CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

23054.4 - Rapportage bevindingen 'Naar een tactische uitwerking van de vergrijzingsopgave'

Raadsvergadering 30 oktober 2023, gemeente BestBij agendapunt: 23054 - Rekenkamerrapport 'Naar een tactische uitwerking van de vergrijzingsopgave'14.468 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bevindingen en bijlagen bij het rapport ‘Naar een tactische uitwerking van de vergrijzingsopgave’ Onderzoek naar het beleid voor oudere inwoners

September 2023

INHOUDSOPGAVE

1.

2

AANPAK VAN HET ONDERZOEK EN OPZET VAN DE RAPPORTAGE.................................................. 3 1.1

De aanpak van het onderzoek ................................................................................................. 3

1.2

De opzet van de rapportage .................................................................................................... 3

DEMOGRAFISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN ...................................................... 3 2.1

De demografische ontwikkelingen .......................................................................................... 3

2.2

De consequenties van de demografische ontwikkelingen ...................................................... 5

2.2

De consequenties van de demografische ontwikkelingen ...................................................... 6

2.3

Landelijk gesignaleerde ontwikkelingen en richtingen ........................................................... 6

2.3.1

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ........................................................ 6

2.3.2

Commissie toekomst zorg thuiswonende ouderen......................................................... 7

2.3.3

Ministerie van VWS ......................................................................................................... 8

2.4 3

4.

5.

Conclusies demografische en maatschappelijke ontwikkelingen ........................................... 9

HET BELEID .................................................................................................................................... 10 3.1

Aandacht voor vergrijzing op de verschillende beleidsterreinen.......................................... 10

3.2

Richtinggevend karakter van het beleid................................................................................ 11

3.3

De benoeming van de rollen ................................................................................................. 12

3.4

Conclusies over het beleid..................................................................................................... 12

DE DOORWERKING VAN HET BELEID IN DE PRAKTIJK ................................................................... 14 4.1

De uitvoering in de lijn van de doelen................................................................................... 14

4.2

Resultaten van het beleid...................................................................................................... 14

4.2.1

Activiteiten .................................................................................................................... 15

4.2.2

Aandachtspunten voor beleidsuitvoering ..................................................................... 17

4.3

Goede voorbeelden ............................................................................................................... 19

4.4

Conclusies over het beleid in praktijk ................................................................................... 21

DE MONITORING EN STURING ...................................................................................................... 22 5.1

De monitoring en eventuele bijstelling in beleid en uitvoering ............................................ 22

5.2

Conclusies rondom monitoring en sturing ............................................................................ 23

BIJLAGEN ............................................................................................................................................... 24 Bijlage I

Geïnterviewde personen ............................................................................................... 25

Bijlage II

Passages uit beleidsdocumenten .................................................................................. 26

Bijlage III

Aandachtspunten uit de werksessie.............................................................................. 32

Bijlage IV

Reactie van het college van B&W.................................................................................. 34 2

1.

AANPAK VAN HET ONDERZOEK EN OPZET VAN DE RAPPORTAGE

1.1

De aanpak van het onderzoek

In het onderzoeksprogramma 2022 van de RKC is het onderwerp ‘seniorenbeleid in Best’ opgenomen. De sterke vergrijzing van de bevolking vraagt beleidsmatig om vele en veelsoortige antwoorden. Welke antwoorden er in Best zijn en welke worden gezocht vormen de kern van dit onderzoek. Het onderzoek is als volgt aangepakt:  Gestart is met een verkennend overleg met de bij het seniorenbeleid betrokken ambtenaren.  Vervolgens zijn de relevante documenten verzameld en geanalyseerd.  Als aanvulling en verdieping op de documentenanalyse zijn interviews gehouden met ambtenaren en de wethouder, maar ook met externe organisaties, die een rol spelen bij het seniorenbeleid. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de geïnterviewden.  Vervolgens is een werksessie belegd, waarin de eerste bevindingen zijn gepresenteerd en gediscussieerd over de aanpak van het toekomstig seniorenbeleid.  Op basis van de conclusies uit het concept rapport is overlegd met contactambtenaren voor dit onderzoek.  De opbrengsten uit voorgaande informatiebronnen zijn vervat in een concept rapportage, die vervolgens in het kader van de hoor- en wederhoorprocedure is aangeboden aan het college van B&W. De resultaten van de hoor- en wederhoor procedure zijn verwerkt in het onderhavige eindrapport.

1.2

De opzet van de rapportage

Deze bevindingenrapportage behoort bij het Kernrapport ‘Naar een tactische uitwerking van de vergrijzingsopgave’. In die kernrapportage wordt per onderzoeksvraag verwezen naar de meer uitgebreide beschrijving van de bevindingen in dit onderzoek, zoals opgenomen in deze rapportage. Dit is vooral bedoeld als achtergrondinformatie voor degenen, die zich meer willen verdiepen in de resultaten van het onderzoek en de context van de conclusies en aanbevelingen. In deze Bevindingen rapportage wordt de volgorde van de onderzoeksvragen aangehouden. Dit betekent dat achtereenvolgens wordt ingegaan op de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen, het beleid, de doorwerking van het beleid in de praktijk, de monitoring en sturing en de lessen voor de toekomst.

2

DEMOGRAFISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN

In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de volgende onderzoeksvraag: Welke demografische en maatschappelijke ontwikkelingen zijn te onderkennen?

2.1

De demografische ontwikkelingen

Op 1-1-2022 heeft de gemeente Best 30.3225 inwoners. De provinciale prognoses geven aan dat dit doorgroeit naar 32.080 inwoners in 2030 en 33.695 in 2040. Het aandeel senioren (inwoners van 60 jaar en ouder) neemt in verhouding sterk toe. 3

Onderstaande tabel geeft daarvan een beeld. Daaruit blijkt dat het aantal personen van 60 jaar of ouder toeneemt van 28% (2022) naar 33% ofwel ruim 11.000 personen in 2040. Het aandeel van de 70 plussers neemt in die periode toe van ruim 14% naar ruim 21%.

De ontwikkeling van het aantal senioren Januari 2022

Januari 2030

Januari 2040

60-64 jaar

2.225

(7%)

2.500

(8%)

1.675

(5%)

65-69 jaar

1.810

(6%)

2.320

(7%)

2.070

(6%)

70-74 jaar

1.580

(5%)

1.925

(6%)

2.280

(7%)

75-79 jaar

1.205

(4%)

1.530

(5%)

2.000

(6%)

80-84 jaar

850

(3%)

1.165

(4%)

1.480

(4%)

85-89 jaar

490

(2%)

635

(2%)

955

(3%)

90-94 jaar

170

(0,5%)

295

(0,9%)

455

(1%)

95+

35

(0,1%)

65

(0,2%)

115

(0,3%)

totaal

8.365 (28%)

10.435 (33%)

11.030 (33%)

In de Quickscan woningmarkt (2020) van Companen wordt gesteld: ‘De komende 20 jaar neemt het aandeel 65-plus huishoudens sterk toe van 29 procent in 2020, 34 procent in 2030 tot 39 procent in 2040. In omvang wordt deze groep huishoudens groter dan het aantal gezinnen. Het aandeel gezinnen blijft de komende 20 jaar min of meer gelijk. Het aandeel huishoudens tot 65 jaar neemt af van 33 procent in 2020 naar 24 procent in 2040. Er vindt tegelijkertijd vergrijzing en ontgroening plaats.’ Onderstaande beelden illustreren deze ontwikkelingen ook.  In de eerste figuur is de toenemende vergrijzing en ontgroening in Best te zien.  In de tweede figuur komt naar voren dat het aandeel van 65 plussers in Best sterker toeneemt dan in Zuidoost Brabant en Nederland.  In de derde figuur is te zien dat het aandeel 80 plussers zich ontwikkelt naar het landelijk gemiddelde, waar dat afgelopen jaren nog lager lag.

4

Ook de zogenaamde bevolkingspiramide illustreert deze ontwikkelingen Onderstaande figuren met de bevolkingsopbouw in de jaren 1990, 2015 en 2030 laat de ‘vervorming’ van de ‘bevolkingspiramide’ zien. Het aandeel van de 60 plussers neemt sterk toe.

Per wijk zijn er grote verschillen in de mate van vergrijzing. Vergrijzende wijken als Wilhelminadorp en Naastenbest, Centrum en Oud Best, Hoge Akker en Kantonnier kennen een relatief hoog aandeel senioren in de bevolkingssamenstelling.

2.2

De consequenties van de demografische ontwikkelingen

De hiervoor aangegeven demografische ontwikkelingen hebben hun doorwerking op tal van beleidsterreinen. Zo wordt de druk op de zorg groter. Onderstaande figuur (uit een ambtelijke notitie van de gemeente Best) geeft een doorkijk op de verwachte zorgvraag in het kader van de WMO in Best. Daaruit valt op te maken dat ten opzichte van de kosten in 2020 (bij ongewijzigd beleid) in 2030 bijna een verdubbeling optreedt van 4,9 miljoen naar 9,5 miljoen.

5

2.2

De consequenties van de demografische ontwikkelingen

In het ‘behoefte onderzoek senioren Best’ (M Kardol, juli 2021) komt naar voren dat de toenemende vergrijzing op tal van levensdomeinen invloed heeft en vraagt om ‘passende maatregelen’, die kunnen bijdragen aan een gelukkig leven van senioren. Op de verschillende levensdomeinen als wonen, gezondheid, sociaal culturele en maatschappelijke participatie worden op basis van het onderzoek aanbevelingen gedaan. Ook in de ‘Gezondheidsmonitor 65 jaar en ouder’ (GGD ZO Brabant, 2020/2021) worden deze consequenties voor Best zichtbaar. Zo is 11% van de senioren ernstig beperkt in de activiteiten vanwege gezondheid. 16% heeft weinig regie op het eigen leven en 26% beschouwt zich als een kwetsbare oudere. In de interviews is ook veelvuldig gewezen op de forse consequenties van de vergrijzing. Opgemerkt wordt dat de stijgende kosten en het gebrek aan personeel om ‘dappere keuzes’ vragen. Gesteld wordt: ‘We merken nu al dat als mensen (tijdelijk) meer zorg nodig hebben, zij geen plek hebben in het verpleeg- of verzorgingshuis. Ook duurt het heel lang voordat je de zorg aan huis kunt krijgen die je nodig hebt. Die loopt via de Wmo. Langer zelfstandig thuis wonen vraagt om een zorgstructuur die beter is dan de zorgstructuur die nu aanwezig is. Je moet nu 8 weken wachten op wmo hulp in huis, terwijl je naar huis moet om te herstellen van je operatie.

Wanneer senioren uitbehandeld zijn in een ziekenhuis en weer naar huis zouden kunnen, ontbreekt voldoende thuiszorg om verantwoord die stap zetten. Veel senioren houden daardoor kostbare ziekenhuisbedden onnodig bezet.’ Op dit moment is al duidelijk, zo wordt opgemerkt, dat de professionele zorg de toenemende vraag niet aan gaat kunnen. Dan moet gezocht worden naar andere oplossingsrichtingen. ‘Dat betekent dat je na moet denken op welke manier je in de informele zorg een serieuze plek geeft binnen de professionele zorg. We hebben weinig om die informele zorg te stimuleren. Maar hier moet je wel over nadenken. Het gaat om de vraag hoe kun je de informele zorg complementair kunt maken aan de professionele zorg en hoe kunnen de sociale structuren worden geëxpliciteerd?’

2.3

Landelijk gesignaleerde ontwikkelingen en richtingen

Het thema vergrijzing vormt object van onderzoek op landelijke niveau. Hierin zijn ook belangrijke aandachtspunten gelegen voor het lokale beleid en de lokale uitvoering. Op enkele van de verschenen rapporten wordt hierna ingegaan. 2.3.1 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft een interessante en alarmerende analyse gemaakt van de zorgvraag, mede in relatie met de vergrijzing. Het rapport heeft de titel ‘Kiezen voor houdbare zorg. Mensen middelen en maatschappelijk draagvlak’. Zij adresseren een aantal ontwikkelingen die essentieel zijn in het denken over houdbare zorg: 

Stijgende zorgvraag Geconstateerd wordt dat de samenleving steeds meer zorg gebruikt dat die zorgvraag ook de komende decennia blijft stijgen, door vergrijzing, toenemende welvaart en technologische ontwikkelingen. Het WRR rapport merkt in dit verband op: ‘Door de vergrijzing wordt de groep ouderen steeds groter terwijl ook hun gemiddelde leeftijd stijgt. We spreken dan van ‘dubbele vergrijzing’. Steeds meer mensen hebben bovendien meerdere aandoeningen. Ook economische ontwikkelingen spelen een rol in de stijgende zorgvraag: naarmate we welvarender worden, neemt de vraag naar zorg sneller toe. En 6

technologische ontwikkelingen drijven de vraag naar zorg op, doordat zij zorgverleners in staat stellen patiënten beter te helpen. Verder neemt het gebruik van de jeugdzorg en de basis-ggz sterk toe, en vormen sociaaleconomische gezondheidsverschillen een hardnekkig probleem. Tot slot nemen de verwachtingen in de samenleving toe over wat de zorg moet bieden.’ Stijgende zorguitgaven In het verlengde hiervan nemen ook de kosten voor deze zorg immens toe. Aangegeven wordt dat naar verwachting de zorguitgaven tussen 2015 en 2060 stijgen van 12,7 procent naar meer dan 20 procent van het bruto binnenlands product. In absolute zin komt dat neer op een verdrievoudiging van de zorguitgaven per hoofd van de bevolking. Gebrek aan arbeidskrachten in de zorg Ook de personele houdbaarheid staat onder druk door de verdringing. Het WRR rapport stelt in dit verband: ‘Het percentage mensen dat in de zorg werkzaam is, is sinds begin jaren zeventig toegenomen van bijna 7 naar ruim 15 procent. Werkt nu ongeveer één op de zeven werknemers in de zorg, over veertig jaar moet dat één op de drie werknemers zijn om in de zorgvraag te kunnen voorzien. Zelfs als de arbeidsdeelname sterk zou stijgen, dan nog kan bij de verwachte omvang van de beroepsbevolking waarschijnlijk niet aan de toenemende arbeidsvraag voor de zorg worden voldaan.

Een dergelijk groot beslag op de arbeidsmarkt, bij een teruglopende beroepsbevolking, leidt bovendien tot concurrentie om het schaarse personeel met andere (publieke) sectoren. Dit maakt de personele houdbaarheid tot een urgenter probleem dan de betaalbaarheid.’ Noodzaak van aanvullende strategie De houdbaarheid van de zorg is niet op te lossen door een grotere doelmatigheid en behoud en werving van meer zorgpersoneel. Gepleit wordt door de WRR voor een aanvullende strategie, die gebaseerd is op drie pijlers:  Versterk het maatschappelijk draagvlak voor scherpere keuzes;  Maak scherpere politieke keuzes voor houdbare zorg;  Versterk het uitvoerend vermogen om beter te kiezen over de afbakening van collectieve zorg.’ Wat betreft het laatste punt wordt in het WRR rapport opgemerkt: ‘Om de groei van de zorg op een verstandige manier te begrenzen en te sturen is het in de eerste plaats nodig de collectieve aanspraken op een weloverwogen manier af te bakenen. Dat vergt een beter pakketbeheer - welke zorg moeten we als samenleving opbrengen, welke niet? - zowel in de curatieve zorg als daarbuiten. De WRR adviseert daarom om de (kosten)effectiviteit voor een groter deel van de (nieuwe) zorg expliciet te beoordelen, niet alleen binnen de curatieve zorg (de Zorgverzekeringswet) maar ook binnen andere sectoren en stelselwetten, zoals de langdurige zorg (wlz), de ggz en de jeugdzorg.’

2.3.2 Commissie toekomst zorg thuiswonende ouderen In juni 2020 heeft deze commissie een advies uitgebracht onder de titel ‘Oud en zelfstandig in 2030; aangepast reisadvies’. Daarin worden ondermeer geadviseerd: 

Ga (ver)bouwen. Daarmee wordt beoogd: ‘De fysieke woon- en leefomgeving is voor ouderen cruciaal om zelfstandig te kunnen (blijven) wonen en zo min mogelijk afhankelijk te worden van zorg. Nieuwe woonvormen, tussen het aloude eigen huis en verpleeghuis in, kunnen een oplossing bieden. Te midden van alle problemen op de woningmarkt wordt er ook voor ouderen veel te weinig gebouwd en 7

verbouwd. Met als gevolg niet alleen een suboptimaal woningaanbod voor ouderen, maar ook een belemmering van de doorstroming op de woningmarkt. Ga digitaal! ‘Die aanbeveling is niet alleen gericht aan aanbieders van professionele zorg en ondersteuning, voor wie ‘digitaal het nieuwe normaal’ moet worden. Ook ouderen zelf zullen veel meer gebruik moeten maken van digitale technologieën, om hun dagelijks leven makkelijker en aangenamer te maken. Grootschalig gebruik kan leiden tot meer eigen regie, een hogere kwaliteit van leven en een doelmatiger inzet van schaarse zorgverleners. Het is een van de weinige oplossingsrichtingen die kan leiden tot een grotere intensiteit en hogere kwaliteit van zorg zónder inzet van meer arbeidskrachten en zonder de daaruit voortvloeiende verergering van het probleem van de betaalbaarheid en organiseerbaarheid van de zorg. Maar ook als het lukt om voor genoeg geschikte woningen te zorgen en het normaal wordt om digitaal te leven en te zorgen, zullen er veel ouderen zijn die persoonlijke professionele zorg en ondersteuning nodig hebben. Daarop richt zich onze derde belangrijke advies.´ Werk samen! ´We zullen de komende decennia in de zorg voor ouderen moeten woekeren met schaarse middelen, zowel wat betref de financiën als minstens zozeer de mensen.

Gegeven die krapte is lokale en regionale samenwerking, teneinde schaarse middelen doelmatig te kunnen inzetten, belangrijker dan keuzevrijheid en concurrentie.’

2.3.3 Ministerie van VWS In juli 2022 heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een rapport uitgebracht onder de titel: ‘Wozo, Programma Wonen, zorg en Ondersteuning’. Onder de noemer ‘Op weg naar het nieuwe normaal’ wordt gesteld:  ´De oudere´ bestaat niet ‘Ouderen willen kunnen rekenen op ondersteuning en zorg die past bij hun situatie. ‘De oudere’ bestaat niet. Voor vitale ouderen geldt dat ondersteuning en zorg niet of nauwelijks nodig is en slechts dient om hen in staat te stellen zelfstandig te blijven leven en weer mee te doen. Zij willen daarom bij voorkeur in hun eigen omgeving blijven wonen en vinden dat de ondersteuning en zorg hen niet in de weg moet staan om het leven in te richten op de manier waarop zij dat willen.´  Diverse groepen ´We zien verschillen in (groepen) ouderen. Dit hangt samen met waar zij wonen, wat hun achtergrond is en nog belangrijker: hoe zij voor het oud worden hun leven invulden (bijvoorbeeld levenshouding en andere culturele achtergrond kunnen een specifieke aanpak vereisen).´  Persoonsgerichte aanpak ´Ouderen verschillen in hun mogelijkheden om hun leven zelf goed vorm te geven, hun netwerk, hun vaardigheden om gebruik te maken van digitale toepassingen en hun financiële mogelijkheden. Wat zij wel gemeen hebben is dat iedereen oud wil worden, maar niemand oud wil zijn.

Mensen willen zo lang mogelijk zelfstandig zijn, regie houden op hun eigen leven en wonen op een plek waar ze zich thuis voelen. Van belang is dat we samen met de sector zoeken naar een persoonsgerichte en effectieve aanpak.´  De kracht van ouderen ´De afgelopen 70 jaar is de gemiddelde levensverwachting gemiddeld met 10 jaar toegenomen, waarbij ook de als goed ervaren gezondheid is toegenomen. Ouderen leven dus steeds langer in als goed ervaren gezondheid. Ze willen blijven participeren en niet afgeschreven worden. Zij willen op hun kracht en verantwoordelijkheid aangesproken worden. Zij hebben levenservaring en wijsheid, die zij kunnen overdragen aan de jongere generaties door bijvoorbeeld te fungeren als opleider, mentor, oppas en vrijwilliger. Alleen al 8

vanwege de groei van deze groep, zullen zij hun wensen over de inrichting van de samenleving steeds sterker naar voren brengen.´ Digitaal vaardig ´De digitale vaardigheden en mogelijkheden van ouderen zullen toenemen. De toegang tot internet vergroot het (gemiddelde) vermogen van ouderen om informatie tot zich te nemen, regie te voeren en gebruik te maken van technologische en sociale innovaties, waaronder mogelijkheden om afhankelijkheid van zorg te verminderen.’

Met het WOZO programma wordt beoogd een bijdrage te leveren ‘aan een brede maatschappelijke beweging, om een omslag te maken in de organisatie van ondersteuning en zorg. Het is een omslag naar ondersteuning en zorg, die zich aanpast op de veranderde voorkeuren van ouderen en daarmee de financiële en personele houdbaarheid bevordert. Dat is een omslag voor vele partijen, incl. de overheid’.

2.4

Conclusies demografische en maatschappelijke ontwikkelingen 

   

Zoals in heel Nederland is ook in Best sprake van een forse vergrijzing. Zo neemt het aandeel 60 plussers in de bevolking vanaf nu tot 2040 toe met 5%. Dat betekent een toename van ruim 8300 naar ruim 11.00 personen. De relatieve toename van 70 plussers is met 7% zelfs nog sterker. In die zin is sprake van een dubbele vergrijzing. Met name in vergrijzende wijken als Wilhelminadorp en Naastenbest, Centrum en Oud Best, Hoge Akker en Kantonnier worden de oplossingen steeds urgenter. Diverse onderzoeken laten zien dat deze vergrijzing forse consequenties heeft op tal van levensdomeinen, zoals wonen, gezondheid en zorg, welzijn, maatschappelijke participatie, sociaal-culturele participatie, e.d. . Gelet op de vergrijzingsopgave, de toenemende budgetten en het structureel gebrek aan personeel zijn fundamentele keuzes onvermijdelijk. In de gesprekken en in landelijke studies klinkt dit duidelijk door. Ook lokaal zal daarop moeten worden ingespeeld, bijvoorbeeld door sociale structuren in de wijken te versterken, de samenwerking tussen professionals en vrijwilligers te verstevigen, gebiedsgerichte afstemmingen tussen wonen en diverse zorgvormen, e.d. .

9

3

HET BELEID

In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen over het beleid:  Is er in het beleid op de verschillende terreinen aandacht voor de demografische ontwikkelingen?  Zijn de beleidsdoelen concreet en duidelijk richtinggevend voor de uitvoering?  Zijn de rollen en de beoogde bijdragen van de betrokken spelers in het beleid expliciet benoemd?

3.1

Aandacht voor vergrijzing op de verschillende beleidsterreinen

In Best wordt in tal van beleidsnota’s, notities en producten uit de P&C cyclus ingegaan op de vergrijzing in Best. In bijlage 2 wordt uitgebreider ingegaan op deze beleidsproducten. Het gaat om:  De beleidsnota Wonen en Zorg (2016);  Wonen met visie (2017);  Notitie Integraal Sociaal Domein: beleid in uitvoering;  Beleidsakkoord 2022-2026, ‘We doen het samen’ (2022);  Begrotingen 2022 en 2023 (2021 respectievelijk 2022);  Subsidie uitvraag volwassenen (2022);  Projectplan aanpak seniorenbeleid (2022)  Regionale aanpak ‘Precies’ (2021). In deze beleidsproducten komen vaak dezelfde beleidsuitgangspunten en doelen terug. In dat opzicht is er sprake van consistentie in de visie op de vergrijzingsopgave. Wel is het zo dat het beleid zich vooral beweegt op het strategisch niveau. Veelal gaat het om ambities en uitgangspunten in algemene zin. Het hoge abstractieniveau leidt ertoe dat men er niet tegen kan zijn, maar gelijktijdig is er veel ruimte voor de uitwerkingsrichtingen. In dat opzicht laat het beleid hoe om te gaan met de vergrijzingsopgave nog veel speelruimte. Dezelfde trefwoorden komen vaak terug en vormen als het ware de rode draden voor het seniorenbeleid in Best. Hoewel daarbij wordt aangetekend dat in Best geen specifiek beleid voor de doelgroep senioren is geformuleerd.

Een dergelijke doelgroepenbeleid wordt door de meeste gesprekspartners ook niet voorgestaan. De algemene uitgangspunten over het inclusief beleid worden ook van toepassing geacht op senioren. Wel is het zaak de doorvertaling naar de uitvoering scherp te maken, zo wordt gesteld. Vanuit het leidend beginsel ‘inclusief beleid’ vormen de volgende trefwoorden de rode draden in het beleid op sociaal terrein en ook voor de doelgroep senioren:  Inclusieve samenleving;  Een passende woning en woonomgeving;  Een sterke sociale basis en sociale infrastructuur;  Meer aandacht voor preventie;  Grote betekenis van vrijwilligers verenigingen en mantelzorgers;  Samenwerking tussen professionals onderling en met vrijwilligers;  Oog voor de kostenstijgingen. Er zijn dus tal van documenten en beleidsstukken die richting geven aan hoe Best in wil spelen op de vergrijzing. Hoewel een overkoepelend seniorenbeleid in Best ontbreekt, zien we door de verschillende beleidsstukken heen continuïteit in het denken over de (dubbele) vergrijzing en globale antwoorden daarop. Het beleid is echter vooral op een hoog abstractieniveau geformuleerd en weinig 10

concreet. Met de strategie op hoofdlijnen is echter nog geen zicht op de tactische uitwerking naar de uitvoering van het beleid. Hierop wordt nader ingegaan in de volgende paragraaf.

3.2

Richtinggevend karakter van het beleid

Met de hiervoor benoemde beleidsdocumenten en trefwoorden zijn ook richtingen herkenbaar voor het seniorenbeleid in Best. In enkele programma’s in de begrotingen zijn doorvertalingen te zien aan de hand van enkele indicatoren. Ook worden voornemens en acties benoemd, die duidelijk in het verlengde liggen van de meer algemeen geformuleerde uitgangspunten. Een dergelijke specificatie van acties kan ook worden gezien in het uitvoeringsprogramma bij de toenmalige Nota Wonen en Zorg. Maar dit uitvoeringsprogramma is ‘verwaterd’, in die zin dat het niet actueel gehouden is. Het werken met een uitvoeringsprogramma kan een prima verbinding vormen tussen de meer algemene uitgangspunten, zoals in paragraaf 3.1 benoemd, en de (jaarlijkse) activiteiten van de vele spelers, die bij het seniorenbeleid betrokken zijn. Dat komt in de interviews duidelijk naar voren. Op dit moment is sprake van een gat tussen het strategische en operationele niveau. Aan de ene kant worden algemene uitgangspunten en abstracte doelen geformuleerd, aan de andere kant is sprake van een veelheid van activiteiten. Activiteiten, die door tal van spelers ter hand worden genomen. Een systematische doorvertaling van het strategische niveau naar het tactische niveau en vervolgens het operationele niveau vindt niet herkenbaar plaats.

Dat betekent ook dat de afwegingen en prioriteiten in de aanpak weinig expliciet worden afgewogen. Ook in de gesprekken komt naar voren dat het overzicht en het zicht op de samenhang ontbreekt: inzicht dat noodzakelijk is om tot goede afwegingen te komen. Een dergelijke afweging en prioritering wordt vooral ook van belang geacht om de middelen daar in te zetten, waar de nood het hoogst is door eenzaamheid, armoede en het ontbreken van participatiemogelijkheden. In de gesprekken wordt gepleit voor meer focus. Op dit moment zijn ‘er wel heel veel bloemen, die bloeien’. Ook in dat opzicht zou een tactisch programma een goede rol kunnen spelen. Zo wordt opgemerkt: ‘Er bestaat een gat tussen het hoge intentionele niveau (de ambities) daar kan niemand wat tegen hebben. Maar de tactische vertaling en de operationalisering daar lees ik niets over. Wanneer vaststellen van het intentionele niveau leidt tot een operationalisering, dan breng je het verder. Waar je naar uitkijkt is een hands on vertaling: Waar gaan we nu mee beginnen. Ik zie hoe Best het doet en hoe andere gemeenten het doen. In Best zijn de ambtelijke processen nog niet in uitgelijnd (om het voornoemde vorm te geven).’ In de gesprekken wordt er overigens ook op gewezen dat een dergelijk tactisch programma de mogelijkheid biedt om beter in te spelen op de signalen van onderop en vanuit de uitvoering.

Benutting van deze ervaringskennis wordt van groot belang geacht. In de interviews is ook de vraag gesteld of een specifiek seniorenbeleid wenselijk is. Hoewel de antwoorden daarover uiteen lopen, zijn de meeste geïnterviewden geen voorstander van een specifiek doelgroepenbeleid. Dat wil niet zeggen dat er geen specifieke beleidsuitspraken voor senioren wenselijk zijn. De vergrijzingsopgave vraagt daar ook om. De meesten geven de voorkeur voor een breder geformuleerd inclusiebeleid, dat ervan uitgaat dat alle inwoners van Best, met of zonder beperking, mee kunnen doen in de samenleving. Daarmee wordt ook uitdrukking gegeven aan de grote diversiteit in de doelgroep senioren. Diversiteit bijvoorbeeld in termen van gezondheid en zorgbehoefte, leefstijl, woonsituatie, activiteiten, culturele voorkeuren , e.d.; de oudere bestaat niet. Dat betekent dat voor veel ouderen een beleid volstaat zoals voor andere volwassen inwoners van Best. 11

Dat laat onverlet dat actief ingespeeld moet worden op de sterke vergrijzing en de consequenties daarvan, zoals die in de voornoemde landelijke studies zijn benoemd. Dat kan echter prima als onderdeel van inclusief beleid, zo wordt opgemerkt.

3.3

De benoeming van de rollen

Steeds meer functioneert de gemeente als onderdeel in een netwerksamenleving. Dat geldt uitdrukkelijk ook bij de formulering en de uitvoering van de vergrijzingsopgave. Juist in dat dichte stelsel van vele spelers is het van belang dat de rollen en verwachtingen naar elkaar helder zijn. Gedoeld wordt hierbij op de rollen van ondermeer: inwoners , maatschappelijke organisaties als KBO, PVBE, Seniorenraad, Gehandicaptenplatform, Adviesraad Sociaal Domein, professionele organisaties als Lumens, LEV groep, woningcorporaties en diverse gemeentelijke teams. Een goed samenspel begint met een duidelijke definiëring van de rollen. Uit de documentenanalyse en ook uit de gesprekken blijkt dat het hieraan nogal eens ontbreekt. In het tot nu toe geformuleerde beleid krijgt de roluitwerking (zowel intern als extern) weinig aandacht. Soms wordt in het beleid wel verwezen naar externe partners als de LEV groep, Lumens, woningbouwcorporaties, KBO, PVBE, Seniorenraad, Gehandicaptenplatform, vrijwilligers, e.d. . Voor sommige van deze spelers wordt in de subsidievoorwaarden ingegaan op de bijdrage, die van hen wordt verwacht, maar dat geldt zeker niet voor alle partners. Het samenspel tussen deze partners – ieder vanuit de eigen rol - is daarmee weinig uitgelijnd.

Wat betreft de uitvoering bestaat bij verschillende geïnterviewden het beeld dat er nogal wat overlap in activiteiten plaatsvindt bij de verschillende vrijwilligersorganisaties en professionele organisaties. Gesteld wordt dat niet steeds duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Meer overzicht en een duidelijke omschrijving van rollen van de verschillende spelers kan hierbij helpen.

3.4

Conclusies over het beleid 

In tal van gemeentelijke beleidsnota’s en notities wordt ingegaan op de vergrijzingsopgave in Best. Dit beleid is echter vooral geformuleerd in termen van intenties en uitgangspunten. Leidend beginsel daarbij is het inclusief beleid. Trefwoorden daarbij zijn: inclusieve samenleving, een passende woning en woonomgeving, een sterke sociale basis en sociale infrastructuur, meer aandacht voor de preventieve aanpak, grote betekenis van vrijwilligers, mantelzorgers en verenigingen, samenwerking professionals en vrijwilligers, oog voor de kostenstijgingen. In algemene en abstracte zin wordt daarmee richting gegeven aan de vergrijzingsopgave. Een actuele operationalisering van de uitgangspunten en algemene doelen in het beleid ontbreekt echter. Daarmee is het onvoldoende duidelijk op welke wijze de vele initiatieven, projecten en activiteiten van de vele spelers op dit terrein bijdragen aan de ambities in de vergrijzingsopgave. Sprake is van een hiaat tussen strategische uitgangspunten en de vele operationele activiteiten ofwel het beleid op tactisch niveau ontbreekt grotendeels. Met een dergelijk tactisch programma kan ook ingespeeld worden op de ervaringskennis vanuit de praktijk.

12

De vergrijzingsopgave vraagt om de inzet van veel spelers, zoals de inwoners , maatschappelijke organisaties als KBO, PVGE, Seniorenraad, Gehandicaptenplatform, Adviesraad Sociaal Domein, professionele organisaties als Lumens, LEV groep, woningcorporaties en diverse gemeentelijke teams. Voor een succesvol samenspel is helderheid over de taken en rollen cruciaal. In de beleidsformulering krijgt dit nauwelijks aandacht en ook in het veld wordt dit als een gemis ervaren.

13

4.

DE DOORWERKING VAN HET BELEID IN DE PRAKTIJK

In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen over de resultaten van het woonbeleid:  Liggen de uitvoeringsactiviteiten herkenbaar in het verlengde van de beleidsdoelen?  Welke resultaten zijn afgelopen jaren geboekt in de uitvoering van het beleid?

4.1

De uitvoering in de lijn van de doelen

In het voorafgaande is al opgemerkt dat het ontbreekt aan een systematische doorvertaling van uitgangspunten en doelen naar een tactisch programma. Daarmee is de vraag of de uitvoering de lijn van de doelen goed volgt, lastig te beantwoorden. In meer algemene zin kunnen daar wel enkele opmerkingen over worden gemaakt. Het is zeker zo dat met de vele activiteiten en de subsidiebijdragen aan Lumens en LEV groep ingespeeld wordt op de beleidsuitgangspunten. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op deze activiteiten. In dat opzicht kan worden geconstateerd dat de uitvoering in lijn ligt met het beleid. Via verschillende sporen krijgt het beleid uitwerking. Bijvoorbeeld via projecten (als Gezond, samen fit’), via het woonbeleid, via het beleid openbare ruimte en maatschappelijke voorzieningen of via het beleid op het terrein van welzijn en maatschappelijk werk. Of het hierbij gaat om de prioritaire activiteiten en of het voldoende in samenhang en goed afgestemd gebeurt, is echter minder duidelijk. Opgemerkt wordt: ‘Wat gemist wordt is wat er achter het beleid ligt. Vertaling in strategie, speerpunten en de uitvoering. Al dat goed geformuleerd zou worden en vervolgens een gesprek over plaats zou vinden tussen beleid, uitvoerders en vrijwilligersorganisaties, dan zou je ook met elkaar kunnen kijken naar uitvoerbaarheid, Oproep is ook om het écht te gaan DOEN.

En vanuit de ervaring te evalueren, en te kijken hoe je verder bij kunt stellen. Dit geldt zowel bij de gemeente als bij de uitvoerders.’ Als voorbeeld wordt in dit verband ook genoemd: ‘de samenkracht’. Eenieder omarmt dit principe. Wat ontbreekt is echter de doorvertaling naar ‘doen’. Dat is een thema, dat vaak terugkomt wanneer er gesproken over de lijn naar de uitvoering: de vertaalslag naar doen en vooral ook het ontbreken van zicht op de grote hoeveelheid activiteiten, de samenhang ertussen en de eventuele overlap. De onderlinge verbindingen worden onvoldoende gelegd, zo wordt opgemerkt. Ook wordt aandacht gevraagd voor de vraag of bepaalde activiteiten wel moeten doorlopen of dat die kunnen worden afgebouwd en vervangen door nieuwe, meer urgente projecten.

4.2

Resultaten van het beleid

Het zicht op de resultaten van het beleid is enigszins troebel. Dit hangt samen het feit dat heel veel spelers actief zijn en dat een samenhangend overzicht van de activiteiten van deze spelers ontbreekt. Mede om die reden wordt in de gesprekken aangegeven dat er een jaarplanning moet komen om de lange lijnen scherp te hebben met elkaar. De waan van de dag is nu veelal leidend. In die jaarplanning wordt vooral aandacht gevraagd voor:  ‘Er is meer samenhang nodig. De beleidsidealen en de praktijk van alledag zijn niet congruent.  Er is meer richting nodig. Wat we op hoofdlijnen bepalen is mooi, maar geeft nog geen richting voor de uitvoering.  Er is continuïteit nodig. We hebben mensen nodig die weten wat we hebben afgesproken en waar we vertrouwen in hebben. Op dat vertrouwen moet je wel kunnen bouwen met elkaar.’

14

4.2.1 Activiteiten Het voorafgaande wil overigens geenszins zeggen dat er niet wordt gepresteerd op het terrein van het seniorenbeleid. Zonder de pretentie volledig te zijn, volgt hieronder een caleidoscoop van ‘wapenfeiten’:  Bestwijzer Als positief voorbeeld komt Bestwijzer naar voren. Op één centraal punt is alle informatie en advies over wonen, zorg en welzijn beschikbaar. Doordat alle organisaties nauw samenwerken, kan snel worden doorverwezen. Over de kwaliteit van de samenwerking binnen Bestwijzer wordt hoog opgegeven, ook in vergelijking met andere gemeenten. Het Infopunt daarbinnen wordt in belangrijke mate ook gebruikt door senioren. Ook aan het infopunt in het buurthuis Kadans wordt een belangrijke functie toegekend door de professionals.  Buurtcoaches De buurtcoaches spelen een belangrijke rol in de wijken: ‘ De buurtcoach is het aanspreekpunt voor mensen in de wijk die vragen hebben of ondersteuning nodig hebben. De buurtcoach is zichtbaar in de wijk en staat met zijn toegankelijke houding dicht bij de inwoners. De buurtcoach is erop gericht om de benodigde hulp zo dicht mogelijk bij en rondom de inwoner te organiseren. Buurtcoaches stimuleren hierbij de bewoners zelf de regie te nemen. De buurtcoach komt letterlijk achter de voordeur van inwoners en signaleert wat er meer nodig is dan antwoord op de eerste vraag.

Deze laagdrempelige aanpak van de buurtcoach zorgt ervoor dat er vroegtijdig vragen en signalen opgevangen kunnen worden in de wijk, om (duurdere) zorg op langere termijn te voorkomen. Met deze preventieve aanpak zorgt de buurtcoach ervoor dat inwoners initiatief kunnen nemen om samen te werken aan de leefbaarheid en activiteiten in de wijk, waarbij een zorgzame buurt voorop staat en iedereen mee kan doen, met oog voor kwetsbare (groepen) inwoners. De buurtcoach heeft verschillende vindplaatsen in Best: Infopunt Bestwijzer, Buurthuis Kadans, Ontmoetingsruimte ’t Leeuweriksnest. De buurtcoach verbindt inwoners, organisaties, verenigingen en initiatieven met elkaar. Door iedereen te kennen en gekend te worden en door in samenwerking te investeren komt de buurtcoach tot passende oplossingen voor bewoners of tot goede initiatieven in de buurt ten behoeve van de bewoners. Buurtcoaches halen collectieve en individuele vragen op en coachen inwoners om samen naar oplossingen te zoeken. De buurtcoach richt zich op het verbinden van de vraag aan de mogelijkheden (informeel en formeel) in de wijk en helpt met het ontwikkelen van nieuwe mogelijkheden in de wijk.’ De rol van de buurtcoaches is vooral ook belangrijk met het oog op de vaak grote ‘vraagverlegenheid’.

Door meerdere geïnterviewden wordt erop gewezen dat ‘het infopunt steeds beter bereikt wordt (groot gedeelte van de vragenstellers is op leeftijd). Vanuit daar helpen we mensen op weg naar mooie ondersteunende activiteiten. We kijken niet enkelvoudig naar de vraag, maar hebben echt een gesprekje waardoor mensen vaak zelfs met extra ondersteuning weggaan, terwijl de vraag daar (NOG) niet lag. Hierdoor zijn mensen vaak nog meer geholpen dan alleen met de hulp die ze zochten. ‘  Sleutelpersonen In zowel Wilhelminadorp als Kantonnier zijn er inwoners die als sleutelpersonen fungeren en daarmee informeel eigenlijk al een rol hebben die lijkt op ‘straatambassadeur’. Deze sleutelpersonen weten wie er in hun straat woont en wat er leeft en speelt. Ze zijn betrokken bij de inwoners, kennen die inwoners die hulp vragen en zij die juist hulp bieden.  Het netwerkoverleg Best(s)e maatjes Dit is een samenwerking tussen verschillende partijen in de sociale basis waarbij we juiste doorverwijzing en uitwisseling van vraag en aanbod tussen organisaties stimuleren. We kijken hierbij op maat naar de vraag, het aanbod en talenten in plaats van denken in doelgroepen. Deze uitwisseling draagt bij aan een inclusieve samenleving en een preventieve aanpak. 15

Steunpunt Mantelzorg Op het terrein van de mantelzorg is het steunpunt mantelzorg actief; daarbij worden activiteiten ondernomen als: individuele adviesgesprekken, collectief aanbod via Leren met LEV, stimuleren van mantelzorg vriendelijk ondernemerschap, waarderingsactie voor mantelzorgers en uitreiken mantelzorgcompliment. Steunpunt vrijwilligerswerk Het Steunpunt helpt bij het zoeken en vinden van vrijwilligerswerk. Via ‘Elkaar Helpen’ op de website van PleinBest wordt de vraag en het aanbod van hulp in de buurt bij elkaar gebracht. Welzijnsbezoeken Er worden welzijnsbezoeken gehouden bij 75 plussers. Inwoners van Best die hier behoefte aan hebben, kunnen een vrijwilliger thuis op bezoek krijgen. Deze vrijwilliger biedt een luisterend oor voor de vragen die er spelen. Zij informeren de inwoner over de huidige ontwikkelingen binnen de zorg en over lokale voorzieningen en activiteiten. Formulierenspreekuur Er worden formulierenspreekuren georganiseerd. Het gaat hierbij om administratieve hulp, aanvragen en maatjestrajecten. Administratieve maatjes en gezelschapsmaatjes proberen daarbij ook zoveel mogelijk inwoners aan elkaar te verbinden.

Ouderenorganisaties Ouderenorganisaties als KBO (met 1700 leden in Best) en PVGE (met 1200 leden in Best) organiseren een breed palet van activiteiten op het terrein van Collectieve belangenbehartiging, Individuele belangenbehartiging, Felicitatiedienst en Ouderenondersteuning. Project Krachtenbundeling In het project ‘Krachtenbundeling’ van de KBO worden vrijwilligers en belangstellende leden getraind om in die contacten de hulpvraag te signaleren. Gesignaleerde hulpvraag melden de vrijwilligers in een centraal meldpunt, waar ook de cliëntondersteuners de hulpverleningsmogelijkheden in de verenigingen en in het professionele veld kennen. In overleg met de melder van de hulpvraag en met toestemming van de hulp vragende wordt contact gelegd tussen de hulp vragende en de persoon/organisatie die de meest adequate hulp kan bieden. Vrijwillige ouderenadviseurs worden ingezet om ouderen te adviseren over benodigde hulp bij het zelfstandig wonen, hulp bij aanvragen van huur- en zorgtoeslag, zorgverzekering, bij administratie, bij herkeuring rijbewijs, e.d. . Onderzoek naar de behoeften van ouderen in Best Er is een onderzoek naar de behoeften van senioren in Best uitgevoerd door Professor M Kardol. De uitwerking van de onderzoeksresultaten naar de praktijk heeft echter nog niet plaatsgevonden.

Sommige externe partners pakken bepaalde thema uit het onderzoek zelf wel op, bijvoorbeeld PVGE heeft samen met het Gehandicaptenplatform op het thema gezondheid actie ondernomen. Gezond Best Samen Fit Dit project richt zich op ‘iedereen, ongeacht leeftijd, die tot deze gelukkige groep wil gaan behoren en graag gezonder wil gaan leven. Je wilt wat doen aan je overgewicht of fysieke ongemakken. Of je wilt af van het gevoel van lusteloosheid, moeheid of eenzaamheid om je lekker in je vel te gaan voelen.’ Opgemerkt wordt dat er enige stagnatie is het de uitvoering van het project is opgetreden, omdat er onvoldoende sturing op het vervolg is na een veelbelovende start. Integrale gebiedsvisie Voor Wilhelminadorp en Kantonnier wordt gewerkt aan een integrale gebiedsvisie.

16

Projectplan aanpak seniorenbeleid In 2021 is er behoefteonderzoek gedaan onder senioren (vanaf 65+) in gemeente Best. Mede gelet ook op de motie vanuit het CDA om seniorenbeleid te ontwikkelen, is in gezamenlijkheid met een aantal stakeholders zoals de Seniorenraad, de LEV-groep en de PVGE een plan van aanpak ontwikkeld om het behoeftenonderzoek te vervolgen in een activiteitenpakket voor senioren. In het plan van aanpak zijn vier thema’s gedefinieerd, te weten: o ‘Huisbezoeken - methode ontwikkelen 65-plussers te stimuleren zich voor te bereiden op volgende levensfase o Gezondheid en leefstijl - senioren stimuleren tot gezonde leefstijl o Sociale samenhang - ontmoeting en sociaal-culturele activiteiten stimuleren om de sociale samenhang te versterken o Inrichting openbare ruimte - een uitnodige woonomgeving (waaronder veilige looproutes) realiseren, zodat senioren blijven participeren’. Met dit project wil de gemeente Best bevorderen dat de inwoners in Best vitaal oud worden en bevorderen de senioren zich voorbereiden op de volgende levensfase, met o.a. oog voor huisvesting, sociale contacten en gezondheid. Het project moet opleveren dat inwoners elkaar meer ondersteunen en dat de samenwerking tussen de verschillende partners verbeteren, o.a. door vroeg signaleren en afspraken over wie wanneer aan zet is.

Het projectplan is blijven steken in een eerste aanzet en niet verder uitgewerkt, laat staan uitgevoerd. De belangrijkste reden hiervoor was: ziekte en onvoldoende personele capaciteit. Regionale aanpak via netwerkorganisatie ´Precies´ In de gesprekken wordt ook gewezen op de betekenis van de regionale samenwerking. Vooral wordt daarbij gedoeld op de netwerkorganisatie ‘Precies’. Hierbij werken 30 organisaties, gemeenten, en verzekeraars samen. In dat verband zijn de grootste knelpunten voor thuiswonende ouderen en mantelzorgers geïnventariseerd. Dat heeft geleid tot de ‘ideale ouderenreis’ en acht projecten. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn: o ‘Voorkomen van zwaardere zorg door meer inzet van preventieve oplossingen. o Verplaatsen van zorg met als uitgangspunt ’thuis wat kan en elders als het moet’. o Vervangen van zorg door meer inzet van technologie en betaalde mantelzorg’. Gewerkt wordt aan praktijkoplossingen, waarmee ouderen in de regio Eindhoven fijner zelfstandig kunnen wonen. Best kan dit project ook als voertuig gebruiken en gebruiken als inspiratiebron voor het lokale beleid, zo wordt gesteld. In enkele gesprekken wordt aangegeven dat er wordt gewerkt aan een intentieovereenkomst op regionaal bestuurlijk niveau, met het doel om vraag en aanbod van kwetsbare ouderen af te stemmen.

Tegelijk wordt geconstateerd dat er operationeel echter nog niet veel in beweging is. Daarvoor zijn geen nieuwe onderzoeken nodig, de uitvoering moet worden opgepakt: ‘geen paralyzing by analyzing’, zo wordt opgemerkt.

Uit de opsomming komt een divers beeld van activiteiten naar voren. De koppeling met beleidsdoelen en met de vergrijzingsopgave is hierin wel moeilijk te traceren en is weinig uitgelijnd. In de gesprekken wordt daar ook regelmatig naar verwezen. 4.2.2 Aandachtspunten voor beleidsuitvoering Voorts komen in de gesprekken ook enkele aandachtspunten over de uitvoering van beleid naar voren, die aandacht behoeven. Als zodanig worden genoemd: 

Een gezamenlijk uitvoeringsprogramma Er wordt grote waarde gehecht aan een gezamenlijk op te stellen uitvoeringsprogramma voor het seniorenbeleid. In het verlengde van de strategische doelstellingen over inclusie, zoals in Best op de verschillende beleidsterreinen zijn genoemd. Een passend uitvoeringsprogramma 17

wordt gemist. Wezenlijk is, zo wordt opgemerkt, dat er sprake is van gedeelde urgentie, draagvlak en dat de dynamiek erin blijft. Het is op dit moment nogal eens de praktijk dat zaken en afspraken ‘weglopen en verwateren’. In de werksessie wordt benadrukt dat het belangrijk is om aan te sluiten bij de leefwereld van senioren en daarbij ook de lopende en geplande initiatieven een plek te geven. Daarbij dient onderkend te worden dat er sprake is van een sterke differentiatie in de leefwereld en de levensstijlen van senioren: de senior bestaat niet. 

Preventie en de leefwereld van senioren Er wordt te weinig aan preventie gedaan. Wel wat op valbescherming, maar bijvoorbeeld nauwelijks op cognitieve stimulatie, terwijl hiermee dementie vertraagd kan worden, of hierdoor pas later problematisch wordt. Ouderen met geheugenproblematieken komen veelal pas te laat in beeld. Geregeld pas via de huisarts, die op zoek gaat naar een plek in een geïndiceerde instelling. Daarvoor had al allerhande ondersteuning ingezet kunnen worden en was veel leed voorkomen. Collectieve ondersteunende voorzieningen zouden eerder ingezet kunnen worden en mantelzorgers beter ondersteund, zo wordt opgemerkt. In algemene zin zou het ook al helpen wanneer mensen eerder ondersteund worden, dan pas wanneer ze een expliciete en urgente zorgvraag hebben. Belangrijk daarbij is ook dat mensen zich niet zomaar naar de gemeente keren, maar zelf aan de voorkant nadenken over hun oude dag. Dat kun je als gemeente faciliteren, door mensen uit te dagen meer na te denken over bijvoorbeeld toekomstproof wonen. De derdelijns denkwijze en cultuur wordt te vaak als uitgangspunt genomen. Er zou een nadrukkelijke beweging gemaakt moeten worden richting het eigen netwerk. ‘De oplossing moet niet gezocht worden in verbeteren van de personeelspools, inzichtelijk krijgen van de cijfers, inhuren uit het buitenland, of technologische vooruitgang.

De tweede en derdelijnszorg gaat niet het antwoord zijn waarmee we dit kunnen gaan winnen. Je moet vooral inzetten op: Hoe kun je die informele zorg zo goed mogelijk integreren met de professionele zorg.’ De leefwereld en de systeemwereld zouden in die zin sterker op elkaar moeten aansluiten. In de werksessie in mei 2023 wordt het belang van de sociale netwerken benadrukt. Dit kan via een gebiedsgerichte aanpak (zie hierna), maar ook via verenigingen. In die zin is ook het initiatief van Archipel interessant. Hierin wordt gepoogd een beweging op gang te brengen om te komen tot een ‘senior vriendelijke wijk’ . De leefwereld van senioren vormt daarbij een belangrijk vertrekpunt en daarbij wordt een nauwe samenwerking voorzien tussen professionele organisaties alsook met vrijwilligersorganisaties en senioren zelf.

Afstemming tussen de vele spelers De schaal van Best maakt het geheel overzichtelijk en biedt kansen om elkaar snel te vinden. Desondanks bestaat er geen goed totaalbeeld van de aanpak van de vergrijzingsopgave en de samenhang in de inzet van de vele betrokken spelers. Een programma met uitvoeringsacties, waarbij de rollen van de verschillende spelers zijn aangegeven, wordt wenselijk geacht om wel zicht te krijgen op het totaalbeeld en een efficiënte inzet bij de uitvoering. Voor de vele spelers in het netwerk wordt het dan ook duidelijker wat van hen wordt verwacht. De duidelijkheid in het samenspel tussen professionele spelers en vrijwilligers kan daarmee worden vergroot. Een dergelijk programma kan worden gezien als uitwerking van de inclusiedoelen, zoals die in de diverse beleidsnota’s en de begrotingen worden genoemd. Voorts wordt in dit verband gewezen op verenigingen als KBO en PVGE. Dat zijn krachtige spelers met heel veel leden, die - gelet op hun banden met senioren - in de uitvoering van de vergrijzingsopgave een belangrijke rol kunnen spelen. 18

Veel partijen als MEE, LEV, ouderenbonden, gemeente, Lumens) zijn betrokken bij de cliëntondersteuning en de onafhankelijke cliëntondersteuning. Dat vraagt om een scherpere afstemming. In de werksessie is het belang van deze afstemming en samenwerking ook veelvuldig bepleit. Bij de uitwerking van een uitvoeringsprogramma wordt het van groot belang geacht dat er duidelijkheid bestaat in de rolverdelingen en eigenaarschap: wie is eigenaar en verantwoordelijk voor welke acties. Voor de gemeente wordt vooral een rol gezien in het strategisch beleid. Bij het tactisch uitvoeringsprogramma is de rol van de gemeente vooral: regisseur, stimulator en ondersteuner. Ook de Seniorenraad kan daarbij een rol spelen. Organisaties als LEV groep, Lumens, Archipel, KBO , PVGE zijn bij uitstek in beeld bij de uitvoering van verschillende acties. Vooral ook gelet op hun mogelijkheden dieper in de samenleving te opereren. 

Gebiedsgerichte benaderingen Het wordt belangrijk geacht dat er gebiedsgericht wordt gekeken waar mogelijkheden voor passende woningen voor senioren en kleinschalige intramurale voorzieningen kunnen worden gecreëerd, mede in relatie met de bijbehorende voorzieningen. Met het aanbieden van deze woonvormen binnen de buurten kan ook ingespeeld worden op de aanwezige sociale structuren, die in de toekomst van steeds grotere betekenis zullen blijken, zo is de uitgesproken verwachting. Daar komt bij dat mensen wanneer ze doorstromen veelal graag in de eigen buurt willen blijven wonen, omdat zij daar hun netwerk hebben. In het verlengde daarvan wordt erop gewezen dat Wilhelminadorp om meerdere redenen hoge prioriteit zou moeten hebben: vanwege de demografische samenstelling, ongeschikte woningen (veel trappen) , sociaaleconomische structuur en bijgevolg stapeling van veel vragen op het terrein van zorg en welzijn. Ook wordt meer aandacht gevraagd voor locaties waar Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) mogelijk zou zijn. Hier liggen grote kansen voor de doelgroep die met vergrijzing te maken heeft.

In de werksessie wordt het belang benadrukt van een contactpunt in de buurten en buurtcoaches, een veilige inrichting van de openbare ruimte, de nabijheid van voorzieningen, stimulering van sociale contacten en het bouwen van een sociaal stevige basis (met differentiatie in de buurtopbouw). Overigens is de buurtgerichte aanpak niet de enige invalshoek, zo wordt opgemerkt. Soms zal een benadering op een kleinere schaal kansrijker zijn en ook de benadering via tal van verenigingen biedt kansen senioren te bereiken.

Personele capaciteit In veel gesprekken wordt de krappe bezetting en het verloop in personeel en de discontinuïteit in de ambtelijke organisatie als problematisch gekwalificeerd. Dit uit zich op meerdere wijzen: het ontbreken van historische kennis over de situatie in Best, inzicht in de processen, in de beleidscontext en de beleidscyclus, bekendheid met de spelers in het netwerk, e.d.. Dat kan ook betekenen dat de ambities moeten worden bijgesteld. In de werksessie is dit thema ook uitdrukkelijk benoemd. Het nakomen van afspraken en het vasthouden van uitgezette lijnen wordt als problematisch ervaren.

4.3

Goede voorbeelden

Verbeteringen in het beleid en de uitvoering kunnen niet alleen gevonden worden in een analyse van de eigen praktijk en de ervaringen van betrokken spelers, maar ook in goede voorbeelden uit andere 19

gemeenten. Tijdens dit onderzoek is gewezen op verschillende ‘good practices’. Gedoeld wordt ondermeer op:  Het land van Cuijk In het Land van Cuijk zijn zogenaamde voorzorgcirkels ontwikkeld. In gesprekken met senioren zijn die vormgegeven. Een voorzorgcirkel bestaat gemiddeld uit acht tot twaalf personen in de directe omgeving. Doordat het meerdere mensen zijn, wordt overbelasting van mantelzorgers/familie voorkomen. Daarbij zijn de eigen competenties en interesses bepalend voor te leveren inzet.  Belangenvereniging senioren Steensel Door vrijwilligers worden tal van activiteiten ondernomen om senioren bij te staan, zoals: Wmo adviezen, het invullen van belastingformulieren, thuisadministratie, ouderenadvisering, vervoersdienst en klussendienst. Ook worden thema bijeenkomsten georganiseerd over onderwerpen als: mobiliteit, langer thuis wonen, eigen verantwoordelijkheid en regie behouden.  Gemeente Bladel In de gemeente Bladel is een medewerker specifiek belast met het seniorenbeleid en als contactpunt voor alle activiteiten, die op senioren zijn gericht. De samenwerking en een samenhangende uitvoering van het beleid zijn daar mee gediend.  Proeftuin De Ruwaard in Oss Proeftuin Ruwaard is een samenwerkingsverband van diverse organisaties in zorg, welzijn en wonen.

Gemeente en aanbieders werken samen om de leefbaarheid en gezondheid in de wijk Ruwaard in Oss te versterken tegen lagere kosten. Zij werken op een compleet andere manier: inwoners en beroepskrachten bedenken zelf oplossingen en instanties ondersteunen hen daarbij. De vraag van de inwoner leidt zo tot een nieuw aanbod, omdat beroepskrachten de ruimte krijgen om te doen wat nodig is. Belangrijk doel is dat inwoners zich betrokken voelen bij hun wijk. Soms worden dingen geregeld die volgens de procedure of de gangbare regels misschien niet kunnen, of waar mensen niet persé recht op hebben, maar het werkt in veel gevallen wel. Interessant is ook de gekozen programmatische aanpak en het zogenaamde actieleren. Daarover wordt opgemerkt: ‘Gekozen is voor een programmatische aanpak waarbinnen partijen op een andere manier samenwerken. Juist omdat bestaande systemen als zeer sturend worden ervaren, en de zorg en ondersteuning voor één wijkbewoner soms versnipperd is over meerdere wetten, organisaties en zorgverleners, is dat niet vanzelfsprekend. De gekozen veranderaanpak is ‘actie-leren’ via casuïstiek. Sinds 2016 wordt er op 4 niveaus samengewerkt, geleerd en ontwikkeld: inwoners, beroepskrachten, managers/leidinggevenden en bestuurders. Deze groepen hebben elk hun eigen leerproces en daarnaast leren zij van elkaar.

In bijeenkomsten, leersessies en overleggen wordt steeds expliciet stilgestaan bij wat de inwoner nodig heeft en hoe organisaties dit samen kunnen organiseren. In de leersessies wordt duidelijk waar belemmeringen zitten en hoe die met elkaar op te heffen. De opbrengsten van de sessies passen betrokkenen vervolgens direct toe in hun werk.’

20

4.4

Conclusies over het beleid in praktijk 

 

Een systematische doorvertaling van de meer algemeen geformuleerde uitgangspunten en doelen over inclusie naar een samenhangend uitvoeringsprogramma ontbreekt. Daardoor is het niet goed zichtbaar of de uitvoering in de lijn ligt van het beleid. De samenhang tussen de activiteiten, de eventuele overlap en de verbindingen tussen de betrokken spelers komen daarmee ook onvoldoende in beeld. Aan de hand van een veelheid van projecten en activiteiten wordt daadwerkelijk inhoud gegeven aan de aanpak van de vergrijzingsopgave en ook resultaten geboekt. Als belangrijke aandachtspunten bij deze uitvoering komen uit dit onderzoek naar voren: o De wens om te beschikken over een gedragen uitvoeringsprogramma; o Meer aandacht voor preventie, de inzet op collectieve voorzieningen en de voor de leefwereld van senioren; o Een betere afstemming in de activiteiten en tussen de vele spelers. Daarbij gaat het uitdrukkelijk ook om de samenwerking tussen professionals en vrijwilligers en verenigingen als KBO en PVGE. o Via gebiedsgerichte benaderingen kan gespeurd worden naar mogelijkheden voor passende woningen voor senioren en kleinschalige intramurale voorzieningen, mede in relatie met de bijbehorende voorzieningen. Met het aanbieden van deze woonvormen binnen de buurten kan ook ingespeeld worden op de aanwezige sociale structuren, die in de toekomst van steeds grotere betekenis zullen zijn.

Vooral in Wilhelminadorp wordt een dergelijke aanpak urgent geacht, gelet op de demografische samenstelling, de vele ongeschikte woningen (veel trappen), sociaaleconomische structuur en bijgevolg de stapeling van veel vragen op het terrein van zorg en welzijn. Maar ook in andere vergrijzende buurten als Kantonnier, Naastenbest, Centrum, Oud Best en Hoge Akker is een dergelijke gebiedsgerichte benadering wenselijk. o Er is sprake van onbalans tussen ambities en capaciteit en een grote discontinuïteit in de personele bezetting. Dit bemoeilijkt de aanpak van de vergrijzingsopgave en de samenwerking met de diverse partners. Elders zijn goede voorbeelden aanwezig, die inspirerend kunnen werken op de aanpak van de vergrijzingsopgave in Best. Gedoeld wordt hierbij ondermeer op de werkwijze in de wijk Ruwaard in Oss en de zogenaamde ‘voorzorgcirkels’ in het Land van Cuijk. Maar ook in Best zelf zijn interessante initiatieven gaande, bijvoorbeeld van Archipel e.a. over de beweging naar senior vriendelijke buurten.

21

5.

DE MONITORING EN STURING

In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen over monitoring en sturing:  Worden de ontwikkelingen in de samenleving, het beleid en de uitvoering daarvan gemonitord?  Vindt er op basis van deze monitoring sturing plaats, bijvoorbeeld door bijstelling van het beleid, inzet andere middelen, e.d.?

5.1

De monitoring en eventuele bijstelling in beleid en uitvoering

Via de gemeentelijke jaarverslagen en via de sociale monitor vindt enige monitoring plaats over de ontwikkelingen in samenleving, beleid en uitvoering. Zowel in het gemeentelijk jaarverslag als in de monitor sociaal domein is weinig aandacht voor de vergrijzingsopgave. Zo wordt in het jaarverslag 2021 verwezen naar de transformatie agenda voor het sociaal domein. Daarover wordt in het jaarverslag gesteld:  ‘Inclusieve samenleving: Een samenleving waarbij we zoveel als mogelijk drempels wegnemen om mee te doen. Drempels kunnen bestaan uit fysieke drempels in de openbare ruimte en vervoer. Maar ook in de manier waarop mensen met elkaar omgaan en financiële mogelijkheden hebben. Een inclusieve samenleving is een belangrijke basis voor zelfredzaamheid. In 2020 is een start gemaakt met de uitvoering van een plan van aanpak om dit te verbeteren. Acties uit dit plan van aanpak lopen door in 2021. Deze acties raken ook andere programma's, zoals ruimte, bouwen en bedrijfsvoering.  Sterke sociale basis Inwoners moeten laagdrempelig kunnen deelnemen aan sport, cultuur en activiteiten. En, het is belangrijk dat vragen voor ondersteuning vroegtijdig en zo licht mogelijk worden opgepakt. Een sterke infrastructuur van algemene voorzieningen en verenigingen/organen draagt bij aan welbevinden, ontwikkeling, zelf- en samenredzaamheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13314627/1