23050.3f - Bijlage bij Toelichting 6 - Nader bodemonderzoek Terraweg (naast 20b) te Best
Tekst van het document
2) Er een zaklaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden. 3) De verspreiding heeft geleid tot een grote grondwaterverontreiniging en de verspreiding nog steeds plaatsvindt. Zorgplicht artikel 13 Wet bodembescherming Voor bodemverontreiniging veroorzaakt vanaf 1 januari 1987 geldt de zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming). Voor deze gevallen geldt dat degene die de in artikel 13 beschreven handelingen heeft verricht alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. Dat wil zeggen: zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk de gevolgen beperken of ongedaan maken, ongeacht de aangetroffen gehalten en de risico’s van de verontreinigde stoffen. De bepaling ernst van de verontreiniging en spoed van de sanering spelen hier geen rol. Toetsingskader asbest In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit is de interventiewaarde voor asbest in grond en waterbodem opgenomen. Hierin staat beschreven dat de interventiewaarde voor asbest in (water)bodem 100 mg/kg ds betreft (serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie).
De restconcentratienorm voor toepassing en het hergebruik van alle asbest bevattende materialen (inclusief grond, baggerspecie en puingranulaat) is vastgesteld op 100 mg/kg (gewogen). Het resultaat van het verkennend onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707 is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Hierbij worden twee toetsingsniveaus gebruikt: 1. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. Dit zijn de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater. Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen ondiep (< 10 m) en diep (> 10 m) grondwater. 2. De tussenwaarde is in beginsel de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek behoort te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat.
Voor grondwater is dit het gemiddelde van streef -en interventiewaarde en voor grond het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden. 3. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Geval van ernstige verontreiniging en saneringscriterium In het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’, dat is opgenomen als bijlage 3 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, is geregeld wanneer er voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing. Op basis van het protocol asbest dient bij ernstige verontreiniging te worden bepaald
of er sprake is van onaanvaardbare risico’s ten gevolge van de bodemverontreiniging met asbest. Voor het toepassen van het ‘protocol asbest’ gelden de volgende uitgangspunten: • Het protocol heeft alleen betrekking op (water)bodem, grond en baggerspecie. • Het protocol is alleen van toepassing indien er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool). Opgemerkt wordt dat bij asbest in (water)bodem, grond en baggerspecie alleen over ‘verontreiniging’ wordt gesproken als de interventiewaarde wordt overschreden. • Het protocol is alleen van toepassing op historische asbest verontreinigingen (die zijn voor 1993 ontstaan) in (water)bodem, grond en baggerspecie die niet op basis van de zorgplicht dienen te worden gesaneerd 1. • Het protocol heeft betrekking op de huidige en toekomstige situatie. Op materialen met een lagere asbestconcentratie (100 mg/kg gewogen) worden de voorschriften van het Arbeidsomstandigheden Besluit en Asbestverwijderingsbesluit geacht niet van toepassing te zijn.
1
Nieuwe gevallen van bodemverontreiniging met asbest, die zijn ontstaan vanaf 1993, dienen (ongeacht het asbest gehalte) voor zover redelijkerwijs mogelijk is, volledig te worden verwijderd. Volledig verwijderen betekent in het geval van asbest dat de verontreiniging tot de nul-waarde (detectiegrens) dient te worden verwijderd.
Schema Wettelijk kader en bevoegd gezag Voor asbest in/op bodem, grond of puin(granulaat), inclusief verhardingen
Asbest in/op bodem, grond of puin(granulaat): Welk wettelijk kader?
1. Stort asbesthoudende afvalstoffen buiten een inrichting (incl. wegen)?
ja
Wet milieubeheer 10.2/gemeente of provincie
nee
2. Asbesthoudende weg, erfverharding
ja
Besluit Asbestwegen/Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
nee
3. Asbesthoudende ondergrondse (bouw)werken?
ja
Asbestverwijderingsbesluit/gemeente
nee
4. Toepassen van asbesthoudende grond/puin(granulaat) in een werk (zijnde een bouwstof)?
ja
Productenbesluit asbest/Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
ja
Productenbesluit asbest/Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
nee
5. Handeling met een asbesthoudend product?
nee
6. Handeling met een asbesthoudende afvalstroom?
ja
nee
7. Asbest verontreinigde bodem
ja
Wet bodembescherming/provincie, gemeente of waterkwaliteitsbeheerder
Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling bevat het wettelijk kader voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater. Definitie grond en bagger Het Besluit hanteert voor grond en baggerspecie de volgende definities: • Grond is vast materiaal en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie. • Baggerspecie is materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Bodemvreemd materiaal Het Besluit stelt aanvullend dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om bijmengingen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie nadat het materiaal is afgegraven.
Toetsingskaders Het generieke kader is van toepassing op elk gebied waarvoor geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Uitgangspunt van het generieke kader voor landbodems is dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet aansluiten bij de functie die de bodem heeft. Ook mag de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Naast de toetsingskaders voor gebiedsspecifiek en generiek beleid, kent het Besluit nog een andere categorie van toepassingen: grootschalige toepassingen. Bij deze categorieën hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Wél moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en randvoorwaarden die het Besluit stelt aan deze toepassingen. Tabel: Toetsingskaders grond en bagger Toepassingsmogelijkheden grond en baggerspecie Toepassen grond en baggerspecie Verspreiden baggerspecie Generiek of gebied specifiek beleid Alleen generiek beleid
Op de landbodem In oppervlaktewater In grootschalige toepassing
In oppervlaktewater Over aangrenzend perceel
Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. Uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie is dat de toegepaste grond en baggerspecie onderdeel gaat uitmaken van de ontvangende bodem, zonder dat extra maatregelen zoals afscheidingslagen of maatregelen in het kader van isoleren, beheersen en controleren (IBC) worden toegepast.
Bodemfuncties en bodemfunctieklassen In die gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn zowel maximale waarden voor bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor bodemkwaliteitsklassen vastgelegd. Klassenindeling voor bodemfuncties en bodemkwaliteit Om te toetsen of de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie aansluit bij de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt in het generieke kader gewerkt met een klassenindeling voor de kwaliteit en functie. Uitgangspunt van het Besluit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven zijn voor 7 bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld. Deze functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid. Voor toepassing in het generieke kader zijn de functies samengevoegd tot 2 bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat wil zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden.
Tabel: Bodemfuncties Gebiedspecifiek Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Moestuinen/volkstuinen Landbouw Natuur
Generiek beleid Wonen Industrie Kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden
Naast de bodemfuncties, wordt de bodemkwaliteit ook ingedeeld in de klassen wonen en industrie. De bodemkwaliteit geeft hiermee een maat voor de kwaliteit van zowel de ontvangende als de toe te passen bodem en toe te passen baggerspecie. Aan de bodemkwaliteitsklassen zijn nieuwe normen gekoppeld: de Maximale waarden voor de klasse wonen en de Maximale waarden voor de klasse industrie. Wanneer de maximale waarde voor industrie wordt overschreden, mag deze grond of baggerspecie binnen het generieke kader niet worden toegepast. Om een partij grond of baggerspecie toe te mogen passen, moet de partij worden getoetst aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Bij deze dubbele toetsing geldt dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. In onderstaand schema is de toepassingseis voor de toe te passen grond of baggerspecie gegeven. Tabel: Bepaling toepassingseis voor een partij grond of baggerspecie Functie op kaart Wonen
Industrie
Niet ingedeeld (bijv. landbouw/natuur
Actuele bodemkwaliteit Achtergrondwaarde Wonen industrie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Achtergrondwaarde Wonen industrie
Toepassingseis Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde wonen Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde Industrie Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde
Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse wonen en de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Deze Generieke Maximale Waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen lokale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Als randvoorwaarde voor het opstellen van gebiedsspecifiek beleid geldt dat sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. De ruimte voor de Lokale Maximale Waarden ligt tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. Wanneer de Lokale Maximale Waarden een verruiming van de normen ten opzichte van het generieke kader zijn, moet getoetst worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de gevolgen van de gekozen Lokale Maximale Waarden is een Risicotoolbox ontwikkeld. In de onderstaande figuren is de normstelling schematisch weergegeven. Figuur: Normstelling en toepassingskader landbodem Achtergrond waarden Generiek GebiedsSpecifiek
Maximale waarden klasse wonen Klasse wonen
Maximale waarden klasse industrie Klasse industrie
Niet toepasbaar
Altijd toepasbaar Ruimte voor lokale maximale waarden Interventiewaarden droge bodem
Achtergrond waarden
Nooit toepasbaar Sanerings criterium
Figuur: Normstelling en toepassingskader waterbodem Achtergrond waarden Generiek Vrij toepasbaar Gebiedsspecifiek Achtergrond waarden
Maximale waarden klasse A Toepasbaar klasse A
Maximale waarden klasse B Toepasbaar klasse B
Nooit toepasbaar
Ruimte voor lokale maximale waarden Interventiewaarden waterbodem
Nooit toepasbaar
Sanerings criterium
Voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel is een criterium ontwikkeld dat gebaseerd is op ecologische risico’s. De risico’s worden uitgedrukt met de parameter msPAF (meersoorten Potentieel Aangetaste Fractie). De msPAF geeft een indicatie van het deel van de potentieel aanwezige organismen dat nadelige gevolgen kan ondervinden van het aanwezige mengsel van verontreinigingen. Op basis van het beleidscriterium dat de verspreidbare hoeveelheid bagger minimaal gelijk moet blijven is de norm gesteld op msPAFmetalen < 50%, en msPAForganisch < 20%. Daarnaast zijn 5 stoffen individueel genormeerd. Voor overige stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF geldt de achtergrondwaarde. Figuur: Verspreiden baggerspecie Vrij verspreidbaar Achtergrondwaarde
Ontvangstplicht Verspreidbaar op aangrenzend Niet verspreidbaar op aangrenzend perceel perceel msPAF metalen < 50% ms PAF organisch < 20% 5 stoffen individueel genormeerd Alle stoffen < interventiewaarde bodem
Op 13 december 2021 heeft de Staatssecretaris van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Geactualiseerde handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ aangeboden aan de Tweede Kamer. Deze geactualiseerde versie vervangt het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerde versie van 2 juli 2020)’ en de versies van 28 november 2019 en 8 juli 2019. Het handelingskader is gericht op het aantreffen van de stoffen PFOA (Perfluoroctaanzuur), PFOS (Perfluoroctaansulfonaat) en GenX (HFPO-DA). Op basis van de stukken blijkt dat de bovengrond en geroerde bodems in heel Nederland verdacht zijn op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Hierdoor geldt per direct dat onderzoek op PFAS verplicht is, tenzij kan worden aangetoond dat de grond of baggerspecie onverdacht is. Nadien zijn er diverse aanvullingen op het handelingskader geweest waarna de onderstaande toepassingsnormentabel voor het landelijke beleid is vastgesteld (versie van december 2021). Tabel: Toepassingsnormen PFAS Categorie Toepassingssituatie
4.1
4.2
4.3
4.4 4.5, vervallen 4.6, vervallen 4.7
4.8.1
4.8.2
Toepassingswaarde (μg/kg d.s.) (2) (3) (4) (5) (7)
Op de landbodem Grond en baggerspecie toepassen Bodemkwaliteitsklasse Bodemfunctieklasse Wonen of industrie Wonen of industrie
Landbouw/natuur
Wonen of industrie
Landbouw/natuur, wonen of industrie
Landbouw/natuur
Baggerspecie verspreiden, als bedoeld in artikel 35, onder f, Bbk (verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel of weilanddepot) Grond en baggerspecie grootschalig toepassen
Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden Grond en baggerspecie toepassen onder grondwaterniveau, met inbegrip van grootschalige toepassing. In een oppervlaktewaterlichaam(9) Grond toepassen Baggerspecie verspreiden in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sedimentdelende)(10) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen (als bedoeld in artikel 35, onder g, Bbk Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas, als bedoeld in artikel 35, onder d, Bbk Het in een ander oppervlaktewaterlichaam uitgezonderd een diepe plas(1): • Verspreiden van baggerspecie (bij niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen) als bedoeld in artikel 35, onder g, Bbk en
PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 PFOS = 1,4 PFOA = 1,9 Overige PFAS = 1,4 PFOS = 1,4 PFOA = 1,9 Overige PFAS = 1,4 PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 Gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1 Vervalt, zie categorie 4.1, 4.2 en 4.3 Vervalt, zie categorie 4.8.2, 4.9.1 en 4.9.2 Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters(8).
Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters(8). Rijkswater: PFOS = 3,7 PFOA = 0,8 Overige PFAS = 0,8
•
Anders: PFOS = 1,1 PFOA = 0,8 Overige PFAS= 0,8 4.9.1 Baggerspecie en grond toepassen in niet-vrijliggende diepe PFOS = 3,7 plassen die in open verbinding staan met een rijkswater (1) (6) PFOA = 0,8 Overige PFAS = 0,8 4.9.2 Baggerspecie en grond toepassen in andere diepe plassen dan PFOS = 1,1 PFOA = 0,8 bedoeld onder 4.9.1(5)(6) Overige PFAS = 0,8 (1) Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: Een met water gevulde verdieping / put in de (water)bodem die ontstaan is als gevolg van zand-, grind-, of kleiwinning of dijkdoorbraak (zoals wielen en kolken). Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet. Deze definities zijn afkomstig uit de 'Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen'.
(2) Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie. (3) Tenzij een lokale maximale waarde is vastgesteld (zie paragraaf 5). (4) PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. Overige PFAS worden getoetst per stof (dus niet gesommeerd). (5) Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal de waterbeheerder als bevoegd gezag in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplichten zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. (6) Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen.
(7) Indien meetgehalten onder de bepalingsgrens liggen, mag de beoordelaar naar analogie van bijlage G, onderdeel IV van de Rbk (Regeling bodemkwaliteit), ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de toepassingswaarden. (8) Metingen om uitschieters te identificeren zijn bedoeld om te bepalen of er in partijen mogelijk sprake kan zijn van puntbronvervuilingen. Als vuistregel kan hiervoor de P95-waarde van een bepaalde PFAS worden gehanteerd. Bagger uit rijkswateren: In 2007 is voor een aantal metalen het onderscheid tussen matig verontreinigde locaties en hot spots gemaakt op basis van bagger uit het rivierengebied (Maas en Rijn). Per stof zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid. Destijds zijn geen PFAS gemeten, maar aangevuld met recente projecten van RWS is hieruit een P95-percentiel af te leiden: PFOS = 8,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,8 μg/kg d.s., EtFOSAA = 5,5 μg/kg d.s., MeFOSAA = 1,0 μg/kg d.s.. Op basis hiervan kan voor overige PFAS de laagste van de genoemde waarden, 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Bagger uit regionale wateren: In 2019 is in het kader van het herverontreinigingsniveau (HVN) een inventarisatie uitgevoerd van de gehalten PFAS in bagger uit regionale watergangen. Hiervoor zijn PFAS-gehalten verzameld en verwerkt in een database.
Uitsluitend voor de stoffen die voldoende vaak zijn gemeten, zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid: PFOS = 2,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,9 μg/kg d.s., EtFOSAA = 1,8 μg/kg d.s. Voor overige PFAS kan de waarde 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Hogere dan voornoemde waarden in respectievelijk bagger uit rijkswateren en regionale wateren kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een puntbronvervuiling in de partij. Wat vervolgens de mogelijkheden zijn voor de betreffende partij, hangt onder meer af van de aantallen gemeten uitschieters, de hoogte van de gemeten waarden en de lokale situatie. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. Het toepassen van baggerspecie en grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies als bedoeld in artikel 35, onder d, Bbk.
(9) Hier wordt met ‘oppervlaktewaterlichaam’ bedoeld: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem en oevers (met uitzondering van uitdrukkelijk krachtens de Waterwet aangewezen drogere oevergebieden), alsmede flora en fauna. (10) Oppervlaktewaterlichamen zijn ‘sedimentdelend’ als sediment vrij uitgewisseld kan worden tussen de oppervlaktewaterlichamen door stroming, wind of getij.
Bijlage 7: Relevante informatie vooronderzoek
OPGESTELD VOOR: WOONSTICHTING ‘THUIS// OPGESTELD DOOR: S TANTEC BV
Verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem Terraweg (naast 20b) te Best
REFERENTIE 20130295-03 2-3-2022
Verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem Terraweg ong. te Best
In opdracht van: Woonstichting ‘Thuis Opgesteld door: Sam Klijberg Projectnummer: 20130295-03 Documentnaam: Verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem Terraweg (naast 20b) te Best 2001 + 2002 + 2018
Datum: 2 maart 2022
Versie
Vrijgegeven door
Paraaf
Datum
Definitief 01
C.H.J. van den Broek
2 maart 2022
Bezoekadres Hoevestein 20b 4903 SC OOSTERHOUT www.stantec.com/nl
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 022 77 40 432 IBAN NL11BNPA0227740432 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA** gecertificeerd
Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen
SAMENVATTING Algemeen Opdrachtgever Adres onderzoekslocatie Kadastrale registratie Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik Type onderzoek
: : : : : :
Woonstichting ‘Thuis Terraweg (naast 20b) te Best BES00, sectie B, perceelnummer 2756 (gedeeltelijk) Circa 350 m2 Braakliggend Verkennend bodemonderzoek incl. asbest in bodem
Aanleiding onderzoek
:
Voorgenomen bestemmingswijziging van ‘verkeer’ naar ‘wonen’
Resultaten vooronderzoek en hypothese Hypothese NEN 5740/NEN5707 : Verdacht als gevolg van heterogeen diffuus aanwezige verontreiniging. Deels een wal op de locatie aanwezig. Er zijn geen puntbronnen bekend. De locatie is gelegen binnen de contouren van de in 2017 uitgevoerde bodemsanering. Hierbij is de grond tot circa 0,4 m-mv ontgraven. Uitvoering veld- en laboratoriumonderzoek Datum: : 19 januari 2022 Grond en asbest : 31 januari 2022 Grondwater Veldmedewerkers en protocol
:
Laboratorium
:
C.J.M. van Laarhoven, Axel Jongbloed en J. van den Kieboom BRL SIKB 2000 (protocollen 2001, 2002 en 2018) Eurofins OMEGAM Laboratoria te Amsterdam (AS3000)
Samenvatting resultaten Grond: Zintuiglijke waarnemingen Bovengrond (0,0-0,5 m-mv) Ondergrond (0,8-1,2 m-mv) Grondwal Asbest: Maaiveld Grove fractie (> 20mm) Fijne fractie (< 20 mm) Grondwater Voorlopige veiligheidsklasse (vanaf 0,8 m-mv)
: : : :
Sporadisch resten ijzer en plastic Koper > AW Koper, lood en nikkel > I (boring 01) Voldoet indicatief aan klasse ‘Industrie’
: : :
Niet aangetroffen Niet aangetroffen < detectiewaarde
: :
Barium en zink > S Oranje niet-vluchtig
Eindconclusie Binnen de onderzochte locatie is in de ondergrond, onder de ontgravingsbodem van de sanering uit 2017, een verontreiniging vastgesteld die boven de interventiewaarden ligt. Uit het dossier van de sanering blijkt dat op deze plaats ontgraven is tot 0,4 m-mv en de putbodem hier schoon is bevonden. Waarschijnlijk is hier sprake van een lokale storting of dergelijke die vermoedelijk gering in omvang is. Hiervoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03
Inhoudsopgave 1.0 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid 1.3 Leeswijzer
2 2 2 3
2.0 Vooronderzoek 2.1 Inleiding 2.2 Aanleiding vooronderzoek 2.3 Bronvermelding 2.4 Locatiegegevens 2.5 Gebruik en beïnvloeding van de locatie 2.6 Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit 2.7 Toekomstig gebruik 2.8 Bodemopbouw en geohydrologie 2.9 Conclusie vooronderzoek en hypothese(n)
4 4 4 4 5 6 8 10 10 12
3.0 Veld- en laboratoriumonderzoek 3.1 Onderzoeksopzet 3.2 Veldonderzoek 3.3 Laboratoriumonderzoek 3.4 Toetsingskader en toetsing analyseresultaten
13 13 13 15 16
4.0 Resultaten en interpretatie 4.1 Resultaten grondonderzoek 4.2 Resultaten asbestonderzoek 4.3 Resultaten grondwateronderzoek 4.4 Toetsing van de hypothese
17 17 17 18 18
5.0 Conclusies en aanbevelingen
19
6.0 Normering en betrouwbaarheid
20
Bijlage 1: Locatiekaart Bijlage 2: Situatietekening met monsternemingspunten Bijlage 3: Boorbeschrijvingen Bijlage 4: Analysecertificaten Bijlage 5: Toetsing analysecertificaten Bijlage 6: Toelichting en achtergrond toetsingskader Bijlage 7: Relevante informatie vooronderzoek Bijlage 8: Fotoreportage Bijlage 9: Kwaliteitsborging en onafhankelijkheidsverklaring
1.0
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL
In opdracht van Woonstichting ‘thuis heeft Stantec een verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Terraweg (naast 20b) te Best. De locatie maakt onderdeel uit van een woonwagenlocatie en is momenteel braakliggend. Het terrein heeft een oppervlakte van circa 350 m2. De aanleiding voor het uitvoeren van het bodemonderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. Om een extra woonwagenstandplaats te creëren is men voornemens om de huidige bestemming ‘verkeer’ te wijzigingen naar bestemming ‘wonen’. In het kader hiervan is inzicht gewenst in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te krijgen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707. De doelstelling van het verkennend onderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem.
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek dient te worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie.
1.2
KWALITEITSBORGING EN ONAFHANKELIJKHEID
De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA**). Voor het onderdeel asbest treedt de heer Carlo van den Broek van ons kantoor te Oosterhout op als erkend projectleider protocol 2018. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’ (1 februari 2018). Protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’ (1 februari 2018) en protocol 2018: ‘Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, (1 februari 2018).
2001 + 2002 + 2018
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 2
Alle procesonderdelen (uitvoering veldwerk, begeleiding erkend projectleider, overdracht monsters aan laboratorium, en rapportage) zijn uitgevoerd door en onder het certificaat van Stantec B.V., voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification B.V. Ons meest recente certificaatnummer kunt u hier vinden: https://www.stantec.com/nl/about/certifications-memberships. In bijlage 9 is de kwaliteitsborging opgenomen. Hierin is de uitvoeringsdatum van het veldwerk en de naam van de uitvoerende medewerker weergegeven. Voor elk bodemonderzoek geldt dat het is gebaseerd op een beperkt aantal monsterpunten en analyses. De hiervoor voorgeschreven onderzoeksstrategie geeft een goed beeld van de algemene bodemkwaliteit. De analyses zijn uitgevoerd door Eurofins OMEGAM Laboratoria te Amsterdam (RvA geaccrediteerd). De monsters zijn voorbehandeld conform het AS3000 protocol.
1.3
LEESWIJZER
Voorliggend rapport is als volgt opgebouwd: vooronderzoek en onderzoekshypothese (hoofdstuk 2); veld- en laboratoriumonderzoek (hoofdstuk 3); resultaten en interpretatie (hoofdstuk 4); conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5). In hoofdstuk 6 wordt tenslotte een toelichting gegeven op het normenkader en de factoren die van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 3
2.0
VOORONDERZOEK
2.1
INLEIDING
Onderdeel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek conform de NEN 5740 en NEN 5707 is het verrichten van een vooronderzoek conform de NEN 5725. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Om dit doel te bereiken is relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de vooronderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend bodemonderzoek opgesteld. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.
2.2
AANLEIDING VOORONDERZOEK
De aanleiding voor het vooronderzoek conform de NEN 5725 is: A) Opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek.
2.3
BRONVERMELDING
In het kader van het vooronderzoek zijn de onderstaande bronnen geraadpleegd. Tevens is aangegeven of voor de onderzoekslocatie relevante informatie aangetroffen is. Tabel 2.1: Geraadpleegde bronnen Instantie
Aspect
Opdrachtgever
Afbakening onderzoeksgebied Informatie huidig en voormalig gebruik Toekomstig gebruik Informatie Landsdekkend beeld/Globis Bodemkwaliteitskaart BodemInformatiesysteem (BIS) en/of eerder onderzoek Archief BOOT/tankenbestand Vervallen Hinderwetvergunningen (statisch) Actuele milieuvergunningen (dynamisch) Bouwvergunningen Beschikkingen Wet bodembescherming Historische informatie Topografische kaart en luchtfoto google earth Historische atlas Topotijdreis DINOloket
Bodemloket Gemeente Best/ Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Bevoegd gezag Wbb Regionaal archief Literatuur en eigen archief
Relevante informatie aanwezig + + + + + + + +
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 4
Instantie
Aspect
Eerder bodemonderzoek Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwateronttrekkingen Provinciale milieuverordening (PMV) Kadaster Kadastrale situatie Kabels en leidingen informatie (KLIC) Terreinverkenning Bodembedreigende activiteiten Verwachting t.a.v. asbest Locatie interviews + : Informatie aanwezig m.b.t. onderzoekslocatie. - : Geen voor het onderzoek relevante informatie aanwezig m.b.t. onderzoekslocatie.
2.4
Relevante informatie aanwezig + + + -
LOCATIEGEGEVENS
Onderstaand zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2.2: Locatiegegevens Aspect Adres Kadastraal Topografie en RD-coördinaten (bijlage 1) Oppervlakte kadastraal perceel(-en)
Gegevens Terraweg ongenummerd (naast 20b) te Best Gemeente: Best Sectie: B Nummer: 2756 (gedeeltelijk) x: 157471 y: 390153 Circa 4.987 m² Onderzoekslocatie: circa 350 m²
In figuur 2.1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Een situatietekening met begrenzing van de onderzoekslocatie is tevens opgenomen in bijlage 2.
Figuur 2.1: Ligging onderzoekslocatie (met rood aangegeven)
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 5
Voor de afbakening van de onderzoekslocatie is gekozen voor een afbakening voor het deel van het perceel waarop de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betrekking heeft. Het geografisch gebied waarop het vooronderzoek betrekking heeft richt zich op de onderzoekslocatie waarbinnen het geografisch besluitvormingsgebied valt en de aangrenzende percelen tot een maximale afstand van 25 meter.
2.5
GEBRUIK EN BEÏNVLOEDING VAN DE LOCATIE
Voormalig gebruik In tabel 2.3 zijn een aantal historische topografische kaarten opgenomen (inclusief bijbehorend jaartal onder de kaart). Tabel 2.3: Historische topografische kaarten van de onderzoekslocatie (rode contour)
1980
1990
1999
2010
De onderzoekslocatie is tot begin jaren ’90 in gebruik geweest als bos of bouwland. Omstreeks begin jaren ’90 is het woonwagenkamp opgericht, waar de onderzoekslocatie sindsdien onderdeel van uitmaakt. Volgens de bewoners is de locatie tot voor kort ook (deels) gebruikt als crossbaantje. Ten oosten van de locatie bevond zich een stookplaats en een stortplaats voor huishoudafval. In 2017 is een grondsanering uitgevoerd op de onderzoekslocatie en haar directe omgeving. In tabel 2.4 is de ontwikkeling van de locatie vanaf 2008 weergegeven.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 6
Tabel 2.4: Historische luchtfoto’s van de onderzoekslocatie (rode contour)
2008
2016
2017
2018
Huidig gebruik en terreinverkenning De onderzoekslocatie bevindt zich op een woonwagenlocatie. Momenteel zijn in de directe omgeving van de locatie geen factoren bekend die van invloed zijn op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is momenteel in gebruik als braakliggend terrein en geheel vrij van bebouwing en verhardingen. Over grote delen van de locatie is een grondwal cq. depot aanwezig. Onderstaande foto’s geven een indruk van de locatie. In bijlage 8 zijn aanvullende locatiefoto’s opgenomen.
Figuur 2.2: Foto’s onderzoekslocatie Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 7
Tijdens de terreinverkenning is waargenomen dat over een deel van de locatie een grondwal aanwezig is en wat (huishoudelijk)afval. Aan het oppervlak van de locatie zijn, behoudens de aanwezigheid van een grondwal, geen indicaties verkregen die in verband kunnen worden gebracht met een mogelijke verontreiniging van de bodem. Voor zover zintuiglijk waarneembaar zijn er bij de indicatieve inspectie geen asbestverdachte materialen in of op de bodem aangetroffen.
Asbest De kans op het aantreffen van asbest wordt, vanwege het aantreffen van asbest op het maaiveld in de omgeving en het voorkomen van puin in de bodem, reëel geacht.
2.6
VERWACHTING TEN AANZIEN VAN DE BODEMKWALITEIT
Zonering bodemkwaliteitskaart Voor de gemeente Best is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. Hieruit blijkt dat de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bodemkwaliteitszone ‘Buitengebied’. Op basis van deze bodemkwaliteitskaart wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie de volgende bodemkwaliteit verwacht: Ontgravingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv): klasse ‘landbouw/natuur’. Ontgravingskaart ondergrond (0,5-2,0 m-mv): klasse ‘landbouw/natuur’. Op de bodemfunctieklassenkaart is de onderzoekslocatie gelegen in de zone ‘landbouw/natuur’.
PFAS Op maandag 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een 'Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' aangeboden aan de Tweede Kamer. Nadien zijn er diverse aanvullingen op de handelingskader geweest (versie van 1 juli 2020). Het handelingskader is gericht op het aantreffen van de stoffen PFOA (Perfluoroctaanzuur), PFOS (Perfluoroctaansulfonaat) en GenX (HFPO-DA). Op basis van de stukken blijkt dat de bovengrond en geroerde bodems in heel Nederland verdacht zijn op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Hierdoor geldt per direct dat onderzoek op PFAS verplicht is, tenzij kan worden aangetoond dat de grond of baggerspecie onverdacht is. Potentiële bronlocaties van PFAS in Nederland zijn: Producenten van PFOS of PFOA (of andere PFAS). Producenten van Teflon en andere gefluoreerde polymeren. Verwerking van Teflon en andere gefluoreerde polymeren. Galvanische industrie. Locaties waar brandblusschuim wordt ingezet zoals vliegvelden, brandweer oefenplaatsen en militaire locaties en bij grote branden. Bedrijven (waar bekend is dat blusschuimmiddelen zijn opgeslagen). Voormalige stortplaatsen (exclusief de provincies Utrecht en Friesland). Waterzuiveringsinstallaties; Afvalverbrandingsinstallaties.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 8
De onderzoekslocatie wordt aangemerkt als een locatie met een hoge verwachtingswaarde voor PFAS, omdat bronlocaties voor PFAS in de omgeving aanwezig zijn geweest.
Beschikbaar bodemonderzoek Ten behoeve van het vooronderzoek is een omgevingsrapportage opgevraagd. Deze is opgenomen in bijlage 7. Daarnaast is het eigen archief geraadpleegd. Van de onderzoekslocatie en haar de directe omgeving zijn de volgende relevante onderzoeken cq. documenten bekend: Verkennend bodemonderzoek Woonwagenlocatie Terraweg te Best, AGEL adviseurs, 20130295, 12 december 2013; Nader bodem- en asbestonderzoek Woonwagenlocatie Terraweg te Best, AGEL adviseurs, 20130295, april 2015; Evaluatieverslag saneringsmaatregelen (geval 2) Woonwagenlocatie Terraweg te Best, AGEL adviseurs, 20130295, 21 december 2017; Beschikking saneringsverslag Terraweg (fase 2) te Best, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, Z.86053/D.313579, d.d. 14 februari 2018. Het saneringsverslag had betrekking op een verontreiniging met koper in de grond die deels voorkomt binnen de huidige woonwagenlocatie (geval 2 genaamd). In de rapportages is het volgende vastgesteld: In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) worden sterk verhoogde gehalten aan koper aangetoond. In de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehaltes aangetoond. De verontreiniging is volledig afgeperkt. Een deel van de verontreiniging bevindt zich binnen de huidige woonwagenlocatie. Voor het deel in gebruik als woonwagenlocatie zijn er in de huidige situatie – vanwege de aanwezige verhardingen cq.
isolatielaag – geen actuele risico’s aanwezig waardoor er voor dit deel geen sprake van spoedeisendheid is voor het nemen van sanerende maatregelen. In figuur 2.3 zijn enkele foto’s van de sanering opgenomen. In figuur 2.4 is een uitsnede van de situatietekening van het evaluatieverslag weergegeven. Uit het evaluatieverslag blijkt dat de huidige onderzoekslocatie (met oranje globaal aangeduid) is ontgraven tot 0,4 m-mv.
Figuur 2.3: Foto’s grondsanering 2015
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 9
Figuur 2.4: Uitsnede tekening evaluatieverslag grondsanering
Omdat de locatie tot een diepte van 0,4 m-mv is ontgraven wordt verwacht dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen sprake (meer) is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De relevante kopieën van de beschikbare onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 7.
2.7
TOEKOMSTIG GEBRUIK
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zal ter plaatse van de onderzoekslocatie in de toekomst een extra standplaats voor een woonwagen worden gerealiseerd. Het gebruik van de locatie zal hierbij worden gewijzigd in wonen.
2.8
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Het maaiveld bevindt zich op ongeveer 17,4 m+NAP. Van de locatie is de volgende regionale bodemopbouw bekend.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 10
Tabel 2.4: Bodemopbouw en geohydrologie Diepte (m-mv) 0.0 – 2.5
Formatie Boxtel, tweede zandige eenheid
2.5 – 5.0
Boxtel, Laagpakket van Liempde, eerste kleiige eenheid
5.0 – 21.0
Boxtel, derde zandige eenheid
Samenstelling Hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind Hoofdzakelijk bestaande uit leem, met weinig fijn en midden zand en een spoor veen en grof zand Hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
Geohydrologische eenheid Deklaag
Slecht doorlatende laag
Watervoerend pakket
De freatische grondwaterstroming is niet bekend. Opgemerkt wordt dat de freatische grondwaterstromingsrichting lokaal kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van oppervlaktewater, kabels en leidingen, cunetten, funderingen en dergelijke. De regionale grondwaterstromingsrichting van het eerste watervoerende pakket is niet bekend. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De locatie is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Op basis van de beschikbare informatie is niet bekend of het grondwatersysteem is beïnvloed door menselijk handelen als bemalingen en onttrekkingen.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 11
2.9
CONCLUSIE VOORONDERZOEK EN HYPOTHESE(N)
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn in onderstaande tabel de antwoorden op de onderzoeksvragen geformuleerd. Tabel 2.5: Beantwoording onderzoeksvragen Onderzoeksvraag Antwoord Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is De afbakening van de onderzoekslocatie is weergegeven deze voldoende? in figuur 2.1 en op de tekening in bijlage 2. Deze is voldoende. Wat is de bodemopbouw en geohydrologie? Is er De bodem bestaat tot ca. 2,5 m-mv uit hoofdzakelijk zand. binnen de onderzoekslocatie sprake van Van 2,5 tot 5,0 m-mv is hoofdzakelijk leem aanwezig. verschillende fysische kwaliteiten en/of Hieronder is het eerste watervoerend pakket aanwezig, bodemvreemde lagen? hoofdzakelijk bestaande uit zand. Er worden geen bodemvreemde lagen verwacht. Wat is de kwaliteitsklasse op basis van de Boven- en ondergrond: klasse ‘landbouw/natuur’. bodemkwaliteitskaart? Zijn binnen de onderzoekslocatie potentiële bronnen Uit het vooronderzoek zijn geen potentiële (punt)bronnen van bodemverontreiniging aanwezig? voor bodemverontreiniging naar voren gekomen. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van Uit het vooronderzoek zijn geen factoren vanuit de de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? omgeving naar voren gekomen die van invloed kunnen zijn op de bodemkwaliteit.
Wordt op de onderzoekslocatie of een deel daarvan De grond is tot 0,4 m-mv ontgraven tijdens de sanering in (een geval van ernstige) bodemverontreiniging 2017. Hierdoor wordt verwacht dat ter plaatse van de verwacht? onderzoekslocatie geen sprake (meer) is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Is de bodem asbestverdacht? De kans op het aantreffen van asbest wordt, vanwege het aantreffen van asbest op het maaiveld in de omgeving en het voorkomen van puin in de bodem, reëel geacht.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet afdoende bekend is. Er zijn namelijk geen actuele gegevens over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (incl. asbest) bekend. De onderzoekslocatie wordt aangemerkt als een, voor bodemverontreiniging, verdachte locatie. Op basis van de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken kunnen plaatselijk verhoogde gehalten (aan met name koper) worden verwacht in de grond. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5740, strategie voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL). Naast de parameters uit het standaard analysepakket conform de NEN 5740 worden geen andere kritische parameters verwacht. Aangezien tijdens voorgaand onderzoek asbesthoudend materiaal werd aangetroffen op de bodem (en ook veelvuldig bodemvreemde materialen werden aangetroffen in de grond) wordt de onderzoekslocatie als verdacht aangemerkt ten aanzien van het voorkomen van asbest in de bodem. Derhalve wordt een verkennend onderzoek asbest conform de NEN 5707, strategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. De bovengrond is daarbij het meest verdacht.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 12
3.0
VELD- EN LABORATORIUMONDERZOEK
3.1
ONDERZOEKSOPZET
In tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de onderzoeksopzet en hierbij behorende veldwerkzaamheden en analyses. De locatietekening met situering van de monsternemingspunten is opgenomen in bijlage 2. Tabel 3.1: Opzet veld- en laboratoriumonderzoek Locatie
Norm en strategie
Gehele locatie, ca. 350 m2
NEN 5740 / NEN5707 VED-HE(-NL)
Grondwal
Maatwerk
A pakket
:
B pakket
:
3.2
Veldonderzoek (en boornummers) Proefgat Proefgat Boring met met met peilbuis boring tot boring tot 0,5 m-mv 2,0 m-mv 4 1 1
Indicatieve keuring (10 boringen)
Laboratoriumonderzoek Grond
Grondwater
3x A pakket 1x asbest in grond
1 x pakket B
1x A pakket
-
Standaard stoffenpakket grond (A) met de parameters organische stof en lutum, de metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink en de organische parameters som-PCB’s, som-PAK’s en minerale olie. Standaard stoffenpakket grondwater (B) met de parameters vluchtige aromaten (BTEXN), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl 17 parameters), minerale olie (GC) en zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink).
VELDONDERZOEK
Uitgevoerde veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op: Protocol 2001 (plaatsen boringen en peilbuis): op 19 januari 2022. Protocol 2002 (grondwaterbemonstering): op 31 januari 2022. Protocol 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem): op 19 januari 2022. Het veldonderzoek heeft uit de volgende werkzaamheden bestaan: Het uitvoeren van een terreinverkenning en visuele inspectie van het maaiveld. Het plaatsen van de proefgaten, boringen en peilbuis zoals opgenomen in tabel 3.1. De peilbuis is voorzien van een filter met een lengte van 1,0 meter en afgewerkt met filtergrind en een bentonietafsluiting. Het classificeren van de vrijgekomen grond uit de boringen (vaststellen bodemopbouw) en het beoordelen op de aanwezigheid van verontreinigingen. Het visueel inspecteren van de grove fractie (> 20 mm) op asbestverdachte materialen. Van de fijne fractie (< 20 mm) is een grondmengmonster met een veldvochtig gewicht van circa 12 kg samengesteld. Het bemonsteren van de grond. Een grondmonster heeft betrekking op een maximaal bodemtraject van 0,5 meter. Afwijkende bodemlagen (zoals de aanwezigheid van bodemvreemde Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 13
materialen als bijvoorbeeld puin, verkleuringen van de grond en geurwaarnemingen) zijn apart bemonsterd. Indien bij een boring meerdere grondmonsters zijn genomen, is met een toenemende diepte de codering -1, -2, -3 enz. aan het monsternummer toegevoegd. Het bemonsteren van het grondwater uit de peilbuis na een wachttijd van minimaal één week. Bij de codering van een grondwatermonster is het nummer van de peilbuis aangehouden met toegevoegd - nummer filter - nummer watermonster (bijvoorbeeld: 1-1-1).
Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen afwijkingen gerapporteerd die van invloed zijn op de voorschriften en werkwijze van de genoemde protocollen.
Resultaten maaiveldinspectie Voorafgaand aan de monstername is het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. De weersomstandigheden vormden geen belemmering voor het uitvoeren van de visuele inspectie. Daar waar de grondwal aanwezig is kon het maaiveld logischerwijs niet worden geïnspecteerd, maar werd het oppervlak van de grondwal geïnspecteerd. Vanwege de aanwezige matige vegetatie wordt de inspectie-efficiëntie van de visuele inspectie geschat op 80%. Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.
Resultaten grond en grondwater In bijlage 3 zijn de resultaten van de boorbeschrijvingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. Globaal is de bodem tot de maximale boordiepte als volgt opgebouwd: 0,0 - 2,4 m -mv: zand; 0,5 - 2,0 m -mv: leem. 2,7 - 3,1 m -mv: zand. In tabel 3.2 is een overzicht gegeven van de zintuiglijke waargenomen bijzonderheden aan de opgeboorde grond. Tabel 3.2: Zintuiglijk aangetroffen bijzonderheden Boring 01
Einddiepte (m-mv) 1,70
Traject (m-mv) 0,80 - 1,20
Textuur Zand
Zintuiglijke waarneming resten plastic, resten ijzer
Bij het zintuiglijk onderzoek zijn sporadisch bodemvreemde materialen waargenomen (boring 01) die duiden op een (mogelijke) bodemverontreiniging. Voor zover zintuiglijk waarneembaar zijn er bij de inspectie geen asbestverdachte materialen in de opgeboorde grond aangetroffen. In tabel 3.3 staan de veldwaarnemingen met betrekking tot het grondwater.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 14
Tabel 3.3: Veldwaarnemingen met betrekking tot het grondwater Peilbuis
Filtertraject Stijghoogte Temp. pH* (m-mv) (m-mv) (0C) 05 2,10 - 3,10 1,90 8,4 5,5 *) : Normale waarden voor de pH liggen tussen 4,0 en 8,0. **) : Normale waarden voor de Ec liggen onder 1.500 µS/cm.
Ec (µS/cm) ** Troebelheid (NTU) 309 155
Zintuiglijke waarneming -
Aan het opgepompte grondwater zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. De troebelheid (NTU) van het grondwatermonster ligt ver boven de natuurlijke troebelheid van grondwater (<10 NTU). De verhoogde troebelheid van het grondwater kan mogelijk veroorzaakt zijn door verstoring van de bodem bij het plaatsen van de peilbuizen of door de siltige ondergrond. Een verhoogde troebelheid van een grondwatermonster heeft pas consequenties als bepaalde analyseresultaten boven gestelde grenswaarden uitkomen. De beoordeling van de troebelheid vindt mede plaats in samenhang met de analyseresultaten.
3.3
LABORATORIUMONDERZOEK
Een overzicht van de uitgevoerde grond- en grondwateranalyses is weergegeven in de tabellen 3.4, 3.5 en 3.6. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is een selectie gemaakt in de te analyseren grondmonsters waarbij een aantal grondmonsters is samengesteld tot mengmonsters. Voor mengmonsters is de codering MM01 etc. aangehouden. Separate grondmonsters zijn benoemd als boornummer-monsternummer (bijvoorbeeld 01-3). Ten aanzien van asbest heeft op basis van de verkregen (veld)informatie een selectie plaatsgevonden van de te analyseren materiaalverzamelmonsters (>20 mm) en grond(meng)monsters (<20 mm). De grondmengmonsters (<20 mm) zijn in het veld samengesteld. Voor de mengmonsters is de codering MA01 etc. aangehouden. Tabel 3.4: Uitgevoerde analyses grond Monstercode 01-3
Samenstelling monsters (boring-monster) 01-3
Traject (m-mv) 0,80 - 1,20
MM01 MM02 MMGrondwal A pakket
04-2, 05-2, 06-2 01-1, 02-1, 03-1, 06-1 MM-Grondwal-1
0,25 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 1,50
Omschrijving en bijzonderheden Zand, resten plastic, resten ijzer Zand Zand Zand
Analysepakket A pakket A pakket A pakket A pakket
: Standaard stoffenpakket grond (A) met de parameters organische stof en lutum, de metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink en de organische parameters som-PCB’s, som-PAK’s en minerale olie.
Tabel 3.5: Uitgevoerde analyses asbest Monstercode MA01
Samenstelling monsters (proefgaten) 01-1, 02-1, 03-1, 04-1, 05-1, 06-1
Traject (m-mv) 0,00 - 0,50
Omschrijving en bijzonderheden Zand
Analysepakket Asbest in grond
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 15
Tabel 3.6: Uitgevoerde analyses grondwater Monstercode Peilbuis Filtertraject (m-mv) Analysepakket 05-1-1 05 2,10-3,10 B pakket B pakket : Standaard stoffenpakket grondwater (B) met de parameters vluchtige aromaten (BTEXN), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl 17 parameters), minerale olie (GC) en zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink).
3.4
TOETSINGSKADER EN TOETSING ANALYSERESULTATEN
De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 4. Door het laboratorium zijn geen afwijkingen van de AS3000 gerapporteerd. De volledige toetsing van de analyseresultaten is opgenomen in bijlage 5. In deze tabellen zijn de analyseresultaten, het geanalyseerde c.q. gehanteerde lutum- en humusgehalte, het toetsingskader en de overschrijdingen ten opzichte van het toetsingskader opgenomen. Daarnaast zijn de resultaten indicatief getoetst aan de waarden van het Besluit bodemkwaliteit bij toepassing op of in de bodem. Een toelichting op de toetsingscriteria en het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 6. De resultaten van het laboratoriumonderzoek worden in volgend hoofdstuk weergegeven en geïnterpreteerd.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 16
4.0
RESULTATEN EN INTERPRETATIE
4.1
RESULTATEN GRONDONDERZOEK
In tabel 4.1 zijn de resultaten van het grondonderzoek weergegeven. Tabel 4.1: Toetsingsresultaten grond Monstercode
Samenstelling monsters
Bovengrond MM02 01-1, 02-1, 03-1, 06-1 Ondergrond 01-3 01-3
Traject (m-mv)
Omschrijving en bijzonderheden
Toetsing Wbb
0,00 - 0,50
Zand
Koper
0,80 - 1,20
Zand, resten plastic, resten ijzer
Cadmium, zink, minerale olie en PCB’s Cadmium
> AW
>T
>I
Koper, lood en nikkel
MM01 04-2, 05-2, 06-2 0,25 - 1,00 Zand Grondwal MMIndicatieve keuring 0,00 - 1,50 Zand Koper en PAK Grondwal (10 boringen) De gehalten die de betreffende achtergrondwaarden en interventiewaarden overschrijden zijn als volgt geclassificeerd: > AW : Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde. >T : Het gehalte is groter dan de tussenwaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde. >I : Het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de zandige bovengrond (0,00-0,50 m-mv) is een licht verhoogd gehalte gemeten met koper. De overige geanalyseerde parameters zijn gemeten in een gehalte onder de achtergrondwaarde. In monster 01-3 van de zandige bovengrond (0,8-1,2 m-mv), met bijmengingen van resten ijzer en plastic, zijn sterk verhoogde gehalten aan koper, lood en nikkel gemeten. Tevens worden licht verhoogde gehalten aan cadmium, zink, minerale olie en PCB’s gemeten. De overige zintuiglijk schone, zandige ondergrond (0,25-1,0 m-mv) is maximaal licht verontreinigd met cadmium. een licht verhoogd gehalte met cadmium gemeten. Uit de indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de (meng)monsters wisselend zijn beoordeeld. Monster 01-3 is beoordeeld als niet toepasbaar en mengmonsters MM01 en MM02 zijn respectievelijk beoordeeld als altijd toepasbaar en klasse industrie. Het (indicatief) samengestelde mengmonster van de grond uit de grondwal voldoet indicatief aan klasse industrie. Maatgevende parameters zijn koper en PAK (overschrijdingen van de achtergrondwaarde).
4.2
RESULTATEN ASBESTONDERZOEK
In de tabel 4.2 zijn de resultaten van het asbestonderzoek weergegeven.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 17
Tabel 4.2: Bepaling totale gehalte asbest Monstercode
Samenstelling monster
Traject (m-mv)
MA01
01-1, 02-1, 03-1, 04-1, 05-1, 06-1
0,00 - 0,50
Losse asbestvezelbundels Zand
Gehalte asbest fractie < 20 mm (mg/kg) < 0,9
Gehalte asbest fractie > 20 mm (mg/kg) N.v.t.
Totale gehalte aan asbest (mg/kg gewogen) < 0,9
De toetsing van het totale gehalte aan asbest is als volgt geclassificeerd: <I : Het totale gehalte aan asbest is < 0,5 x de interventiewaarde. > 0,5 x I : Het totale gehalte aan asbest is > 0,5 x de interventiewaarde, maar kleiner dan de interventiewaarde. >I : Het totale gehalte aan asbest is groter dan de interventiewaarde.
In grondmengmonsters MA01 ligt het gewogen gehalte aan asbest beneden de detectielimiet (gewogen gehalte aan asbest van < 1,3 mg/kg d.s.). Derhalve is zowel visueel (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond op de locatie.
4.3
RESULTATEN GRONDWATERONDERZOEK
In tabel 4.3 zijn de resultaten van het grondwateronderzoek weergegeven. Tabel 4.3: Toetsingsresultaten grondwater Monstercode Peilbuis Filtertraject (m-mv) Toetsing Wbb 05-1-1 05 2,10 - 3,10 Barium en zink > S De concentraties die de betreffende streefwaarden en interventiewaarden overschrijden zijn als volgt geclassificeerd: <S : De concentratie is kleiner dan de streefwaarde. >S : De concentratie is groter dan de streefwaarde en kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde. >T : De concentratie is groter dan de tussenwaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde. >I : De concentratie is groter dan de interventiewaarde.
In het grondwater uit peilbuis 05 zijn licht verhoogde concentraties aan barium en zink gemeten. In het bemonsterde grondwater uit de peilbuis 05 is een verhoogde troebelheid (> 10 NTU) vastgesteld. Dit kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van gehalten aan matig/slecht oplosbare organische parameters. Bij het onderzoek is de tussenwaarde voor geen van de organische parameters overschreden. De eventuele overschatting van de concentraties als gevolg van de verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksresultaten en de conclusies.
4.4
TOETSING VAN DE HYPOTHESE
De op basis van het vooronderzoek gestelde hypothese ’verdacht’ is op basis van de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek juist gebleken. Op basis van de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek dient de hypothese ‘verdacht’ ten aanzien van asbest te worden verworpen. Het gewogen gehalte aan asbest is kleiner dan de detectiewaarde waardoor er geen noodzaak is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de bodem.
Stantec | Verkennend bodem- en asbestonderzoek Terraweg ong. te Best_20130295-03 18
5.0
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd:
Bij het zintuiglijk onderzoek is bij één boring (boring 01) bodemvreemd materiaal in de grond waargenomen. Dit betreft een bruinzwarte laag van 0,8 tot 1,2 m-mv met resten plastic en ijzer. Er is bij de inspectie geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
In de verdachte laag van boring 01 tussen 0,80-1,20 m-mv zijn de gehalten aan koper, lood en nikkel tot boven de interventiewaarde gemeten. Tevens worden hier ook licht verhoogde gehalten aan cadmium, zink, minerale olie en PCB’s gemeten.