24047.3 - TOELICHTING Bestemmingsplan Sonseweg 2022 ong.
Tekst van het document
Daarnaast zijn in de toplaag, die ten aanzien van bestrijdingsmiddelen als verdacht werd beschouwd, geen bestrijdingsmiddelen aangetoond. De gemeten gehalten in de bovengrond overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor het planologisch juridisch traject, een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen en de geplande herontwikkeling op locatie. Het uitvoeren van een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk wat betreft de onderzoeksresultaten ‘grond’. Resultaten grondwater Op basis van het milieuhygiënische onderzoek wat betreft het grondwater is geconcludeerd dat er sprake is van licht verhoogde concentraties barium en nikkel. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor het planologisch juridisch traject, een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen en de geplande herontwikkeling op locatie. Wat betreft de verhoogde concentraties barium en nikkel geen antropogene bron bekend is, zijn barium en nikkel vermoedelijk van nature in verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. Het uitvoeren van een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk wat betreft de onderzoeksresultaten ‘grondwater’.
Conclusie Voor het overige kan op basis van het verkennend bodemonderzoek geconcludeerd worden dat de milieu hygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 28
ROS
4.1.2 Geluidhinder Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de autosnelweg A2, de Sint Oedenrodeseweg en de Sonseweg. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is derhalve door K+ een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlage. Onderzoeksresultaten Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat als gevolg van de A2 en de Sonseweg ter plaatse van de achtergevel op de verdieping de maximale ontheffingswaarde van 53 dB zal worden overschreden. Hier worden eisen gesteld aan het ontwerp van het woonvolume.
Ter plaatse van de achtergevel op de verdieping dient een dove-gevel te worden gecreëerd, hetgeen betekent dat er geen te openen delen mogen worden opgenomen. Ter plaatse van de zuidelijke zijgevel dienen de ramen op de eerste verdieping te worden voorzien van een voorzetraam met een geluidsreductie van minimaal 4 dB. Dit is geborgd in de regels van het bestemmingsplan (artikel 4.4.6.). In de overige rekenpunten wordt plaatselijk de voorkeurgrenswaarde overschreden vanwege wegverkeerslawaai van de autosnelweg A2 en de Sonseweg. Ten tijde van de bestemmingsplanprocedure van de locatie Sonseweg ongenr. is middels een hogere waarde besluit voor de nieuwe woonfunctie een hogere waarde van 53 dB vastgesteld (zie bijlage). In dat kader is een onderzoek gedaan naar bron- en overdrachtsmaatregelen. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard. Ter plaatse van de ontwikkeling is vanuit het kader van een goede ruimtelijke ordening het woon- en leefklimaat inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Hierbij is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluidhinder’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s).
4.1.3 Luchtkwaliteit Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal een van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 29
ROS b) Een project leidt –al dan niet per saldo –niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van een nieuw woonvolume, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon-en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse minder dan 18 μg/m³, de concentratie PM2,5 minder dan 10 μg/m³ en de concentratie NO2 tussen 10 en 15 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
30
ROS
4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Toetsing
31
ROS Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid moeten worden getoetst.
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied twee risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Het betreft op 370 meter afstand het benzineservicestation ter plaatse van Nieuwstraat 62a te Best en op 415 meter afstand het benzineservicestation ter plaatse van Oranjestraat 93 te Best. Het benzineservicestation heeft een veiligheidsafstand van 150 meter. Aangezien het plangebied op ruim voldoende afstand is gelegen ten opzichte van deze risicovolle inrichting vormt dit geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Risicovol transport over spoorwegen, water en door buisleidingen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over spoorwegen, water of door buisleidingen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Risicovol transport over wegen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied op 125 meter afstand is gelegen ten opzichte van de transportroute Rijksweg A2. Conform artikel 8 van het Bevt moet de hoogte van het groepsrisico en de invloed van de verandering op het groepsrisico inzichtelijk gemaakt worden wanneer de ontwikkeling binnen een 200 meter zone is gelegen van een transportroute.
32
ROS
Figuur 1. Plangebied Sonseweg ong. (rode gebied)
De overschrijdingsfactor van het groepsrisico is naar verwachting kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, omdat met onderhavige ontwikkeling binnen het plangebied enkel een woonvolume wordt gerealiseerd. Verantwoording groepsrisico Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)moet het groepsrisico worden verantwoord. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt (nagenoeg) niet toe ten gevolge van de actualisering van het bestemmingsplan. Advies Veiligheidsregio Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of b. beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet. Standaardadvies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies hier kan worden toegepast.
Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: •
Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.
33
ROS •
•
Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.
Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio •
•
•
Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. Ook wordt verwezen naar NL-alert. De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012. Als er nieuwe gebouwen worden gerealiseerd, dan dient men hier rekening mee te houden.
Zelfredzaamheid Er wordt een nieuwe woonvolume gerealiseerd. Het betreft normale woningen, niet specifiek bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Er wordt vanuit gegaan dat de aanwezige personen zelfredzaam zijn. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.1.5 Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie‘ Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied.
34
ROS Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype rustig buitengebied, overeenkomstig het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De beoogde woonvolume is geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De nieuwe woningfunctie betreft daarentegen wel een milieugevoelige functie. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in haar activiteiten belemmerd. De dichtstbijzijnde milieubelastende activiteiten betreft een aannemersbedrijf met werkplaats (minder dan 1.000 m2 bedrijfsoppervlak) ter plaatse van Sonseweg 7a. Deze activiteit vindt formeel plaats binnen een woonbestemming als ondergeschikte activiteit. De activiteit betreft een milieucategorie 2 met een grootste afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid. De afstand van onderhavig plangebied ten opzichte van deze milieubelastende activiteit bedraagt 35 meter. Kortom, er wordt voldaan aan de geldende richtafstand. Ten westen van het plangebied zijn daarnaast twee activiteiten gelegen. Het betreft een groothandel in vakbenodigdheden, namelijk verkoop van dak materialen, ter plaatse van Sint Oedenrodeseweg 5.
De activiteit betreft een milieucategorie 2 met een grootste afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid. Ter plaatse van Steenovenseweg 1B is een autodealer gelegen. Deze milieucategorie 2 activiteit ‘handelen in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ heeft ook een grootste afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid. Beiden activiteiten zijn op voldoende afstand gelegen, namelijk respectievelijk 40 meter en 145 meter afstand. Kortom, er wordt voldaan aan de geldende richtafstand. Te noorden van het plangebied is tot slot een vleeskalverenhouderij gelegen ter plaatse van Sint Oedenrodeseweg 18. De activiteit betreft een milieucategorie 3.2 activiteit conform de categorie ‘fokken en houden van rundvee’. Hiervoor geldt een grootste afstand van 100 meter ten aanzien van het aspect geur. Voor wat betreft het aspect geur geldt dat getoetst dient te worden aan de Wet geurhinder en veehouderij. Voor meer informatie zie paragraaf 4.1.6. Vanuit overige aspecten, zoals gevaar, stof en geluid, bestaan er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er wordt ruim voldaan aan de geldende richtafstanden, aangezien het plangebied op meer dan 155 meter afstand is gelegen.
Kortom, het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van de milieubelastende activiteiten waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De nieuwe woonfunctie belemmert bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet. Bovendien zijn reeds andere milieugevoelige functies in de omgeving dichter deze activiteiten gelegen. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief.
4.1.6 Geurhinder en veehouderij Algemeen De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen.
35
ROS De Wgv stelt kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen dienen plaats te vinden. Enerzijds om geurgevoelige functies geen of zo min mogelijk hinder te laten ondervinden van agrarische bedrijven en anderzijds om de vergunde rechten van deze agrarische bedrijven niet (verder) te beperken door ruimtelijke ontwikkelingen. Dit laatste betreft de omgekeerde werking. Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van dierenverblijf voor het huisvesten van dieren en de buitenzijde van een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) minimaal; • 100 meter indien het geurgevoelig object in de bebouwde kom is gelegen, en • 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Onderhavig plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde gelegen veehouderij betreft de vleeskalverenhouderij ter plaatse van Sint Oedenrodeseweg 18 op meer dan 155 meter afstand. Er wordt ruim aan de vaste afstandsgrens voldaan. Desalniettemin is in het kader van onderhavig plan inzichtelijk gemaakt wat de achtergrondbelasting (veroorzaakt door alle veehouderijen) en de voorgrondbelasting (veroorzaakt door individuele veehouderijen in de directe omgeving) op het plangebied is. Beiden moeten een acceptabele waarde hebben om een goed leefklimaat te kunnen waarborgen voor een nieuw te bouwen woning.
Toetsing Voorgrondbelasting Ter plaatse van het plangebied geldt er conform de Wgv een geurnorm van 14 OuE/m³. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Sonseweg, is jongstleden een bestemmingsplan vastgesteld. Op basis van het reeds op 27 januari 2020 vastgestelde bestemmingsplan ‘Sonseweg 1 met naastgelegen gronden’ (NL.IMRO.0753.bpsonsewg1-VG01) is een geuronderzoek uitgevoerd in verband met de ligging van dit plangebied ten opzichte van de vleeskalverenhouderij ter plaatse van Sint Oedenrodeseweg 18. Ter plaatse van het plangebied van bestemmingsplan ‘Sonseweg 1 met naastgelegen gronden’ is berekend dat sprake is van een maximale voorgrondgeurbelasting van 8,4 OuE/m³. Aangezien onderhavig bestemmingsplan (Sonseweg ong.) op grotere afstand is gelegen ten opzichte van de vleeskalverenhouderij, is het aannemelijk dat ter plaatse van onderhavig plangebied sprake zal zijn van een lagere voorgrondgeurbelasting. Het plangebied bevindt zich niet binnen de geurcontour van de veehouderijbedrijven. Ook zijn tussen de veehouderijen en het plangebied nog andere geurgevoelige objecten gelegen, waardoor de ontwikkeling binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende bedrijven. Ook voldoet de voorgrondbelasting aan de geldende geurnormen uit de Wgv.
Achtergrondbelasting Voor nieuwe bouwplannen binnen het invloedsgebied van intensieve veehouderijen geldt dat, alvorens er gebouwd kan worden, verzekerd dient te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit de achtergrondgeurbelasting kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat. Dit
36
ROS
Uitsnede achtergrondgeurbelasting kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant met globale ligging plangebied (blauw omlijnd)
betekent dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling, omdat andere woningen in de omgeving dichter bij de veehouderijen zijn gelegen.
4.1.7 M.e.r.-plicht Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’ is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden.
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het 37
ROS Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling van een vrijstaand woonvolume ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Aangezien het gaat om het realiseren van een vrijstaande woonvolume, wat ver beneden de genoemde drempelwaarden is, wordt het planvoornemen niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Uit de (overige) relevante milieuparagrafen in deze toelichting blijkt dat het bij dit plan niet gaat om ‘belangrijke nadelige gevolgen’ waarbij een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. Derhalve is het opstellen van een m.e.r. aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Afweging Het project is niet m.e.r.(-beoordelings)plichting. Het planvoornemen heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Cultureel erfgoed Archeologie Algemeen De gemeente Best heeft in oktober 2010 de beleidsnota ‘Ondersteboven’ vastgesteld. Archeologie in Best Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg gemeente Best’. In deze beleidsnota staat omschreven hoe de gemeente Best omgaat met archeologische waarden binnen naar gemeente. Op basis van deze nota is het plangebied gelegen in de categorie 3 ‘gebied met hoge verwachting (historische linten)’. Op basis van de beleidsnota is in het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ aangegeven welke gebieden een archeologische dubbelbestemming krijgen en waarvoor randvoorwaarden aan een vergunning gesteld kunnen worden. Op basis van de beleidsnota is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ met bijbehorende regels opgenomen. Toetsing Binnen onderhavig plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In het kader van onderhavige ontwikkeling dient inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden kunnen worden verwacht en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Ter plaatste van categorie 3 geldt derhalve een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 30 cm en/of een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.
In het kader van onderhavig planvoornemen bedraagt het bebouwd oppervlak van het woonvolume inclusief aangebouwd bijgebouw circa 210 m2. De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt ca 1.300 m2. Dit is meer dan de gestelde maximale oppervlakte voor het uitvoeren van een bouwplan. Derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in het kader van onderhavig planvoornemen noodzakelijk. P.M. archeologisch onderzoek In het voorliggende bestemmingsplan blijft de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ vooralsnog van toepassing op het plangebied, overeenkomstig het geldende 38
ROS bestemmingsplan en de archeologische beleidsnota. Hierdoor is de bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende gewaarborgd. Mochten tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW of bij de gemeente Best conform Artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en Artikel 5.11 (Waarneming) van de Erfgoedwet 2016. Cultuurhistorie Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om het aspect cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Cultuurhistorische waarden worden vaak in één adem genoemd met archeologische waarden. Deze waarden verschillen echter van archeologische waarden. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die zichtbaar zijn in het landschap en ‘iets vertellen’ over het (cultuurhistorische) verleden van het gebied. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Er is verder geen bestaande monumentale of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig binnen of nabij het plangebied. Met het planvoornemen zal er geen aantasting plaatsvinden van monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen. Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie en archeologie.
4.2.2 Ecologie Wetgeving De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijke of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid 39
ROS is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing gebiedsbescherming en soortenbescherming Om te kunnen toetsen of de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met de natuurwetgeving kan worden uitgevoerd, is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlage. 40
ROS
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ is gelegen op een afstand van circa 8,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de bouw van een nieuw woonvolume betreft is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tijdens de sloop- en/of de aanlegfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlage. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de notitie en stikstofdepositieberekeningen in de bijlage van deze toelichting. De meest dichtbijgelegen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant liggen op 1,1 km afstand ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorliggende ontwikkeling, de ligging binnen een bebouwingsconcentratie en deze afstand, zullen er geen negatieve effecten worden uitgeoefend op het NNB. Deze ligging ten opzichte van het NNB vormt hierdoor geen belemmering. Beschermde houtopstanden De locatie bevindt zich buiten de bebouwde kom, waardoor in beginsel toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan aan de orde is. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden geen houtopstanden verwijderd. Sprake is van een paardenwei zonder houtopstanden. Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: •
•
Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties. Van soorten waarvan de nesten jaarronde bescherming genieten zoals huismussen, gierzwaluwen, bepaalde roofvogelsoorten, uilen of
41
ROS
•
•
vleermuizen zijn geen nest- of verblijfslocaties aangetroffen. Er worden geen vaste nest- of verblijfslocaties aangetast. Ook nader onderzoek hiernaar is niet relevant. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. In het broedseizoen kan ook gekapt worden, alleen dient het dan onder begeleiding van een ter zake kundige te worden uitgevoerd. Initiatiefnemer dient rekening te houden dat de ontwikkelingen geen fysieke verstoring van nestlocaties van broedende vogels (zoals vernietiging, verplaatsing of bewuste verjaging) tot gevolg heeft.
Conclusie Kortom, met de ontwikkeling binnen het plangebied is er geen sprake van inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties. Het uitvoeren van een nader (veld)onderzoek naar flora en fauna in het plangebied is dan ook niet aan de orde, met uitzondering van een controle op een broedgeval bij start van de werkzaamheden in het broedseizoen. Daar waar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuw woonvolume betreft, dient indien tijdens de werkzaamheden onverhoopt individuen worden aangetroffen, geldt hiervoor de algemene zorgplicht. Op basis van het bovenstaande, bestaan er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen en kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd.
4.2.3 Waterhuishouding Sinds 1 november Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Beleidskaders Waterbeheerplan 2022-2027 - Water als basis voor toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen.
De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat 42
ROS een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.
Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater 43
ROS De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan De Wet Milieubeheer (Wm) verplicht gemeenten een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) op te stellen. In het GRP legt een gemeente haar beleidsuitgangspunten en keuzen voor de rioleringszorg vast. Naast de rioleringszorg behandelt een GRP ook de zorgplichten hemelwater en grondwater. Vandaar de termen Verbreed GRP en (stedelijk) waterbeheer (vGRP).
Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het vGRP en het Waterplan grotendeels overlappen wat betreft reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. Het vGRP is niet meer alleen een rioleringsplan maar beslaat inmiddels de totale waterketen. Bij de uitwerking van de thema's zijn maatschappelijke partijen (zoals Best Duurzaam, Klankbordgroep groen en GOEB) betrokken. Naast het goed beheren van het rioolsysteem (± 220 km rioolbuizen, 27 rioolgemalen en 2 bergbezinkbassins met een totale nieuwbouwwaarde van ± € 200 miljoen), wordt het bestaande beleid voortgezet waarbij in het bijzonder is ingezet op de thema's: klimaatadaptatie, waterbeleving/natuur, maatschappelijke ontwikkeling en samenwerking. In het plan zijn onder meer navolgende belangrijke aandachtspunten geformuleerd: • In- en uitbreidingsplannen van woningbouw en/of infrastructuur kunnen tot een toename aan verhard oppervlak leiden. Hierdoor ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater, met mogelijk overbelasting van het ontvangend oppervlaktewater. Bij nieuwe ontwikkelingen geldt dan ook het uitgangspunt dat plannen hydrologisch neutraal uit worden gevoerd. • Vanwege de bodemopbouw en waterhuishouding in de gemeente Best komen structurele grondwaterproblemen beperkt voor.
Om verdere overlast te voorkomen doorlopen gemeente en waterschap bij planologische wijzigingen een watertoetsprocedure. Hierbij worden de waterhuishoudkundige randvoorwaarden en effecten van nieuwe ontwikkelingen vastgesteld en beoordeeld. Door middel van de watertoetsprocedure wordt in de bestemmingsfase voorkomen dat 'natte' gebieden bebouwd worden en/of dat onvoldoende ontwateringsmaatregelen worden getroffen. Mogelijk wordt een aangepaste bouwwijze aanbevolen. • Samen met het waterschap de Dommel wordt invulling gegeven aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water om te komen tot een gezond oppervlaktewatersysteem. Gemeentelijke maatregelen zijn het beperken van de vuiluitworp van riolering (o.a. afkoppelen en verdere optimalisatie van het stelsel), duurzame onkruidbestrijding en het monitoren van de afvalwaterketen. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het 44
ROS gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater Het plangebied ligt niet binnen waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Ter plaatse van het plangebied bestaat de bodem tot circa 2 m-mv uit het eerste watervoerende pakket. Dit pakket bestaat voornamelijk uit midden en fijn zand. Tot circa 4,5 m-mv is vervolgens een scheidende laag aanwezig, bestaande uit voornamelijk leemhoudende lagen. Oppervlaktewater
Uitsnede leggerkaart Waterschap De Dommel met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Binnen het plangebied zijn op basis van de leggerkaart van het Waterschap De Dommel geen waterlopen of plassen gelegen, waarop met de voorgenomen ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Aan de overzijde van de Sint Oedenrodeseweg is een B-watergang gelegen. Onderhavige ontwikkeling zal geen negatieve invloed uitoefenen op deze watergang. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem en ligt ook niet in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Dit initiatief heeft geen negatieve invloed op nabijgelegen natuurgebieden. Hemel- en afvalwater Op basis van de Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, het waterschap Aa en Maas, geldt voor plannen met een verhardingstoename kleiner dan 500 m², dat deze zijn vrijgesteld van compensatie. In het voorliggende geval is ten opzichte van de toekomstige situatie in vergelijking met de voormalige situatie en verhardingen sprake van een verhardingstoename minder dan 500 m². Het bebouwde oppervlak van het nieuwe woonvolume inclusief aangebouwd bijgebouw bedraagt namelijk circa 210 m2. Daarnaast voorziet het plan in verhardingen in de vorm van een terras, oprit, e.d. met een gezamenlijk oppervlak van ca 200 m2. De verhardingstoename bedraagt derhalve minder dan 500 m2 .
45
ROS Verhard opp huidige situatie Verhard opp nieuwe situatie Toename verhard opp
0 m2 410 m2 410 m2
Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om het hemelwater van 410 m2 verhard oppervlak binnen het plangebied te borgen. In deze fase is nog niet bekend welke infiltratievoorziening wordt toegepast. Afvoer via het bestaande rioleringssysteem is uitgesloten. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving (drukriool). De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Conclusie Bij de realisatie van de nieuwbouw bestaat naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Gezien de aard, omvang en locatie van het planvoornemen worden er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ontwikkeling.
4.2.4 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Sonseweg. Voor een exacte weergave van de ontsluiting wordt verwezen naar de situatietekening die als bijlage is opgenomen bij deze toelichting. De provinciale Sonseweg betreft een 60 km/uur-weg. De gemeentelijke Sonseweg is in westelijke richting ontsloten op de Sint Oedenrodeseweg. Ook dit betreft een 60 km/uur-weg. Als gevolg van de woningbouw zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Volgens CROW-rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ zal (uitgaande van de maximale planologisch mogelijkheden) de woningbouw een verkeersgeneratie van circa 6 motorvoertuigbewegingen per etmaal tot gevolg hebben op een gemiddelde weekdag. Hierbij is in beginsel uitgegaan van één vrijstaande woning in het gebiedstype ‘buitengebied’ in de gemeente Best (weinig stedelijk gebied). Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woning.
Parkeren De gemeente verwijst in het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ naar de nota ‘Parkeernormen 2022. Het paraplubestemmingsplan geeft de nota een planologisch juridisch kader. Op basis van de nota en het paraplubestemmingsplan en de maximaal planologische invulling geldt in het buitengebied voor de realisatie van één vrijstaande woning een parkeernorm van 2,0 per woning. Hiermee wordt bedoeld dat per huis in het buitengebied er gemiddeld 2,0 auto’s aanwezig zijn. Daarnaast dient er rekening worden gehouden met een bezoekersaandeel van 0,3. In het kader van onderhavig plan is meer dan voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. De beoogde ontwikkeling voorziet hiermee in de parkeerbehoefte die ontstaat bij onderhavige ontwikkeling. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief.
46
ROS
4.2.5 Kabels en leidingen Er liggen binnen het plangebied, op basis van het vigerende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland, geen kabels of leidingen die een zodanige bescherming behoeven, dat een bestemmingsplan plichtige beschermingszone nodig is. Hiermee hoeft geen rekening te worden gehouden.
4.3 Gezondheid Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. De dichtstbijzijnde gelegen veehouderij ligt op circa 770 meter ten oosten van het plangebied. Dit betekent dat deze veehouderij de voorgenomen ontwikkeling niet belemmeren. Voor het plangebied geldt dat er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het plangebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Hoogspanningslijnen In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn er geen verdere gezondheidsbelemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.
4.4 Economische uitvoerbaarheid 4.4.1 Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Best verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Best besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particulier. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Daarmee is verzekerd dat alle projectgebonden kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de
47
ROS initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. In de anterieure overeenkomst is het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd.
4.4.2 Financiële haalbaarheid Initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
48
ROS
5 Juridische aspecten 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van het vigerende bestemmingsplan 'Actualisatieplan Kommen Best en Middelrode'.
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar het woonvolume kan worden gerealiseerd. Conform omliggende kavels is tevens voorzien in een enkelbestemming ‘tuin’ aan de noordelijke, oostelijke en zuidelijke randen van het plangebied.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1: Inleidende regels; • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; • Hoofdstuk 3: Algemene regels; • Hoofdstuk 4:Overgangs-en slotregels Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
49
ROS
5.3.1 Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.