24029.3 - TOELICHTING Bestemmingsplan Kapelweg 18 Best
Tekst van het document
26
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen en/of bijmengingen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde concentraties in het grondwater, formeel worden aanvaard. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Resumé en aanbeveling Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen wijziging van de bestemming van deze locatie.
Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: • wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek zijn de boven- en ondergrond indicatief als zijnde klasse AW2000 bestempeld; •
het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.”
Conclusie met betrekking tot het initiatief Bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.2 Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een 'geluidgevoelig object', zoals een woning, wordt gerealiseerd moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Deze toetsing geldt ook indien een nieuwe geluidsbron wordt gerealiseerd. De Wet geluidhinder bepaalt hoe omgegaan moet worden met geluidhinder door wegverkeer, industrie, treinen en luchtvaart. In de Wet geluidhinder is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen, de luchtvaart en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, moet onderzoek gedaan worden naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Als een nieuwe geluidsbron mogelijk wordt gemaakt, moet gemotiveerd worden dat deze geluidsbron niet teveel geluidbelasting op gevoelige objecten veroorzaakt.
27
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Het initiatief betreft geen geluidsgevoelig object. Het initiatief betreft wel een geluidsbron, welke verandert. Aangetoond moet dan ook worden dat de geluidsbron geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat van nabijgelegen geluidgevoelige objecten. In paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering van deze toelichting is ingegaan op het aspect industrielawaai. Hieruit blijkt dat het planvoornemen, door de maatregelen die in het plangebied worden getroffen, het woon- en leefklimaat ter hoogte van bestaande en geplande (nieuwe) geluidgevoelige objecten niet belemmert. Andersom betekent dit dat de geluidsgevoelige objecten de bedrijfsvoering van de nieuwe bedrijvigheid niet in de weg staat. Een en ander is nader gemotiveerd in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering van deze toelichting. Conclusie met betrekking tot het initiatief Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen of andersom voor omliggende bestaande en geplande (nieuwe) gevoelige functies, mits conform de uitgangspunten van het onderzoek naar industrielawaai (bijlage 2 bij deze toelichting) in het plangebied maatregelen worden getroffen. Om dit te borgen is hiervoor in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 4.3 Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit.
Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: •
een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit
•
ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven
•
een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht
•
een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit)
De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.
Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een
28
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. Beoordeling initiatief Het initiatief maakt geen nieuwe gevoelige bestemming zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk. Daarnaast gaat het om een project dat “niet in betekenende mate” bijdraagt. Dit blijkt uit het resultaat van de NIBM-tool die voor (de extra verkeersaantrekkende werking van) het planvoornemen is ingevuld en waarvan hieronder een uitsnede is weergegeven.
Daarbij geldt dat de luchtkwaliteit op dit moment in en rondom het plangebied voor NO2 (40µg/m³) en PM10 (20µg/m³) ver beneden de maximale grenswaarden blijven. Zie de afbeelding hieronder waarop het plangebied globaal met een blauw kader is weergegeven en het dichtstbijzijnde meetpunt met een rode cirkel is omlijnd, waarvoor de waarden zoals in onderstaande tabel zijn opgenomen gelden.
29
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Stof
Grenswaarde
Feitelijke waarde
NO2
40 µg/m³
16,0901 µg/m³
PM10
20 µg/m³
18,262 µg/m³
Er is geen nader onderzoek naar luchtkwaliteit nodig. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.4 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven.
Volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Beoordeling initiatief Het planvoornemen bestaat uit de uitbreiding van een aannemersbedrijf in serres en kozijnen. Het gaat hier om het veranderen van milieubelastende activiteiten/ een inrichting, waardoor getoetst moet worden of het geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt voor omliggende bestaande en geplande (nieuwe) gevoelige objecten. De huidige bedrijfsvoering van het bedrijf betreft ingevolge de VNGpublicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een milieucategorie 3.1 inrichting. De beoogde bedrijfsvoering van het bedrijf staat gelijk aan een milieucategorie 2 inrichting.
Hierbij gelden de navolgende richtafstanden: geur -> 0 meter, stof en gevaar -> 10 meter en geluid -> 30 meter. Het aspect geluid is met de grootste in acht te nemen richtafstand van 30 meter maatgevend. Deze afstand is, om een goed woon- en leefklimaat voor de bestaande en geplande (nieuwe) gevoelige objecten in de omgeving te creëren, niet passend. Op dit onderdeel zijn met die reden aanvullende randvoorwaarden aan de orde, welke er ook voor zorgen dat geen richtafstand in het kader van het aspect stof aan de orde is. Deze randvoorwaarden houden in dat de geluidbelasting afkomstig van het bedrijf op de gevels van omliggende bestaande woningen ten westen en zuiden van het planvoornemen niet meer mag zijn dan 50 dB(A) en dat het bedrijf op de erfgrens aan de noord- en oostzijde niet meer dan 45 dB(A) aan geluid mag produceren. Uit het geluidsonderzoek dat door de SRE-milieudienst is uitgevoerd (bijlage 2 bij deze toelichting) blijkt dat dit – met maatregelen haalbaar is. De maatregelen houden in dat geluidafschermende bebouwing moet worden opgericht en bepaalde activiteiten (slijpen, zagen et cetera) niet buiten maar binnen uitgevoerd moeten worden.
30
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Het aspect gevaar is in onderhavige situatie niet van toepassing. In het plangebied worden geen activiteiten uitgevoerd, zijn geen installaties aanwezig en worden geen stoffen opgeslagen waarvoor een richtafstand totaan gevoelige objecten in acht moet worden genomen. Om voorgaande te borgen zijn in dit bestemmingsplan voorwaardelijke verplichtingen opgenomen en zijn met de initiatiefnemer van het planvoornemen privaatrechtelijke afspraken gemaakt. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het plan vormt – mits de gestelde randvoorwaarden worden nageleefd - geen belemmering voor omliggende bestaande en geplande (nieuwe) gevoelige functies. 4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): •
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren.
•
Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd.
Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Beoordeling initiatief Het planvoornemen (de uitbreiding van een aannemersbedrijf in serres en kozijnen) is geen risicovolle inrichting, wel een beperkt kwetsbaar object (bedrijfsgebouw waarin geen grote aantallen personen gedurende de dag aanwezig zijn) dat wordt uitgebreid. Het gaat dus om de verandering van een bestaand beperkt kwetsbaar object, waardoor aan het aspect externe veiligheid getoetst moet worden. Hieronder is een uitsnede van de risicokaart zoals gepubliceerd op de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid opgenomen, waarop de locatie met een rode stip is aangeduid.
31
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
In de nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die invloed hebben op het plan. Wel is sprake van een buisleidingen (DPO-leiding op 550 meter) en transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (op 1,01 km) en de weg (A2 op 2,1 km). Geen sprake is van het transport van gevaarlijke stoffen over het water. Buisleidingen De DPO-leiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Een plaatsgebonden risicocontour vormt daarom geen belemmeringen voor het planvoornemen. Wel geldt een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijde van de leiding. Binnen deze zone mogen geen bouwwerken worden opgericht. Het plangebied ligt verder weg dan 5 meter van de leiding. In het kader van deze leiding in relatie tot het planvoornemen is het aspect externe veiligheid geen thema. Transport over spoor In verband met de ontwikkeling van het nieuwe woongebied Aarlesche Erven is door de ODZOB een risicoanalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het nieuwe woongebied Aarlesche Erven niet binnen de veiligheidszone en het plasbrandaandachtgebied van het spoor ligt, maar wel binnen het invloedsgebied van het spoor. Dit geldt gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van Aarlesche Erven en het spoor ook voor het plangebied. Met die reden heeft de ODZOB voor het nieuwe woongebied Aarlesche Erven het groepsrisico berekend.
Bij de beoordeling van het groepsrisico is uitgegaan van de toevoeging van 1000 woningen. Het nieuwe woongebied bevat echter niet meer dan 880 woningen. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico toeneemt, maar onder de oriëntatiewaarde blijft en daarmee geen belemmering vormt voor het nieuwe woongebied Aarlesche Erven. Wel moet het groepsrisico volgens artikel 8 lid 2, onder b sub 1 van het Bevt worden verantwoord. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op de volgende onderdelen: - De dichtheid van personen binnen het invloedsgebied voor de huidige als toekomstige situatie; - De hoogte van het groepsrisico en de wijziging van het groepsrisico; - De maatregelen ter beperking van het groepsrisico; - De mogelijkheden voor een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; - De bestrijdbaarheid en bereikbaarheid;
32
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
- De zelfredzaamheid. Hieronder wordt op dit advies ingegaan: De dichtheid van personen binnen het invloedsgebied neemt in de toekomstige situatie toe, echter niet zoveel als in de berekening van het groepsrisico is berekend. In Aarlesche Erven worden 880 woningen ontwikkeld en geen 1000. De ruimte die in de berekening aanwezig is (120 woningen x minimaal 2 personen per huishouden) is dermate grootschaliger qua aantallen mensen dan in de toekomstige situatie in onderhavig plangebied zullen verblijven. De hoogte van het groepsrisico is in de huidige situatie 0,057 * de oriëntatiewaarde en stijgt na realisatie van 1000 woningen naar 0,125 * de oriëntatiewaarde. Gezien ruim minder dan 1000 woningen worden ontwikkeld en in het plangebied in de toekomstige situatie niet meer mensen dan de ruimte die ‘over’ is zullen verblijven is het groepsrisico uiteindelijk lager dan in de berekening is meegenomen. Personen in het plangebied kunnen door de wijze van ontsluiting snel van de bron af vluchten. Het planvoornemen is niet bedoeld voor verminderd zelfredzame personen en ligt buiten het invloedsgebied van explosie en alleen binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario. Door gebouwen luchtdicht uit te voeren en ervoor te zorgen dat mechanische ventilatie uitgezet kan worden zijn de personen in een gebouw beschermd.
De gemeente Best heeft op 9 mei 2011 de structuurvisie Best 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie is Aarlesche Erven als nieuw woongebied aangewezen. Het planvoornemen houdt verband met een goed woon- en leefklimaat in het nieuwe woongebied Aarlesche Erven Fase IV. Externe veiligheid is een onderdeel van de structuurvisie, waarin de voor- en nadelen van de het gebied als nieuw intensiever verblijfsgebied op een bredere manier is afgewogen. De bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid worden hieronder (onder advies Veiligheidsregio) nader toegelicht. In het kader van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen. Transport over de weg Over de A2 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De effectafstand van deze weg bedraagt 4 kilometer en ligt hiermee over het plangebied. Conform artikel 7 en 9 van het Bevt dient de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen en dient bij de besluitvorming in te worden gegaan op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid. Hieronder (onder advies Veiligheidsregio) wordt hierop ingegaan. Advies Veiligheidsregio Op 21 oktober 2015 heeft de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in het kader van het nieuwe woongebied Aarlesche Erven advies uitgebracht, wat ook in het kader van onderhavig planvoornemen relevant is.
De Veiligheidsregio Brababant-Zuidoost heeft het navolgende geadviseerd: - Situering van de wegen zodanig in te richten zodat personen snel kunnen ontvluchten; - Geen verminderd zelfredzame personen in het invloedsgebied situeren; - Zorg voor afsluitbare mechanische ventilatie in de gebouwen; - Communiceer over de risico’s; - Betrek de Veiligheidsregio bij de verdere uitwerking van het plan in verband met de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid; - Situeer de woningen 30 meter van de defensieleiding af. Reactie op het advies/ zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid: In het plangebied verblijven geen verminderd zelfredzame personen. Ook kan van de bron af worden gevlucht. Nieuwe gebouwen worden luchtdicht uitgevoerd, waarbij de mechanische ventilatie kan worden uitgezet. Hierdoor zijn personen in de gebouwen beschermd. De zelfredzaamheid is goed. De initiatiefnemer, tevens exploitant van de locatie, is op de hoogte van de risico’s en informeert gebruikers van het plangebied hierover. De Veiligheidsregio wordt in verband met de bereikbaarheid
33
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
en bestrijdbaarheid betrokken bij de verdere uitwerking van het plan. Het plangebied ligt niet op 30 meter van de defensieleiding af, geen sprake is van nieuwe woningen. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odour units per vierkante meter lucht (ouE/m3).
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom. De gemeente Best heeft de 'Verordening geurhinder en veehouderij’ vastgesteld. Deze verordening is op 16 juli 2008 in werking getreden. De geurverordening heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente. Via de geurverordening zijn de wettelijk geldende afstanden van veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactor geldt en met maximaal 56 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden vastgesteld op 50 meter, indien meer dieren worden gehouden geldt een vaste afstand van 100 meter. Voor de gemeente zijn ook geurnormen vastgesteld i.v.m. dieren met geuremissiefactor. De afbeelding hieronder betreft een uitsnede van de kaart met geurnormen ter plaatse van het plangebied (rode contour) met de bijbehorende legenda.
34
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Voor het donkergroene gebied geldt geen afwijkende norm ten opzichte van de Wet geurhinder en veehouderij. Hier is de wettelijke norm van 14 OuE/m3 van kracht. Toetsing initiatief Het initiatief behelst een bestaand en nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk verblijf). Ter plaatse geldt een vaste in acht te nemen afstand van 100 meter tot aan veehouderijen met meer dan 56 dieren en 50 meter tot aan veehouderijen met minder dan 56 dieren. Dit geldt voor dieren zonder geuremissiefactor. Verder geldt een geurnorm van 7 Ou/m3 in verband met dieren waarvoor een geuremissiefactor van toepassing is. Een minimale norm voor de voorgrondbelasting van 7 ouE/m3 betekent 16% geurgehinderden. De waarde voor de achtergrondbelasting die hierbij hoort bedraagt circa 14 ouE/m3. De veehouderij gelegen aan Kapelweg 11 beschikt over een melding in het kader van het Activiteitenbesluit voor het houden van 59 melk- en kalfkoeien en 36 stuks vrouwelijk jongvee. Op basis van de diersoort en het gemeentelijke geurbeleid geldt voor dit bedrijf een vaste afstand van 100 meter totaan geurgevoelige objecten. De vaste afstand van 100 meter van de melkrundveehouderij gelegen aan Kapelweg 11 is deels over het plangebied gelegen.
De 100 meter contour van dit bedrijf ligt over het reeds voor ‘Bedrijf’ bestemde gedeelte van het plangebied en vormt met die reden geen belemmering voor het planvoornemen (bestaande situatie). Dit betekent ook dat andersom het planvoornemen geen belemmering vormt voor veehouderijen met dieren waarvoor een vaste afstand geldt. De voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied is in het kader van het bestemmingsplan ‘Aarlesche Erven’ berekend. Hieruit – en op basis van de actualiteit op het moment van opstellen van dit uitwerkingsplan - blijkt dat ter plaatse geen sprake is van overschrijding van de norm van 7 of 14 Ou/m3. Op de afbeelding hieronder afkomstig van www.brabantscan.nl van de GGD is de ligging van het plangebied met een rode contour weergegeven. De achtergrondbelasting ter plaatse is met de kleuren rood tot groen weergegeven.
Zichtbaar is dat de achtergrondbelasting in het plangebied redelijk is (2-5 OU/m3). Dit is fors lager dan de achtergrondnorm van 14 OU/m3. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
35
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Gesteld kan worden dat in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder geldt dat veehouderijbedrijven door het planvoornemen niet in hun bedrijfsvoering worden geschaad, omdat tussen het plangebied en de omliggende veehouderijen bestaande/andere geurgevoelige objecten zijn gelegen die voor die bedrijven maatgevend zijn. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief en andersom worden geurgevoelige objecten door het initiatief niet belemmerd. 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.7.1 Archeologie Wettelijk en beleidsmatig kader De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten. De Gemeente Best hanteert ten aanzien van archeologie de in 2011 door de raad vastgestelde gemeentelijke archeologische beleidskaart, welke is vertaald in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren en archeologie’ dat op 6 februari 2017 door de gemeenteraad van Best is vastgesteld. Via dit paraplubestemmingsplan is het gemeentelijke archeologiebeleid geborgd.
Toetsing initiatief In het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren en archeologie’ heeft het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting). Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Hierop heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Op basis hiervan is bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv archeologisch onderzoek nodig. Gezien de beoogde grotere verstoringsoppervlakte en diepte betekent is archeologisch onderzoek nodig. Door Transect Archeologisch onderzoek I Advies is een inventariserend veldonderzoek (ivo) verkennende fase uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3) en kent de navolgende samenvatting inclusief advies. “Op de gemeentelijke verwachtingskaart geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Deze resten kunnen in principe dateren vanaf het Laat-Paleolithicum tot in de Nieuwe Tijd. Op basis van omringend onderzoek wordt verwacht dat er zich in het plangebied een behoudenswaardige archeologische vindplaats uit de Midden-Bronstijd – IJzertijd bevindt (Bink, 2010; Tol e.a., 2017). Tevens zijn er sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd aangetroffen, die zich mogelijk voortzetten binnen het plangebied.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied archeologisch intact is. Zodoende zal de vindplaats die verwacht wordt ook intact zijn, in de top van het zand zullen grondsporen van bewoning aanwezig kunnen zijn. Deze archeologische resten worden binnen het plangebied op een diepte van 75 – 105 cm -Mv (14,6 – 15,05 m +NAP) verwacht. Er geldt een archeologische waarde binnen het noorden van het plangebied voor de periode Bronstijd – IJzertijd. Tevens kunnen sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd zich in het oudbouwlanddek bevinden. Zodoende worden er ook archeologische resten vanaf de bouwvoor (30 – 50 cm -Mv) verwacht. Op grond van onderhavig onderzoek is sprake van een middelhoge archeologische verwachting op resten uit de periode Mesolithicum – Vroeg Neolithicum en een hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Laat Neolithicum – Nieuwe Tijd. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om nieuwe bedrijfsbebouwing te realiseren. Hiervoor wordt
36
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
een deel van de huidige bebouwing gesloopt (300 m2). De nieuwe bebouwing krijgt een oppervlakte van circa 1570 m2. Tevens wordt een gedeelte omgezet in parkeerplaatsen (circa 400 m2). Bovendien vormt waarschijnlijk de (fundering van de) huidige bebouwing de enig mogelijke verstoring binnen het plangebied. In het onderzochte gebied is echter een middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische resten vastgesteld. Aangezien deze vanaf 30 cm -Mv aangetroffen kunnen worden is het zeer waarschijnlijk dat bij de voorgenomen ingrepen intacte archeologische resten verstoord zullen worden. In het kader van een bestemmingsplanwijziging is het advies tweeledig. Daar waar de bodemingrepen plaats gaan vinden, adviseren wij tot een vervolgonderzoek, te weten een opgraving. Voor een dergelijk gravend onderzoek geldt dat een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk is dat door de gemeente beoordeeld en goedgekeurd is. In het zuiden van het plangebied adviseren wij tot opname van een dubbelbestemming archeologie (circa 3100 m2). Wij adviseren om de huidige bouwregels te behouden in het nieuwe bestemmingsplan. De reden hiervoor is dat hier geen bodemingrepen zijn gepland, waardoor archeologisch onderzoek in dit stadium niet benodigd is.
Indien er hier wel bodemingrepen voorzien zijn die de onderzoeksgrenzen overschrijden (500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv), wordt ook hier vervolgonderzoek geadviseerd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Best) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.” De gemeentelijke archeoloog heeft ingestemd met het door Transect Archeologisch onderzoek I Advies uitgevoerde inventariserend veldonderzoek (ivo) verkennende fase. Op basis hiervan is door Transect Archelogisch onderzoek I Advies een Programma van Eisen voor een archeologisch proefsleuvenonderzoek opgesteld. Het Programma van Eisen is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De gemeentelijk archeoloog heeft met dit Programma van Eisen ingestemd en op basis hiervan voorgesteld om – mocht dat nodig zijn – tijdens het proefsleuvenonderzoek direct door te starten naar een opgraving. Naar aanleiding hiervan heeft Transect Archeologisch onderzoek I Advies hiervoor een voorstel gedaan. Ook hiermee heeft de gemeentelijke archeoloog ingestemd. Het voorstel is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting.
Gezien het archeologische traject ter plaatse nog niet is afgerond is op basis van het advies van de gemeentelijke archeoloog in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting)’ zoals opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ overgenomen. Hiermee is geborgd dat het archeologische traject wordt afgerond alvorens de beoogde bodemingrepen om het planvoornemen te kunnen realiseren plaatsvinden. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het archeologische traject is nog niet afgerond, maar vormt omdat in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting)’ zoals opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is overgenomen geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Via de dubbelbestemming is geborgd dat het archeologische traject wordt afgerond alvorens de beoogde bodemingrepen om het planvoornemen te kunnen realiseren plaatsvinden. Eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden zijn hiermee beschermd. 4.7.2 Cultuurhistorie Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting.
Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historischgeografische en historisch bouwkundige waarden.
37
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Toetsing initiatief Hieronder is een uitsnede van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart ter hoogte van het planvoornemen opgenomen. De ligging van het planvoornemen is globaal met een rode contour aangeduid.
De cultuurhistorische waarden in het plangebied volgens de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart bestaan uit diverse elementen: 1 Indicatieve ligging es 2 Perceelsgrenzen 1) Indicatieve ligging es Het gaat hier om aaneengesloten oud bouwlandgebied dat in gebruik is bij verschillende boeren. De kavelscheidingen bestaan uit, nauwelijks zichtbare, greppels, grasstroken of grensstenen. Essen liggen meestal in de delen van het landschap met een gunstige grondwaterstand. De grote aaneengesloten essen ontstonden over het algemeen in de negende en tiende eeuw onder invloed van de toenemende graanbehoefte als gevolg van de opkomst van de steden. In de loop der eeuwen raakte het grondbezit op de essen door erfdeling sterk versnipperd, waardoor veel enken verkaveld werden in smalle stroken. De perceelscheidingen werden echter gevormd door ondiepe greppels of smalle stroken gras, waardoor enken een grootschalige indruk maakten. Vanaf de vijftiende of zestiende eeuw ging men de akkers met een mengsel van mest en bosstrooisel, heidemaaisel en/of plaggen bemesten (de zogenaamde plaggenmest). Door de eeuwenlange plaggenbemesting kregen de enken een dikke humeuze bovengrond, het zogenaamde esdek. Op de kaart zijn de gebieden met een esdek (zogenaamde hoge zwarte enkeerdgronden) weergegeven. Deze gebieden zijn indicatief voor de ligging van de essen.
2) Perceelsgrenzen De manier waarop een gebied verkaveld is, is vaak karakteristiek voor het gebied en afhankelijk van zowel de natuurlijke omstandigheden (nat of droog gebied) als de wijze waarop de ontginning heeft plaatsgevonden (geleidelijk of snel en georganiseerd). Tussen 1963 en 1987 hebben in de gemeente Best ruilverkavelingen plaatsgevonden, waarbij grote delen van de gemeente opnieuw zijn ingericht,
38
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
percelen werden vergroot, oude landschapselementen zijn verdwenen en nieuwe wegen zijn aangelegd. Vooral rond Aarle is de inrichting van het landschap ingrijpend veranderd en is alleen het oude wegenpatroon bewaard gebleven. Dit betekent niet dat deze gebieden per definitie cultuurhistorisch gezien geen waarde hebben; ook nieuwe, sterk planmatige inrichtingen hebben vanwege hun karakteristiek voor de Wederopbouwperiode een cultuurhistorische waarde. Op de kaart zijn de oude perceelsgrenzen (tot aan 1945) aangegeven, die nu nog als zodanig herkenbaar zijn. In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van monumenten waarop het planvoornemen van invloed is. Het planvoornemen verandert de aanwezige cultuurhistorische waarden ter plaatse niet. De hoogteligging blijft gelijk en ook de perceelsgrens zoals die op de cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid verandert niet. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het planvoornemen leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden. 4.8 Water 4.8.1 Inleiding Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding op de locatie. Daarnaast wordt vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen.
Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening. 4.8.2 Nationaal waterbeleid Waterbeleid van de 21e eeuw In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd.
Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Nationaal Water Programma 2022-2027 Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP), welke op 18 maart 2022 is vastgesteld. Dit doen de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gezamenlijk. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen.
39
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat. Gezien de kleinschaligheid van het initiatief en het gegeven dat het plangebied niet in de aangewezen gebieden van het Rijk zijn gelegen, zullen de rijksbelangen hieromtrent niet worden aangetast. Bovendien zijn de belangrijkste thema’s hieruit doorvertaald naar het provinciaal- en waterschapsbeleid, welke hierna worden behandeld.
4.8.3 Provinciaal beleid Regionaal water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 van de provincie Noord-Brabant is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan en is op 22 december 2021 in werking treden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De belangrijkste regels inzake het RWP zijn overgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Middels de themakaarten van deze verordening wordt inzicht gegeven in hoeverre er belangrijke waterhuishoudelijke thema’s op het plangebied van toepassing zijn. Op de themakaarten van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor het plangebied geen specifieke aanduidingen in het kader van het thema water opgenomen.
Op basis hiervan is de conclusie dat er ter plaatse geen belangen vanuit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in het geding komen voor wat betreft het thema ‘Water’. 4.8.4 Beleid waterschap Keur 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Op de Keurkaart 2015 zijn ter plaatse van het plangebied of er direct aan grenzend geen specifieke aanduidingen opgenomen die duiden op een beschermingszone, waterloop of iets dergelijks. Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen
40
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: - van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; - van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied; - van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.
De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². De benodigde compensatie in m³ wordt berekend met de formule: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in mm). De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te worden geplaatst. 4.8.5 Gemeentelijk beleid De Wet Milieubeheer (Wm) verplicht gemeenten een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) op te stellen. In het GRP legt een gemeente haar beleidsuitgangspunten en keuzen voor de rioleringszorg vast. Naast de rioleringszorg behandelt een GRP ook de zorgplichten hemelwater en grondwater. Vandaar de termen verbreed GRP (vGRP) en stedelijk waterbeheer. Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het vGRP en het Waterplan elkaar grotendeels overlappen. Wat betreft reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. Het vGRP is niet meer alleen een rioleringsplan, maar beslaat inmiddels de totale waterketen.
Daarom is de keuze gemaakt om in 2016 het waterplan te integreren in het te actualiseren vGRP. Door de integratie van het vGRP en het waterplan ontstaat een nieuwe planvorm: een Water- en Rioleringsplan (WRP). Naast het goed beheren van het rioolsysteem wordt in het WRP het bestaande beleid voortgezet waarbij in het bijzonder is ingezet op de thema’s: klimaatadaptatie, waterbeleving/natuur, maatschappelijke ontwikkeling en samenwerking. 4.8.6 Waterhuishouding plangebied In deze paragraaf worden de relevante waterhuishoudkundige systemen ter plaatse van het plangebied belicht welke van belang zijn voor de compensatieopgave en uitwerking daarvan. Hierbij is gebruik gemaakt van de beschikbare digitale gegevens, waaronder de kaarten van de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant en bodemdata.nl. Eveneens is het verkennende bodemonderzoek van bodemadviesbureau Silt (kenmerk 2302246 d.d. 2 november 2023).
41
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Bodem en geohydrologie Uit het verkennend bodemonderzoek dat is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 1) blijkt dat de eerste twee meter -mv een goede waterdoorlatendheid heeft. In het kader van het bestemmingsplan Aarlesche Erven is een waterhuishoudkundig plan voor het nieuwe woongebied gemaakt. In dit waterhuishoudkundig plan is de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) in beeld gebracht. Hieruit blijkt ook de GHG die in het plangebied aan de orde is, namelijk: 13,8-14,07 m+NAP. De maaiveldhoogte in het plangebied is 15,84 m+NAP. Dit betekent dat de GHG ‘worst-case’ op circa 1,8 m-mv is gelegen. Oppervlaktewater Ter plaatse is, aangrenzend aan het plangebied, een B-watergang gelegen. Op de onderstaande afdruk van de legger is die aangegeven. Die B-watergang loopt aan de westelijke kant dood. Naar het oosten toe mondt die uit in een A-watergang die onderdeel is van het plangebied van het bestemmingsplan Aarlesche Erven Fase IV.
Riolering Het plangebied is in de vigerende situatie op het gemeentelijk rioolstelsel aangesloten voor de afvoer van het afvalwater. Voor de nieuwe situatie zijn geen wijzigingen nodig. Huidige situatie plangebied In de huidige situatie is ongeveer 4400 m² van het perceel verhard c.q. dakoppervlak. Daarvan wordt voor een oppervlakte van 3800 m² het hemelwater afgevoerd naar de zaksloot die zuidelijk van de Kapelweg is gelegen. Die situatie is al aanwezig gedurende ongeveer 45 jaar. Ter plaatse infiltreert dat water.
42
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
De resterende 600 m² betreft de later gerealiseerde opslagruimte en het serrepark, beide westelijk op het perceel. Deze beide samen hebben een oppervlakte van 600 m² en die lozen op de B-watergang die grenst aan de noordkant van het plangebied en die op de vorige figuur zichtbaar is.
Nieuwe situatie In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak toe met 2200 m². Dat betreft het achterste deel van het perceel, dat deels wordt bebouwd en deels wordt verhard. De afbeelding hieronder illustreert dat.
43
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Omdat de wens van het waterschap is dat de ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van de afvoer van hemelwater op de B-watergang aan de noordzijde, zal de bestaande afvoer daarop van het serrepark en de opslagruimte worden afgekoppeld. Voor deze oppervlakte van 600 m² samen met de uitbreiding van het verhard oppervlak van 2200 m², zal worden voorzien in een infiltratievoorziening op eigen terrein. 4.8.7 Compensatieopgave In het plangebied is sprake van een verhardingstoename. Het gaat om een verhardingstoename van maximaal 2200 m2 aan verhard oppervlak en bebouwing samen. Gezien sprake is van een toename van meer dan 500 m2 geldt dat ingevolge het beleid van het waterschap moet worden gecompenseerd. De rekensom om de benodigde capaciteit van de retentievoorziening te bepalen hiervoor is toename verhard oppervlak (2200 + 600 = 2800 m2) x gevoeligheidsfactor (1) x compensatiefactor (60 mm). Dit resulteert in een hemelwaterbergingsopgave van 168 m3. Daarbij worden vanuit de algemene regels de volgende voorwaarden voorgeschreven: -
de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
-
de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
-
daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar een sloot te voorkomen.
44
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
Gezien de goede waterdoorlatendheid van de bodem (zand) alsook de redelijk lage ligging van de GHG (1,8-mv) zijn diverse hemelwatervoorzieningen mogelijk. De initiatiefnemer heeft de definitieve hemelwaterbergingsvoorziening nog niet uitgewerkt, maar denkt aan het realiseren van een wadi op het voorterrein in combinatie met infiltratiekratten en/of een IT-riool. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om de hemelwaterbergingsopgave te kunnen realiseren. Vanuit het aspect water is het planvoornemen uitvoerbaar. Om te borgen dat de hemelwaterbergingsopgave wordt gerealiseerd en in stand gehouden is hiervoor in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor het overige wordt geadviseerd om bij het ontwerp en de bouw rekening te houden met de toepassing van niet-uitloogbare materialen voor het behoud van een goede waterkwaliteit. Tevens wordt geadviseerd een veilig bouwpeil te hanteren, zodat mogelijke wateroverlast bij extreme buien en bij stijgingen van het grondwater zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Vanzelfsprekend dient daarbij rekening gehouden te worden met de bestaande bouw en hoogteverschillen van het terrein ter plaatse en in de directe omgeving. 4.8.8 Conclusie In deze paragraaf is onderzocht wat de waterhuishoudkundige consequenties zijn van het planvoornemen.
Het relevante waterbeleid is tegen het licht gehouden om te beoordelen wat de belangrijke uitgangspunten zijn met betrekking tot het aspect water. Daarnaast is beoordeeld in hoeverre er mogelijk sprake kan zijn van belemmeringen ten aanzien van eventuele beschermingszones. Ook is beoordeeld en berekend wat de (indicatieve) maatgevende bergingsopgave ter plaatse van het plangebied zal zijn ten gevolge van de toename van verharding van het plan. Gebleken is dat het plangebied niet is gelegen in of nabij een beschermd gebied in het kader van de Keur. De maatgevende bergingscapaciteit voor het op te vangen hemelwater is 168 m3. De waterdoorlatendheid van de bodem en GHG zijn niet belemmerend voor de te kiezen hemelwaterbergingsvoorziening, waarvoor in het plangebied voldoende ruimte aanwezig is. Ter uitvoering en instandhouding van de benodigde hemelwaterbergingsvoorziening is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Geadviseerd wordt om het voorgeschreven waterhuishoudkundig plan en het ontwerp en de aanleg van de betreffende bergings- c.q. infiltratievoorziening uit te laten voeren door een op dit gebied ervaren (civieltechnisch) specialist om te voorkomen dat de toekomstige waterhuishoudkundige voorzieningen onjuist worden gedimensioneerd is.
Voor het overige wordt geadviseerd om bij het ontwerp en de bouw rekening te houden met de toepassing van niet-uitloogbare materialen en een veilig bouwpeil. Het plangebied is voor de afvoer van het afvalwater reeds aangesloten op de gemeentelijke riolering. Hierin vinden geen veranderingen plaats. Water vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.9 Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
45
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
4.9.1 Gebiedsbescherming Er is geen ruimtebeslag op het Natuur Netwerk Brabant van toepassing, waardoor directe negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Brabant uitgesloten zijn. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. De locatie ligt tevens buiten beschermde Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Kampina & Oisterwijkse Vennen op circa 7 kilometer van het plangebied. Omdat het plangebied buiten beschermde gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Tevens kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Wel zijn voor zowel de gebruiks- als aanlegfase berekeningen van de stikstofdepositie op de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden verplicht, waarmee eventuele indirecte effecten op de Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van het planvoornemen inzichtelijk worden. Door Pittiger in planologie zijn deze berekeningen uitgevoerd. Zie bijlage 6 bij deze toelichting. De conclusie van de berekeningen is als volgt: “Het plangebied ligt op circa 7 kilometer van het dichtstbij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen).
Via de AERIUS-calculator is berekend in hoeverre het initiatief voor wat betreft de gebruiks- en realisatiefase invloed heeft op dit Natura 2000-gebied en andere verder weg gelegen gebieden, ook binnen 25 kilometer in het buitenland. Uit de berekeningen volgt dat ten gevolge van de gebruiks- en realisatiefase van het initiatief geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Op basis van de hierboven gepresenteerde gegevens hoeft er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden.” Conclusie Het planvoornemen tast geen Natura 2000-gebieden aan. Voor het aspect gebiedsbescherming is dan ook geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.9.2 Soortbescherming Omdat het plangebied heringericht wordt voor het planvoornemen is het relevant om te bezien of dit al dan niet effect heeft op beschermde soorten. Door Kruidbos ecologisch adviesbureau is in dit kader – en ten behoeve van de eerdere verwijdering van beplanting in het plangebied - een quickscan flora en fauna uitgevoerd.
De quickscan is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7) en kent de navolgende conclusies en aanbevelingen: “Waarnemingen en te verwachten soorten Er is géén beschermde flora waargenomen en deze valt niet te verwachten. Het bosperceel biedt vanwege de aanwezigheid van oude hazelaar, eik en vlier, een relatief hoog aanbod aan voedsel voor verschillende herbivore alsmede carnivore diersoorten aan. In de context van de huidige omgeving is dit van belang. Echter, gelet op het wegvallen van deze context door de realisatie van de beoogde nieuwe woonwijk Aarlense Erven, valt de functionaliteit voor de nu nog aanwezige trofische niveaus grotendeels weg. Een specifieke afhankelijkheid voor beschermde soorten zal dan naar verwachting in de toekomst ontbreken. Het verwijderen van het bosperceel om plaats te maken voor een werkloods zal in de nieuwe context naar verwachting géén bedreiging voor de aanwezige natuur vormen. Deze verdwijnt immers in zijn huidige verschijningsvorm om plaats te maken voor de mens in zijn woonwijk.” “Maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wet Natuurbescherming Algemene zorgplicht: Gelet op het feit dat alle broedende inheemse vogels en hun nesten wettelijk beschermd zijn is het van belang tijdens de broedperiode geen werkzaamheden uit te voeren (ook niet in de vestigingsfase) die leiden tot verstoring van het broedgedrag van betreffende
46
Toelichting "Kapelweg 18, Best", 6 mei 2024
vogelsoort(en). Indien er genesteld wordt buiten het onderzoeksgebied maar in de directe omgeving c.q. invloedsfeer van de te ontplooien activiteiten is het raadzaam om, bijvoorbeeld middels een scherm, het broedgeval af te schermen. Tijdens bouwwerkzaamheden aanwezige dieren dienen gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Indien dieren niet zelfstandig het werkterrein kunnen verlaten dienen deze zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten de ingreep. Voor wat betreft bouwwerkzaamheden is het van belang om nachtelijke verlichting welke van hinder kan zijn voor nacht actieve dieren zoals vleermuizen en uilen te beperken tot een minimum en te richten op de bouwplaats. Noodzaak tot nader onderzoek: Er is géén nader onderzoek noodzakelijk.” Conclusie Het aspect soortbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het planvoornemen is niet strijdig met de Wet natuurbescherming en er is dan ook geen ontheffing nodig om het planvoornemen te kunnen realiseren. 4.9.3 Houtopstanden Binnen het plangebied was een houtopstand aanwezig. Deze was niet beschermd (zoals bedoeld in hoofdstuk 4, artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming). Voorafgaand aan de kap is beoordeeld of sprake zou kunnen zijn van verstoring van soorten, dit was niet het geval. Ook was/is geen sprake meldings- of herplantplicht.