24080.3 - TOELICHTING Vleutstraat 6 en 6a
Tekst van het document
Vleutstraat 6 en 6a, Best
bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
Inhoudsopgave
Toelichting
2 esteld)
3
bestemmingsplan "Vleutstraat 6 en 6a, Best" (vastg
bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
Toelichting
bestemmingsplan "Vleutstraat 6 en 6a, Best" (vastgesteld) 3
Toelichting bestemmingsplan
Gemeente Vleutstraat 6 en xx 6a, Best
Titel - straat+plaats
0
Colofon
Gemeente
Best
Planlocatie
Vleutstraat 6 en 6a 5681 PA Best
Datum
22-11-2021 / 09-08-2022 / 12-07-2023 / 01-10-2024
Status
Vastgesteld
IMRO-code
NL.IMRO.0753.bpVleutstraat6-VG01
Opgesteld door
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer
20229.004 /Rda/EH
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ............................................................................................. 5
1.2.
Ligging van het plangebied ................................................................................ 5
1.3.
Geldend planologisch regime .............................................................................. 5
1.4.
Procedure ......................................................................................................... 6
1.5.
Leeswijzer ........................................................................................................ 7
2. Planbeschrijving ............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie ............................................................................................. 8
2.2.
Beoogde situatie ............................................................................................... 8
3. Beleidskader ................................................................................................... 11 3.1.
Rijksbeleid ...................................................................................................... 11
3.1.1. 3.2.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 11
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.
Ladder duurzame verstedelijking ................................................................ 11 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 12 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................ 13
Gemeentelijk beleid ......................................................................................... 16
3.3.1. 3.3.2.
Structuurvisie ........................................................................................... 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 17
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 18 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 18
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 18
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.3.
Natuur............................................................................................................ 23
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Provincie .................................................................................................. 19 Waterschap de Dommel ............................................................................ 19 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ................................................... 21 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 21 Natuurnetwerk Nederland (NNN)................................................................ 23 Wet natuurbescherming ............................................................................ 24
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ......................................................... 26
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde ..................................................................... 26 Archeologie .............................................................................................. 27
4.5.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 28
4.6.
Spuitzones ...................................................................................................... 28
4.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 29
4.8.
Geur .............................................................................................................. 30
4.8.1. 4.8.2.
Omgekeerde werking ................................................................................ 30 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 30
4.9.
Luchtkwaliteit.................................................................................................. 31
4.9.1. 4.9.2.
Niet in betekenende mate.......................................................................... 31 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 31
4.10.
Geluid ......................................................................................................... 33
4.11.
Verkeer en parkeren..................................................................................... 34
4.12.
Externe veiligheid......................................................................................... 34
4.13.
Technische infrastructuur ............................................................................. 34
4.14.
Volksgezondheid .......................................................................................... 35
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 38 5.1.
Juridische achtergrond ..................................................................................... 38
5.2.
Toelichting verbeelding .................................................................................... 38
5.3.
Toelichting regels ............................................................................................ 39
6. Uitvoerbaarheid .............................................................................................. 40 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid................................................................................ 40
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 40
6.2.1. 6.2.2. 6.3.
Vooroverleg.............................................................................................. 40 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 40
Uitvoerbaarheid landschappelijke inpassing ....................................................... 40
7. Bijlagen .......................................................................................................... 42
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Aan de Vleutstraat 6 en 6a te Best werd voorheen een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Momenteel staan de agrarische opstallen leeg. De huidige eigenaren hebben deze locatie onlangs aangekocht om de locatie te herontwikkelen. Het voornemen is om het agrarische bouwvlak te laten vervallen en een woonbestemming ten behoeve van 3 reguliere burgerwoningen aan de locatie toe te kennen. Door de herbestemming zal leegstand en verloedering van de agrarische gebouwen worden tegengegaan en zal de ruimtelijke uitstraling naar de omgeving verbeteren. 1.2. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Vleutstraat 6 en 6a in het buitengebied van de gemeente Best. Afbeelding 1 weergeeft de ligging van het plangebied in de omgeving. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Best, sectie G, nummers 481, 482, 649, 651 (voor een klein deel) en 652. In de omgeving zijn voornamelijk agrarische gronden, agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Op een afstand van circa 1,7 kilometer ten zuidwesten is de bebouwde kom van Best gelegen.
Afbeelding 1: Luchtfoto ligging plangebied in omgeving, plangebied omcirkeld
1.3. Geldend planologisch regime Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’, vastgesteld d.d. 25-09-2023. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de onderstaande bestemmingen en aanduidingen toegekend gekregen, zie Afbeelding 2; • Enkelbestemming: Agrarisch – Agrarisch bedrijf; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3 (gebied met hoge archeologische verwachting, historische kern); • Bouwvlak; Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
5
• • • • • •
Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – melk-/ rundvee; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden; 2; Gebiedsaanduiding: overige zone – boringsvrije zone; Gebiedsaanduiding: overige zone – cultuurhistorisch vlak; Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – radar.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’
In artikel 4.6.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar de bestemming wonen. In artikel 4.6.3 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van woningsplitsing. Conform de voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheden mag de oppervlakte van de woonbestemming niet meer bedragen dan 1.500 m². Hier wordt in de beoogde situatie niet aan voldaan, zie de beschrijving van de beoogde situatie. Derhalve is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. 1.4. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
6
gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om tijdig zienswijzen kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.5. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3.
Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
7
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Aan de Vleutstraat 6(a) te Best werd voorheen een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Op 6 november 2015 is een melding in het kader van het Activiteitenbesluit geaccepteerd voor het houden van 13 vleeskalveren, 22 vleesstieren, 21 fokstieren en een paard op deze locatie. De huidige eigenaren hebben deze locatie onlangs aangekocht om de locatie te herontwikkelen. Momenteel staan de agrarische opstallen leeg. De aanwezige karakteristieke langgevelboerderij is van cultuurhistorisch belang. De volgende gebouwen en voorzieningen zijn momenteel op de locatie aanwezig, zie Afbeelding 3: 1. Cultuurhistorische bedrijfswoning 2. Tweede bedrijfswoning 3. Schuur (120 m²) 4. Schuur (110 m²) 5. Voormalige melkveestal (460 m²) 6. Voormalige melkveestal (425 m²) 7. Voormalige melkveestal (340 m²) 8. Loods (260 m²) 9. Sleufsilo’s
8
9
7 5 2
6
4 1
3
Afbeelding 3: Luchtfoto plangebied
2.2. Beoogde situatie De eigenaar is voornemens om de agrarische bedrijfsbestemming aan de Vleutstraat 6 en 6a om te zetten naar een woonbestemming ten behoeve van drie reguliere burgerwoningen. In het bestaande cultuurhistorische waardevolle object (de bedrijfswoning) zal een extra woning gerealiseerd worden. Daarnaast zal de tweede bedrijfswoning worden omgezet naar een reguliere burgerwoning. Ter plaatse van de langgevelboerderij zullen één woonkavel van 1.300 m² en één woonkavel van 2.250
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
8
m² gerealiseerd worden. Ter plaatse van de andere om te zetten voormalige bedrijfswoning zal een woonbestemming met een oppervlakte van 2.500 m² gerealiseerd worden. Het overige deel van het agrarische bouwvlak zal komen te vervallen. Deze gronden krijgen de enkelbestemming ‘Agrarisch’ zonder een bouwvlak. Het voornemen is om alle (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen te slopen, behalve de schuur van 120 m² achter de langgevelboerderij, zie nr. 3 op Afbeelding 3. In totaal zal circa 1.600 m² aan bedrijfsgebouwen gesloopt worden. Het bestemmingsplan zal bijgebouwen tot een omvang van 260 m² toestaan voor de buitenste woonkavels. Bij deze woonkavels wordt het tevens mogelijk om een bedrijf aan huis tot een oppervlakte van 200 m² te exploiteren in plaats van de gangbare 100 m². De locaties met de 260 m² bijgebouw zijn uitermate geschikt voor kleinschalige bedrijvigheid. Voor stalling van een bus, een kleine werkplaats en opslag is 100 m² echter een te klein oppervlak. Derhalve wordt voor deze woonkavels afgeweken naar 200 m². De kleinschaligheid van de bedrijvigheid wordt geborgd door de milieucategorie op te nemen, waardoor de ruimtelijke effecten niet onevenredig zullen zijn. Bij het middelste woonkavel zal de oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning een maximale oppervlakte hebben van 100 m². Een inrichtingsschets van de beoogde ontwikkeling is opgenomen in Afbeelding 4.
De beoogde ontwikkeling zal zorgvuldig landschappelijk worden ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met de kwaliteiten en kenmerken van de omgeving. De landschappelijke inpassing is niet noodzakelijk, maar het zal worden gedaan om het ruimtelijke plan aan de Sonseweg 1 te Best te koppelen aan dit plan voor de Vleutstraat 6(a) te Best. Het plan Sonseweg is al vastgesteld en afgesloten. Voor dit plan dient er geïnvesteerd te worden in het landschapsfonds. Bij dit plan voor de Vleutstraat 6(a) zal extra kwaliteitsverbetering gaan plaatsvinden die door de eigenaar van de Sonseweg betaald zal gaan worden. Hierdoor hoeft er voor het plan Sonseweg minder geïnvesteerd te worden in het landschapsfonds. Door de koppeling van het ruimtelijke plan aan de Sonseweg 1 en dit ruimtelijke plan kan het ruimtelijke plan voor de Sonseweg 1 doorgang vinden, wat van maatschappelijk belang is. Tevens wordt op de locatie aan de Vleutstraat 6(a) te Best een aanvullende fysieke kwaliteitsverbetering gerealiseerd. In Bijlage 1 bij deze toelichting is het landschappelijk inpassingsplan op schaal opgenomen.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
9
Afbeelding 4: Inrichtingsschets beoogde situatie
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
10
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid
3.1.1. Ladder duurzame verstedelijking
In geval van een stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het beoogde initiatief betreft een kleinschalige stedelijke ontwikkeling, gezien het feit dat er sprake is van de realisatie van drie woningen in het buitengebied en daarmee wordt voorzien in een (klein) deel van de regionale behoefte. Echter in het kader van de Ladder is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Voor wonen geldt namelijk dat pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is wanneer in de woningbouwlocatie 12 woningen worden gerealiseerd. Met dit plan wordt één extra woning mogelijk gemaakt (in de bestaande cultuurhistorische bedrijfswoning) en worden twee bedrijfswoningen omgezet naar een burgerwoning. Derhalve is verdere toetsing aan de Ladder niet nodig. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
11
voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. De sanering van de agrarische bedrijfslocatie zorgt voor een verbetering in de kwaliteit van de leefomgeving. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 5, ligt de planlocatie in de groenblauwe mantel. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden.
Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. De ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties verbeterd door het saneren van de agrarische bedrijfslocatie. Daarom sluit het initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.
Afbeelding 5: Uitsnede structurenkaart Structuurvisie 2010- partiële herziening 2014
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
12
3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.
Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Landelijk gebied’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Boringsvrije zone’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede integrale plankaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, plangebied met plusteken weergegeven
Er zal in deze paragraaf worden getoetst of aan artikel 3.68 van de Interim omgevingsverordening voor het wonen in landelijk gebied kan worden voldaan. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief wordt de veehouderij ter plaatse gesaneerd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. In paragraaf 4.2.4 van deze toelichting wordt getoetst aan de aanwezige aanduiding ‘Boringsvrije zone’. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
13
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Voor de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een bestaand agrarisch bouwvlak. Het agrarische bouwperceel wordt gewijzigd in drie woonkavels. De woningen en bijbehorende bouwwerken bij de woningen zullen worden geconcentreerd binnen deze woonkavels. Dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling blijkt uit de toetsing in paragraaf 3.1.1.
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Uit deze toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft of op zal leveren.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door het saneren van de veehouderij, waardoor er sprake is van een afname van emissie en het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Bovendien
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
14
wordt een meerwaarde gecreëerd door de splitsing van de langgevelboerderij woonbestemmingen te combineren met een goede landschappelijke inpassing.
en
de
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)
Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Best is de LIR 2019 van toepassing. Hierin is de omzetting van een agrarisch bedrijf naar burgerwoning aangemerkt als een categorie 1 ontwikkeling, omdat er eigenlijk altijd sprake is van een kwaliteitsverbetering door sloop van bebouwing, opruimen van verharding en het verkleinen van een bouwvlak. Ook het splitsen van een woonboerderij valt onder een categorie 1 ontwikkeling. De kwaliteitsverbetering hoeft dan niet berekend te worden en hoeft niet nog iets extra’s te worden gedaan in de vorm van landschappelijke inpassing en bijdrage in het landschapsfonds.
De beoogde ontwikkeling zal toch zorgvuldig landschappelijke worden ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met de kwaliteiten en kenmerken van de omgeving. De landschappelijke inpassing is niet noodzakelijk, maar zal worden gerealiseerd zodat aan de verplichte kwaliteitsinvestering voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de Sonseweg 1 voldaan kan worden, zie paragraaf 6.3 van deze toelichting voor een nadere uitwerking van de koppeling van deze ruimtelijke ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.
Wonen in landelijk gebied (artikel 3.68 & 3.69)
In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan op grond van artikel 3.69 lid c het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning mogelijk worden gemaakt als is verzekerd dat:
1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;
De voormalige agrarische bedrijfswoning welke is aangeduid met nummer 2 op Afbeelding 3 wordt omgezet naar één reguliere burgerwoning. De voormalige agrarische bedrijfswoning welke is aangeduid met nummer 1 op Afbeelding 3 wordt omgezet naar twee reguliere burgerwoningen door middel van het splitsen van de langgevelboerderij. Op grond van artikel 3.69 lid b van de Iov is de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mogelijk als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. In het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van de langgevelboerderij de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ opgenomen, waaruit blijkt dat deze bebouwing cultuurhistorisch waardevol is. Door het toevoegen van een extra woning zal een additionele economische drager worden toegevoegd en op deze wijze zal het onderhoud en de opwaardering van de cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij beter worden verzekerd.
2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Zoals reeds uiteen is gezet wordt de overtollige voormalige agrarische bebouwing met het initiatief gesloopt. Dit wordt als voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de voorwaarden van het bestemmingsplan. De bedrijfswoning, de langgevelboerderij en de schuur zoals omschreven in paragraaf 2.2 blijven behouden ten behoeve van de woonbestemming.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor wonen in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
15
3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.3.1. Structuurvisie
De structuurvisie van de gemeente Best is vastgelegd in de “Partiële herziening van de structuurvisie Best 2030”, welke op 4 april 2016 door de gemeenteraad is vastgelegd. Dit document is van toepassing op het gehele grondgebied van de gemeente Best (de be bouwde kom en het buitengebied) en schetst het ruimtelijke toekomstbeeld tot 2030. Het plangebied is conform het kaartbeeld van de structuurvisie gelegen binnen een agrarischrecreatief landschap, zie Afbeelding 7. De landelijke sfeer, cultuurhistorische waarden en de rustiek zijn belangrijke kenmerken van dit landschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een landschap dat in de loop der tijd is veranderd als gevolg van schaalvergroting in de landbouw. Deze structuurvisie hanteert het motto ‘ja, mits’. Ontwikkelingen zijn mogelijk, mits zij bijdragen aan het landschap als drager van de ruimtelijke kwaliteit. Van belang daarbij is dat bestaande (agrarische) bedrijven niet mogen worden belemmerd. In het landschap is tevens sprake van belangrijke cultuurhistorische, landschappelijke en ruimtelijke waarden die behouden moeten blijven. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten die gelden voor het agrarisch-recreatief landschap. Door het landschappelijk inpassen van het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit.
Dat omliggende agrarische bedrijven niet worden belemmerd blijkt uit de toetsing in paragraaf 4.7 en 4.8 van deze toelichting. Tot slot wordt de belangrijke cultuurhistorische bebouwing aan de Vleutstraat 6 en 6a behouden. Door het toevoegen van een extra woning zal een additionele economische drager worden toegevoegd en op deze wijze zal het onderhoud en de opwaardering van de cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij zelfs beter worden verzekerd. De beoogde ontwikkeling is gezien bovenstaande passend binnen de structuurvisie van de gemeente Best.
Afbeelding 7: Uitsnede kaartbeeld structuurvisie Buitengebied, plangebied zwart omcirkeld
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
16
3.3.2. Bestemmingsplan Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is het vigerende bestemmingsplan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’, vastgesteld d.d. 25-09-2023. In dit bestemmingsplan is de locatie onder andere gelegen binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’, zie Afbeelding 2. In artikel 4.6.3 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van woningsplitsing. In artikel 4.6.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar de bestemming wonen. In deze wijzigingsbevoegdheid is echter de voorwaarde gesteld dat de oppervlakte van de woonbestemming niet meer mag bedragen dan 1.500 m². Aangezien twee woonkavels meer dan 1.500 m² gaan bedragen kan deze wijzigingsbevoegdheid niet worden toegepast. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van de herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het vigerende bestemmingsplan. In het verlengde van het principebesluit is overeengekomen dat de buitenste woonkavels een maximale oppervlakte aan bijgebouwen mogen hebben van 260 m² en de middelste de reguliere 100 m². Dit was afgestemd op basis van de regels van het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied Best 2019 (artikel 4.6.4 lid g onder 1).
In dit artikel was een sloopbonusregeling opgenomen, ofwel een vermeerdering met 20% van het te slopen meerdere van 100 m² aan bijgebouwen en voormalige bedrijfsgebouwen dat voor de sloop aanwezig was mag aan de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden toegevoegd. Ter compensatie mag bij de sloop van 1.600 m² dan 320 m² worden toegevoegd. Aan beide buitenste percelen wordt derhalve 160 m² toegevoegd. Hierdoor is het mogelijk bij de buitenste woonkavels een maximale oppervlakte aan bijgebouwen te realiseren van 260 m². De middelste woonkavel heeft de reguliere toegestane maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m². De buitenste woonkavels met een toegestane maximale oppervlakte van 260 m² aan bijgebouwen zijn uitermate geschikt voor kleinschalige bedrijvigheid. Voor stalling van een bus, een kleine werkplaats en opslag is 100 m² echter een te klein oppervlak. Derhalve wordt voor deze woonkavels afgeweken naar 200 m². Dit is tevens niet passend binnen het vigerende planologische regime. De kleinschalige bedrijvigheid wordt in de regels geborgd door een maximale milieucategorie van 1 of 2 toe te staan (of een bedrijf dat qua aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk gesteld kan worden aan een bedrijf tot één van deze milieucategorieën).
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
17
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat. Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 15 maart 2017; ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:348, van 17 april 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1253 en van 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 1 reguliere woning in een bestaande langgevelboerderij en het omzetten van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing aanzienlijk zal afnemen ten opzichte van de bestaande situatie door het slopen van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.
De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie;
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
18
-
Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
4.2.1. Provincie
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Zoals op de kaart behorende bij deze instructieregels te zien is, ligt de planlocatie niet in een ‘Grondwaterbeschermingsgebied’. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst aan de instructieregels grondwaterbescherming zoals opgenomen in de Iov. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden.
Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
4.2.2. Waterschap de Dommel
Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterschap de Dommel hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur 2015 en de legger waterstaatswerken 2021.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
19
Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ▪ Wat schoon is moet schoon blijven Het waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt; ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.
Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden zoals waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Legger waterstaatswerken 2021 Het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel heeft op 30 november 2021 de legger waterstaatswerken 2021 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2018, waterberging 2019 en waterkeringen 2020 in te trekken. Het waterschap heeft ervoor gekozen de drie bestaande leggerbesluiten samen te voegen.
Dit is gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De samenvoeging is beleidsneutraal met een vernieuwing van de bestaande drie leggers.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
20
Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van de Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de Keur op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn.
4.2.3. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.4. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde waterhuishoudkundige situatie blijft het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. De voormalige bedrijfswoningen zijn al aangesloten op de riolering. De kosten voor eventuele aanpassing van de capaciteit van de riolering zijn voor rekening van de eigenaar. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 januari 2019, is bepaald dat bij ontwikkelingen waarbij het bebouwd oppervlakte toeneemt mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Omdat er in de beoogde situatie een afname van verharding is zijn er geen compenserende maatregelen noodzakelijk. Er zal namelijk 1.600 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing worden gesaneerd, daarnaast zal nog eens zo veel erfverharding worden gesaneerd. In de beoogde situatie zal er sprake zijn van twee bijgebouwen van maximaal 260 m2, twee woningen van circa 150 – 200 m2, één woning van 100 m2 en een bijgebouw van 120 m2 welke behouden zal blijven.
Hierbij zal tevens erfverharding worden gerealiseerd in de beoogde situatie. Echter zal de totale verharding nooit meer bedragen dan in de bestaande situatie. Door de afname van het bebouwd oppervlak is er een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie van de omgeving. De versnelde afvoer door piekbelasting neemt namelijk af. Tevens zijn er meer gronden onbebouwd waar het hemelwater op natuurlijke wijze kan infiltreren. Gelet op de forse afname aan verharding en bebouwing hoeft tevens bij een eventuele kleine toename aan bijgebouwen behorende bij de woningen (tot een maximum van 260 m² per woning) geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Het bergen van hemelwater kan en zal op eigen terrein plaatsvinden. Het water kan infiltreren in de bodem en de omliggende sloten zullen het afstromende hemelwater probleemloos kunnen verwerken (in de huidige situatie voldoen ze immers ook al). In plaats van de afvoer van de volledige hoeveelheid hemelwater kan het hemelwater tevens worden opgevangen voor hergebruik, bijvoorbeeld als gietwater in de tuin. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC.
Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
21
Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Ten noordwesten en ten zuidoosten van het plangebied zijn namelijk B-watergangen gelegen conform de Legger van het Waterschap, zie Afbeelding 8. Binnen 5 meter van de Bwatergang worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt.
Afbeelding 8: Uitsnede Legger Waterschap de Dommel, locatie omcirkeld
Als laatste valt op te merken dat conform het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding’ is gelegen binnen het plangebied, zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Binnen deze bestemming zijn regels opgenomen ten aanzien van het beschermen van de rioolleiding welke is gelegen ter plaatse van de dubbelbestemming. In de regels van het bestemmingsplan staat opgenomen dat er uitsluitend bouwwerken mogen worden gerealiseerd, met een maximale hoogte van 3 meter. Echter kan hiervan worden afgeweken door advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder. Daarnaast zijn er regels opgenomen ten aanzien van het uitvoeren van werken of van werkzaamheden. De regels behorende bij de dubbelbestemming zijn opgenomen in het onderhavig bestemmingsplan. Er zal derhalve ten alle tijden worden voldaan aan deze regels. De beoogde situatie zal derhalve geen belemmering opleveren ten aanzien van de rioolleiding welke aanwezig is. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Boringsvrije zone
Om de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater als bron voor drinkwaterbereiding te borgen is de aanduiding ‘boringsvrije zone’ opgenomen. Rond grondwaterwinningen die worden gebruikt voor menselijke consumptie zijn beschermingszones aangegeven. Het plangebied bevindt zich binnen deze beschermingszone. In het gebiedsdossier wordt per beschermingsgebied integraal in beeld gebracht welke knelpunten en bedreigingen aan de orde zijn en welke maatregelen getroffen dienen te worden. Binnen dit gebied zijn woningen en woningsplitsingen toegestaan, indien dit geen aantasting van de grondwaterbeschermingsbelangen tot gevolg heeft. Voor sommige activiteiten geldt een
Bestemmingsplan Vleutstraat 6 en 6a, Best
22
meldingsplicht. In de provinciale milieuverordening kan worden nagegaan wanneer er sprake is van een meldingsplicht. In de boringsvrije zone zijn de meeste activiteiten zonder melding toegestaan en gelden er geen voorschriften uit de IOV, anders dan de zorgplicht. Dit geldt ook voor alle werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 10 meter onder maaiveld. Er zullen in de beoogde situatie geen werkzaamheden in de bodem worden verricht op een diepte van tien meter of meer onder maaiveld. Er zal dus geen melding hoeven worden gedaan. Indien nodig zal in de toekomst een melding kunnen worden gedaan bij handelingen die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van grondwater. Voor het waarborgen van een goede grond- en/of oppervlaktewaterkwaliteit is het van groot belang dat oppervlakken waarvan water afstroomt niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, lood en zink), zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een coating. Met de bouw van eventuele bijbehorende bouwwerken bij de woningen zal hier dus rekening mee gehouden worden. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 9. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het