23064.4 - TOELICHTING Broekdijk 12
Tekst van het document
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aspect milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan de wettelijk vastgelegde standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden) dienen vaste afstanden aangehouden te worden. 4.4.1.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. 4.4.1.4
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Op grotere afstand (>250 meter) liggen enkele bedrijven. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Figuur 15: Veehouderijbedrijven in de omgeving (plangebied binnen de rode cirkel)
Binnen een afstand van 400 meter is maar één veehouderij gelegen. Dat betreft Hogevleutweg 7, waar enkel paarden worden gehouden. Op grond van artikel 3 Wgv dient een afstand te worden aangehouden van ten minste 50 meter tot een veehouderij. Het veehouderijbedrijf bevindt zich ruim buiten deze afstand.
4.4.2
Woon- en leefklimaat
4.4.2.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de geurbelasting en het leefklimaat weergeeft. Voorgrondbelasting ≤1
Achtergrondbelasting ≤3
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5
Zeer goed
1,5 - 3
3–7
5 - 10
Goed
4-6
7 – 13
10 - 15
Redelijk goed
7-9
13 – 20
15 - 20
Matig
10 - 13
20 – 28
20 - 25
Tamelijk slecht
14 - 18
28 - 38
25 - 30
Slecht
19 - 24
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
≥ 25
≥ 50
35 - 40
Extreem slecht
Figuur 16: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Navolgend worden de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied beschouwd. 4.4.2.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen met een significantie geuremissie. Op de veehouderij in de omgeving van het plangebied worden alleen maar dieren vergund waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. De voorgrondbelasting zal niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. 4.4.2.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de geurkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (2022), waarop de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt is. Het plangebied is hierop aangeduid.
Figuur 17: Achtergrondbelasting en leefklimaat ter plaatse van het plangebied
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 ouE/m³. Sprake is daarmee van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.4.2.4
Conclusie
De achtergrondbelasting is in onderhavige situatie bepalend voor het woon- en leefklimaat. Ter plaatse van het plangebied is op basis van de achtergrondbelasting sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat.
4.4.3
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
De herontwikkeling van het plangebied naar een woonbestemming mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden
van
omliggende
bedrijven
niet
belemmeren.
De
omliggende
veehouderijen worden echter al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de aanwezigheid van burgerwoningen die gelegen zijn tussen het plangebied en de betreffende veehouderijen. Herontwikkeling van het plangebied naar een woonbestemming belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet meer dan thans het geval is.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bevat richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als gelegen in ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig. De omgeving van het plangebied sluit het meest aan bij de typering voor ‘gemengd gebied’.
Broekdijk 15 Op een afstand van 30 meter ten noordoosten van de toekomstige woning, ligt ‘BestZOO’. Een dergelijk bedrijf (dierentuin) valt binnen milieucategorie 3.2. De factoren ‘geur’ en ‘geluid’ zijn de meeste relevante toetspunten. In het kader van de factor ‘geluid’ dient een afstand te worden van minimaal 50 meter tot een gevoelig object. In gemengd gebied mag deze afstand met één stap worden verlaagd tot 30 meter. Daarmee ligt de woning op exact de aan te houden richtafstand. Daarbij komt dat het desbetreffende perceelsgedeelte van de dierentuin in gebruik is voor de bedrijfswoning. Ter plaatse vinden dan ook geen bedrijfsactiviteiten plaats.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Daarnaast dient de factor ‘geur’ te worden bebouwd. BestZOO heeft recent een eigen ruimtelijke procedure doorlopen, ten behoeve van de uitbreiding. Het bestemmingsplan ‘Uitbreiding BestZoo, De Vleut’ is op 5 februari 2018 door de gemeenteraad van Best vastgesteld. Uit de toelichting bij dit bestemmingsplan volgt: “De volgende richtafstand, met als uitgangspunt gemengd gebied, dient aangehouden te worden vanaf dierenverblijven tot aan bestaande woningen: - Dierenpark, maatgevend aspect geur: 50 m” Navolgende figuur is opgenomen in de toelichting bij dit bestemmingsplan.
Figuur 18: Kaart met contour 50 meter ten opzichte van gevoelige objecten, met aanduiding plangebied
Binnen deze contouren mag de dierentuin geen mestopslag en nieuwe dierenverblijven (dichter bij de woningen dan de bestaande dierenverlijven) realiseren. Daarbij is enkel rekening gehouden met de beoogde uitbreiding. Op een afstand van circa 32 meter tot de nieuwe woning mogen dieren worden gehouden. Dat is binnen de richtafstand van 50 meter. Dat betreft echter een reeds bestaande situatie. Er bevinden zich reeds meerdere woningen binnen deze richtafstand. Derhalve wordt beoogd gemotiveerd af te wijken van de richtstand op grond van volgende redenen:
-
De nieuw toe te voegen woning is niet de maatgevende functie, dat betreffende de adressen Broekdijk 13a en Broekdijk 16;
-
De overwegende windrichting bevindt zich afwaarts van het plangebied; Er worden geen dieren gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld; BestZoo is er bij gebaad het terrein en de inrichting proper te houden. Zowel in het kader van dierenwelzijn en uitstraling voor de bezoekers;
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Verondersteld kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt. Ten zuiden van het plangebied vindt biologische teelt plaats. Het betreft culinaire groenten en historische fruitbomen. Vanwege de aard van de bedrijvigheid wordt geen impact verwacht op de omgeving. De producten worden verkocht op het adres Broekdijk 18. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.6
Besluit m.e.r.
4.6.1
Inleiding
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling.
4.6.2
Toets initiatief
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van één woning binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.
4.7.2
Risico’s
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is in onderhavige situatie niet aan de orde, daar enkel wordt voorzien in de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is enkel sprake van bewoning door één huishouden.
4.7.3
Beleidskader
4.7.3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 4.7.3.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.7.3.3
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
4.7.4
Beoordeling plangebied
4.7.4.1
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het plangebied met zwart is omcirkeld.
Figuur 19: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant
4.7.4.2 4.7.4.2.1
Vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de gemeente Best bevindt zich een spoortracé op een afstand van circa 1.800 meter. Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 995 meter. Het plangebied is daarmee niet binnen het invloedsgebied gelegen. 4.7.4.2.2
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Best zijn de rijksweg A58 en A2 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
De afstand van het plangebied tot Rijksweg A2 bedraagt circa 800 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 880 meter. Deze risicobron is derhalve relevant. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet zal wijzigen kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, in subparagraaf 5.8.6. De afstand van het plangebied tot Rijksweg A58 bedraagt meer dan 4,5 kilometer. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 4000 meter. Deze risicobron is derhalve niet relevant. 4.7.4.2.3
Vervoer over het water
Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 3.100 meter van het Wilhelminakanaal. Als er al een significant transport over dit kanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen. 4.7.4.3 4.7.4.3.1
Kabels en leidingen Buisleidingen
De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een k1 transportleiding tussen Rotterdam en Venlo ten noordoosten van het plangebied. Met een afstand van 2.300 meter is het plangebied gelegen op dusdanig grote afstand dat deze leiding geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. 4.7.4.3.2
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Zuidelijk van het plangebied ligt de hoogspanningslijn Geertruidenberg-Eindhoven-oost op een afstand van circa 100 meter. Dit is een hoogspanningsleiding tussen de plaatsen Geertruidenberg en Eindhoven. De bedrijfsspanning van de lijn bedraagt 380 kV, en de huidige transport-capaciteit is 3 × 1,645 MVA. Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar indicatieve zones. Ten zuiden van het plangebied is een hoogspanningsleiding aanwezig. Het hart van de leiding bevindt zich op 109 meter ten westen van de woning. In het (rijks)beleid rond hoogspanningsleidingen spelen twee zones een rol; de indicatieve zone en de belemmeringenstrook. Op grond van het voorzorgbeginsel, heeft het ministerie van VROM met een brief d.d. 3 oktober 2005 gemeenten, provincies en netbeheerders geadviseerd om nieuwe situaties waarbij kinderen worden blootgesteld aan magneetveld hoger dan 0,4 microTesla (jaargemiddelde) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden.
De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan. Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzes. Dit is de zogenaamde indicatieve zone.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Daarnaast is er de belemmeringenstrook. Binnen deze zone is in principe geen bebouwing (of werkzaamheden) toegestaan en is altijd schriftelijke toestemming van de netbeheerder noodzakelijk. Deze zone is kleiner dan de indicatieve zone en is opgenomen om onder meer het onderhoud aan leidingen te kunnen plegen.
Broekdijk 12 Figuur 20: Uitsnede Netkaart Rivm
De hoogspanningsverbinding ten zuiden van het plangebied kent een indicatieve zone van 100 meter aan weerszijden. De woning binnen het plangebied ligt net (9 meter) buiten deze zone.
4.7.5
Beperkte verantwoording groepsrisico
4.7.5.1
Inleiding
Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan in het kader van de beoogde ontwikkeling worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt niet toe ten gevolge van de wijziging. Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a.
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en
b.
voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.
4.7.5.2
Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost
De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
-
Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.
-
Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De
beleidsregels
staan
op
https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307-
beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf.
-
Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.
Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio
-
Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. Ook wordt verwezen naar NL-alert.
-
Er wordt één extra woning mogelijk gemaakt binnen het plangebied. De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. Daarom kan worden aangenomen dat de bluswatervoorziening toereikend is.
-
De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.
4.7.5.3
Zelfredzaamheid
Het betreft de toevoeging van een burgerwoning. Aangenomen kan worden dat de woning betrokken wordt door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. 4.7.5.4
Aanvullend Advies Veiligheidsregio
Gezien de ontwikkeling is gebruik gemaakt van het standaard advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Er is geen aanvullend advies bij de VRBZO gevraagd.
4.7.6
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.8
Archeologie, cultuurhistorie en aardkundige waarden
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1
Inleiding
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld. 4.8.1.2
Archeologiebeleid gemeente Best
Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijksen provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Onderdeel van het beleidsplan is de ‘Archeologische verwachtingen en waardenkaart’. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven, waarbij het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid.
Figuur 21: Uitsnede Archeologische verwachtingen en waardenkaart
Het plangebied is aangeduid als een locatie waar een ‘hoge verwachting’ geldt. Archeologisch onderzoek wordt dan desondanks niet noodzakelijk geacht, omdat er slechts wordt voorzien in een nieuwe bijgebouw van beperkte omvang.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
In het vigerende bestemmingsplan is voor de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen, en gedeeltelijk de gebiedsaanduiding ‘overige zone – esdekken agrarisch’. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding zullen behouden blijven, waarmee zeker is gesteld dat ook in de toekomst de betreffende archeologische verwachtingswaarde behouden blijft.
4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1
Omgeving plangebied
Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 'sHertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De
Meierij
wordt
gekenmerkt
door
een
kleinschalig
mozaïek
van
oude
en
jonge
ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa's, vooral in de omgeving van 's-Hertogenbosch. Een voorbeeld van een oud landgoed is 't Veldersbosch bij Boxtel.
De landgoederen en buitenplaatsen uit de negentiende en twintigste eeuw liggen vaak op vroegere heidevelden die hun functie voor de boeren verloren hadden door de komst van kunstmest. Tussen Boxtel en Vught liggen verschillende van deze jonge landgoederen en buitenplaatsen, zoals Dommeloord (ook wel Wilhelminapark genoemd), De Oude Hondsberg, Sparrenrijk, Beukenhorst, Halsche Barrier en De Eikenhorst. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel. De grote stedelijke gebieden van 'sVAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. 4.8.2.2
Plangebied
De basis van beoogde herontwikkeling ligt in de cultuurhistorische waardering van het pand Broekdijk 12 als een ensemble met aanliggende elementen. Er is in het vigerende bestemmingsplan (Buitengebied Best 2021) ook een aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ opgenomen op de onderdelen van het ensemble vooruitlopend op voorliggende herbestemming en volgend op het advies van de monumentencommissie. Deze aanduiding is ook gelegd op het pand Broekdijk 12. De betreffende panden zijn ook opgenomen in de door het Monumentenhuis Brabant BV opgestelde rapport Cultuurhistorische waarden in het buitengebied van Best, Een scan van cultuurhistorische waarden van panden, objecten en agrarische bebouwing (2021). Dit rapport is opgesteld met medewerking van medewerkers van de Gemeente Best, Erfgoedvereniging Dye van Best en de Monumentencommissie Best. In dit rapport is het pand als volgt beschreven: ‘Een oorspronkelijk klompenmuseum met betonpannen gedekt schilddak met de nok evenwijdig aan de Broekdijk. De gevels zijn gepotdekseld waarin vensters met roedeverdeling zijn aangebracht. De klompenfabriek dateert uit eind 1970/begin 1980. Het klompenmuseum verwijst naar de klompenfabriek die vanaf 1868 tot tweede helft van 20ste eeuw gesitueerd was rechtsachter de langgevelboerderij op Broekdijk 16.
Het klompenmuseum is rond 1981 ontworpen door architectenbureau Rooijackers uit Best en uitgevoerd in traditionele bouwstijl. In 1999 wordt het museum aan de linkerzijde verlengd ten behoeve van een winkel met opslag. Het klompenmuseum vormt een ensemble met de naastgelegen schuur op Broekdijk 14 en de langgevelboerderij Broekdijk 16.’ Met de beoogde herontwikkeling zullen de cultuurhistorische waarden van het plangebied worden behouden en waar mogelijk worden versterkt middels gerichte aanplant. Herontwikkeling is aan voorwaarden gebonden. De huidige verschijningsvorm aan de straatzijde dient behouden te blijven. Er zijn geen cultuurhistorische waarden die door de beoogde herontwikkeling worden aangetast.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.9
Natuur
4.9.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
4.9.2
Gebiedsbescherming
De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelde sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij.
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Binnen het plangebied wordt een woning toegevoegd binnen de bestaande bouwmassa. Voor de verbouw is geen zware machinerie noodzakelijk. Daarnaast wordt de recreatieve functie detailhandel)
wegbestemd.
Het
aantal
verkeersbewegingen
zal
substantieel
afnemen.
(met De
functiewijziging ziet derhalve niet toe op stikstoftoename. Het toevoegen van een wooneenheid binnen de bestaande woonbestemming heeft geen negatieve gevolgen op omliggende natuurgebieden.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.9.3
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Ter plaatse wordt een woning toegevoegd binnen de bestaande bouwmassa. Na herbestemming zal het pand intern verbouwd worden om het geschikt te maken voor bewoning. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat daarmee nestel- en verblijfplaatsen verloren gaan.
Het dak is reeds geheel betimmerd en er vinden geen significante sloopwerkzaamheden plaats. Navolgend is een foto opgenomen van de binnenzijde.
Figuur 22: Binnenzijde klompenmuseum
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Binnen het plangebied wordt her en der wat bestaande beplanting verwijderd (om plaats te maken voor ander sortiment). Vanuit de algemene zorgplicht dient tijdens de werkzaamheden continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van deze planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord. Behalve de algemene zorgplicht, dient opgemerkt te worden dat de beplanting niet gerooid mag worden indien broedende vogels aanwezig zijn. Dit kan dus alleen buiten het broedseizoen dat indicatief tussen 15 maart en 15 juli valt.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.10
Waterhuishouding
4.10.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.
4.10.2 Relevant waterschapsbeleid 4.10.2.1 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. Er is een B-watergang aanwezig aan de zuidwestkant langs de perceelgrens. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.
Figuur 23: Uitsnede legger
Het onderhoud van de watergang dient mogelijk te blijven na de bouw van het bijgebouw en het planten van groen. Een eventuele aanpassing of demping van een B-watergang is watervergunningplichtig.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.10.2.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1.
hergebruik
2.
vasthouden / infiltreren
3.
bergen en afvoeren
4.
afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect)
5.
afvoeren naar de riolering
De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m² tot en met 10.000 m². Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken.
Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
Met de beoogde herontwikkeling wordt circa 100 m² extra verhard oppervlak voorzien voor het op termijn toevoegen van een bijgebouw. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt dan ook geen compensatie vereist. 4.10.2.3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vanaf 1 januari 2022 geldt het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). Hiermee wil waterschap De Dommel de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. In de komende planperiode, die loopt van 2022 tot en met 2027, starten we met de watertransitie. We zien de wateropgaven niet als een optimalisatieprobleem, maar gaan fundamenteel anders te werk. We ontwikkelen vanuit de huidige situatie (A) naar de gewenste situatie in 2050 (B) via de werkwijze die de gewenste situatie in 2050 (B) vraagt. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van zowel het waterschap, onze gebiedspartners als alle watergebruikers.
Daarbij zullen drie principes inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie. De drie richtinggevende principes zijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan 3. Wat schoon is moet schoon blijven De beoogde herontwikkeling past binnen de gestelde principes voor de komende periode. De toepassing van halfverharding en een laagte in de tuin waar het hemelwater kan infiltreren zijn twee voorbeelden waarmee kan worden bijgedragen aan een klimaatrobuuste inrichting van het plangebied.
4.10.3 Gemeentelijk beleid 4.10.3.1 Water- en rioleringsplan 2016 - 2020 Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente best heeft het ‘Water- en rioleringsplan 2016 – 2020’ opgesteld. Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het verbreed gemeentelijk rioleringsplan en het Waterplan grotendeels overlappen wat betreft de reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. In het Water- en rioleringsplan is een aantal opgaven en speerpunten per aspect weergegeven: -
-
-
Stedelijk afvalwater: o
Inzameling van stedelijk afvalwater;
o
Transport van het stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt;
o
Continueren huidige rioleringszorg.
Hemelwater: o
Inzameling van hemelwater;
o
Verwerken van ingezameld hemelwater;
o
Inspelen op klimaatverandering.
Grondwater: o
Voorkomen van grondwateroverlast.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
-
-
Oppervlaktewater: o
Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur;
o
Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Organisatie en financiën: o
Doelmatige invulling watertaken;
o
Kostendekkende rioolheffing;
o
Toereikende personele capaciteit gemeentelijke watertaken;
o
Samenwerken in de afvalwaterketen;
o
Communicatie naar inwoners en perceelseigenaren intensiveren.
Alle percelen waar afvalwater vrij komt zijn aangesloten op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. In het buitengebied wordt nieuwbouw aangesloten op drukriolering. De lozing van hemelwater hierop is niet toegestaan. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden wordt ingezameld. Om de samenwerking met het waterschap verder te versterken gaat de gemeente Best de komende periode kijken in hoeverre de gemeente eigen hemelwaterbeleid kan koppelen aan de keur van het waterschap. Vooralsnog heeft de gemeente Best daartoe nog geen eigen beleid.
4.10.4 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 13,2 meter boven NAP. De bodem binnen het plangebied betreft een laarpodzolgrond (laarpodzolgronden, lemig fijn zand). Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De GHG ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 60-100 cm-mv, de GLG is gelegen tussen 200-250 cm-mv.
Figuur 24: Hoogste grondwaterstand ter plaatse van het plangebied
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.10.5 Hemelwaterafvoer na ontwikkeling Het verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied zal met de beoogde herontwikkeling met circa 100 m² toenemen. Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Om overlast op eigen terrein te voorkomen, kan op vrijwillige basis een infiltratievoorziening worden aangelegd.
4.10.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.11
Gezondheid
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Het aspect ‘gezondheid’ is in het kader van de beoogde herontwikkeling dan ook geen bezwaar.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
4.12
Gewasbeschermingsmiddelen
Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Een kleinere afstand is mogelijk mits dat goed onderbouwd wordt. De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor fruitbomen, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten, zoals bijvoorbeeld bij aardbeien, maar ook zij- en opwaarts. Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt meer drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% drift-arm gespoten worden.
Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Wel worden de gronden achter het plangebied gebruikt voor biologische teelt. Vanwege de aard van de producten wordt daar niet of nauwelijks gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. De (op termijn) te realiseren woning wordt opgericht te midden van bestaande woningen en in een bestaande bouwmassa. Direct grenzend aan het teeltgebied zijn daarmee reeds woningen gelegen. Deze woningen bevinden zich nagenoeg even dicht of dichter tot het boomteeltontwikkelingsgebied gelegen dan de nieuwe woning. Ter plaatse van deze woningen dient een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd te zijn bij gebruik van drift. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
5.
WIJZE VAN BESTEMMEN
5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan ‘Broekdijk 12Best’ bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangeduid met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie.
5.2
Algemene toelichting verbeelding
De analoge verbeelding bestaat uit een verbeelding, schaal 1:500. De bestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ zijn opgenomen. Op de verbeelding is tevens een plangrens en diverse gebieds- en functie aanduidingen opgenomen.
5.3
Algemene toelichting regels
De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de anti-dubbeltelbepaling en algemene bouwregels. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en is de slotregel opgenomen.
5.4
Toelichting bestemmingen
5.4.1
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en in samenhang daarmee aan huis verbonden beroepen met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.4.2
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid en Grexwet
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van onderhavig plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Best zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten voor de herontwikkeling verhalen op de initiatiefnemer . De initiatiefnemer zal met de gemeente Best een anterieure overeenkomst voor de planontwikkeling sluiten. Tevens zal door de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente Best waarin is bepaald dat de initiatiefnemer de kosten voor rekening neemt.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen kan een heroverweging op onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best - Toelichting
7.
PROCEDURE
7.1
Inleiding
De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
-
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de ge-
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend
meenteraad het bestemmingsplan vast; gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; -
Gedeputeerde Staten of het rijk hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of
-
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het
niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten of het rijk - wijzigingen aangebracht. Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
7.2
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Volgens artikel 3.1.1 Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarover overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen, en diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel zijn in het kader van dit bestemmingsplan betrokken bij het vooroverleg. Provincie Noord-Brabant geeft aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Wel wordt verzocht om duidelijker aan te geven dat de omzetting van een klompenmuseum naar een woning onder de noemer beeldbepalend gebouw wordt gerealiseerd. Waterschap De Dommel geeft eveneens aan in te stemmen met het planvoornemen. Wel is op verzoek van het waterschap de het Waterbeheerplan concreter beschreven. Beide aandachtspunten zijn verwerkt.
7.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Broekdijk 12’ Best heeft met ingang van 5 juli 2023 tot en met 15 augustus 2023 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
56