23039.3 - Toelichting bestemmingsplan Sint-Annaweg 4
Tekst van het document
Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Conclusie Gezien het vorenstaande en de relatief grote afstand kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
26 van 46
Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: " Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Sint Annaweg dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren loods, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Opgemerkt dient te worden dat op deze plek reeds decennia lang een loods aanwezig is geweest, welke recent door een calamiteit teniet is gedaan. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de 'Effectenindicator soorten' van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten óverig bouwwerk bouwen' en ^richting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)'.
Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeelding. Effecten indicator soorten
teken de grenzen van het plançebiei::
punten
voor wdke OlO-actlvlřciĩīcrťi u een indicatie van effecten wilt ontvangen.
27 van 46
Top-10 activiteiten
D Slopen en,'or
Alle actiy te ter
sí test verwijderen
O Innchtmg of mijnbouwwerk oprécřiten of veranderen (Milieu) O Bgbehorene bouwwerk bauwen O Koppen O 0venei bouwwerk bauwen O Hendelen *n strijd niet regels ruimtelijke ordening
ũ Dakkapel plaatsen O Woning bouwen O Nieuw Kozijn plaatsen of bestaand kozijn of gevelpaneel veranderen O Uitrit aan leggen of veranderen
1 Locatie
2 Activiteiten
Locatie: 5,3622/51,3075
Oppervlakte: 0,59 ha
3 Indicatie
Dlsclotmcr ï De dekkingsgraad van waarnemingen uit de MDFf per loeare wisset sterk. Ais er geen waarnemingen uit de MOFf zijn, kunnen er dus wei beschermde scerten voorkomen. Een gebruiker ű ze» verantwoordelijk om [eventueel met hulp van űe gemeente) te aenternaien of er űaac werkelijk beschermde soorten in net piangcDiec voorkomen. > Besehermoe soorten cie naar verwachting geen schadelijke effecten ondervinden, worden net in do uitvaer getoena. -- De informatie liTCŭ errectenmcicator soorten is genenek. Om vast te stenen ot een activiteit m ce praktijk caaŭwerkelljk schadelijk es, Is meer specifieke informatie nocig over ce Betreffende activiteit, de werklocate en over het voorkomen van beschermde soorten in en rond hef plangebied.
Activiteiten f7) Overig bouwwerk bouwen [7Ĵ
Inrichting of mijnbouw werk opnchtcn of veranderen (Milieu)
Į
In het door u geselecteerde gebied komen, m combinatie met de geselecteerde activiteiten J, geen Viertel ijk beschermde soorten voor waarbij schadelijke effecten worden verwacht.
Afbeelding 16: Uitsnede kaart 'Effectenindicator soorten' en conclusie 'Effectenindicator soorten' Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is.
4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. 4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie onderstaande afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
28 van 46
Aarte Straten
Heivelden
- : Aardkundig waardevol gebied
Heuvefeind
Ä Complex van cultuurhistorisch belang
D Cultuurhistorisch waardevol gebied
n Nieuwe Hollandse waterlinie Afbeelding 17: Uitsnede kaart 'Instructieregeis gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' De gemeente Best heeft een cultuurhistorische waardenkaart opgesteid, zie onderstaande afbeelding. Op deze kaart is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van een historisch buurtlandschap. Op deze kaart is het plangebied tevens als historisch erf weergegeven. De akkerwal rondom het plangebied is een cultuurhistorisch waardevolle lijn.
pi rtąçfj
mami
-----
«4ļ,
•.TC'—* C« -.v «Ç 'flv-'KC C*w«S. 'XVMJ
5 tbc < Z2~.
ľ t*-|
■*'C IJ-ĘSfl ŕ"
ņ t JC AW i
Afbeelding 18: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Best, locatie aangeduid met rode cirkel In de beoogde situatie blijft het erf ongewijzigd. Daarnaast worden de perceelsgrenzen niet aangetast, waardoor de cultuurhistorisch waardevolle lijn aanwezig blijft. Aangezien uitsluitend een loods wordt herbouwd is er geen sprake van aantasting van het landschap. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van aantasting van de cultuurhistorische waarden.
29 van 46
4.4.2. Archeologie Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg is het noodzakelijk in ruimtelijke plannen aandacht te besteden aan mogelijk aanwezige archeologische waarden in het betreffende plangebied. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
Gemeentelijk beleid In 2011 is de gemeentelijke archeologiekaart met bijbehorend rapport en bijlagen vastgesteld door de gemeenteraad. Deze kaart vormt samen met het archeologisch beleidsplan de grondslag voor het gemeentelijk archeologiebeleid. De archeologiekaart uit 2011 is in 2017 geactualiseerd, waarbij nieuwe archeologische vindplaatsen, uitgevoerde archeologische onderzoeken en bodemverstorende werkzaamheden (nieuwbouw, ontgrondingen e.d.) zijn geraadpleegd, geanalyseerd en verwerkt. Doel van de actualisatie is om zoveel mogelijk onnodig archeologisch onderzoek in de toekomst te voorkomen. De inventarisatie heeft geleid tot een nieuwe archeologische beleidskaart, welke is vertaald in het bestemmingsplan "Parkeernormen en archeologie", vastgesteld 6-2-2017. In het bestemmingsplan is de locatie aan de Sint Annaweg 4 aangeduid met dubbelbestemming "WaardeArcheologie 3". Parkeernormen en archeologie Gemeente Best bestemmingsplan onherroepelijk (vastgesteld 2017-02-06)
PLEKINFO
DOCUMENTEN
KENMERKEN
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)
* * *
Afbeelding 18: Uitsnede "ruimtelijke plannen Waarde - Archeologie 3 Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. Slechts wanneer beide maximale ondergrenzen worden overschreden, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
30 van 46
Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een nieuwe loods op de plaats waar reeds een loods aanwezig is geweest. Deze voormalige loods is door weersomstandigheden vernietigd en als gevolg daarvan opgeruimd. Hierdoor zijn de gronden ter plaatse ernstig verstoord. Ten tijde van de bouw van deze reeds gesloopte loods is de grond rondom verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Buiten het realiseren van de loods wordt geen bebouwing gerealiseerd. Wel wordt erfverharding gerealiseerd groter dan 250 m2, echter wordt niet dieper gegraven dan 0,3m. Geconstateerd wordt dat de opgenomen grenswaarden van te bebouwen oppervlakte van meer dan 250 m2 met een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld niet wordt overschreden. Conclusie Aangezien het voorliggend initiatief de herbouw van een loods betreft, is er geen aanleiding te veronderstellen dat er bij de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied archeologische waarden worden aangetast. Er is daarom geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek. Ter bescherming van de potentieel aanwezige archeologische waarden (aan de achterzijde van het plangebied, welke met de beoogde ontwikkeling niet wordt bebouwd) blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' gewaarborgd.
Hiermee worden bij toekomstige ontwikkelingen de potentieel aanwezige archeologische waarden beschermd.
4.5. Landschappelijke inpassing De gemeente Best heeft een landschapsinvesteringsregeling 2019 (LIR) opgesteld. Deze notitie gaat nadrukkelijk niet over ontwikkelingen die op grond van een geldend bestemmingsplan al mogelijk zijn. Elke gemeente kan daarvoor eigen beleid ontwikkelen dat niet aan de provinciale verordening wordt getoetst. Niet alle ontwikkelingen hebben een even grote negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien is een onderscheid te maken tussen ontwikkelingen die echt thuishoren in het buitengebied en ontwikkelingen die dat minder doen, zoals wonen of niet-agrarische bedrijfsfuncties. De impact wordt onder meer bepaald door: - de omvang van de ontwikkeling (is daarvoor vergroting bestemmingsvlak of bouwvlak nodig); " is er sprake van nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; - de aard van de locatie en de omgeving; " de aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving (verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie); " betreft het een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; " de "gewenstheid" van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens. Rekening houdend met deze impact op de omgeving worden categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden. Afhankelijk van de impact wordt bepaald hoe invulling wordt gegeven aan de LIR 2019: " Categorie 1.
Ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. " Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing " Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering wordt vormgegeven door een goede landschappelijke inpassing en een extra bijdrage. Conform de LIR is de beoogde ontwikkeling te omschrijven als een categorie 3 ontwikkeling. Het gaat hier om ontwikkelingen die een beduidende invloed op de omgeving heeft die wel inpasbaar is. Daarnaast is conform het vigerende bestemmingsplan het gehele plangebied als bouwvlak aan te duiden, hierdoor is er in de beoogde opzet ook geen sprake van bouwvlakvergroting. Doordat hier sprake is van omschakeling van wonen naar een agrarische bedrijfsvorm en dit past binnen én eigen is
31 van 46
aan het landelijk gebied wordt bij deze categorie 3 ontwikkeling verlangd dat deze op eigen terrein goed landschappelijk worden ingepast, inclusief een extra bijdrage. Conform het huidige bestemmingsplan is sprake van een woonbestemming van 1.500 m2. Daarnaast is 5.130 m2 bestemd als agrarische grond. In de beoogde situatie is sprake van een bestemming van 6.630 m2 agrarisch bedrijf. De overige gronden (oostzijde bedrijf) zijn in de huidige- en beoogde situatie agrarisch. Hier vinden dus geen wijzigingen plaats. Derhalve is er sprake van een vergroting van het bestemmings-/ bouwvlak met 5.130 m2 (6.630 m2 1.500 m2) waarvoor in het LIR een waarde van C 2,- per m2 is gekoppeld. Dit betekent dat de extra bijdrage C 10.260,- bedraagt. Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. Landschappelijke inpassing vindt plaats op of aansluitend aan het bouwvlak/bestemmingsvlak. Aansluitend aan de huidige bestemming zijn reeds bestaande voorzieningen in vorm van bomen/struiken aanwezig. Hier wordt in het opgestelde landschappelijk inpassingsplan bij aangesloten. De bestaande fruitboomgaard, heggen, hagen en bomen worden gehandhaafd.
Aan de oostelijk grens van het plangebied is reeds gedeeltelijk een bomenrij aanwezig, deze bomenrij wordt in het landschappelijk inpassingsplan over de gehele oostelijke grens verlengd. Het nieuwe landschappelijk inpassingsplan is als separate bijlage toegevoegd.
4.6. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen onkruiden, schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke vijanden en mechanische bestrijding. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie desondanks mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De woningen aan de Oirschotseweg nummers 114, 116, 118 en 120, maar ook de woningen aan de Brugstraat 1a en 3 liggen tegen het plangebied aan. Hierbij grenzen de woningen met huisnummer 1a, 3, 116, 118 aan de agrarische bestemming. Boomteelt is op deze percelen rechtstreeks toegestaan.
Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-950Zo gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De woning op nummer 118 en 120 grenst aan de beoogde bestemmingswijziging naar agrarisch bedrijf. Op dit gedeelte wordt slechts incidenteel onkruidbestrijding toegepast. Deze onkruidbestrijding is niet anders dan momenteel plaats op het gedeelte met woonbestemming. Het betreft hier voornamelijk pleksgewijze onkruidbestrijding op verharding ten behoeve van good-house-keeping.
32 van 46
4.7. Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering van de boomkwekerij vinden weinig bodembedreigende activiteiten plaats. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het toedienen van meststoffen kan gezien worden als bodembedreigende activiteiten. De boomkwekerij gaat echter zeer zorgvuldig om met het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en andere bodembedreigende middelen. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico's met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Bij gebouwen waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven is het gezondheidsrisico voor mensen verwaarloosbaar.
Het betreft hier bouwwerken waar niet dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken. Bij ’enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee uur of meer per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen alsmede voor het telen of kweken van land en tuinbouw producten zijn voorbeelden van bouwwerken die doorgaans niet als verblijfsplaats worden aangemerkt. Opgemerkt dient te worden dat een sorteerruimte, kantoorruimte of winkelruimte wel worden aangemerkt als verblijfsruimte. Uit bovenstaande onderbouwing blijkt dat met het uitbreiden van de bedrijfsloods geen gebouwen worden opgericht die aangemerkt worden als verblijfsruimte. Derhalve is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Er is geen sprake van onaanvaardbare risico's voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling.
4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: " Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer.
33 van 46
-
Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).
De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype 'gemengd buitengebied'. In de directe omgeving vindt matige tot sterke functiemenging plaats. In de omgeving bevinden zich naast burgerwoningen andere functies, zoals o.a. veehouderij, autogaragebedrijf, fouragehandel en loonwerkbedrijf. De boomkwekerij (relevant aan tuinbouw/akkerbouw) behoort tot milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 10 meter. De dichtstbij liggende woonbestemming van derden (Sint Annaweg 3) bevindt zich op een afstand van ca. 15 meter van het huidige woonbestemmingsvlak van het perceel aan de Sint Annaweg 4. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.
4.9. Geur Geurhinder veroorzaakt door het telen van planten en bomen in de tunnelkas, op een containerveld of in de volle grond is zeer beperkt. Bij de kweek van planten en bomen worden geen stoffen gehanteerd die sterke geuremissies veroorzaken. De geteelde planten en bomen hebben geen of zeer beperkte geur afscheiding. In de VNG-publicatie voor 'Bedrijven en Milieuzonering' is het aspect geur opgenomen. Voor de boomkwekerij (relevant aan tuinbouw/akkerbouw) geldt hier een richtafstand van 0 meter naar andere gevoelige objecten betreffende het aspect geur. Met het initiatief is dus geen sprake van geurhinder ten opzichte van gevoelige bestemmingen Z functies in de directe nabijheid. Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Er wordt dan ook geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd. Derhalve is een onderbouwing met betrekking tot een goed woon- en leefklimaat niet relevant en leidt het initiatief niet tot beperkingen in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.10.
Luchtkwaliteit
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM 10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft. Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting.
Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de
34 van 46
toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3Zo grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; " Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3Zo van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Voor de beoogde wijziging dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie 'Niet In Betekenende Mate' bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij het CROW. Voor een functie in de categorie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods/opslag)', dat ligt in het buitengebied wordt een verkeersgeneratie van 3,9 - 5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. Zoals reeds benoemd heeft het bedrijf een bedrijfsvloeroppervlak van circa 1300 m2. Dit resulteert in een worstcase scenario in een toename van het weekdaggemiddelde van ((1300/100)^5,7) 75 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Conform de CROW-normen is het aandeel bezoekers bij arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven 5Zo. Derhalve is uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 950Zo, er van uitgaande dat bezoekers met licht verkeer (personenauto's/bestelauto's) de locatie bezoeken. In totaal zullen er derhalve 71 zware en 4 lichte verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden. Daarnaast is er ook een woonhuis binnen de inrichting aanwezig.
Conform CROW-publicatie is de verkeersgeneratie 8,6 per woning in buitengebied. De woning ligt weliswaar formeel binnen de bebouwde kom, voor woning binnen de bebouwde kom geldt een lagere verkeersgeneratie. Deze norm van 8,6 kan dan ook worden gezien als worst-case-situatie. Hiermee is het totaal aantal lichte verkeersbewegingen 12,6. Uitgegaan wordt van 13 lichte verkeersbewegingen en 71 zware verkeersbewegingen. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is, zie onderstaande afbeelding. Bovendien zullen in werkelijkheid de verkeersbewegingen van en naar de inrichting niet toenemen als gevolg van het realiseren van het bestemmingsplan, omdat de werkzaamheden binnen het bedrijf, het aantal bezoekers en het aantal werknemers gelijk zal blijven. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
35 van 46
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
84
Aandeel vrachtverkeer
85,00Zo
NO2 in pg/m3
0,63
PM10 in pg/m3
0,06
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 19: Uitsnede NIBM-tooi De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de iuchtkwaiiteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.11.
Geluid
Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Het betreft namelijk het realiseren van een agrarisch bestemming, een bedrijfsgebouw en omzetting van burgerwoning naar bedrijfswoning. In de inrichting ter plaatse van deze nieuwe bouwwerken vinden wel activiteiten plaats welke een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidsbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is zeer beperkt en de activiteiten die niet inpandig plaatsvinden zijn van beperkte geluidproducerende vorm. In paragraaf 4.7 van deze toelichting is reeds getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking. Uit deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Met het initiatief is dus geen sprake van geluidhinder ten opzichte van gevoelige objecten in de nabijheid van het plangebied.
4.12.
Verkeer en parkeren
Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Sint Annaweg. Dit is een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door Oirschotseweg en Brugstraat/Kapelweg. Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van slechts een kleine toename van verkeersbewegingen. Een groot gedeelte van de gronden waar de planten worden gekweekt is gelegen direct aan het achtererf. Hierdoor maken de machines geen gebruik van de openbare weg. In veel gevallen zal op werkdagen in de ochtend een tractor het erf verlaten en tegen de avond terugkeren. Deze verkeersbeweging is te vergelijken met een bewoner die op dit moment naar zijn werk gaat met de auto. In de beoogde situatie zal deze beweging plaatsvinden met een tractor. Voor overige bewegingen (laden/ lossen van producten) zorgen naar schatting voor een toename van 300Zo aan verkeersbewegingen. Daarnaast gebruikt de initiatiefnemer ook gronden in de omgeving voor de boomkwekerij. Werkzaamheden met machines vinden sporadisch plaats. In dat geval zal de betreffende machine (voornamelijk tractoren) de locatie verlaten richting de percelen. Daarmee worden ze opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
Als de werkzaamheden op de percelen zijn uitgevoerd keert het voertuig weer terug naar de thuislocatie aan de Sint Annaweg. Daarnaast is de Sint Annaweg onlangs gerenoveerd waarbij een aansluiting is gemaakt naar de Oirschotseweg (zuiden). Hierdoor hoeft het verkeer niet meer allemaal via het noorden te rijden. Dit zorgt voor een ontlasting van de weg van
36 van 46
ongeveer 50oZo. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om deze kleine toename van verkeersbewegingen af te wikkelen. De verkeersveiligheid veranderd niet in de beoogde situatie. De verkeerssituatie blijft ongewijzigd daar er geen wijzigingen plaatsvinden aan bebouwing dichtbij de straat en aan inritten. Door hogere voertuigen (voornamelijk tractoren) wordt het zicht van bestuurders verbeterd waardoor er een overzichtelijkere situatie ontstaat. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de verkeersveiligheid niet significant verslechterd door de beoogde ontwikkeling. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen van de gemeente Best en tevens bij CROW notitie 'Toekomstbestendig parkeren' (editie 2018). Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een bedrijf in de categorie 'arbeidsextensief/bezoekersextensief' dat ligt in het buitengebied geldt een parkeernorm van minimaal 0,8 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (in zowel de Nota Parkeernormen als het CROW). Binnen de beoogde bedrijfsbestemming is circa 1300 m2 bedrijfsbebouwing aanwezig. Dit betekent dat ten behoeve van deze functie voorzien moet worden in 10,4 parkeerplaatsen.
Binnen het beoogde bestemmingsvlak, welke voor groot gedeelte is verhard, is ruim voldoende mogelijkheid tot parkeren. In onderstaande afbeelding is een visualisatie opgenomen van de parkeerruimte. Hieruit blijkt dat voldoende ruimte is om te parkeren, waarbij rekening is gehouden met de breedte van een parkeervak van 2,5 meter met een lengte van 5 meter (conform maatvoering parkeerplaatsen CROW) Bestaande bomen handhaven
Bestaande beukenhaag Nieuw te bouwen boomkwekenjloods
Bestaande fruitboomgaard handhaven
Bestaande houtsingel derden Bestaande knip- en scheerheg handhaven (indien nodig revitaliseren)
Afbeelding 20: Visualisatie parkeerruimte De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
37 van 46
4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.13.1. Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico's zijn vastgelegd, zijn: " Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) " Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico's nader uitgelegd.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario's. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.
Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1/ van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.13.2. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de
38 van 46
grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie onderstaande afbeelding.
;
1
------------- —
Ç Ocìōĵ
Afbeelding 21: Uitsnede risicokaart Nederland Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (bomen- en plantenteelt) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten.. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De dichtstbijzijde spoortraject ligt op een afstand van circa 1,7 km. Dichtstbijzijnde rijksweg ligt eveneens op een afstand van circa 1,7 km. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijksweg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In de vigerende bestemmingsplannen is in de nabijheid geen dubbelbestemming 'Leiding - [...]' opgenomen. Daarnaast ligt ter plaatse momenteel een concept bestemmingsplan ter inzage. Hierin is ook deze dubbelbestemming niet in de nabijheid opgenomen.
De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Vliegveld Eindhoven Op circa 5 kilometer ten zuiden van het plangebied is de Vliegveld Eindhoven/Eindhoven Airport gelegen. Dit is een burgerluchtvaartbasis annex militair vliegveld. De ontwikkeling van de boomkwekerij binnen het plangebied levert geen belemmeringen op voor de vliegbasis. Echter, door de aanwezigheid van de vliegbasis zijn er wel diverse aspecten waar rekening mee gehouden moet worden bij de planvorming. Door de nabijheid van de vliegbasis, zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen op de locatie van toepassing:
39 van 46
" -
Gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerszone - ihcs en invliegfunnel" Vrijwaringszone 'Radar'
Bovenstaande gebiedsaanduiding is in het huidige bestemmingsplan niet opgenomen, echter recent heeft een hernieuwd (ontwerp-)bestemmingsplan ter plaatse ter inzage gelegen. Deze is thans niet vigerend, maar heeft wel een voorbereidende werking. Hierin is bovenstaande gebiedsaanduiding ter plaatse opgenomen, waardoor het binnen het voorliggend bestemmingsplan overgenomen zal worden. IHCS staat voor 'Inner Horizontal Conical Surface'. Al dan niet in afwijking van het elders in de planregels bepaalde, geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ihcs en invliegfunnel' ten behoeve van een obstakelvrij start- en landingsvlak met zijkanten ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien deze een bouwhoogte kennen hoger dan op onderstaande afbeelding weergegeven. Ter plaatse geldt conform het concept bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van circa 135 meter boven NAP. Dit is herleidbaar in bijlage 4 van de bij het plan behorende regels en tevens in onderstaande afbeelding welke een uitsnede is van de afbeelding in bijlage 4. Het plan gebied is gelegen op circa 15 meter boven NAP. Hierdoor is de maximale bouwhoogte ter plaatse circa (135-15) 120 meter boven peil. Dergelijke bouwhoogtes zijn niet van toepassing voor de gewenste bedrijfsopzet.
De gebiedsaanduiding zorgt dus niet voor beperkingen voor voorgenomen plan.
Afbeelding 22: Maximale bouwhoogte i. v.m. aanvliegroute Eindhoven Airport, (plangebied blauwe pijl) Ter plaatse van het plangebied is in het concept bestemmingsplan 2021 is het gebied aangeduid middels de aanduiding 'Vrijwaringszone - Radar'. Binnen dergelijke vrijwaringszone geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor hogere bebouwing dan 90 m boven NAP, in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen. Zoals reeds vermeldt is het plangebied gelegen op circa 15 meter boven NAP. Hierdoor is de maximale bouwhoogte ter plaatse circa (90-15) 75 meter. Dergelijke bouwhoogtes zijn niet van toepassing voor de gewenste bedrijfsopzet. De aanduiding zorgt dus niet voor beperkingen voor voorgenomen plan.
4.14. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 21). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.
4.15. Duurzaamheid De gemeente Best heeft een forse ambitie op het gebied van duurzaamheid: energieneutraal en afvalloos. Samen met de Metropool Regio Eindhoven streeft Best ernaar om als eerste regio energieneutraal te zijn. Hiervoor worden de volgende onderwerpen als uitgangspunt genomen: ^
aardgasvrij
40 van 46
zonnepanelen duurzaam bouwen duurzame energieopwekking Beoogd wordt de nieuwe boomkwekerijloods aardgasvrij te exploiteren. De loods wordt voornamelijk gebruik voor de opstallen van materialen en machines. Hiervoor is geen warmte noodzakelijk. In eerste instantie worden nog geen zonnepanelen gerealiseerd. Het betreft een startende ondernemer welke financieel nog niet in staat is dergelijke investeringen te doen. Mocht dit in de toekomst veranderen zal opnieuw worden overwogen zonnepanelen te plaatsen. Duurzaam bouwen heeft met name te maken met energiebesparing, en daarnaast het gebruik van duurzame materialen. Zoals eerder genoemd wordt getracht de nieuw te bouwen loods aardgasvrij te exploiteren. Voor wat betreft bouwmaterialen zal worden gekeken naar de mogelijkheid om duurzame materialen te gebruiken. Ten tijde van het schrijven van deze toelichting is namelijk nog geen aannemer bekend. In de visie voor duurzame energieopwekking Buitengebied Best worden verschillende vormen van duurzame energieopwekking beschreven. De planlocatie wordt daarin gezien als geschikt voor de ontwikkeling van duurzame energie. Voor het opwekken van duurzame energie zijn investeringen noodzakelijk. Zoals eerder aangegeven is deze mogelijkheid er op dit moment niet in de begroting, waardoor duurzame energieopwekking voor nu (nog) niet aan de orde is.
41 van 46
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan.
5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s).
Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen.
5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: Enkelbestemming: Agrarisch; Enkelbestemming: Agrarisch - Agrarisch bedrijf " Dubbelbestemming: Waarde-Archeologie 3 " Bouwvlak " Functieaanduiding: Specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing " Functieaanduiding: Specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschappelijke inpassing " Gebiedsaanduiding: Luchtvaartverkeerzone - ihcs en invliegfunnel " Gebiedsaanduiding: Overige zone - beperkingen veehouderij " Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone - radar Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het ontwerp bestemmingsplan "Buitengebied Best 2021". Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. In het vigerende bestemmingsplan is geen specifiek bouwvlak aangeduid. Dit betekent dat in dit geval dat in het vigerende bestemmingsplan binnen het gehele bestemmingsvlak gebouw mag worden. In de beoogde opzet wordt niet het gehele bestemmingsvlak (ca. 10.500 m2) als bouwvlak opgenomen, maar slechts gedeeltelijk (circa 6.500 m2). Dit bouwvlak wordt tevens aangeduid als "Agrarischagrarisch bedrijf". Het gedeelte van het oorspronkelijk bestemmingsvlak welke niet wordt aangeduid als "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" wordt aangeduid als "Agrarisch" .
Daarnaast is de functieaanduiding 'Specifieke vorm van agrarisch - landschappelijk inpassing' over het gehele bestemmingsvlak opgenomen om de landschappelijke inpassing te borgen.
42 van 46
5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar mogelijk is wordt aangesloten bij regels van het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Best 2021". De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijk inpassing' wordt de instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan als een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de regels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.
43 van 46
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet.
6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Sint Annaweg 4 te Best betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden. Er zal een vooroverleg plaatsvinden met de daartoe aangewezen instanties, er zal tevens ook een omgevingsdialoog plaatsvinden. 6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog In het kader van artikel 3.1.1 Bro zal een overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg zullen eventuele opmerkingen worden verwerkt.
Een verslag van het omgevingsdialoog is toegevoegd aan de bijlage. 6.2.2. Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
44 van 46
7. Bijlagen -
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5:
Rapport Adviescommissie Agrarisch Bouwaanvragen AERIUS-berekening beoogde situatie Invoergegevens AERIUS Landschappelijke inpassingsplan Omgevingsdialoog
45 van 46
te* www.vandunadvies.nl