24074.5 - Warmteprogramma gemeente Best
Tekst van het document
Warmteprogramma 2024
Samenvatting Twee jaar geleden is door de gemeenteraad de Transitievisie Warmte van Best vastgesteld. De afspraak is gemaakt om na twee jaar een herijkingsmoment te plannen: dat moment is nu. Per ingang van de Omgevingswet wordt warmtebeleid verankerd als programma onder de omgevingsvisie: het krijgt daarmee de naam Warmteprogramma in plaats van Transitievisie Warmte. Het doel blijft gelijk: richting geven aan de lokale warmtetransitie, inzicht creëren in de lokale context en een hoofdlijnenplanning maken voor de uitvoeringsfase. In de laatste twee jaar zijn er diverse relevante ontwikkelingen geweest. De wetgeving op nationaal niveau wordt uitgebreid met de Wet Collectieve Warmte (WCW) en de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW), die beoogd zijn op 1 januari 2025 in werking te treden. De WGIW brengt gemeenten de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar het gasnet verdwijnt. We zien daarnaast andere ontwikkelingen die het warmtebeleid raken zoals netcongestie, de hybride warmtepomp als nieuwe standaard verwarmingsmethode en de strengere eisen bij woningisolatie als gevolg van de Wet Natuurbescherming.
2
In de Transitievisie Warmte van 2022 zijn Heivelden (deels) en Naastenbest aangemerkt als ‘zoekbuurten’ – de buurten waar als eerst gezocht wordt naar mogelijkheden om aardgasvrij te verwarmen. Daar is in 2023 Wilhelminadorp aan toegevoegd. Voor dit Warmteprogramma is een quick-scan onderzoek uitgevoerd om te beoordelen of dit met een duurzame collectieve verwarming (een ‘warmtenet’) mogelijk is.
De wijkcategorisering zoals vastgesteld in de Transitievisie Warmte en de Wijkpaspoorten blijft gehandhaafd in dit Warmteprogramma. Er wordt gekozen om in de zoekbuurten toe te werken naar kleinschalige collectieve warmte. Dat heeft een aantal voordelen:
De conclusie is dat aan vraagzijde (gebouwen die warmte afnemen) een grootschalig warmtenet haalbaar lijkt. Het gaat dan om aanleg in de zoekbuurten Naastenbest en Wilhelminadorp, eventueel aangevuld met het centrumgebied (bijvoorbeeld de wijken Centrum, Hoge Akker, Leeuwerik).
• Kleinschalige collectieve warmte is haalbaar en uitvoerbaar voor de gemeente en omzeilt de externe afhankelijkheden die bij een grootschalig warmtenet komen kijken;
De aanbodzijde is lastiger. Er zijn ontwikkelingen die kunnen leiden tot beschikbare bronnen. Zo wordt geothermie onderzocht in regionaal verband en is er een onderzoek aquathermie uitgevoerd dat mogelijkheden ziet, maar gebruik ervan is complex omdat afstemming en samenwerking met omliggende gemeenten noodzakelijk is. De gemeente heeft de ingewikkelde taak om het samenbrengen van vraag en aanbod te organiseren in samenwerking met stakeholders en inwoners.
• Voor delen van Best is collectieve verwarming de beste optie, die bijdraagt aan een rechtvaardige verdeling van beschikbare warmtebronnen;
• Collectieve warmte zorgt voor ontzorging bij inwoners en maakt dat de gemeente meer grip houdt op de voortgang van de transitie; • Met een collectief warmteproject doet de gemeente ervaring op met het aardgasvrij maken van woningen en andere gebouwen in samenwerking met woningcorporaties en andere stakeholders. In de toekomst kunnen kleinschalige collectieven bijvoorbeeld doorgroeien tot een grootschalig warmtenet. Het Warmteprogramma sluit af met een uitvoeringsprogramma 2024/2027 met focuspunten en projecten voor de komende jaren.
Inhoudsopgave 1 Inleiding
4
2 Nationale ontwikkelingen
8
3 Potentie collectieve warmte
15
4 Lokaal beleid, visie en keuzes
23
5 Uitvoeringsprogramma 2024-2027
31
6 Bijlagen & bronnen
44
Inleiding
1
Inleiding In 2019 verscheen het Nationaal Klimaatakkoord. Het Klimaatakkoord maakt onderscheid tussen verschillende sectoren, zogeheten ‘tafels’. Eén daarvan is de gebouwde omgeving. De nationale doelstelling voor de gebouwde omgeving is om in uiterlijk 2050 alle woningen en andere gebouwen goed te isoleren en duurzaam te verwarmen (bijvoorbeeld met schone en zoveel mogelijk lokaal opgewekte elektriciteit).
Het pad naar 2050 is gefaseerd: voortgang is afhankelijk van leerervaringen in de komende jaren en opschaling naar aanleiding van deze leerervaringen. Het Klimaatakkoord voorzag dat er in 2021 een gemiddelde van 50.000 bestaande woningen per jaar zou worden verduurzaamd en dat dit zou oplopen tot gemiddeld 200.000 per jaar in 2030. Samen telt dit op tot een totaal van 1,5 miljoen verduurzaamde bestaande woningen in 2030 – of 2.550 woningen in Best. Het gaat hier om de nationale ambitie, niet om een lokale verplichting. Voor gemeenten is een centrale rol weggelegd. De nationale aanpak geeft daartoe onder meer deze redenen:
5
1. Het wijkniveau wordt gezien als het meest geschikte niveau voor de transitie van de gebouwde omgeving. Gemeenten kiezen in principe op wijkniveau op welke manier gebouwen verduurzaamd en aardgasvrij verwarmd worden, al mogen ze daarvan afwijken als er aanleiding toe is. 2. Participatie van en co-creatie met inwoners is voorwaardelijk voor een succesvol verloop van de uitvoering van de (wijk)uitvoeringsplannen. Zodoende zijn er twee concrete afspraken gemaakt om de transitie op te starten:
1. Er komen proeftuinen binnen het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) om leerervaring op te doen met het verduurzamen van wijken. De gemeente heeft deze ontwikkelingen gevolgd en daar waar relevant als inspiratie gebruikt voor dit programma. 2. Elke gemeente stelt verplicht uiterlijk op 31 december 2021 een Transitievisie Warmte vast, waarin een volgorde en tijdsbepaling wordt opgenomen met betrekking tot het verduurzamen van de lokale gebouwde omgeving. De Transitievisie Warmte wordt tenminste elke vijf jaar geactualiseerd; Best heeft ervoor gekozen om de eerste actualisatie al na twee jaar te doen.
Zo heeft ook gemeente Best een Transitievisie Warmte opgesteld in 2021, waarin (delen van) wijken van Best zijn ingedeeld in de buurttypes zoekbuurt, bespaarbuurt, eigen-tempobuurt en lange-termijnbuurt. Op latere momenten zijn aanvullende inzichten opgehaald en vastgelegd in een pandanalyse, bronanalyse en uiteindelijk in wijkpaspoorten. Dit laatste document is vastgesteld en heeft geleid tot een hercategorisering van twee wijken. Later meer over de bestaande visie op de lokale warmtetransitie.
Actualiteit
Urgentie en snelheid
Hoewel de afspraken uit het Klimaatakkoord van 2019 nog altijd staan, zijn er sindsdien nieuwe ontwikkelingen geweest. Het gaat onder andere om:
Ondanks de ambities uit het Klimaatakkoord, de subsidies voor de PAW-proeftuinen en de lokale visie op een aardgasvrije gebouwde omgeving die elke gemeente heeft vastgesteld, is de huidige snelheid te laag om het gestreefde aantal bestaande woningen per jaar daadwerkelijk te verduurzamen. In de meeste PAW-wijken zijn nog weinig tot geen woningen daadwerkelijk aardgasvrij. Ook buiten de proefwijken worden weinig bestaande woningen van het aardgas af gehaald. Huidige schattingen voorzien een aantal van 90.000 tot 200.000 aardgasvrije woningen in 2030: dat is ongeveer tien keer minder dan de doelstelling uit het Klimaatakkoord.
• Met ingang van de Omgevingswet wordt het lokaal warmtebeleid een programma onder de omgevingsvisie. Daarmee komt de Transitievisie Warmte als beleidsstuk te vervallen, maar dient in de plaats hiervan een Warmteprogramma te worden opgesteld. Dit betekent tevens dat het dient te voldoen aan de vereisten van een programma onder de omgevingsvisie, bijvoorbeeld op het gebied van burgerparticipatie.
• Hoewel de gemeente strategisch stuurt op de inzet van aardgasalternatieven per wijk, heeft de nationale overheid de hybride warmtepomp aangewezen als nieuwe standaard voor het verwarmen van woningen. Concreet betekent dit dat cvketels die vanaf 2026 defect zijn, vervangen dienen te worden door een hybride warmtepomp (dat is een combisysteem bestaande uit een kleine elektrische warmtepomp en een cv-ketel). Er zijn wel veel uitzonderingsgevallen die niet over hoeven op een hybride warmtepomp en de vraag is of deze regeling overeind blijft wanneer een nieuw kabinet aantreedt. Het is de bedoeling dat de standaard hybride niet overal de eindoplossing wordt, daarvoor komt te voorlopig weinig duurzaam gas beschikbaar. 6
De praktijk is weerbarstig en gemeenten lopen tegen verschillende problemen aan, bijvoorbeeld: • De gemeente is vaak niet het juiste schaalniveau om een warmtenet aan te leggen, vanwege de grote omvang en kosten van een dergelijk project. Gemeentegrensoverstijgende warmtenetten worden doorgaans binnen de Regionale Structuur Warmte (RSW) besproken, maar dit is geen bevoegd gezag zoals een gemeente of provincie dat wel is. Doch is deze samenwerking belangrijk en deze sluit aan bij de visie van het College van B&W, dat duurzaamheid ziet als bovenlokale opgave die samen met de regio wordt opgepakt.
• In de praktijk blijkt het wijkniveau niet ideaal om woningen te verduurzamen. Vaak bestaan binnen één wijk woningen met uiteenlopende karakteristieken, die niet met dezelfde oplossing geholpen zijn. De bebouwingsdichtheid is bijvoorbeeld niet overal even hoog. De beste schaal voor een warmtenet is, afhankelijk van de bron, vaak juist groter of kleiner dan de wijkschaal. Dat geldt ook voor individuele warmtepompen: beleid geldt voor de hele gemeente, terwijl de technische oplossing gebouwgebonden is. • De overheid heeft geen wettelijke bevoegdheid om inwoners te verplichten om over te stappen op een duurzaam alternatief voor aardgas. Hier komt, zij het beperkt, verandering in met ingang van de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie – later meer over deze wet. Bij gebrek aan wettelijke middelen is de gemeente aangewezen op het informeren over en faciliteren en stimuleren van manieren om aardgasvrij te verwarmen. Uit diverse onderzoeken en enquêtes blijkt dat de belangrijkste drijfveer voor inwoners om aardgasvrij te worden de betaalbaarheid is. Het Klimaatakkoord heeft als uitgangspunt opgenomen dat de transitie woonlastenneutraal moet zijn. Dat betekent dat de nieuwe situatie (op termijn) niet duurder mag zijn dan de huidige situatie. Het Klimaatakkoord verwacht woonlastenneutraliteit te kunnen bereiken door opschaling, innovatie en met betere financiering.
• Hoewel gemeenten de taak hebben gekregen om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken, beschikten zij over onvoldoende budget en capaciteit om uitvoering te geven aan de plannen. Op basis van een onderzoek van de Raad van Openbaar Bestuur krijgen gemeenten extra budget voor de uitvoering van klimaatbeleid. Dit budget, onderdeel van de regeling CDOKE – ook wel Jettengelden genoemd, is bedoeld om personeel aan te trekken, kennis te vergroten en/of externe expertise in te huren.
Participatie In het proces om te komen tot dit Warmteprogramma zijn inwoners en professionele stakeholders betrokken geweest. De gesprekken met professionele stakeholders zijn één-op-één gevoerd met Enexis, Wooninc., ‘thuis, Woonbedrijf en Best Duurzaam. Daarnaast is er ambtelijk een themasessie duurzaamheid georganiseerd, waarin het Warmteprogramma een rol speelde. De gesprekken met professionele stakeholders dienden twee doelen: allereerst het informeren over de stand van zaken van de warmtetransitie, daarnaast het verkennen van samenwerkingsmogelijkheden in de lokale warmtetransitie.
7
Inwoners zijn met een enquête betrokken geweest. Eén van de kernpunten van deze enquête was de afweging tussen collectief of individueel aardgasvrij. Zo is uitgevraagd op welke opties inwoners zich al oriënteren, of inwoners een voorkeur hebben voor een warmtenet of warmtepomp en waarover inwoners zich zorgen maken in de transitie. De resultaten van de enquête zijn opgenomen als bijlage. De enquêteresultaten zijn besproken met communicatiemedewerkers van de gemeente en bieden een goede basis om in de toekomst te gebruiken bij projecten en communicatie. Het zorgt ervoor dat we beter kunnen inspelen op de behoeften van de inwoners. De resultaten zijn bovendien gebruikt als één van de perspectieven bij de te maken keuzes in dit Warmteprogramma, hoofdstuk 4. In samenwerking met Best Duurzaam zijn we daarnaast op de zaterdagmarkt in gesprek gegaan met inwoners. Dat was dus geen representatieve groep, maar gaf wel een indicatie van de vragen en zorgen die bij inwoners spelen. Daaruit bleek vooral bij inwoners van de zoekbuurten een behoefte aan meer informatie over de plannen.
Om aan de vereisten van de gemeentelijke omgevingsvisie op het gebied van participatie te voldoen, hebben wij de uitgangspunten gebruikt als basis. Deze luiden: • Belanghebbenden vroegtijdig betrekken • Streven naar een goede afspiegeling van de samenleving • Transparant op inhoud en proces • Toegankelijk voor iedereen • Georganiseerd door de initiatiefnemer • Proportioneel aan de omvang van het initiatief • Aanvulling op, geen vervanging van de representatieve democratie
In overleg met gemeentelijk adviseurs participatie en communicatie is toen afgestemd hoe participatie er in het traject uit moet zien. De gekozen methode is in lijn met de participatie-uitgangspunten: vroegtijdig, toegankelijk en proportioneel betrekken van inwoners. Bovendien zijn de resultaten representatief voor de samenleving.
Nationale ontwikkelingen
2
Nationale ontwikkelingen Aardgasvrijmogelijkheden strategieën ECW Er zijn vele manieren waarop woningen aardgasvrij gemaakt kunnen worden. Veel van deze manieren zijn niet duurzaam. Tot en met 2019 zijn er bijvoorbeeld subsidies geweest voor pelletkachels. Omdat deze tot luchtvervuiling leiden is de subsidie afgeschaft. Inwoners in de grensregio maken soms gebruik van aardolie uit België, ook dit is geen duurzaam alternatief voor aardgas. Tot slot was in de periode met flinke gasprijsstijgingen de trend zichtbaar dat men overging tot aanschaf van een houtkachel. Hoewel hout in potentie een duurzame grondstof is, zorgt deze manier van verwarmen voor luchtvervuiling en is het hout meestal niet afkomstig uit verantwoord beheerde bossen. Het Expertisecentrum Warmte (ECW) heeft uitgezocht welke manieren van aardgasvrij verwarmen zowel duurzaam zijn als grootschalig toepasbaar. Dat resulteert in een lijst met vijf opties:
9
Groengas is een potentieel duurzaam gas. Het wordt gemaakt door biomassa (reststromen zoals gft-afval) te vergisten tot biogas, dat weer omgezet kan worden in groengas. Groengas is niet helemaal CO2vrij, maar wel relatief duurzaam. Voor duurzame waterstof en groengas geldt dat toepassingen in andere sectoren vaak logischer zijn dan in de gebouwde omgeving. De ontwikkeling ervan wordt ondersteund door nationale subsidies.
1. Individuele elektrische warmtepomp 2. Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron 3. Warmtenet met lagetemperatuurbron 4. Groengas* 5. Waterstof* * Voor deze opties geldt dat ze ingezet dienen te worden in combinatie met een hybride warmtepomp. Dit is een combisysteem dat een cv-ketel en een elektrische warmtepomp combineert. De cv-ketel van de hybride warmtepomp dient (op termijn) geen aardgas meer, maar een duurzaam gas (dus groengas of waterstof) te gebruiken. Voor elk van de vijf opties geldt dat ze beperkt toepasbaar zijn. Alleen wanneer er een warmtenet wordt ontwikkeld in een bepaalde wijk, hebben inwoners de vrijheid om voor optie 2 of 3 te kiezen. Niet overal is een warmtenet realistisch, vooral wanneer de watertemperatuur van het warmtenet hoger is, dienen de leidingen erg goed geïsoleerd te worden en moet er voldoende ruimte beschikbaar zijn in de ondergrond voor aanleg. Er wordt verkend of die ruimte er is. En er is een quick-scan onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van collectieve verwarming, zie hoofdstuk 3.
Inwoners die in een wijk wonen waar geen warmtenet wordt ontwikkeld, zijn aangewezen op de individuele opties (1, 4 en 5). Voor optie 4 en 5 geldt dat groengas en waterstof ontwikkeld moeten worden. De verwachting is dat beide duurzame gassen niet op korte termijn – of zelfs nooit – grootschalig beschikbaar zullen zijn voor de gebouwde omgeving. Inwoners kunnen dus al wel een hybride warmtepomp aanschaffen en hiermee besparen op hun gasverbruik, maar aardgasvrij zijn ze daarmee nog niet. De enige overblijvende optie voor inwoners om op korte termijn geheel aardgasvrij te worden, is dus met een volledig elektrische individuele warmtepomp – optie 1. Het staat inwoners vrij om buiten deze vijf mogelijkheden naar andere opties te zoeken om aardgasvrij te worden, bijvoorbeeld met infraroodpanelen of een airco. Het verwarmen van gehele huizen op deze manieren is echter te duur en bovendien erg energie-inefficiënt. Daarom dienen overheden zich aan de lijst van het ECW te houden – op deze manier zijn inwoners het beste geholpen en wordt ook het publieke belang gediend door het totale energieverbruik zoveel mogelijk te beperken. Dat zorgt voor de laagste nationale kosten, of wel de laagste optelsom van alle kosten op alle niveaus die gemaakt moeten worden voor een aardgasvrije verwarming. Daarmee blijft de transitie gemiddeld genomen zo betaalbaar mogelijk voor het hele land.
10
Bij elk van de vijf manieren waarop inwoners aardgasvrij worden, speelt de gemeente een belangrijke rol: 1. Individuele elektrische warmtepomp: wanneer inwoners voor deze optie kiezen, is het nodig om (lokaal) extra duurzame elektriciteit op te wekken opdat de benodigde elektriciteit voor de warmtepomp duurzaam opgewekt wordt. 2. Warmtenet met midden- en hogetemperatuur: de gemeente moet op zoek naar een geschikte bron om het warmtenet van warm water te voorzien. Vervolgens moet er een organisatiestructuur opgezet worden met bijvoorbeeld een ontwikkelaar, investeerder en exploitant. De gemeente maakt – met het oog op de wet collectieve warmte (WCW) en wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (WGIW) – een keuze betreft de eigen rol in deze ontwikkeling. 3. Warmtenet met lagetemperatuurbron: de gemeente moet op zoek naar een geschikte bron om het warmtenet mee van warm water te voorzien. Vervolgens moet er een organisatiestructuur opgezet worden met bijvoorbeeld een ontwikkelaar, investeerder en exploitant. De gemeente maakt – met het oog op de WCW en WGIW – een keuze betreft de eigen rol in deze ontwikkeling.
4. Groengas: het staat inwoners vrij om nu al hybride warmtepompen aan te schaffen. Om de woningen van deze inwoners daadwerkelijk aardgasvrij te maken, moet er voldoende duurzame opwek van groengas en waterstof gerealiseerd worden. Dat gebeurt op nationale schaal, maar de gemeente kan – eventueel in regionale samenwerking – wel optrekken met bedrijven en boeren in de omgeving om de ontwikkeling van groengas te stimuleren. 5. Waterstof: het staat inwoners vrij om nu al hybride warmtepompen aan te schaffen. Om de woningen van deze inwoners daadwerkelijk aardgasvrij te maken, moet er voldoende duurzame opwek van groengas en waterstof gerealiseerd worden. Dat gebeurt op nationale schaal, maar de gemeente kan – eventueel in regionale samenwerking – wel optrekken met bedrijven en boeren in de omgeving om de ontwikkeling van waterstof te stimuleren. Een relevante ontwikkeling is de ontwikkeling van de Deltha Rhine Corridor – een hoofdinfrastructuur voor waterstof waar Best mogelijk in de toekomst gebruik van zou kunnen maken. Voor meer informatie is in de bronnenlijst een link opgenomen naar de ECW-website opgenomen voor meer informatie.
Hoewel inwoners altijd keuzevrijheid blijven houden wat betreft de wijze van verwarming van de woning – dus ook de mogelijkheden buiten de vijf genoemde opties – blijkt uit bovenstaand rijtje dat de gemeente hoe dan ook een belangrijke faciliterende rol speelt. Dat gaat over het verzorgen van voldoende duurzame opwek van elektriciteit, het ontwikkelen van duurzame gassen en het aanleggen of organiseren van de aanleg van een duurzaam warmtenet. Het is van belang om een inschatting te maken in de globale verdeling van de vijf opties door de gemeente heen en om op basis daarvan de faciliterende taken als gemeente op te pakken.
Ontwikkelingen wet- en regelgeving Rondom de warmtevoorziening in Nederland spelen twee belangrijke ontwikkelingen. Allereerst de WCW, dit is nog een ontwerpwetsvoorstel. Deze wet zet in op marktordening van de collectieve warmtemarkt (vereiste publiek eigendom), op transparantie in de tariefstelling (ontkoppeling gasprijs), op aanscherping van de vereisten voor leveringszekerheid van warmte en op het zeker stellen van de verduurzaming. Het hoofdonderwerp is de marktordening, deze regelt dat de gemeente een regierol krijgt binnen de collectieve warmte. De gemeente wijst een warmtekavel (waar komt de collectieve warmte) aan, bepaalt het tijdpad (wanneer komt de collectieve warmte), schetst de kaders (hoe komt er collectieve warmte) en wijst de ontwikkelaar aan (wie zorgt voor collectieve warmte). De uitzondering is regionale transportnetten, deze worden door de minister aangewezen.
Dit betekent concreet dat overheidsorganisaties een gecombineerd meerderheidsaandeel in (nieuwe) warmtenetten moeten nemen. Daarmee gaat de eventuele ontwikkeling van een lokaal warmtenet hoe dan ook gepaard met een intensieve rol voor de overheid, bijvoorbeeld de provincie, gemeente of EBN. Een belangrijke rol voor de gemeente ligt in elk geval in het toewijzen van warmtekavels en het coördineren van het transitieproces. Ten tweede is de WGIW in de maak. Dit wetsvoorstel is de basis voor het huidige Warmteprogramma, waarna voor pilotwijken een uitvoeringsplan wordt opgesteld in samenwerking met bewoners en andere stakeholders. Het belangrijkste punt uit de WGIW is de bevoegdheid voor de gemeente(raad) om in een wijk op termijn de levering van aardgas te kunnen beëindigen, wanneer in een ‘redelijk alternatief’ voorzien wordt. De geplande inwerkingtreding van deze wet is 1 juli 2024. De gemeenteraad zal te zijner tijd een uitspraak moeten doen over het eventueel inzetten van deze wettelijke bevoegdheden.
De gemeente Best is in regioverband aan het onderzoeken of het mogelijk is een afsplitsing te krijgen van de DRC (Delta Rhine Corridor). De DRC is een bundel van ondergrondse buisleidingen en kabels die wordt ontwikkeld in de buisleidingenstrook die loopt van Rotterdam via Moerdijk naar Zuid-Limburg en verder door naar Duitsland. Het gaat vooralsnog om de voorbereiding voor aanleg van buisleidingen voor het transport van waterstof, CO2 en meerdere ondergrondse gelijkstroomverbindingen voor de industrie. Voor ammoniak wordt ruimte gereserveerd, terwijl onduidelijkheden op het gebied van technologie en veiligheids- en beleidskaders worden uitgezocht. Aangezien nog niet bekend is waar de DRC zal lopen en of het mogelijk is een afsplitsing te realiseren richting Best en Eindhoven, wordt de mogelijkheid hiertoe alleen nog maar onderzocht.
11
De geest van de twee wetsontwikkelingen is helder: de warmtevoorziening moet meer terug naar het publieke domein. Daar staat tegenover dat de markt meer kennis en investeringsruimte heeft. Hier moet een balans gevonden worden, waarbij het belang van de inwoners voorop staat. Een collectieve warmtevoorziening is immers een uitstekende manier om inwoners te ontzorgen bij de overstap van aardgas naar een duurzame warmtevoorziening.
Ten aanzien van complexe innovaties stelt Best zich (mede gezien de omvang van de gemeente) zich wat terughoudender op. Wel nemen we het voortouw (in de regio) als de risico’s beheersbaar zijn. En natuurlijk volgen we de regionale en nationale ontwikkelingen waar Best van kan profiteren.
De gemeente is aangewezen als regisseur van de warmtetransitie. Die rol kan op verschillende manieren ingevuld worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vier rollen (al zal Best in de praktijk op een combinatie van rollen uitkomen):
Actuele ontwikkelingen zoals deze zijn van grote invloed op de warmtetransitie in Best:
• De afwachtende regisseur: externe ontwikkelingen zijn leidend; • De integrale regisseur: combineren van opgaven is leidend (veel interne participatie); • De procesregisseur: proces met stakeholders is leidend (veel externe participatie); • De sturende regisseur: gestelde doelstelling is leidend. In de praktijk is er vaak sprake van een combinatie van alle vier de rollen. De rol die de gemeente over het algemeen inneemt is die van de integrale / procesregisseur. De opgaven in de energietransitie zijn zodanig complex dat die alleen, gezamenlijk in samenhang en onderweg lerend kunnen worden ingevuld.
12
Actuele ontwikkelingen
• Wet natuurbescherming: de wet natuurbescherming beschermt Nederlandse flora en fauna. Bij bijvoorbeeld het aanbrengen van isolatie, gevelkierdichting of zonnepanelen dient rekening gehouden te worden met beschermde diersoorten. Dat betekent dat isolatiemaatregelen niet zomaar uitgevoerd kunnen worden, hierbij moet gecontroleerd worden of er beschermde diersoorten (kunnen) zitten en indien nodig moet er een ontheffing worden aangevraagd en moeten er maatregelen genomen worden om de dieren levend te verplaatsen voordat de maatregelen worden uitgevoerd. Voor de energiebesparingsdoelen geldt dat deze mogelijke vertraging oplopen en eventueel in kosten zullen stijgen, wanneer ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit wordt ondervangen in het Soortenmanagementplan (SMP), dat nu opgesteld wordt.
De WCW is een zeer belangrijke ontwikkeling in de Nederlandse warmtewetgeving. De wet bestaat uit drie pijlers: (1) marktordening; (2) tariefregulering; en (3) verduurzaming. De wet voorziet ook in tariefregulering (2): gasreferentie wordt vervangen door een kostengebaseerd systeem per warmtekavel. Vervolgens worden eisen gesteld aan de duurzaamheid van het warmtenet (3): warmtebedrijven moeten stapsgewijs verduurzamen, leveringszekerheid wordt beter geborgd en restwarmte komt gemakkelijker beschikbaar. Binnen het overgangsrecht wordt geregeld dat bestaande warmtebedrijven een aanwijzing voor een nieuwe warmtekavel zullen krijgen.
• Netcongestie: de energietransitie komt in veel gevallen neer op extra elektrificatie. Dat is bijvoorbeeld het geval bij elektrische auto’s (in plaats van benzine-auto’s) en elektrische verwarming (in plaats van aardgas). Daarnaast is er ruimte op het elektriciteitsnet nodig voor teruglevering van particulier opgewekte energie met zonnepanelen op daken. Op veel plekken in Nederland is de capaciteit van het elektriciteitsnet daarom onvoldoende om alle nieuwe ontwikkelingen te faciliteren. Netbeheerders (zowel van het hoogspannings- als midden- en laagspanningsnet) investeren daarom in de uitbreiding van de netcapaciteit. Omdat dit een enorme opgave is, wordt gewerkt met wachtlijsten bij het aanvragen van een grootverbruikersaansluiting (aansluitingen zwaarder dan 3x80A). Hierdoor kan het jaren duren voordat duurzame projecten gerealiseerd kunnen worden. Binnenkort gaat ‘maatschappelijk geprioriteerd’ worden, wat betekent dat afhankelijk van de maatschappelijke waarde van een ontwikkeling voorrang gegeven kan worden. De gemeente Best kan zelf ook wat doen, zoals vraag en aanbod beter bij elkaar brengen. Dat kan bijvoorbeeld met smart grids en energy hubs, op geschikte locaties zoals bedrijventerreinen. Zonneveld Driehoekweg is al een goed voorbeeld van oplossingen die we zelf en op lokale schaal kunnen toepassen.
13
• Standaard hybride warmtepomp: vanaf 2026 wordt een hybride warmtepomp een minimale verplichting bij vervanging van de cv-ketel. Er zijn uitzonderingsgronden, zoals: woning wordt al verwarmd met een elektrische warmtepomp, woning is aangesloten op een (duurzaam) warmtenet, woning bevindt zich in een appartementencomplex, woning heeft een monumentenstatus of woning staat op de planning om in de toekomst aangesloten te worden op een warmtenet. Een uitzondering is ook mogelijk wanneer de vereiste investeringen buitenproportioneel hoog zijn (bijvoorbeeld gemeten aan de hand van terugverdientijd) of in strijd zijn met andere wet- en regelgeving – zoals geluidseisen. Uit een schatting blijkt dat voor het gros van de Nederlandse huishoudens de hybride warmtepomp niet verplicht wordt op basis van één van deze uitzonderingsgronden. Deze verplichting zorgt enerzijds voor een versnelling van de energietransitie, maar maakt het tegelijk lastig om als gemeente te sturen op de toekomstige warmtevoorziening. De gemeente is regisseur van de transitie om maatwerk op wijkniveau toe te kunnen passen en zou waar mogelijk moeten voorkomen dat woningen een hybride warmtepomp krijgen als dit niet de optimale oplossing is. In de praktijk zal dat moeilijk – zo niet onmogelijk – zijn.
Het is wel van belang dat hybride warmtepompen zoveel mogelijk als tijdelijke oplossing dienen. Deze systemen moeten op termijn duurzame waterstof of groengas gebruiken om aardgasvrij te worden. Het is nu en naar verwachting ook in de toekomst zo dat deze duurzame gassen maar beperkt beschikbaar zijn voor het verwarmen van woningen (zie ook de waterstofladder).
• Groeiende bewustwording: onder andere vanwege de oorlog in Oekraïne en de wisselvallige gasprijzen gaan veel mensen op een bewustere manier om met energie. Het is nog onduidelijk hoe blijvend dit effect is. Wel is het zo dat een combinatie van isolatiemaatregelen, energiebewustzijn en efficiëntere technologie ervoor zorgt dat elk jaar het gasverbruik verder afneemt. Het bewustzijn zorgt er daarnaast voor dat een steeds grotere groep de noodzaak begrijpt van de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. • Participatieve toekomstvisie: uit een recent advies van de wetenschappelijke klimaatraad (WKR) blijkt dat ons land behoefte heeft aan een toekomstbeeld dat in gezamenlijkheid met burgers wordt ingevuld. Dit gaat over een gezamenlijke visie van de samenleving in 2050 als startpunt van de keuzes die nu gemaakt moeten worden om naar dit toekomstbeeld toe te werken. Er is een belangrijke rol weggelegd voor gemeenten om hierover te participeren met inwoners, bijvoorbeeld in de context van de omgevingsvisie.
• Aanwijsbevoegdheid: zoals eerder benoemd krijgt de gemeente met ingang van de WGIW de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen die gasloos worden. Dit kan een versnellend effect hebben op de transitie en versterkt het daadkrachtig vermogen van de gemeente als regisseur van de warmtetransitie.
14
Potentie collectieve warmte
3
Potentie collectieve warmte In hoofdstuk twee werd beschreven welke grootschalige alternatieven voor aardgas gemeenten voorhanden hebben binnen de lokale warmtetransitie. Twee van de vijf alternatieven – warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron en warmtenet met lagetemperatuurbron – zijn vormen van collectieve warmte. Dit heeft te maken met de locatie waar warm water wordt opgewekt: individuele warmte maakt gebruik van een verwarmingstechniek in het huis (zoals een warmtepomp), collectieve warmte maakt gebruik van een verwarmingstechniek op een centrale locatie – waarna de collectief opgewekte warmte verspreid wordt via warmtenetleidingen.
16
In Best is er vooronderzoek gedaan naar de mogelijkheden van collectieve warmte. Er kan immers alleen een warmtenet worden aangelegd wanneer (1) er een geschikte bron is om het warmtenet van warm water te voorzien en (2) wanneer deze bron aansluit bij de behoeften van de gebouwen die beoogd zijn om aangesloten te worden – of andersom, wanneer de gebouwen zo aangepast kunnen worden dat ze geschikt zijn om aan te sluiten op de beoogde bron. Op beide punten zijn quickscans en/of vooronderzoeken uitgevoerd: onderzoek haalbaarheid aquathermie, studie naar de potentie van geothermie in de MRE en een quick-scan potentie en businesscase collectieve warmte aan pandzijde.
Onderzoek haalbaarheid aquathermie De gemeenten Best, Oirschot, Eindhoven, Laarbeek en Son en Breugel hebben gezamenlijk opdracht gegeven om de potentie van aquathermie (het winnen van warmte uit water) uit het Wilhelminakanaal in kaart te brengen. Het doel van het project was om niet alleen de bronpotentie in beeld te brengen, maar ook het effect van koudelozing te onderzoeken.
Uit het onderzoek blijkt het effect van koudelozing vrij groot te zijn. Dit betekent dat wanneer één gemeente gebruik maakt van aquathermie uit het kanaal, de volgende gemeente mogelijk geen gebruik meer kan maken van de bron. Dit heeft te maken met de temperatuur van het water, deze moet herstellen wanneer op een bepaald punt warmte uit het water wordt gewonnen en koud water wordt geloosd. Het herstelpunt hangt af van het aantal woningen (of preciezer: de totale warmtevraag) en is gelegen in Oirschot als Best maximaal van 1.500 m3/u of in Hilvarenbeek als Best maximaal van 4.800 m3/u gebruik maakt. Er is dus altijd afstemming met buurgemeenten nodig, bijvoorbeeld binnen de RSW, omdat aquathermie uit het Wilhelminakanaal hiermee een gemeentegrensoverstijgende bron betreft. Het onderzoek naar aquathermie heeft gekeken naar de geschiktheid om aan te sluiten op pandniveau. Hierbij wordt geconcludeerd dat Hoge Akker en het Centrum het meest geschikt zijn. Minder maar ook geschikt zijn Kantonnier, Wilhelminadorp, Naastenbest en Dijkstraten. Naast geschiktheid is van belang dat de bebouwing enigszins in de buurt van het kanaal ligt, daarmee bevestigt de conclusie uit dit onderzoek de eerder gemaakte keuzes in de Transitievisie Warmte en de Wijkpaspoorten om Naastenbest en Wilhelminadorp aan te wijzen als zoekbuurten (meer informatie hierover volgt in het volgende hoofdstuk).
17
Studie naar de potentie van geothermie in de MRE In 2020 is een studie uitgevoerd naar de potentie van aardwarmte in de Metropoolregio Eindhoven. Er is gekeken naar de geschiktheid van de bodem om deze voor aardwarmte te benutten. Uit de resultaten blijken diverse geschikte locaties, meest opvallend zijn de industrie ten westen van Son en glastuinbouw tussen Asten en Someren, en de bebouwde kernen van Eindhoven, Helmond en Best. De gecombineerde potentie van aardwarmte qua volume wordt op 3.500 terajoule (TJ) geschat voor de gehele regio. Ter vergelijking: de warmtevraag van de gemeente Best is op dit moment ruim 900 TJ per jaar. Uiteindelijk is het afhankelijk van de locatie en grootte van het warmtenet of Best gebruik kan maken van aardwarmte en welk deel van de potentie Best zou kunnen benutten. Platform SCAN onderzoekt in heel Nederland op verschillende locaties de bodem om de potentie van aardwarmte te bepalen. Een nieuw gepland onderzoek is onderzoekslijn 62, deze loopt ten oosten van Eindhoven van Geldrop richting Son en Breugel langs Nuenen. Het onderzoek beslaat gebied F, waar Best deels binnen valt (een deel van Wilhelminadorp en Het Zand en Batadorp). Op 23 mei 2023 is een informatieavond georganiseerd waar gemeente Best aanwezig was.
Al met al is het positief dat er ontwikkelingen zijn om de mogelijkheden van geothermie beter in kaart te brengen, maar is het gebruik van aardwarmte voor de warmtetransitie in Best nog uiterst onzeker. De belangrijkste afhankelijkheden en risico’s zijn als volgt: • Het is nog onbekend of er geschikte ondergrond is om gebruik te maken van geothermie voor een grootschalig warmtenet in Best. • Als vuistregel wordt gehanteerd dat een geothermieboring tenminste 4.000 WEQ (woningequivalenten – één WEQ is 27 gigajoule (GJ)) nodig heeft. Dit heeft te maken met de hoge investeringskosten voor een geothermieboring. Een warmtenet met geothermie als bron moet dus altijd een grootschalig warmtenet zijn. Als beide zoekbuurten – meer over de zoekbuurten in het volgende hoofdstuk – worden aangesloten, heeft Best ongeveer 5.850 WEQ. Dat lijkt dus voldoende te zijn. • Hoe dichter de bronlocatie bij de bebouwing ligt, hoe beter de businesscase sluit. Het is nog onbekend of er een geschikte boorlocatie in Best is, nabij de aan te sluiten bebouwing.
• De kosten die gepaard gaan met ontwikkeling, aanleg, onderhoud en exploitatie van een warmtenet zijn enorm. Voor de ontwikkeling ervan is samenwerking met vele stakeholders van belang, zoals omliggende gemeenten, de RES-regio, woningcorporaties, de netbeheerder, investeerders, EBN en de provincie. • De businesscase van een (grootschalig) warmtenet kan alleen sluitend worden gemaakt, wanneer er voldoende afname is of gerealiseerd kan worden. Dat wil zeggen dat het van belang is dat woningcorporaties, gemeentelijke gebouwen en andere grote energievragers (zoals zwembaden, sauna’s, winkelcentra, et cetera) aansluiten op het warmtenet alsook een ruime meerderheid (zeker 70-80%) van de eigenaar-bewoners in het aan te sluiten gebied. Met het oog op de verplichting om vanaf 2026 een defecte cv-ketel te vervangen door tenminste een hybride warmtepomp wordt het moeilijker om in de toekomst voldoende afname te realiseren. • De ontwikkeling en aanleg van een grootschalig warmtenet met geothermie kost nog zeker 10 tot 15 jaar. Er zijn veel stappen te zetten en obstakels te overwinnen. • Er is bestuurlijk commitment nodig om als gemeente het initiatief te nemen om een warmtenet te ontwikkelen. Het traject vraagt om integrale samenwerking binnen de gemeentelijke organisatie, veel capaciteit en budget en solide regie van de gemeente. Samenwerking in de regio is cruciaal. 18
Quick-scan potentie en businesscase collectieve warmte aan pandzijde Om inzichtelijk te maken of er aan pandzijde potentie is voor een positieve businesscase om een warmtenet te ontwikkelen in Best heeft de gemeente een quick-scan laten uitvoeren. Deze kijkt naar de toekomstige warmtevraag, het potentiële warmtevolume dat warmtebronnen kunnen leveren en onderzoekt het mogelijk tracé waarmee een warmtenet door de gemeente kan lopen. In de gehele provincie Noord-Brabant gelden beperkingen voor bodemenergie in verband met de bescherming van de drinkwatervoorziening. Dit is van invloed op de potentie van zowel warmtenetten als warmtepompen die gebruik maken van de bodem als bron. Hoe dieper de kleilaag zit, hoe groter de potentie om wel van deze systemen gebruik te kunnen maken.
Warmtevraag
De toekomstige warmtevraag is berekend aan de hand van de huidige warmtevraag en de te verwachten ontwikkelingen in de komende decennia die invloed hebben op de ontwikkeling van deze warmtevraag. De verwachte warmtevraag van de zoekbuurten Naastenbest en Wilhelminadorp in 2030 is 158 TJ per jaar (nu 164 TJ). Voor de zoekbuurten inclusief aangrenzende dichtbebouwde wijken, namelijk Centrum, Hoge Akker, Leeuwerik en Kantonnier, gaat het om een warmtevraag van 293 TJ in 2030 (nu 303 TJ). Het lagere getal reflecteert de verwachte extra isolatie van gebouwen, de toename van energiebewustzijn en de betere energie-efficiëntie van nieuwe technieken, maar houdt daarnaast rekening met de voorziene bevolkingsgroei in de regio. Bronpotentie Hier staat tegenover dat aan bronzijde lastiger te voorspellen is hoeveel volume warmte beschikbaar is. Voor geothermie gaan we op basis van openbare data uit van 161 TJ (dit is een onzekere inschatting, de verwachting is dat de potentie in de praktijk groter zal zijn – het proefboringstraject van EBN loopt) en voor aquathermie (TEO in nabijheid van zoekbuurten) van 134 tot 214 TJ. In theorie is hiermee voldoende warmte beschikbaar voor een grootschalig warmtenet in de kern Best, maar zoals eerder beschreven is de haalbaarheid van zowel aquathermie als geothermie nog onzeker.
Tracé
Vervolgens is een warmtedichtheidsanalyse uitgevoerd. Deze kijkt naar de geconcentreerde warmtevraag in verschillende delen van Best. Als referentiepunt wordt één pand genomen. De analyse kijkt vervolgens vanuit dat pand hoe groot de warmtevraag in een bepaalde straal om het gebouw heen is. Hoe groter de bebouwingsdichtheid, hoe groter ook de geconcentreerde warmtevraag is, en dat maakt een warmtenet aanleggen relatief rendabeler. De uitkomst van de analyse is te zien op de kaart in figuur 3.1. Hierop licht met name het centrumgebied op inclusief enkele omliggende buurten – zoals ook bleek uit de conclusies van het aquathermierapport. Daarnaast is een redelijk deel van de zoekbuurten Naastenbest en Wilhelminadorp ingekleurd. Vanwege de locaties van de potentiële bronnen geothermie en aquathermie is het dan ook zinvol om een eventueel grootschalig warmtenet te starten in Wilhelminadorp. Hier komen vraag en aanbod van warmte het meest samen.
19
In provinciaal verband wordt de mogelijkheid verkend om een publiek warmtebedrijf op te richten. Hiertoe zijn dialogen gevoerd met belangrijke betrokken partijen, zoals gemeenten, warmtebedrijven, netwerkbedrijven, wetenschappers en investeerders. Het rapport adviseert de provincie om de optie verder te onderzoeken in samenwerking met Enexis en EBN. Gasunie is eventueel bereid te investeren in een open warmtenet met risicodekking vanuit de overheid. In vergelijkbare hoedanigheid is Gasunie elders in het land betrokken. Parellel lopen in ’s-Hertogenbosch en Eindhoven onderzoeken naar een gemeentelijk warmtebedrijf. Het is nog onbekend hoe de ontwikkelingen zich straks tot elkaar zullen verhouden, maar de ontwikkeling is in lijn met de geest van de nieuwe wetgeving in de vorm van de WCW. Voor Best als middelgrote gemeente is het interessant om aan te haken op de ontwikkelingen zodra de tijd rijp is en de kans zich aandient.
Warmtesysteem
In de praktijk heeft een warmtenet doorgaans niet één maar meerdere bronnen nodig. Dat heeft te maken met het gebruik van warmte door het jaar heen. Zoals te zien in de grafiek in figuur 3.2 is de warmtevraag in de zomer zeer laag. Er worden dan geen ruimtes verwarmd en de enige warmtevraag die resteert is voor warm tapwater. Deze warmtevraag wordt de basislast genoemd. In het voor- en najaar stijgt de warmtevraag weer, omdat er behoefte aan ruimteverwarming ontstaat. Deze warmtevraag wordt de middenlast genoemd. In de winter is aanvullend extra behoefte aan verwarming op (zeer) koude dagen. Deze warmtevraag wordt pieklast genoemd. Zie figuur 3.2 voor een visuele weergave. Omdat voor het invullen van de pieklast weinig volume maar veel vermogen benodigd is terwijl de basislast om veel volume maar weinig vermogen vraagt, zijn vaak niet dezelfde warmtebronnen geschikt voor het invullen van de basis- en pieklast. Eerder zijn aquathermie en geothermie als warmtebronnen besproken: voor beide bronnen geldt dat ze geschikt zijn voor het invullen van de basis- en middenlast, maar niet voor het invullen van de pieklast. Dat vraagt om te veel overdimensioneren van de installaties, terwijl hier weinig gebruik van wordt gemaakt (weinig volume).
Figuur 3.1: warmtedichtheidsanalyse Best. Gebruikte referentiestraal van 400 meter op pandniveau. Waar woningen (donkerder) inkleuren is er meer potentie voor een (grootschalig) warmtenet. 20
In de praktijk is daarom een extra bron benodigd voor het dekken van de pieklast, dat wordt achtervang genoemd. Dit dient een flexibele bron met veel vermogen te zijn. Er moeten snel hoge temperaturen gehaald kunnen worden, tegen geringe operationele kosten wanneer er geen pieklast is. Duurzame bronnen die aan een dergelijke opgave invulling kunnen geven zijn: lokale biomassa, groengas en duurzaam geproduceerde waterstof. Een niet-duurzame maar eenvoudig toepasbare alternatieve optie is aardgas. Doorgaans komt dit in de businesscase neer op circa 2% van het totale energieverbruik van het systeem. Zie tabellen b3.1 en b3.2 in bijlage 3 voor meer informatie over de verdeling van basis- en pieklast.
De analyse is uitgevoerd voor twee schaalniveaus: zoekbuurten en zoekbuurten +. De zoekbuurten zijn de eerder overeengekomen locaties waar het eerst naar aardgasvrij wordt gekeken. Omdat dit niet per se de buurten zijn die vanuit pandperspectief het meest geschikt zijn voor collectieve warmte, is daarnaast ook gekeken naar het schaalniveau zoekbuurten +. Daarbij gaat het om dezelfde zoekbuurten, maar dan aangevuld met Centrum, Hoge Akker, Leeuwerik en Kantonnier.
Businesscase Hoewel de beschikbaarheid van warmtebronnen voor een grootschalig warmtenet en de haalbaarheid ervan nog niet zijn doorgerekend, is er wel enig inzicht in de businesscase van een grootschalig warmtenet in Best. Op basis van de potentiële warmtebronnen zijn diverse scenario’s doorgerekend, zie tabel b3.3 in bijlage 3.
21
Figuur 3.2: schatting van de distributie van de warmtevraag in Best door het jaar heen. Op de x-as: tijd (van links naar rechts: januari t/m december). Op de y-as: benodigd vermogen van het collectieve warmtesysteem. De grafiek illustreert dat het grootste deel van het jaar alleen basis- of middenlast benodigd is; ongeveer 30% tot 45% van het benodigde piekvermogen. De pieklast vraagt het meest vermogen van het warmtesysteem, maar wordt maar weinig gebruikt (ongeveer 2,5% van het jaar).
In deze fase is lastig aan te geven hoe dit kostenplaatje zich verhoudt tot het scenario waarin alle inwoners overgaan op een individuele warmtepomp. Ook in dat geval zijn er namelijk deels collectieve kosten: • Kosten voor het ontwikkelen van de bron (extra duurzame opwek van elektriciteit middels zonneweides of windturbines); • Kosten voor het versterken van de infrastructuur (versterken elektriciteitsnetten) – dit gebeurt deels sowieso al, maar warmtepompen brengen weer een nieuwe elektriciteitsvraag met zich mee; • Kosten voor het individuele systeem per woning. Een groot verschil is in elk geval de verdeling van de kosten. Wanneer inwoners op individuele warmtepompen overgaan, betaalt de inwoner de gebouwgebonden kosten. De kosten voor extra duurzame opwek van energie worden vaak nog over het hoofd gezien. En de kosten voor het versterken van elektriciteitsnetten komen bij Enexis terecht. Bij een warmtenet is de situatie anders. De infrastructuur moet nieuw worden aangelegd, de bron moet ontwikkeld worden en per gebouw moet een aansluiting gerealiseerd worden. Daarom worden alle kosten vaak gedragen door een warmtebedrijf, waar de gemeente zelf al dan geen onderdeel van uitmaakt. Ook worden er in korte tijd grote investeringen gedaan, waar dit bij individuele oplossingen vaak meer verspreid wordt in de tijd. 22
Opties voor vervolg
Een warmtenet vraagt om commitment van de gemeente, samenwerking tussen diverse partijen, een goede propositie richting afnemers en bronnen die het warmtenet van duurzame warmte kunnen voorzien. Deze vier aspecten hangen met elkaar samen, maar er zijn nog veel onzekerheden en afhankelijkheden. Dat geeft een aantal opties: 1. Een principekeuze vóór een grootschalig warmtenet nemen en de uiteindelijke haalbaarheid van geothermie afwachten; 2. Met een kleinschalig warmtenet starten om leerervaring op te doen en om dit uiteindelijk op te schalen middels een groeistrategie tot een grootschalig warmtenet, waarbij als bron gekozen wordt voor aquathermie of een centrale warmtepomp; 3. Het besluit nemen om (voorlopig) af te zien van een warmtenet en in plaats daarvan te faciliteren bij het nemen van gebouwgebonden maatregelen voor het verduurzamen van de warmtevoorziening.
Lokaal beleid en visie
4
Lokaal beleid, visie en keuzes Het warmtebeleid van de gemeente Best is verankerd in en hangt samen met andere beleidsstukken. Het gaat om overkoepelend beleid en visies zoals het beleidsakkoord 20222026, de omgevingsvisie en het programma duurzaamheid.
Beleidsakkoord 2022-2026 In het beleidsakkoord is opgenomen dat de gemeente Best in 2050 alleen nog duurzame bronnen gebruikt. Dat betekent dat de gebouwde omgeving dan aardgasvrij zal zijn. Daarbij wordt benoemd dat besparing een belangrijke eerste stap is en dat inwoners met een kleine beurs extra ondersteuning verdienen. Verder dienen woningeigenaren te worden gestimuleerd om de woning te isoleren. Over de verduurzaming van huurwoningen maakt de gemeente afspraken met de woningcorporaties. De eerder benoemde regisseursrolkeuze komt goed terug in het beleidsakkoord: We staan open voor nieuwe ontwikkelingen, maar we stellen ons voornamelijk op als slimme volger door bewezen innovatie toe te passen zonder het wiel zelf uit te vinden.
24
Omgevingsvisie Best (mei 2023)
Programma duurzaamheid
De omgevingsvisie verwijst nog naar het voorgaand beleid, de Transitievisie Warmte 1.0. Het benoemt wel een aantal uitgangspunten die nog steeds relevant zijn. Er wordt bijvoorbeeld beschreven dat we inzetten op een stabiele en betrouwbare energievoorziening, waarin opslag van energie (zomer-winteropslag) een belangrijke rol speelt. Afhankelijk van de bron speelt dit meer of minder mee, bij gebruik van aquathermie is het bijvoorbeeld zo dat standaard met WKO (warmte-koude-opslag) gewerkt wordt om warmte op te slaan.
Het programma duurzaamheid is een separaat programma onder de omgevingsvisie. Het gaat uit van drie pijlers: energiebesparing, duurzame warmte en duurzame elektriciteit. Dit warmteprogramma is een uitwerking van de tweede pijler van het programma duurzaamheid, duurzame warmte.
De afspraak om in 2030 minstens 20% minder aardgas te gebruiken staat nog steeds. De afname over de laatste vijf jaar is ongeveer 15%, zie het programma duurzaamheid voor de onderbouwing en meer detailinformatie. Regionale Structuur Warmte 1.0 – Metropoolregio Eindhoven Gemeente-overstijgende bronnen zijn schaars in onze regio. In regionaal verband worden mogelijkheden en nieuwe technieken onderzocht. De RSW zet zich daarnaast in voor een gezamenlijk kennis- en leerprogramma in de regio.
Het programma duurzaamheid dient als overkoepelend duurzaamheidsbeleidsstuk en brengt de verschillende onderdelen van lokale duurzaamheid samen. Het biedt bovendien overzicht in alle projecten die de gemeente opstart en kan zorgen voor integraliteit. Beide programma’s (warmte en duurzaamheid) zijn samengesteld met borging van onderlinge samenhang en als onderdeel van hetzelfde framework.
Transitievisie Warmte 2021 & wijkpaspoorten Door de nationale overheid zijn gemeenten aangewezen als de partijen die verantwoordelijk zijn voor de regie op de lokale warmtetransitie, zoals al beschreven in het eerste hoofdstuk. Ook in Best geldt dat de gemeente aan zet is. Zodoende is in 2021 de eerste versie van de Transitievisie Warmte opgesteld en vastgesteld. Hier heeft de gemeente Best de verschillende buurten opgedeeld in vier categorieën: zoekbuurten, bespaarbuurten, eigen-temporbuurten en lange-termijnbuurten. Aanvullend waren er de categorieën bedrijventerreinen en (deels) verduurzaamde buurten. De buurtindeling is gebaseerd op technische en sociale mogelijkheden. De karakteristieken van buurten per categorie zijn als volgt: • Zoekbuurten: kleine warmtevraag, warmtebron beschikbaar, draagvlak aanwezig & sociale structuren aanwezig; • Bespaarbuurten: grote warmtevraag, draagvlak aanwezig & sociale structuren aanwezig; • Eigen-tempobuurten: grote warmtevraag, geen warmtebron beschikbaar, weinig draagvlak aanwezig & weinig sociale structuren aanwezig;
25
• Lange-termijnbuurten: kleine warmtevraag, warmtebron beschikbaar, weinig draagvlak aanwezig & weinig sociale structuren aanwezig. Wijkpaspoorten In 2023 heeft gemeente Best de ‘wijkpaspoorten’ vastgesteld, waar een technische analyse aan ten grondslag heeft gelegen. Uit de wijkpaspoorten is gebleken dat twee buurten een andere indeling krijgen toegewezen: 1. Wilhelminadorp wordt een zoekbuurt in plaats van bespaarbuurt, dit heeft te maken met het type bebouwing in de buurt maar ook met ontwikkelingen op het gebied van lokale collectieve warmtebronnen; 2. Schutboom wordt een eigen-tempobuurt in plaats van bespaarbuurt, dit heeft te maken met het type bebouwing in de buurt dat geschikt is om zonder al te veel isolatiestappen zelf de overstap te maken naar een individuele warmtepomp.
Daarmee ziet de uiteindelijke indeling van buurten in de zes categorieën er als volgt uit: • Zoekbuurten: deel Heivelden, Wilhelminadorp-Midden & NaastenbestMidden; • Bespaarbuurten: Hoge Akker, de Leeuwerik, Batadorp-Noord & Oirschotseweg en omgeving;
• Eigen-tempobuurten: Schutboom, Villawijk, Heivelden (m.u.v. deel zoekbuurt), Heuveleind, Heikant-Heivelden, Steegsche Velden & Speelheide-Oost; • Lange-termijnbuurten: Salderes, Oud-Best, Centrum, Speelheide-West, Kantonnier & Batadorp-Zuid; • Reeds (deels) verduurzaamd: Aarlesche Erven, Dijkstraten & deel Steegsche Velden; • Bedrijventerreinen: Heide, Breeven & ’t Zand. Deze indeling blijft in dit Warmteprogramma gehandhaafd; zie ook figuur 4.1.
Ook ondernemers en bedrijven dienen de overstap te maken naar aardgasvrije verwarming. Deze doelgroep is erg divers: het scheelt of er alleen een kantoorpand verwarmd hoeft te worden, of dat er warmte op hoge temperaturen benodigd is voor industriële processen. Over het algemeen geldt: bedrijfspanden volgen het beleid dat voor de wijk in kwestie geldt. Op het moment dat er maatwerk nodig is en het bedrijf behoefte heeft aan ondersteuning vanuit de gemeente, gaan we samen in gesprek.
Figuur 4.1: categorisering per wijk. Deze indeling werd gemaakt bij de Transitievisie Warmte (2022) en gewijzigd bij de Wijkpaspoorten (2023). 26
Figuur 4.2: de technische pandanalyse, uitgevoerd bij de Wijkpaspoorten (2023).
De kern van het beleid was om een cluster buurten te selecteren waar de gemeente de eerste stappen richting aardgasvrij zou zetten. Deze buurten worden de ‘zoekbuurten’ genoemd. Voor de andere buurten geldt dat er voorbereidende stappen nodig zijn (bespaarbuurten), dat ze later aan de beurt zijn (lange-termijnbuurten) of dat ze geen tot weinig ondersteuning van de gemeente nodig hebben (eigen-tempobuurten). De doelstelling voor 2030 was – en blijft – om tenminste 20% minder aardgas te gebruiken.
Voortgang
In de Transitievisie Warmte werd nog geen techniekkeuze gemaakt voor de zoekbuurten, al wordt voor een groot deel van de gemeente inclusief zoekbuurten wel aangegeven dat de bebouwing geschikt is voor een collectief systeem. Het verder onderzoeken van de haalbaarheid om zoekbuurten op korte termijn aardgasvrij te maken, werd voorgesteld als vervolgactie.
(3) De gemeente is in 2023 gestart met een inventarisatie voor het verduurzamen van het eigen vastgoed. Daar zijn duurzaamheidsscans van de gebouwen voor uitgevoerd. Hierna zijn tien panden geselecteerd waarvan routekaarten zijn gemaakt. Op dit moment worden prioriteiten gesteld aangaande de volgorde waarin uitgevoerd zal gaan worden (dit naast de renovaties die al gaande zijn).
Daarnaast zijn zes andere vervolgstappen benoemd:
(4) Zoals eerder in dit Warmteprogramma beschreven, zijn de onderzoeken naar technieken en bronnen van aardgasvrije warmte doorgezet. Er is nu bijvoorbeeld meer inzicht over aquathermie en geothermie in de gemeente beschikbaar, ook over de beperkingen van het elektriciteitsnet (voor individuele warmtepompen en de opwek van energie om ze te voeden) is inmiddels meer duidelijkheid. Deze kennis stelt ons als gemeente in staat om in dit Warmteprogramma scherpere keuzes te maken.
1. Besparingsprogramma 2022 maken;
2. Stimuleringsprogramma 2022 maken; 3. Gemeentelijk vastgoed verduurzamen; 4. Technieken en bronnen onderzoeken; 5. Communiceren en participeren met inwoners en andere stakeholders; 6. Transitievisie Warmte actualiseren (inmiddels vervangen door Warmteprogramma opstellen).
27
Zie tabel 4.1 voor een opsomming (1, 2) Voor het besparingsprogramma en stimuleringsprogramma geldt dat er geen specifieke programma’s opgezet zijn die deze namen dragen. Er is namelijk voor gekozen om direct aan de slag te gaan met projecten voor het besparen van energie en het stimuleren van aardgasvrijoplossingen. Zo zijn er inkoopacties georganiseerd voor zonnepanelen, warmtepompen, isolatie en glas.
(5) Communicatie en participatie is van groot belang gebleven in de voorgaande periode. Zo zijn bij elke stap inwoners geïnformeerd, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de wijkpaspoorten. In het proces om te komen tot dit Warmteprogramma zijn inwoners geraadpleegd via een enquête en in gesprek op straat, een aantal professionele stakeholders zijn tijdens één-op-één-gesprekken geraadpleegd. Belangrijke feedback van inwoners van de zoekbuurten was wel dat men behoefte had aan extra informatie, sinds het vaststellen van de Transitievisie Warmte had men geen nieuwe informatie meer ontvangen over de vervolgstappen in de zoekbuurten.
Rolkeuze gemeente Best
Hoewel de gemeente de regisseur van de warmtetransitie is, kan de gemeente die rol op verschillende manieren invullen. Het ECW onderscheidt vier rollen, zoals benoemd in hoofdstuk 2: procesregisseur, integrale regisseur, sturende regisseur en afwachtende regisseur. In de praktijk zal de gemeente uitkomen op een combinatie van rollen, met name de proces- en integrale regisseur. Het volgt daarmee de algemene uitgangspunten van de gemeente: 1. Ontwikkelingen binnen het duurzaamheidsdomein zijn dynamisch. Dit betekent dat we een ingeslagen weg vlot moeten kunnen aanpassen. Oftewel, het doel is bekend, maar de weg er naartoe kan en zal zeker wijzigen. Door regelmatig te evalueren sturen we bij. Zo zullen we ook dit Warmteprogramma herijken in 2027; 2. We zijn als gemeente slimme volger op technologiegebied. Best ligt in de Brainportregio. Werkt een nieuwe technologie goed? Dan maakt Best daar graag gebruik van; 3. De schaalgrootte van Best is zodanig dat samenwerking in de regio noodzakelijk is. Dit leidt ertoe dat we actief participeren in regio-overleggen; 4. We kunnen het niet alleen en zijn een onderdeel van het ‘netwerk Bestse gemeenschap’. We werken dus intensief samen met o.a. Best Duurzaam, Best Energie, Best Voedsel en de LEV-groep. 28
Vervolgstap TVW
Projecten 2021 t/m heden
Besparingsprogramma 2022 maken
Collectieve inkoopacties (glas, 2x warmtepomp, 2x zonnepanelen), voorbereiding Groene Zone Isoleren
Stimuleringsprogramma 2022 maken
Collectieve inkoopacties (glas, 2x warmtepomp, 2x zonnepanelen, isolatie)
Gemeentelijk vastgoed verduurzamen
Duurzaamheidsscans uitgevoerd, subsidies aangevraagd, ambities vastgelegd
…
Technieken en bronnen onderzoeken
Onderzoek geothermie opgestart, … onderzoeksrapport aquathermie opgeleverd
Communiceren en participeren met inwoners en andere stakeholders
Participatie bij het Warmteprogramma, bij het Programma Duurzaamheid, bij losse acties en projecten en overige momenten (zoals de duurzaamheidsnieuwsbrief en avondjes duurzaam met Best Duurzaam)
Transitievisie Warmte actualiseren
Warmteprogramma
Tabel 4.1: Projecten per vervolgstap uit de Transitievisie Warmte (2021). Vanwege het eerder genoemde extra budget dat vrijkomt voor gemeenten om te spenderen aan de uitvoering van klimaatbeleid, heeft de gemeente meer ruimte om nieuwe medewerkers aan te nemen en externe expertise in te huren. Dat biedt mogelijkheden om te versnellen en om werk te gaan maken van wijkuitvoeringsplannen voor de zoekbuurten en energiebesparing in de bespaarbuurten.
Afwegingen ontwikkelen eigen warmtenet
Het ontwikkelen van een eigen warmtenet is geen eenvoudige opgave voor een middelgrote of kleine gemeente, maar een grote rol voor de gemeente is onoverkomelijk met het oog op de Wet Collectieve Warmtevoorziening. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 zijn er (tenminste) drie mogelijke routes die de gemeente kan nemen: 1. Een principekeuze vóór een grootschalig warmtenet nemen en de uiteindelijke haalbaarheid van geothermie afwachten; 2. Met een kleinschalig warmtenet starten om leerervaring op te doen en om dit uiteindelijk op te schalen middels een groeistrategie tot een grootschalig warmtenet, waarbij we als bron kiezen voor aquathermie of een centrale warmtepomp; 3. Het besluit nemen om (voorlopig) af te zien van een warmtenet en in plaats daarvan te faciliteren bij het nemen van gebouwgebonden maatregelen voor het verduurzamen van de warmtevoorziening. Het meest verstandig is om te kiezen voor optie 2 om een aantal redenen: • Verschillende analyses hebben uitgewezen dat collectieve warmte voor een deel van de gebouwen een betere verwarmingsoptie is dan individuele warmtepompen. Daarmee draagt het bij aan het bereiken van de meest rechtvaardige verdeling van beschikbare warmtebronnen.
29
• Kleinschalige collectieve warmte is haalbaar en uitvoerbaar voor een gemeente van onze omvang en minder ingewikkeld en met minder externe afhankelijkheden dan een grootschalig warmtenet.
• Door collectieve warmte aan te bieden kan de gemeente inwoners beter ontzorgen en houdt de gemeente meer grip op de voortgang van de transitie dan wanneer alle gebouwen zijn aangewezen op een individuele oplossing. • De gemeente doet ervaring op met collectieve warmte en met het samenwerken met stakeholders om een duurzaam warmteproject te realiseren. Door de leercurve is de gemeente in de toekomst beter geëquipeerd om nieuwe, eventueel grootschalige, projecten te realiseren. • Optie 2 past het beste bij de rolkeuze van Best zoals beschreven op de vorige pagina.