking
Voor wat betreft de vaste afstanden worden omliggende bedrijven niet meer beperkt dan in de bestaande situatie. Voor de voormalige agrarische bedrijfswoningen aan de Vleutstraat 6 en 6a dienen in de bestaande situatie de vaste afstanden al in acht genomen te worden. In de beoogde situatie blijft deze toetsing hetzelfde, omdat de woningen geurgevoelige objecten blijven die onderdeel hebben uitgemaakt van een andere veehouderij, die na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De omliggende veehouderijen hoeven voor de geurbelasting van hun veehouderij niet te toetsen aan de beoogde woningen, omdat die deel hebben uitgemaakt van een veehouderij. Voor de nieuwe woning in het cultuurhistorisch waardevolle object geldt een vaste afstand zoals opgenomen in artikel 14, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel is een minimale afstand van 50 meter opgenomen tussen deze woning buiten de bebouwde kom en veehouderijen in de omgeving. Voor deze woonboerderij geldt al een richtafstand van 50 meter, op grond van artikel 3, tweede lid. Met de splitsing van de woonboerderij in twee eenheden komt er geen geurgevoelig object dichter bij bestaande veehouderijen in de omgeving te liggen.
Een woonboerderij mag in de bestaande situatie immers al volledig in gebruik worden genomen als woning en de splitsing dient in bestaande bebouwing plaats te vinden. De splitsing van de cultuurhistorisch waardevolle woonboerderij heeft derhalve geen effect op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving.
4.8.2. Woon- en leefklimaat
Voor de beoogde ontwikkeling is een geuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. In het onderzoeksrapport is onderzocht of sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonfuncties. Uit dit geurrapport blijkt dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
30
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft. Op basis van de provinciale 'Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant' wordt de nieuwvestiging van scholen, kinderdagverblijven, verzorging-, verpleeg- en bejaardentehuizen in de nabijheid (300 meter respectievelijk 50 meter) van drukken (snel)wegen beperkt.
Omdat dit bestemmingsplan woonbestemmingen mogelijk maakt is in het kader van het plan geen nader onderzoek op het gebied van de luchtkwaliteit noodzakelijk. Nieuwvestiging van scholen en andere luchtgevoelige bestemmingen wordt niet toegestaan.
4.9.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het in gebruik nemen van de twee agrarische bedrijfswoningen als drie reguliere burgerwoningen, middels het splitsen van één agrarische bedrijfswoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze beoogde ontwikkeling NIBM is. Bovendien zal de fijnstofemissie afnemen door de sanering van de rundveehouderij. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens en een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
4.9.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
31
in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de achtergrondconcentratie stikstofdioxide NO2 geldt ook een grenswaarde van 40 μg/m³. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 16,48 μg/m3, voor PM2,5 9,539 μg/m3 en voor NO2 13,26 μg/m3, zie Afbeelding 11, Afbeelding 12 en Afbeelding 13. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 11: Uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied zwart omcirkeld
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
32
Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied zwart omcirkeld
Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied zwart omcirkeld
4.10. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
33
woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. De beoogde ontwikkeling betreft het omzetten van twee bedrijfswoningen naar drie reguliere burgerwoningen, doordat een langgevelboerderij in twee wooneenheden gesplitst wordt. Dit betekent dat er binnen de bestaande langgevelboerderij een nieuw geluidgevoelig object wordt gerealiseerd. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K+ Adviesgroep, zie Bijlage 5. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde bij de woningen in de langgevelboerderij niet wordt overschreden. Ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Vleutstraat 6a is de gevelbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Aangezien ter plaatse reeds een woonfunctie is voorzien is er in het kader van de Wet geluidhinder sprake van een bestaande situatie. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.11.
Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Voor wat betreft de ontsluitingssituatie vinden er geen wijzigingen plaats ten opzichte van de bestaande situatie. Het plangebied wordt momenteel en blijft ook in de beoogde situatie ontsloten middels de opritten op de Vleutstraat. De Vleutstraat is een verharde doorgaande weg in het buitengebied van de gemeente Best, die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. Voor twee om te zetten bedrijfswoningen zal geen toename van verkeersbewegingen plaatsvinden. De verkeersbewegingen van en naar een reguliere burgerwoning zullen namelijk gelijk zijn aan die van een bedrijfswoning. Het splitsen van de langgevelboerderij heeft wel tot gevolg dat er een geringe toename in lichte verkeersbewegingen plaats zal vinden. Het volledige rundveebedrijf zal gesaneerd worden. Vergeleken met de huidige agrarische activiteiten zal het aantal (zware) verkeersbewegingen in de beoogde situatie dus aanzienlijk afnemen. Door het afnemen van de verkeersintensiteit zullen er in de beoogde situatie geen belemmeringen ontstaan omtrent het aspect verkeer. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Best heeft de ‘Nota parkeernormen 2022’ vastgesteld.
Conform deze nota geldt voor vrijstaande woningen in het buitengebied dat minimaal 2,0 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd dienen te worden op eigen terrein. Voor iedere woning in dit plan betekent dat dus dat er minimaal 2 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn op het eigen terrein. Bij realisatie van de woningen worden voldoende parkeergelegenheden aangebracht op het eigen terrein. Per woonkavel is voldoende ruimte om 2 parkeerplaatsen te realiseren. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat er voldoende parkeergelegenheden binnen het plangebied aanwezig zijn. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.12. Externe veiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron (Rijksweg A2 en A58, spoor, waterweg en buisleiding). Het aspect externe veiligheid is niet relevant. 4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie lopen geen planologisch relevante buisleidingen en relevante straalpaden. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
34
4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen.
Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen.
Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst.
Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
35
niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen, daarom is in het kader van een omgevingsbewuste benadering een handreiking ‘Cumulatieve toets’ opgesteld. Dit betreft een stappenplan t.b.v. de uitbreiding van een veehouderij, maar kan in het kader van de omgekeerde werking ook voor het realiseren van nieuwe gevoelige objecten worden doorlopen. De eerste vraag van dit stappenplan is of er in de omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de ‘omgeving’ wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl), aldus vastgesteld d.d. 12-12-2018, is sprake van een hoge fijnstofemissie, indien de fijnstofemissie van een bedrijf meer dan 500 kg PM10 per jaar bedraagt. Deze norm wordt derhalve aangehouden voor het begrip ‘hoge fijnstof-endotoxine emissie’.
Binnen 250 meter van het plangebied zijn vijf veehouderijen gelegen, zie Afbeelding 14. De veehouderij aan de Vleutstraat 10 is namelijk beëindigd en aan de Vleutstraat 5 worden conform de laatste geaccepteerde melding in het kader van het Activiteitenbesluit (18-122015) slechts 40 schapen gehouden. Volledigheidshalve is het bedrijf aan de Vleutstraat 7 wel meegenomen. De veehouderijen die derhalve zijn meegenomen zijn een varkens- annex rundveebedrijf aan de Vleutstraat 3, een varkensbedrijf aan de Vleutstraat 7, een varkensbedrijf aan de Vleutstraat 8a en een varkens- annex rundveebedrijf aan de Hogevleutweg 6. Al deze veehouderijen hebben geen fijnstofemissie hoger dan 500 kg PM10 per jaar.
Vleutstraat 10 Vleutstraat 8 Vleutstraat 7
Vleutstraat 5 Vleutstraat 3
Hogevleutweg 8a
Afbeelding 14: Uitsnede Kaartbank Brabant Veehouderijen binnen 250 meter van het plangebied
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
36
Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3. De dichtstbijzijnde bedrijven met één van de bovengenoemde diercategorieën betreffen de varkenshouderijbedrijven aan de Vleutstraat 3, 7 en 8a. Deze bedrijven hebben op basis van de vigerende milieutoestemmingen een stof emissie van respectievelijk 281 kg PM 10, 92 kg PM10 en 210 kg PM10. Voor de varkenshouderijen wordt aangesloten bij de correlatie behorende bij vleesvarkens. Vleesvarkens Y = P1 * ln(x) – P2 P1 = 60,0608184 P2 = 231,712643 X = PM10 emissie (kg/jaar) Y = afstand (m) Aan de hand van de fijnstofemissie PM10 (kg/jaar) van het bedrijf kan met deze formule worden berekend op welke afstand wordt voldaan aan de adviesgrenswaarde.
De totale fijnstofemissie van de bedrijven resulteren in de volgende richtafstand: 60,0608184 * ln (281 kg/j) - 231,712643 = 107 meter 60,0608184 * ln (92 kg/j) - 231,712643 = 40 meter 60,0608184 * ln (210 kg/j) - 231,712643 = 90 meter Voor Vleutstraat 3 dient op basis van het rekenmodel een afstand van 107 meter in acht genomen te worden. De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt bedraagt 145 meter. Voor Vleutstraat 7 dient op basis van het rekenmodel een afstand van 40 meter in acht genomen te worden. De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt bedraagt meer dan 250 meter. Voor Vleutstraat 8a dient op basis van het rekenmodel een afstand van 90 meter in acht genomen te worden. De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt bedraagt 137 meter. Ter plaatse van de beoogde woningen wordt voldaan aan de benodigde afstanden tot de omliggende veehouderijen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de endotoxine voor dit plan geen belemmering is.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
37
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.
Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: Wonen; - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschapswaarden; - Dubbelbestemming: Leiding – Riool; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4; - Bouwvlak; - Functieaanduiding: cultuurhistorische waarden; - Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 2; - Maatvoering: maximum bebouwd oppervlak (m²); 260 m² - Gebiedsaanduiding: overige zone – boringsvrije zone; - Gebiedsaanduiding: overige zone – cultuurhistorisch vlak; - Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; - Gebiedsaanduiding: overige zone - esdekken agrarisch; - Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – radar. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Het huidige agrarische bouwvlak ten behoeve van melk- en rundvee komt te vervallen. Ter plaatse van het bouwvlak worden drie woonbestemmingen toegevoegd. De dubbelbestemmingen en de gebiedsaanduidingen blijven behouden. De overige gronden worden bestemd met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ zonder bouwvlak.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
38
5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Bij de buitenste kavel is een totale oppervlakte van 260 m² aan bijgebouwen bij de woning toegestaan. Het toestaan van deze totale oppervlakte is reeds toegelicht in paragraaf 0 van deze toelichting. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de regels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Om de sloop van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing te verzekeren is een voorwaardelijke sloopverplichting in de regels opgenomen. De kleinschalige bedrijvigheid wordt in de regels geborgd door een maximale milieucategorie van 1 of 2 toe te staan (of een bedrijf dat qua aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk gesteld kan worden aan een bedrijf tot één van deze milieucategorieën).
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
39
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Vleutstraat 6 en 6a te Best betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de eigenaar. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan).
6.2.1. Vooroverleg
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel en provincie Noord-Brabant. Eventuele opmerkingen naar aanleiding van dit vooroverleg zullen in dit bestemmingsplan worden verwerkt. Ten behoeve van de procedure voor het bestemmingsplan aan de Vleutstraat 6(a) wordt tevens een omgevingsdialoog gevoerd met de volgende adressen: • Vleutstraat 3 (geen reactie); • Vleutstraat 3a (geen reactie); • Vleutstraat 8; • Vleutstraat 8a; • Hogevleutweg 8; • Hogevleutweg 10; • Hogevleutweg 12. Een verslag van de dialoog is bijgevoegd bij het onderhavige bestemmingsplan in bijlage 7.
6.2.2. Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp heeft in dit kader ter visie gelegen gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er is in deze periode ook één zienswijze ingediend. De beantwoording van deze zienswijze is beschreven in de nota van zienswijze, Bijlage 9 van onderhavige toelichting. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. 6.3. Uitvoerbaarheid landschappelijke inpassing Het plan Sonseweg is al vastgesteld en afgesloten. Voor dit plan dient er geïnvesteerd te worden in het landschapsfonds.
Bij dit plan voor de Vleutstraat 6(a) zal extra kwaliteitsverbetering gaan plaatsvinden die door de eigenaar van de Sonseweg betaald zal gaan worden. Hierdoor hoeft er voor het plan Sonseweg minder geïnvesteerd te worden in het landschapsfonds. Door de koppeling van het ruimtelijke plan aan de Sonseweg 1 en dit ruimtelijke plan kan het ruimtelijke plan voor de Sonseweg
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
40
1 doorgang vinden, wat van maatschappelijk belang is. Tevens wordt op de locatie aan de Vleutstraat 6(a) te Best een aanvullende fysieke kwaliteitsverbetering gerealiseerd. Deze maatwerkafspraak zal in een privaatrechtelijke overeenkomst worden geborgd. In Bijlage 6 is een uitwerking opgenomen van de kwaliteitsinvestering die bij het ruimtelijke plan aan de Sonseweg 1 gedaan zullen worden bij dit ruimtelijke plan. Deze uitwerking maakt inzichtelijk welke tegenprestatie ter plaatse van de Vleutstraat 6(a) te Best wordt geleverd.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
41
7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Ecologisch onderzoek Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Geuronderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Uitwerking tegenprestatie Sonseweg 1 Bijlage 7: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 8: Redengevende omschrijving en aanvullende brief Bijlage 9: Nota van zienswijze
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
42
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best Van Dun Ontwerp en Planologie is een handelsnaam van Van Dun Advies BV
43