24048.29 - Bijlage 14 bij Toelichting - Landschapsplan met mitigerende maatregelen voor de steenuil
Tekst van het document
is aangegeven. •
39
Onderstaand assortiment toepassen:
Mosselaarweg 10: 317 stuks De struweelranden worden afgewisseld met knotwilgen. Per 50m staat er 6m struweel en 4 knotwilgen. Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element
Mosselaarweg 10: 45 stuks
Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen. Het volgende assortiment toepassen:
Mosselaarweg 16: 67 stuks -
20%
Acer campestre (Veldesdoorn)
-
20%
Salix purpurea (Bittere wilg)
De knotbomen worden afgewisseld met een struweelrand.
-
20%
Rhamnus frangula (Vuilboom)
Per 50m staat er 6m struweel en 4 knotwilgen.
-
20%
Prunus spinosa (Sleedoorn)
-
20%
Prunus padus (Vogelkers)
Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element •
•
Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter in kruisverband, 2 rijen.
Voor de wilgen (Salix alba) kan een 3-jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter gebruikt worden;
Beheervoorschriften •
Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de
Beheervoorschriften
periode tussen 1 november en 15 maart; takken
•
Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode
die over aangrenzende percelen hangen mogen
tussen 1 november en 15 maart;
het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Van Beerendonk is aangegeven. Bomenrij B is een bomenrij van inheemse Populieren, zoals bij Vermeer
Mosselaarweg 16: 238 stuks
•
Boom planten in ruim plantvak en goed verankeren. Bomen in rij minimaal 8m uit elkaar planten.
STRUWEELRAND (ICM KNOTWILGEN)
KNOTBOMEN (ICM STRUWEEL)
Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element •
Het element mag niet worden beschadigd door
dienen afgezet te worden). Het beheer wordt 1 keer in
worden behouden. •
•
•
De stam van een knotboom wordt minimaal op
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element
een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet
verwerkt worden voor zover het de stoven die
(geknot);
opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als
Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond
snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
mag niet leiden tot schade aan het element. •
Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond
mag niet leiden tot schade aan het element. •
Er wordt ingezaaid met niet ontsmet zaaizaad.
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet
•
verwerkt worden in het element.
wordt een rustperiode van 1 oktober tot 30 juli) .In
BOTANISCHE HOOILANDRAND
de rustperiode vinden in de beheereenheid geen
Mosselaarweg 16: 112 are •
Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element
•
Rand inzaaien met blijvend botanisch weidemengsel
of eind augustus - begin september.
element.
NATUURVRIENDELIJKE OEVER Mosselaarweg 16: 120x3m
bewerkingen plaats.
Mosselaarweg 10: 31 are
voorkeur een bijenmengsel. Zaaien in de tweede helft april
Maaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
15 mei tot 1 maart van het daarop volgende jaar. (Indien het mengsel in het najaar wordt gezaaid,
met inheemse soorten voor voedselrijke zandgrond. Bij
•
Er wordt een rustperiode in acht genomen van
De rand wordt niet gebruikt als pad.
POEL
Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element •
Een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm, plasberm of een flauw talud
•
De bodem van de oever ligt boven de GHG
Mosselaarweg 16: 1 st - 500m2
(gemiddeld hoogste grondwaterpeil).
Mosselaarweg10: 1st -150m2 Beheervoorschriften
Beheervoorschriften
•
Het mengsel wordt niet bemest of bespoten.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element
•
Het mengsel wordt gemaaid na 1 juli en het maaisel
•
wordt binnen 14 dagen afgevoerd;
In overleg met het Waterschap wordt de juiste diepte
•
Het mengsel wordt niet beweid;
bepaalt.
•
Wandelpad vrijhouden van overhangend gras;
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
•
Diepte van de poel is maximaal 1,7m onder maaiveld.
•
minimaal éénmaal per 2 jaar en maximaal éénmaal per jaar gemaaid. Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart
Talud minimaal 1:3 bij voorkeur 1:8. Noordzijde (=zonzijde) het meest flauwe talud)
•
De beheereenheid wordt in een cyclus van
en worden gefaseerd uitgevoerd. •
Zorg voor toegankelijkheid kraan voor beheer.
Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit struweel. Teveel aan struweel wordt verwijderd.
WINTERVOEDSELRAND OP BOUWLAND Mosselaarweg 16: 24,6 are Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element Rand inzaaien met wintervoedselrandmengsel voor voedselrijke zandgrond. Zaaien in de tweede helft april of eind augustus - begin september. Beheervoorschriften •
40
De rand wordt jaarlijks tussen 16 maart en 30 april ingezaaid met in het zaadmengsel en zaaidichtheid.
Beheervoorschriften •
Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water.
•
Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond/ gebaggerd.
•
Maximaal 20% van de oeverlengte bestaat uit opslag van bomen of struiken. Het teveel aan opslag wordt verwijderd.
•
Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden.
•
De beheereenheid wordt niet beweid.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.
CONCLUSIE
6 CONCLUSIE Het doel van de rapportage is een landschapsplan met mitigerende maatregelen voor twee steenuilkoppels, die hun huidige territoria binnen of nabij de bouwontwikkeling Aarlesche Erven hebben liggen. Het landschapsplan biedt voldoende mitigerende maatregelen om de steenuilen te verplaatsen, mits de erven aangepast worden met de elementen die voorgesteld zijn in paragraaf 5.3 en 5.4. De omgeving binnen het plangebied is zo aangepast, zodat er meer geschikte ruimte komt voor de prooidieren van de steenuil, wat voornamelijk bestaat uit veldmuizen, kleine vogels, reptielen en amfibieën, nachtvlinder, kevers en regenwormen. Om dit te bereiken zijn de volgende elementen
Naast het bieden van voldoende voedselaanbod is
bomen dat zij de eerste jaren te klein zullen zijn om te
aangebracht of blijven behouden:
ook gekeken naar het creëren van schuil-, uitkijk- en
dienen als plek voor de steenuil.
•
Om de afwisseling van het kleinschalig landschap
rustplekken. Dit is bereikt door de aanleg van:
te vergroten (intensief/extensief - kort/ruig)
•
Een dubbele bomenrij in het midden van het
Oplossingen om dit te voorkomen liggen niet gelijk voor
plangebied.
handen. Men kan denken aan het planten van grotere
Aanleg van nieuwe verspreidstaande knotwilgen
soorten. Dit geeft echter ook weer een groter risico
Om te waarborgen dat in de winter het
en - essen. Bij voorkeur niet in de rij, aangezien
in het aanslaan van de beplanting en de bijkomende
voedselaanbod groot genoeg blijft is een
dit te verdichtend zou werken.
kosten.
worden naast de bestaande weilanden/akkers botanische bijenranden aangelegd. •
wintervoedselrand aangelegd. In deze rand
•
•
zullen diverse knaagdieren en insecten zich schuilhouden. •
•
Behoud van sloten en laagtes met ruige bermen voor het aantrekken van insecten, reptielen en vogels.
•
42
•
Aanleg van enkele landschapsbomen op strategische plekken.
Naast de specifieke inrichting voor dit plangebied is het
Gebruik maken van bestaande
vanuit een groter perspectief raadzaam als gemeente
landschapsbomen in de naaste omgeving
om grondbezitters in het buitengebied te motiveren
(Broekstraat en nabij hoogspanningsmast).
tot het aanleggen van diverse landschapselementen.
Afrastering met houten palen.
Een voorbeeld is hierbij de STILA regeling (Stimule-
Het open en transparant houden van het
ringsregeling Landschap) en Subsidie Natuur. Indien
landschap om te kunnen foerageren.
meerdere initiatiefnemers in de naaste omgeving Het voorstel is in samenspraak met IVN ontwikkeld. De
randen aanleggen ten gunste van de steenuil kan dit
aan te leggen en onderhouden landschapselementen
het mitigatieproces voor de overige steenuilkoppels
zouden voldoende moeten zijn voor twee steenuilkop-
aan de westzijde van de Aarlesche Erven vergemak-
pelleefgebieden. Echter geldt voor de aan te planten
kelijken.
BIJLAGE I -
43
ONDERZOEK STEENUILEN
Nader onderzoek steenuil Wet natuurbescherming
Aarlesche Erven
Gemeente Best
Datum: 6 mei 2019 Projectnummer: 140129
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging
3 3 7
2
Wettelijk kader
9
2.1 2.2 2.3
Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing
9 10 10
3
Ecologie van de steenuil
12
4
Onderzoekmethodiek
13
5
Resultaten
16
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Territoriumonderzoek Sporenonderzoek Informatie van IVN Aanwezigheid essentiële elementen Overige beschermde soorten
16 18 19 20 23
6
Conclusie en advies
25
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen voor de steenuil Mitigerende maatregelen steenuil Zorgplicht Broedperiode vogels Vervolgstappen
25 25 25 28 28 28
Geraadpleegde literatuur
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De gemeente Best wil in buurtschap Aarle een woonwijk realiseren. Deze nieuwe wijk zal Aarlesche Erven gaan heten. Het plangebied is circa 53 hectare groot en bestaat in de huidige situatie uit agrarisch gebied. In de toekomst biedt het ruimte aan 880 woningen, een brede school en veel openbaar groen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Uit een voorstudie en uit overleg met de gemeente Best bleek nader onderzoek naar steenuilen noodzakelijk te zijn, aangezien aanwezigheid van deze vogelsoort op voorhand niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soort uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van de steenuil en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soort zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in agrarisch gebied in het buurtschap Aarle (gemeente Best, provincie Noord-Brabant). Aarle ligt ten noordwesten van Best en bestaat uit enkele straten met boerderijen. Verder bestaat het voornamelijk uit weilanden en akkers. Best ligt ten noordwesten van Eindhoven en ligt aan de zuid-, oost- en noordzijde ingeklemd tussen de snelwegen A58, A50 en A2. Ten zuidwesten en noordoosten van Best liggen bossen. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van boerderijen, weilanden en akkers, met relatief veel boomkwekerijen. Vanwege deze afwisseling is het agrarisch gebied enigszins kleinschalig te noemen. Het plangebied zelf bestaat ook grotendeels uit weilanden en akkers. Tevens zijn enkele percelen in gebruik als boomkwekerij. Aan de oostzijde van het plangebied is een perceel met een populierenbosje aanwezig. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.
3
Topografische kaart met de globale ligging van het projectgebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Op 22 maart 2019 zijn tijdens het veldbezoek voor het sporenonderzoek van de steenuil navolgende foto’s gemaakt. Deze geven een impressie van het plangebied. 4
Impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek. Boven: het plangebied bestaat voornamelijk uit weilanden en akkers. Linksonder: in de oosten van het plangebied is een populierenbosje aanwezig. Rechtsonder: enkele percelen zijn in gebruik als boomkwekerij.
1.2.2
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie bestaat het plangebied uit een nieuwe woonwijk met 880 woningen. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een ruimtelijke structuur, die wordt gedragen door gebiedseigen, landschappelijke kenmerken. De omgeving waartoe het plangebied behoort staat bekend als een landelijk kampenlandschap, waarbinnen groene open ruimtes worden afgewisseld door kamers die omringd worden door houtwallen. Dit principe wordt voortgezet in het stedenbouwkundig plan. Zo zorgen houtsingels voor de basis van het ruimtelijke raamwerk en bedden ze de diverse woonvelden als ‘kamers’ in. Met de realisatie van ‘de wildernis’; een groene openbare ruimte, dwars door het plangebied wordt daarnaast de connectie met Het Groene Woud (Nationaal Landschap) gelegd. Dit groene raamwerk vormt samen met Het Groene Woud een kleinschalig voedsellandschap met ruimte voor bijvoorbeeld fruitbomen. Ook is ruimte voor andere rurale activiteiten, bijvoorbeeld door wonen te combineren met agrarische functies. Deze activiteiten sluiten aan bij de omliggende erfstructuren, die aanwezig zijn bij de linten rondom het plangebied. Door aan deze randen van het plangebied ook bebouwingsvormen in erfstructuur terug te laten komen, wordt een geleidelijke en passende connectie met het omliggende landschap gemaakt.
Navolgende afbeeldingen tonen de hoofdstructuur, groene structuren en enkele sfeerbeelden.
5
Hoofdstructuur Aarlesche Erven (Bron: Beeldregieplan Aarlesche erven).
Groenstructuur Aarlesche Erven (Bron: Beeldregieplan Aarlesche erven). 6
Twee van de zes woonsituaties die zullen worden toegepast, respectievelijk ‘wonen aan de erven’ en ‘wonen in de wildernis’. Bron: Beeldregieplan Aarlesche erven
1.3
Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2017), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.
Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur.
7
Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.
8
2
Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.
2.1
Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
2.1.1
Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.
2.1.2
Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
9
2.1.3
Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.
2.2
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
2.3
Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Noord-Brabant heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.
Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en ha10
bitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).
11
3
Ecologie van de steenuil De steenuil is de kleinste uilensoort die in Nederland broedt. Ze zijn sterk gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Ze blijven het gehele jaar in ons land. Koppels zijn territoriaal en verblijven het hele jaar binnen het territorium. Het activiteitsgebied rond de nestplaats is enkele honderden meters. De grootte van het territorium hangt af van het voedselaanbod en de leeftijd van het mannetje en ligt tussen de 5 en 30 hectare. Voor een ervaren mannetje voldoet een kleiner territorium dan voor een onervaren mannetje. Een koppel steenuilen blijft in principe voor het leven bij elkaar. Bij uitzondering gaat één van de partners naar een nabijgelegen territorium. Het nest van een steenuil bevindt zich voornamelijk op de erven van boerderijen. De nesten zitten daar onder het dak, in schuurtjes of in een steenuilkast. Daarnaast zijn nesten te vinden in holtes in knotbomen of oude hoogstamfruitbomen. Het voedsel van de steenuil is zeer gevarieerd. De steenuil jaagt het liefst op muizen, aangezien dit voor een steenuil een relatief grote prooi is en daarmee veel voedsel oplevert. Indien muizen minder voorhanden zijn, wordt ook gejaagd op kleine vogels, kevers, andere insecten, kikkers, salamanders en regenwormen. Per jaar kan het voedselaanbod sterk verschillen in een territorium.
Derhalve is een gevarieerd leefgebied met een divers prooiaanbod van groot belang. Dit gevarieerde landschap betreft een open tot halfopen landschap met afwisselend korte en verruigde vegetatie, erven met bebouwing, beplanting, moestuinen en kleine weilanden. Daarnaast moet een territorium grotendeels vrij zijn van verstoring of versnippering door grote wegen. De broedperiode van de steenuil loopt van februari tot en met juli. In deze periode wordt de nestplaats zeer intensief gebruikt. Buiten deze periode wordt de nestplaats ook gebruikt, zij het minder vaak. Van februari tot en met april zijn de steenuilen zeer actief met het bewaken van hun territorium, door middel van het produceren van een territoriumroep (BIJ12, 2017; vogelbescherming.nl; sovon.nl).
12
4 4.1.1
Onderzoekmethodiek Territoriumonderzoek Het doel van territoriumonderzoek is om te bepalen waar in en in de omgeving van het plangebied territoria van steenuilen aanwezig zijn. Het onderzoeksgebied bestaat hierbij uit het plangebied, maar ook de omgeving eromheen. Op deze manier wordt ook duidelijk waar de territoria van de steenuilen in de omgeving van het plangebied liggen. Zo wordt duidelijk hoe de situatie van het plangebied zich tot de omgeving verhoudt. Ook wordt zo duidelijk of, wanneer er steenuilen aanwezig zijn in het plangebied, er eventueel uitwijkmogelijkheden zijn voor deze uilen in de omgeving. In dit geval is gekozen voor een onderzoeksgebied met een afstand van 500 meter rond het plangebied. Daarbij zijn die delen onderzocht die potentieel geschikt zijn als leefgebied voor de steenuil. Het plangebied is in zijn geheel onderzocht. Daarnaast is de omgeving van het plangebied onderzocht vanaf de openbare weg. Om het onderzoeksgebied goed te kunnen onderzoeken zijn de meeste openbare wegen hierbinnen gebruikt om het territoriumonderzoek uit te voeren. Zie navolgende afbeelding voor de ligging van het onderzoeksgebied en de looproutes.
13
Het territoriumonderzoek is uitgevoerd conform het kennisdocument Steenuil (2017), in de periode half februari tot en met half april. Het bestond uit zes veldbezoeken, waarbij vanwege de grootte van het onderzoeksgebied steeds de helft werd onderzocht. Op deze manier is overal drie keer onderzoek verricht. Elk veldbezoek werd uitgevoerd door twee ecologen. Tijdens de veldbezoeken zijn vanaf minimaal een half uur na zonsondergang gedurende circa twee uur territoriumroepen en sociale roepen van steenuilen genoteerd. Tijdens deze avondbezoeken werd de territoriumroep van het mannetje op verschillende locaties afgespeeld. Met deze methode werd gepoogd de steenuilen met een roep te laten antwoorden; de steenuil is erg territoriaal. Elk roepend mannetje vertegenwoordigt dan ook een territorium. In navolgende tabel is weergegeven wanneer de veldbezoeken zijn uitgevoerd en onder welke weersomstandigheden. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.
14
Tabel met onderzoeksgegevens. De zonsondergang is van belang, omdat volgens het protocol het veldbezoek pas een half uur na zonsondergang mag starten. Ook moet het goed weer zijn, zonder neerslag en geen harde wind (maximaal windkracht 3 Bft). Daarom is ook de windkracht en neerslag opgenomen. Per veldbezoek is de helft van het onderzoeksgebied onderzocht. Op de data met (1) zijn het plangebied en de oost- en noordzijde buiten het plangebied onderzocht. Op data met (2) zijn de zuid- en westzijde van het onderzoeksgebied buiten het plangebied onderzocht. Datum
4.1.2
Zon
Tijd
Tijd
Temperatuur
Wind
onder
(start)
(eind)
(°C)
(Bft)
Neerslag
Onderzoeks-
25-02-2019 (1)
18:08 uur
19:45 uur
21:45 uur
9
1
geen
goed
27-02-2019 (2)
18:12 uur
19:45 uur
21:45 uur
9
2
geen
goed
20-03-2019 (1)
18:49 uur
20:00 uur
22:00 uur
12
1
geen
goed
22-03-2019 (2)
18:52 uur
19:45 uur
21:45 uur
12
2
geen
goed
01-04-2019 (1)
20:10 uur
20:45 uur
22:45 uur
11
2
geen
goed
03-04-2019 (2)
20:13 uur
20:45 uur
22:45 uur
7
2
geen
goed
omstandigheden
Sporenonderzoek Tijdens één veldbezoek door twee ecologen is op 22 maart 2019 circa twee uur sporenonderzoek naar de steenuil verricht. Dit sporenonderzoek heeft enkel in het plangebied plaatsgevonden en werd uitgevoerd enkele uren voor zonsondergang bij droog, zonnig weer. Het doel van dit onderzoek is om een inschatting te maken van het gebruik van de steenuil van het plangebied. Er wordt voornamelijk gelet op de aanwezigheid van een nest, braakballen en poepsporen (krijtstrepen).
4.1.3
Informatie van IVN In de gemeente Best is de Werkgroep Vogels van de IVN actief. Deze werkgroep houdt de nestlocaties van de steenuilen in deze gemeente bij. Dergelijke langjarige gegevens kunnen een waardevolle aanvulling op het territorium- en sporenonderzoek zijn. Voor dit onderzoek is dan ook contact gezocht met deze vogelwerkgroep. De vogelwerkgroep heeft toegezegd het aanleveren van informatie in overweging te nemen.
15
5 5.1
Resultaten Territoriumonderzoek De afbeelding aan het einde van deze paragraaf visualiseert de hieronder uiteengezette waarnemingen van de steenuilen in het onderzoeksgebied.
5.1.1 5.1.1.1
Onderzoeksronde 1 25 februari 2019 Op 25 februari 2019 liet een steenuil om 20:30 uur territoriumroepjes horen midden vanuit het plangebied. Hier is een boomkwekerijperceel aanwezig. De waarnemer stond toen ten zuiden van dit perceel. Als reactie op deze steenuil begon een andere steenuil ten zuidwesten van de eerste steenuil ook met territoriumroepjes. Vanwege de grote afstand was een precieze locatie moeilijk te bepalen, maar waarschijnlijk was dit in de buurt van de Aarleseweg. Een derde steenuil antwoordde hierop met sociale roepjes op dezelfde locatie als de tweede steenuil. Om 20:41 uur was de waarnemer ten noorden van het boomkwekerijperceel toen opnieuw een steenuil territoriumroepjes liet horen, wederom vanuit het kwekerijperceel. Drie minuten later werden sociale roepjes van een steenuil op de zuidwestpunt van hetzelfde perceel waargenomen. Mogelijk was dit dezelfde steenuil of zijn partner. Om 20:45 werd de laatste waarneming vanuit het plangebied gedaan. Het betrof een sociale roep die van ver te horen was, ten westen van het plangebied. Mogelijk één van dezelfde uilen die eerder vanuit die richting waren gehoord, maar dit is niet zeker. Diezelfde avond zijn ten oosten en noorden van het plangebied geen steenuilen waargenomen.
5.1.1.2
27 februari 2019 Op deze avond zijn zowel ten zuiden als ten westen van het plangebied steenuilen waargenomen. Ten westen van het plangebied zijn verspreid langs de Aarleseweg (tussen de Mosselaarweg en Hagelaarweg) sociale roepen van de steenuil gehoord. De sociale roepjes werden waargenomen tussen 20:59 en 21:30 uur. Om 21:07 uur werden er twee tegelijkertijd waargenomen. Het betrof hier enkel sociale roepjes en geen territoriumroepen. Ten zuiden van het plangebied hoorde de waarnemer tussen 20:17 en 20:30 uur sociale roepjes in de verte. Vanaf de Kapelweg waren sociale roepjes te horen vanuit het plangebied. Ook werden sociale geluiden richting het noordwesten (waarschijnlijk langs de Aarleseweg) en het westen gehoord (kruising Kapelweg en Aarleseweg). Om 20:30 uur riepen er twee tegelijk. Om 20:36 uur werden territoriumroepjes waargenomen. De steenuil riep vanaf het perceel van Kapelweg 24a. Een hele tijd later om 21:17 uur werd één territoriumroepje gehoord op de kruising van de Aarleseweg en Burgstraat. Omdat het hier om één roepje ging was de precieze locatie niet te bepalen. Tussen 21:18 uur en 21:27 uur zijn ten zuidwesten van het plangebied verschillende malen sociale roepjes gehoord.
16
5.1.2 5.1.2.1
Onderzoeksronde 2 20 maart 2019 Op deze avond zijn in het plangebied geen steenuilen waargenomen. Wel werden tussen 20:20 en 20:53 uur vanuit het plangebied sociale roepjes waargenomen ten zuiden, westen en noorden van het plangebied. Om 21:53 uur stond de waarnemer op de Rond de klomp en hoorde sociale roepjes vanuit de richting van het plangebied, in de buurt van Broekstraat 1. Om 20:25 uur hoorde de waarnemer vanaf het oosten van het onderzoeksgebied sociale roepjes van twee steenuilen vanuit de richting van het plangebied. Om 20:36 uur werden vanaf het noordoosten van het plangebied territoriumroepjes ook vanuit de richting van het plangebied gehoord. Om 21:41 uur werden sociale roepjes in de noordwesthoek van het onderzoeksgebied gehoord.
5.1.2.2
5.1.3
22 maart 2019 Aan de westzijde van het onderzoeksgebied werden op deze avond om 20:47 en 20:54 uur territoriumroepjes waargenomen, respectievelijk langs de Aarleseweg en de Hagelaarweg. Bij de Aarleseweg werd daarbij de steenuil zelf ook gezien, zittend op de nok van een boerderij. Aan de zuidzijde van het onderzoeksgebied werd om 20:31 uur een territoriaal roepende steenuil waargenomen op het perceel van Kapelweg 15. Om 20:40 uur werden territoriumroepjes gehoord een paar honderd meter ten westen daarvan, direct ten westen van de Aarleseweg. De onderzoeker heeft geprobeerd de steenuil op de eerste locatie tegelijkertijd te laten roepen, maar dit gebeurde niet. Onderzoeksronde 3
5.1.3.1
1 april 2019 Op deze avond werd als eerste waarneming om 21:04 uur vanuit het plangebied sociale roepjes van een steenuil waargenomen op het perceel van Broekstraat 5. Om 21:09 uur begonnen territoriumroepjes in de noordelijke houtwal van perceel Broekstraat 7a. Dit is op de grens van het plangebied. Toen circa drie kwartier later op de Broekstraat territoriumroepjes werden afgespeeld, reageerde de steenuil wederom met territoriumroepjes vanaf circa dezelfde locatie. Andere steenuilen zijn die avond niet waargenomen.
5.1.3.2
3 april 2019 Op deze avond zijn enkel sociale roepjes in de verte gehoord. Precieze locaties konden daarmee niet vastgesteld worden. Deze werden ten noordwesten en ten zuidwesten buiten het onderzoeksgebied waargenomen en eenmaal langs de Aarleseweg.
17
Overzicht van de steenuil waarnemingen van de drie onderzoeksrondes.
5.2
Sporenonderzoek
5.2.1
Nestplaatsen Op 22 maart 2019 is het plangebied onderzocht op sporen van de steenuil. Tijdens dit veldbezoek is geen steenuilnestplaats in het plangebied waargenomen. Wel werd een steenuilkast waargenomen op het perceel van Broekstraat 5. Uit het veldbezoek werd niet duidelijk of deze kast in gebruik is door de steenuil.
5.2.2
Overige sporen In het plangebied zijn geen braakballen van de steenuil of van andere dieren aangetroffen. Wel werden op enkele weidepalen langs Broekstraat 5 en in het middelste boomkwekerijperceel dunne krijtstrepen (poepsporen van waarschijnlijk een uil) aangetroffen. Deze kunnen mogelijk van een steenuil zijn. Ook waren in het kwekerijperceel op meerdere plekken veel muizenholletjes in het verdorde lange gras aanwezig.
18
Dit duidt op de aanwezigheid van veel muizen; de belangrijkste prooi voor de steenuil. Zie navolgende afbeeldingen.
Poepsporen, mogelijk van een steenuil, in het middelste boomkwekerijperceel en op een weidepaal op de grens van het perceel van Broekstraat 5.
Op meerdere plekken in het boomkwekerijperceel waren veel muizenholen aanwezig in het lange, verdroogde gras.
5.3
Informatie van IVN Na het eerste contact met de IVN is meerdere malen getracht contact te krijgen met de coördinator van de vogelwerkgroep van de IVN Best. Echter, tot op heden heeft de vogelwerkgroep nog geen inhoudelijke reactie gegeven.
19
5.4
Aanwezigheid essentiële elementen
5.4.1
In het plangebied In het plangebied zijn in het middelste boomkwekerijperceel en in de noordelijke houtwal van Broekstraat 7a op meerdere avonden territoriumroepjes van de steenuil gehoord. Dergelijk gedrag wijst op de aanwezigheid van een steenuilterritorium op deze locatie. Aanvullend zijn ook poepsporen van mogelijk een steenuil in ditzelfde gebied waargenomen. Al met al kan met zekerheid gesteld worden dat in dit deel van het plangebied een territorium van een steenuilkoppel aanwezig is. Hoe de grenzen van het territorium precies lopen is moeilijk te beoordelen. Wel kan op basis van geschiktheid van biotoop, locaties van sporen en locaties van waargenomen steenuilen een inschatting worden gemaakt. In dit geval is een roepende steenuil meerdere malen gehoord in het boomkwekerijperceel midden in het plangebied. Dit perceel met bomen en verruigde delen zorgt voor dekking en voedsel. Vanwege het extensieve beheer gedijen muizen hier namelijk goed. Dit perceel zorgt ook voor afwisseling ten opzichte van de meer intensiever beheerde akkers en weilanden in de omgeving, waar minder muizen te vinden zijn. De twee boomkwekerijpercelen, en dan met name het middelste boomkwekerijperceel binnen het territorium zijn daarom essentieel voor het functioneren van de nestplaats van dit steenuilkoppel.
Het middelste boomkwekerijperceel is 2,9 ha groot en het boomkwekerijperceel daar ten zuidoosten van 1,6 ha. Verder vormen de kleinschalige weides met knotwilgen en houtwallen rond Broekstraat 5, 7 en 7a ook belangrijk foerageergebied. Ook dit is 1,6 ha groot. Ook hier werden meerdere malen roepende steenuilen waargenomen. In het plangebied zelf is geen steenuilnestplaats aanwezig. De kans is groot dat het steenuilkoppel de steenuilkast op het perceel van Broekstraat 5 gebruikt. Ten oosten van de Broekstraat werden in het geheel geen steenuilen waargenomen. De vrij drukke Broekstraat vormt blijkbaar een grens voor het territorium. Op basis hiervan is de ligging van steenuilterritorium 1 bepaald. Zie navolgende afbeelding. Het gehele territorium zoals hier is weergegeven is 16,4 ha groot. Daarbij zijn de gebieden binnen dit territorium die het meest belangrijk zijn 6,1 ha. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen de boomkwekerijpercelen en wordt het territorium grotendeels bebouwd met woningen en als woonwijk ingericht. Het verdwijnen van essentieel leefgebied en het uitvoeren van de geplande ruimtelijke ingrepen in territorium 1 brengen zeer veel verstoring met zich mee. De nestplaats van het steenuilkoppel gaat niet verloren.
Echter, wel vindt zoveel verstoring plaats in het territorium en gaat een zo groot deel van essentieel foerageer- en leefgebied binnen het territorium verloren dat de functionaliteit van de nestplaats van het steenuilkoppel verloren gaat. Het steenuilkoppel zal namelijk vanwege deze verstoringen genoodzaakt zijn het territorium te verlaten, waardoor de nestplaats buiten gebruik raakt. In het uitzonderlijke geval dat de steenuilen toch in hun territorium blijven, blijft er te weinig foerageergebied over om succesvol jongen groot te kunnen brengen.
20
1
Globale begrenzing van het steenuilterritorium in het plangebied
5.4.2
Ten zuidwesten van het plangebied Ten zuidwesten van het plangebied zijn ook op twee avonden territoriumroepjes en sociale roepjes waargenomen. Hier is dan ook in ieder geval één territorium aanwezig. Op 22 maart werden kort achter elkaar op enkele honderden meters afstand van elkaar territoriale roepjes gehoord. De tussenliggende afstand van circa 200 meter is voor de steenuil nog makkelijk te overbruggen en past nog binnen de grootte van één territorium. Daarnaast zijn de roepjes niet tegelijkertijd waargenomen. We gaan er hier daarom vanuit dat de territoriaal roepende steenuil zich verplaatst heeft tussen deze twee locaties. We gaan daarom uit van één territorium in dit gebied. De grenzen van dit territorium zijn globaal rond de locaties van de waargenomen territoriumroepjes geplaatst. Dit gebied is ook relatief kleinschalig en vormt daarmee geschikt leefgebied voor de steenuil. Dit is territorium 2. Een klein deel van dit territorium valt binnen het plangebied. Het gaat hier echter maar om een klein niet essentieel deel van het territorium. Het gehele territorium is namelijk
21
18,4 ha en het deel binnen het plangebied 0,4 ha. Omdat in de rest van het plangebied nog voldoende kleinschalige elementen en geschikt foerageergebied voor de steenuil aanwezig is, is van een effect op de functionaliteit van het nest binnen dit territorium geen sprake. 5.4.3
Ten westen van het plangebied Langs de Aarleseweg, tussen de Driehoekweg en Hagelaarweg zijn veel waarnemingen van steenuilen gedaan. Ook in dit gebied zijn geen territoriumroepjes van meerdere steenuilen tegelijkertijd waargenomen. Wel bestaat dit westelijke gebied uit een relatief langgerekt gebied. Mogelijk gaat het hier dan ook om twee aparte territoria; één langs de Aarleseweg en één meer richting de Hagelaarweg. Dit is echter niet helemaal zeker. We gaan hier voor nu uit van dit worstcasescenario. Dit zijn territorium 3 en 4. Een klein deel van territorium 3 valt binnen het plangebied. Het gaat hier echter maar om een klein niet essentieel deel van het territorium. Het gehele territorium is namelijk 12,2 ha en het deel daarvan dat binnen het plangebied ligt 1,1 ha. Omdat in de rest van het plangebied nog voldoende kleinschalige elementen en geschikt foerageergebied voor de steenuil aanwezig is, is van een effect op de functionaliteit van het nest binnen dit territorium geen sprake.
5.4.4
Ten noordwesten van het onderzoeksgebied Net buiten het onderzoeksgebied, hier ten noordwesten van zijn enkele malen sociale roepjes van steenuilen waargenomen. Territoriumroepjes zijn hier echter niet waargenomen. Volledig bewijs van een hier aanwezig steenuilterritorium is hierdoor dan ook niet geleverd. Mogelijk is er wel een territorium aanwezig en reageert het mannetje niet op de lokgeluiden. Omdat hier te weinig zekerheid over bestaat en deze waarnemingen zich ook buiten het onderzoeksgebied bevinden, is deze locatie niet aangemerkt als steenuilterritorium. Navolgende afbeelding geeft een overzicht van alle grenzen van de territoria van de steenuilen in het onderzoeksgebied.
22
3 1 4
2
Overzicht van de vastgestelde territoria in en rondom het plangebied
5.5
Overige beschermde soorten Tijdens het veldbezoek van 3 april 2019 is een steenmarter waargenomen ten noordwesten van het plangebied, op de kruising van de Mosselaarweg en de Driehoekweg. Toen een veldwerker lokgeluiden van de steenuil afspeelde naderde een steenmarter deze veldwerker tot enkele meters. De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (zoogdiervereniging.nl). In het plangebied zijn geen mogelijke voortplantingsplaatsen voor deze soort aanwezig als schuurtjes of andere bebouwing. Ook werden bij het uitgevoerde sporenonder-
23
zoek voor de steenuil in het plangebied geen sporen aangetroffen als latrines of prooiresten die duiden op de nabijheid van een schuilplaats. Het is wel waarschijnlijk dat de steenmarter de meer beschutte delen van het plangebied, zoals de boomkwekerij en het populierenbosje als leefgebied gebruikt. In de toekomst verdwijnt met de ontwikkeling van de woonwijk dit foerageergebied. Deze soort is echter opportunistisch en komt ook in meer bebouwd gebied voor. De toekomstige wijk kent veel groenstroken, zodat ook in de toekomst geschikt foerageergebied aanwezig blijft. De geplande ruimtelijke ontwikkeling zal daarom geen effect hebben op de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied en de omgeving.
24
6 6.1
Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van de steenuil. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied essentiële delen van een territorium van een steenuilkoppel aanwezig zijn. Het gaat hier om foerageer- en leefgebied om de functionaliteit van een nestplaats te waarborgen. De nestplaats bevindt zich niet in het plangebied. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling gaan deze essentiële foerageer- en leefgebieden in ieder geval tijdelijk verloren. Daarmee verliest het nest van het steenuilkoppel zijn functionaliteit. In dat geval is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan binnen het territorium van de steenuil is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen.
6.2
Ontheffing aanvragen voor de steenuil Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (zoals de steenuil) worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing dient voor dit project aangevraagd te worden bij de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Bij het indienen van een aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het plangebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Het belangrijkste onderdeel is het mitigatieplan; een plan waarin uitgebreid beschreven staat welke maatregelen genomen worden om de schade aan de betreffende soort tot een minimum te beperken. Een ontheffing wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan de steenuil te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht.
6.3
Mitigerende maatregelen steenuil Zoals reeds in paragraaf 6.2 beschreven dient bij de ontheffingsaanvraag een mitigatieplan te worden bijgevoegd. Dit zijn de maatregelen die definitief zullen worden toegepast. De hieronder beschreven mitigerende maatregelen dienen als voorbeeld en denkrichting. De maatregelen voor de steenuil zijn allen gericht op het verplaatsen van het steenuilterritorium naar een locatie buiten het plangebied, in geschikt leefgebied voor de steenuil waar op dit moment nog geen steenuilterritorium aanwezig is, het zogenaamde compensatiegebied. Verplaatsing is ons inziens noodzakelijk, omdat behoud van 25
het territorium in het plangebied niet mogelijk is. Tijdens het aanleggen van de nieuwe woonwijk vindt namelijk teveel verstoring plaats en gaat te veel essentieel foerageergebied verloren om de functionaliteit van het steenuilnest te garanderen. 6.3.1
Broedmogelijkheden De steenuil moet in het compensatiegebied voldoende geschikte broedmogelijkheden hebben. Om hier zeker van te zijn dienen speciale steenuilkasten in het compensatiegebied geplaatst worden. Dit moeten er minimaal drie zijn, aldus het kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017). Deze moeten op geschikte locaties geplaatst worden, in overleg met een expert op het gebied van de steenuil. Ten noordwesten van het plangebied is een steenmarter waargenomen. Steenmarters hebben steenuilen als prooi (voornamelijk door het plunderen van nestplaatsen). Bij het inrichten van nieuw leefgebied en dan voornamelijk bij het plaatsen van de nestkasten moet hier rekening mee gehouden worden. Tegenwoordig zijn er steenuilkasten waar steenmarters niet in kunnen. Verder zou bekeken kunnen worden of de steenuilkasten zo geplaatst kunnen worden dat steenmarters in zijn geheel niet bij de kasten kunnen komen, om ook verstoring van het nest door de steenmarter te voorkomen.
6.3.2
Leefgebied het compensatiegebied moet bestaan uit geschikt leefgebied voor de steenuil, zodat het er genoeg voedsel kan vinden om hun jongen groot te brengen. Geschikt leefgebied voor de steenuil bestaat uit (BIJ12, 2017): een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met (hobby)vee voldoende nestplaatsen in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot een gevarieerd aanbod van prooien zoals muizen, regenwormen en insecten voldoende zit- en uitkijkposten om te foerageren en om te rusten geen verstoring en versnippering door grote wegen geen gebruik van insecticiden of andere pesticiden in het territorium of in de directe omgeving. Er moet gezocht worden naar leefgebied in de omgeving van het plangebied wat nu al zo geschikt mogelijk is, aangezien het jaren kan duren om een niet geschikt leefgebied voor de steenuil geschikt te maken. Mogelijk kunnen met aanvullende maatregelen het gebied geoptimaliseerd worden voor de steenuil.
Denk hierbij aan het volgende (BIJ12, 2017): creëren van overhoeken creëren van kruidenzomen creëren van ruigten, bijvoorbeeld tussen een dubbele rij rasters creëren van struwelen creëren van takkenrillen, houtstapels, composthopen en mesthopen creëren van kortgrazige percelen, zoals schapen- en paardenweitjes creëren van hoogstamboomgaarden aanplanten van struiken en bomen die noten of vruchten dragen 26
aanleggen van een poel of vijver met flauwe oevers aanleggen van een moestuin graan de winter laten overstaan. In dit geval biedt het gebied ten noorden van het plangebied de meeste kans. Zie navolgende afbeelding. In dit gebied zijn op sommige plekken al geschikte leefomstandigheden voor de steenuil aanwezig. Ook blijkt uit het steenuilonderzoek dat hier nog geen steenuilterritorium aanwezig is. Een steenuildeskundige moet beoordelen in hoeverre nog maatregelen genomen moeten worden om het leefgebied geschikt te maken voor de steenuil.
6.3.3
Planning De maatregelen om het compensatiegebied geschikt te maken voor de steenuilen moeten zo snel mogelijk uitgevoerd worden, zodat een voldoende lange gewenningsperiode mogelijk is. Dit is de periode waarbij zowel het compensatiegebied al gereed is als leefgebied en waarbij het huidige territorium nog intact is. De duur van de gewenningsperiode is afhankelijk van de maatregelen die getroffen moeten worden en moet door een steenuildeskundige bepaald worden. Dit varieert van enkele maanden
27
(in geval alleen steenuilkasten geplaatst hoeven te worden) tot meerdere jaren (als van ongeschikt leefgebied geschikt leefgebied gemaakt moet worden). Het steenuilkoppel moet uiteindelijk zelf de overstap maken van het huidige territorium naar het compensatiegebied.
6.4
Zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten.
6.5
Broedperiode vogels Van alle van nature in Nederland in het wild levende vogels mag het nest tijdens het broeden (van start van nestbouw tot en met het uitvliegen van de jongen) niet worden beschadigd of vernield. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. In en direct rond het plangebied kunnen vogels broeden. Wij adviseren daarom om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
6.6
Vervolgstappen
Aanvragen ontheffing Wet natuurbescherming voor de steenuil; Tref tijdig voldoende mitigerende maatregelen voor de steenuil; Houd rekening met broedende vogels; Houd rekening met de zorgplicht.
28
Geraadpleegde literatuur BIJ12. 2017d. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Netwerk groene bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk groene bureaus. Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl
29
BIJLAGE II -
44
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ERF MOSSELAARWEG 10
BIJLAGE III -
45
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ERF MOSSELAARWEG ONGENUMMERD
BIJLAGE IV -
46
LANDSCHAPSPLAN
BIJLAGE V -
47
BEPLANTINGSPLAN INPASSING ERF MOSSELAARWEG 10
BIJLAGE VI -
48
BEPLANTINGSPLAN ERF MOSSELAARWEG ONGENUMMERD
BIJLAGE VII -
49
BEPLANTINGSPLAN LANDSCHAP
pluktijd aug. aug. begin aug. juli- aug. aug. sept. aug.-sept.
pruimen Belle de Louvain Eldense blauwe Ontario Opal Reine Claude dOullins Reine claude Verte Victoria Kersen Dubbele meikers Mierlose zwarte Morel Udense spaanse Varikse zwarte Hedelfinger
uitleg Handappel/peer Moesappel Sapappel/peer 0 bakappel inmaak perensap zelfbestuiver indien soorten niet voorradig zijn, behoudt de projectorganisatie zich het recht voor een vervangende soort te leveren levering geschiedt pas als het verschuldigde bedrag is overgemaakt op rek.:
1 2 3 4 5 6
H M S B I P z
1,2,3,4 rood kokend rood kokend perenbomen
kleur z groot rood-blauw 5,7 blauw z groot groengeel z paars roodgeel z,2,7 groengeel 2,5,7 klein groengeel z,3,5 langwerpig rood totaal pruimenbomen pluktijd kleur z,2,5 28 juni rood 4,5 6 juli donker z 22 juli zuur 1,2 19 juli geel met rood 1,2 5 juli zwart 1 15 juli groot donker totaal kersebomen iedere boom moet bij het planten voorzien worden van minimaal 1 boompaal boombeschermer wanneer de boomgaard beweid wordt: pantanetgaas 180cm hoog. 1 zak 20 kg groencompost per plantgat toevoegen (aanschaf door aanvrager) totaal aantal hoogstamfruitbomen aantal boompalen
0
0
0
0
HOOGSTAM FRUITSOORTEN
totaal
4,3 z,1 1,4 z,1,2 3 z 1,3 sappig zoet sappig sappig zeer goede smaak rood kokend wit vruchtvlees tamelijk saprijk
1 2 3 4 5 6 7
H S H H,P H S H,S,I,P,D H,P S S S
z,5,13 4 5,13 6 3,10,14 z 1,5,6 6,10,14 3 12,14 4,,6,14 1,4,17 6,10,12 z 1,13 totaal:
okt--nov. dec-febr. sept. okt.-jan nov.-dec. dec-febr. sept. okt-nov nov-jan nov.-mrt. jan-apr
H,M,B zacht-zuur M,B,(H) moesappel S zacht-zuur H zacht-zuur H fris aroma H,M,S,(B) zacht-zuur S zoet H aromatisch H,M aromatisch H zeer goede smaak H fris zuur H speciaal aroma H,M zacht zuur H zacht zuur M zoet appelbomen
te bestellen aantal prijs per stuk totaal
peren Beurre Hardy Brederode Clapp's Favourite Conferance Doyenne du comice Gieser wildeman Juttepeer Maagdenpeer Pondspeer Saint remy Winterjan
dec.-mrt nov-jan nov-jan nov-febr sept-okt nov-jan nov-mrt nov-jan nov-jan okt-dec okt-mrt okt-dec aug-sept sept nov-mrt
bijzonderheden
1 2 3 4 5 6 8 9 10 11 12
X XXX XX XX XX XX XXX XXX XX XX XXX XX XX X XXX
gebruik
appels Brabantse Bellefleur Bramley's Seedling Dubbele Bellefleur Glorie van Holland Gravensteiner Groninger Kroon Jasappel Lemoenappel Lombarts Calville Notarisappel Schone van Boskoop Sterappel Yellow Transparant Zigeunerin Zoete Ermgaarde
rasnaam
wordt bestoven door nr:
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 12 13 14 15 17
nr.
50 bewaarb aar gebruikstijd
:……………………………………………………… :……………………………………………………… :……………………………………………………… :………………………………………………………
Verzamelstaat en bestellijst hoogstamfruitbomen van:
naam: adres postcode, woonplaats tel.nr emailadres
BIJLAGE VIII -
VERSTERKING COULISSE LANDSCHAP AARLESCHE ERVEN LANDSCHAPSPLAN MET AANVULLENDE LANDSCHAPSELEMENTEN
PRIKKELENDE LANDSCHAPSONTWERPEN.