23039.3 - Toelichting bestemmingsplan Sint-Annaweg 4
Tekst van het document
DUN ADVIES partner in het buitengebied
Toelichting Bestemmingsplan
Sint-Annaweg 4 te Best
o Archiefexemplaar van BL22-18745
n
- Toelichting ontwerpbp Sint-Annaweg 4
Colofon
Gemeente:
Best
Projectlocatie:
Sint-Annaweg 4, 5684 NM Best
Datum:
12-07-2022
Status:
Ontwerp
IMRO-Code:
NL.IMRO.0753bpSintAnnaweg4-ON01
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer:
21046.002V Z CVH Z BC
2 van 46
Inhoudsopgave 1. Inleiding............................................................................................................. 5 1.1.
Geldend planologisch regime.......................................................................................... 5
1.2.
Procedure.......................................................................................................................... 8
1.3.
Leeswijzer.......................................................................................................................... 8
2. Planbeschrijving................................................................................................. 9 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................................. 9
2.2.
Beoogde situatie............................................................................................................... 9
3. Beleidskader..................................................................................................... 11 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................................ 11
3.1.1.
Omgevingsvisie Noord-Brabant..............................................................................11
3.1.2. 3.1.3.
Structuurvisie 2010 - partiële herziening2014..................................................... 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ...................................................12
3.2.
Gemeentelijk beleid.........................................................................................................15
3.2.1. 3.2.2.
Omgevingsvisie Best 2040...................................................................................... 15 Bestemmingsplan.................................................................................................... 17
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten................................................. 18 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.............................................18
4.2.
Waterhuishouding........................................................................................................... 19
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur ..............................................................................................................................24
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Waterrelevant beleid............................................................................................... 19 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ...........................................................21 Beoogde waterhuishoudkundige situatie.............................................................. 21
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ..........................................................................24 Wet natuurbescherming......................................................................................... 25
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie...................................................................28
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde................................................................................. 28 Archeologie.............................................................................................................. 30
4.5.
Landschappelijke inpassing ............................................................................................31
4.6.
Spuitzones.......................................................................................................................32
4.7.
Bodemkwaliteit ................................................................................................................33
4.8.
Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................... 33
4.9.
Geur ................................................................................................................................. 34
4.10.
Luchtkwaliteit.............................................................................................................. 34
4.11.
Geluid........................................................................................................................... 36
4.12.
Verkeer en parkeren................................................................................................... 36
4.13.
Externe veiligheid........................................................................................................38
4.13.1.
Regelgeving.............................................................................................................. 38
3 van 46
4.13.2.
Toetsing aan beleid................................................................................................38
4.14.
Technische infrastructuur.......................................................................................... 40
4.15.
Duurzaamheid............................................................................................................. 40
5. Juridische planbeschrijving..............................................................................42 5.1.
Juridische achtergrond...................................................................................................42
5.2.
Toelichting verbeelding...................................................................................................42
5.3.
Toelichting regels............................................................................................................ 43
6. Uitvoerbaarheid............................................................................................... 44 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid.............................................................................................44
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid.................................................................................44
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog.........................................................................44 Zienswijzen en beroep........................................................................................... 44
7. Bijlagen............................................................................................................ 45
4 van 46
1. Inleiding Initiatiefnemer woont op dit moment met zijn gezin aan de Sint Annaweg 4 te Best. Dit betreft een kavel van circa 1 ha waarop voorheen een agrarisch bedrijf was gevestigd. In het bestemmingsplan Buitengebied 2002 is deze locatie opgenomen met een woonbestemming. Initiatiefnemer wenst in de beoogde situatie de huidige woonbestemming om te zetten naar een agrarische bestemming met bedrijfswoning ten behoeve van een boomkwekerijbedrijf. In de beoogde situatie wordt de bestaande bebouwing gehandhaafd. Tevens wordt er een nieuwe loods gerealiseerd op de locatie waar eerder een loods heeft gestaan. Deze voormalige loods is door weersomstandigheden vernietigd en als gevolg daarvan opgeruimd. De bestaande loodsen en gebouwen en de nieuw te bouwen loods zullen worden gebruikt voor de opslag van plantgoed en stalling van machines en materialen ten behoeve van de boomkwekerij. In onderstaande afbeelding is de bestaande en de beoogde situatie weergegeven.
Nog te bouwen loods
- ‘-Sa?
-
m
j*"'
Uitbreiding opper vlakte erfverhar-
(
Al Afbeelding 1: Bestaande en beoogde situatie plangebied blauw omkaderd. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl
1.1. Geldend planologisch regime Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2002' van de Gemeente Best dat is vastgesteld op 21-1-2002. In dit bestemmingsplan zijn wel regels opgenomen over woonbestemming, echter zijn geen regels opgesteld voor de wijziging van gronden met woonbestemming naar agrarische doeleinden. Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied (afbeelding 2) en tevens gelegen in de kernrandzonde van gemeente Best (afbeelding 3). Daarnaast is het plangebied aangeduid met woonbestemming (Afbeelding 4 en afbeelding 5)
5 van 46
SAÍĹ!
fcy;41 rvĩ:
Afbeelding 2: Plankaart 1, Buitengebied Best2002. Plangebied aangeduid met blauwe pijl.
VERKLARING
VERKLARING AfVMŪUlOinCEN
mmmMmím HEBOJMNCEaUSTFH
IQtKCWĩrC KLÇľl*-LM TOCKlKHWaX
mm ïmm
W4ĨIÖHŰ NAÄfř MAAT5CMAWEUJÍ OOeLOrfflEn
Y'iïi,
WMŜ
gkoenē
«ocrosrcucnjun
i\, ’4 IV
mm. mm
GEMEENTE BEST BESTEMMINGSPLAN 8UITENCEBIĒD BEST 2002 PLANKAART 2 CHFfflHKELINGEN
Afbeelding 3: Plankaart 2, Buitengebied Best2002. Plangebied aangeduid met blauwe pijl.
6 van 46
Overzicht burgerwoningen Detail plan kaarten woon doeleinden
Straatnaam
Huksnum-
PaittidĖ
mer
Plaats-
Wonlnņ-
Dŕtarfplar-
JjŪötlMŮņtŕ wonìngin-
ñdůirì
nummer
kaannum-
ë ůfd jn
JmųD lef s da-n SOft nľ
ncr
4v5 m
1
SííįPJ
iHt
216
32
s
PtHSrtrmt
n
S6B3PA
Best
217
ìì
c:
StŕiBnswEg
1
55B1BÍI
Best
119
n
ŞíhMHIiVEg
2
Sů&iůl
BEU
219
34
e:
Sehaflsweg
7
54B1BC
East
220
13
c c
irfhv
"V M >
■v
>
hg
V
hg
Sthmswefl
7
56S1EC
East
211
n
Schansweg
1t
5&Ů1BC
East
222
13
Sint Annsweg
ì
5&94HM
EPb';
267
27
>
Sint Annaweg
4
5Ŵ&4HM
■til
26S
27
<
<
V
Sim AnnBiåieg
10
5&34N M
Best
İ19
4LI
í
>
g
A
■ľ
V
V
Afbeelding 4: Uitsnede woondoeieinden, Buitengebied Best2002
\
SCHAAL 1:2000
Afbeelding 5: Detaiikaartnummer 27, Buitengebied Best2002
7 van 46
1.2. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd.
Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om tijdig zienswijzen kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd.
1.3. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de inleiding, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
8 van 46
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie.
2.1. Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Best aan de Sint-Annaweg 4 tegen de bebouwde kom van Best. De Sint-Annaweg is een zijstraat van de Oirschotseweg. De Oirschotseweg is de doorgaande weg tussen de kernen Best en Oirschot. De kern van Oirschot is gelegen op circa 2,3 kilometer. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als gemengd gebied met een afwisseling van bedrijfs-, agrarische- en woonbestemmingen. Op de locatie zelf zijn diverse gebouwen aanwezig. Deze waren reeds aanwezig bij de eerdere omzetting van de agrarische bestemming naar woonbestemming. .
į'.'ŵũT!* , 1
foiEĥlÜl
1:woonhuis 2:bestaande loods 3:bestaande loods 4:locatie voormalige loods 5:bestaande loods 6:tunnelkas
Afbeelding 6: Luchtfoto omgeving plangebied. Plangebied rode pijl.
2.2. Beoogde situatie Zoals eerder beschreven is initiatiefnemer voornemens om de woonbestemming vanuit het bestemmingsplan om te zetten naar agrarische bestemming ten behoeve van boomkwekerij. In de beoogde situatie wordt dan ook de bestemming "woondoeleinden" omgezet naar "Agrarisch bedrijf". Daarnaast wordt de burgerwoning omgezet naar bedrijfswoning.
9 van 46
Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van dit nieuwe agrarische bedrijf een boomkwekerij te exploiteren. De nieuw te bouwen loods wordt ingericht ten behoeve van stalling van machines en materialen ten behoeve van de boomkwekerij. Hierdoor is het totale bedrijfsvloeroppervlak circa 1.300m2. Tevens zal de erfverharding worden verruimd ten behoeve van manoeuvreerruimte van vrachtwagens, machines, tijdelijke opslag van plantgoed en tijdelijke stalling van materialen en machines. De oppervlakte "Agrarisch bedrijf" is in de beoogde situatie circa 6.500m2. Het overige gedeelte van het plangebied blijft de bestemming "agrarisch" behouden (circa 4.000 m2). Hierop wordt een gedeelte van planten gekweekt, daarnaast heeft initiatiefnemer ook gronden in de omgeving in gebruik waarop eveneens planten worden gekweekt. De boomkwekerij betreft een kwekerij van haagplanten, coniferen, prunus, cipres en taxus. Dit bedrijf verkoopt hun planten aan onder andere boomkwekerijen, hoveniers en tuincentra. Daarnaast vindt een beperkte huisverkoop aan particulieren plaats. Het is een relatief jong bedrijf, welke de laatste jaren aan het doorgroeien is tot een volwaardig bedrijf, zoals ook is aangegeven in het adviesrapport van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). In onderstaande afbeelding is de beoogde situatie weergegeven.
Hierin is de beoogde inrichting zorgvuldig ingepast, afgestemd op kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap.
zie ĽZTie"
tanaraven
Beslaande DeuKernacg aeraen - lie-- .v
cc - /.er
Bestaande Dcr^ernj
na nanaver Beraarae
Aan re ponten
Bes*oande frJlc»oomgaara
Beraande -CLtsinge. eerden Beroanae knip- en seneemeg
nananaven maten noatg revitaliseren'
Afbeelding 7: Schets beoogde situatie inci. landschappelijke inpassing
10 van 46
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven.
3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto 'eenvoudig beter', doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma's de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma's is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is 'omgevingskwaliteiť.
Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: 'Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.' Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.' Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan.
Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014 De Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De
11 van 46
genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie onderstaande afbeelding, ligt de planlocatie in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Doordat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt.
Gemengd landelijk gebied Thema: landbouw, recreatie
ļ Gebiedsbegrenzing: indicatief Zoekgenied verstedelijking Thema: bedrijven, voorzieningen, V\ wonen x\ Gebiedsbegrenzing: indicatief
H I
Stedelijk concentratiegebied Thema: bedrijven, voorzieningen, wonen Gebiedsbegrenzing: indicatief Groenblauwe mantel Thema: natuur, water Gebiedsbegrenzing: indicatief
Afbeelding 8: Uitsnede structurenkaart Bestemming is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er vinden naast de bestaande woonbestemmingen, ook agrarische bedrijvigheid en niet agrarische bedrijvigheid plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.
3.1.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.
Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin
12 van 46
de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden 'Verstedelijking afweegbaar', 'gemengd landelijk gebied', 'landelijk gebied', 'beperking veehouderij' en 'stalderingsgebied'. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.
xvvvvvvvvvvwwwvw
^ Verstedelijking afweegbaar ^ Gemengd landelijk gebied Landelijk gebied ļ Beperkingen veehouderij D Stalderingsgebied
Afbeelding 9: Uitsnede kaartviewer Interim Omgevingsverordening De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen " 3.43 Verstedelijking afweegbaar " 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Gemend landelijk gebied - 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij - 3.52 Aanvullende regels stalderen Het plan heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een veehouderij. Derhalve zijn de regels voor veehouderijen, dierenverblijven en stalderen buiten beschouwing gelaten. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: " zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag.
Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied 'Stedelijk gebied' of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden
13 van 46
geconcentreerd binnen een bouwperceel. Alle aanwezige bebouwing zijn binnen het bestaande bouwvlak gerealiseerd. In beoogde situatie wordt de erfverharding uitgebreid buiten het bestaande bouwvlak, hiervoor een uitbreiding van het bouwvlak opgenomen. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: " de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving.
De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Uit deze toetsing blijkt dat er geen negatieve effecten zijn of zullen komen op de waarden in de omgeving. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de ontwikkeling van bedrijf te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan.
Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Best is de Landschapsinvesteringsregeling 2019 van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling. Het gaat hierbij om ontwikkelingen die wel ruimtelijk inpasbaar zijn, maar een beduidende invloed hebben op te omgeving. Hieronder valt dus de omschakeling van een woonbestemming naar een agrarische bestemming. In de bijlage is een landschappelijk inpassingsplan bijgevoegd.
14 van 46
Als deze ontwikkelingen al gepaard gaan met het oprichten van nieuwe bebouwing past deze bebouwing binnen de vigerende bouwmogelijkheden, is hiervoor geen vergroting van bestemmingsvlak of bouwvlak nodig en/of is er geen sprake van een waardevermeerdering van enige omvang. Op afbeelding 7 is beoogde situatie inclusief landschappelijk inpassing weergegeven. Het landschappelijk inpassingsplan is verder uitgewerkt in paragraaf 4.5. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied (artikel 3.54) Er is getoetst aan de voorwaarden waaraan voldaan dient te worden bij de uitbreiding van een grondgebonden teeltbedrijf in gemengd landelijk gebied:
Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf ais: a. dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is; Het betreft hier een nieuw ontwikkeling van een boomkwekerij. Voorafgaand aan deze toelichting is er een advies opgesteld door Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. De Adviescommissie constateert dat een heel aantal investeringen hebben plaatsgevonden ten behoeve van de opstart van de bedrijfsvoering in de boomkwekerij. De bedrijfsvoering in de boomkwekerij is op basis van de huidige plantopstanden kleinschalig van omvang. De investeringen in de vorm van de aankoop van mechanisatie, het huren van grond en de uitbreiding van plantopstanden, zijn gericht op een doorontwikkeling van de activiteiten in de boomkwekerij. Als separate bijlage is het adviesrapport van de adviescommissie toegevoegd. In dit rapport is de adviescommissie samenvattend van oordeel dat de voorgestelde wijziging van de bestemming van wonen naar agrarische bedrijfsdoeleinden betrekking heeft op een reëel, grondgebonden agrarisch bedrijf. Voorts is de Adviescommissie van oordeel dat de omschakeling noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf. b. de bouw of uitbreiding van een kas is beperkt tot ten hoogste 5.000 m2.
Er is geen sprake van bouw of uitbreiding van een kas.
Uit bovenstaande toetsing blijkt dat op grond van artikel 3.54 van de Iov een uitbreiding van de boomkwekerij is toegestaan. Artikel 3.43 Verstedelijking afweegbaar (artikel 3.43) In afwijking van Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar onder voorwaarden voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Echter de beoogde ontwikkeling heeft geen verstedelijking karakter. Het betreft een nieuw vestiging van agrarische bedrijf. Hierdoor is verdere toetsing aan deze voorwaarden niet noodzakelijk. Conclusie: Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1. Omgevingsvisie Best2040 De omgevingsvisie Best 2040 is op 31 januari 2022 vastgesteld. Op 1 januari 2023 treedt in Nederland de Omgevingswet in werking met regels over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Gemeenten worden uitgedaagd om gebiedsgericht na te denken over de toekomst. Ze krijgen meer
15 van 46
ruimte om samen met onder meer inwoners, ondernemers en maatschappelijk partners binnen de kaders van de wet invulling te geven aan beleid. In Best wordt samen vooruit gekeken naar 2040 en wordt in de Omgevingsvisie geschetst hoe het 'dorp van formaat' in de toekomst wordt gezien. Uit het geformuleerde beeld van Best in 2040 en diverse trends en ontwikkelingen die op de gemeente af komen zijn drie integrale kernopgaven geformuleerd: 1. Ruimte voor comfortabel wonen; 2. Versterken van de groene leefomgeving; 3. Accommoderen van een vitale en schone economie. De beoogde ontwikkeling betreft het in gebruik nemen van een bestaande locatie voor een boomkwekerij. De initiatiefnemer zal blijven wonen op de locatie en daarbij de bestaande bebouwing exploiteren. Door het exploiteren van agrarisch bedrijf in de vorm van een boomkwekerij wordt uitbreiding van de kom van Best niet belemmerd, er worden immers geen dieren gehouden waarbij geuremissie plaatsvindt. De groene leefomgeving wordt versterkt, en zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven is de locatie aangeduid met Yuimte voor verbreding en verduurzaming landbouw en transformatie boerenerven', evenals beschermen cultuurhistorische waarde'. Middels het plan wordt tevens een startende ondernemer de kans geboden om bij te dragen aan een vitale en schone economie in Best.
16 van 46
5.:tŕtot hDūĩdgrotnīirtjciuuf mm hoge beíevrgs-Cft gebr^itafturde
ÉSwd^Cfncn CyüUUrfiiltarrscJTe. Shviņrŗŕ
2ůůkiÿMľ*Ŕ:İ ŕiáuaŭ rŭďUtiŭvŭ vH-Liinli-yHii «r'i
Rutorai *oar vertrcänq tri -«rduu naming
Naluunmrsiarkng hi UmMlKLapirtit
Afbeelding 10: Uitsnede ruimtelijke vertaling van de kernopgave, locatie aangeduid met rode cirkel.
3.2.2. Bestemmingsplan Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" geldend. Hier zijn de volgende bestemming en aanduidingen opgenomen, zie hiervoor ook afbeelding 2,3,4 en 5 eerder opgenomen in deze notitie: " Bestemming: Agrarisch gebied - Aanduiding: Kernrandzone - Aanduiding: Woonbestemming In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Er is in het bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om beoogde ontwikkeling rechtstreeks mogelijk te maken. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid (postzegelbestemmingsplan). De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Best 2006". In dit bestemmingsplan is de wijzigingsbevoegdheid van "wonen" naar bestemming "(agrarisch) vollegrondsteeltbedrijf" wel opgenomen. Dit betreft artikel 16.6.1.
17 van 46
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven.
4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. De categorie die mogelijk van toepassing zou zijn op het beoogde initiatief betreft D9. D9 betreft activiteiten met betrekking tot een functiewijziging ten behoeve van landbouw "Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan" met een oppervlak van meer dan 125 hectare of vestiging van een glastuinbouwgebied | bloembollenteeltgebied van meer dan 50hectare. Het initiatief betreft een ontwikkeling van een boomkwekerij van minder 125 hectare, derhalve is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde betreft categorie D9. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011|92|EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. In deze notitie worden alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten getoetst. Hierdoor kan deze notitie tevens worden gezien als een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie.
Uit deze notitie kan worden geconcludeerd dat er gelet op de kenmerken van de ontwikkeling, de locatie en de kenmerken van de potentiële effecten geen aanleiding is tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling. Door middel van deze toelichting op het bestemmingsplan heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze toelichting kan dan ook worden beschouwd als vormvrije MER-beoordelingsnotitie. In overeenstemming met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een MER-beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Dit maakt het mogelijk dat het college in één vergadering besluit over de MERbeoordeling en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Beide zaken liggen dan tegelijk ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en|of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden.
18 van 46
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het college kan gelijktijdig met het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan een besluit nemen op de vormvrije MERbeoordeling.
4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.2.1. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009.
De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; " Een betere waterveiligheid door preventie; " Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 - 2021 'Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige 'PWP 2010-2015' en het 'Provinciale Milieuplan 2012-2015'.
Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: " Voldoende water voor mens, plant en dier; " Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); " Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's; " Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
19 van 46
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in onderstaande afbeelding heeft de planlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie 'Water voor het gemengd landelijk gebied' toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding gemengd landelijk gebied' uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.
Water voor het natuurnetwerk Brabant Gebiedsbegrenzing: exact Water voor het gemengd landelijk gebied Gebiedsbegrenzing: exact Water in bebouwd gebied Gebiedsbegrenzing: exact Water voor de groenblauwe mantel Gebiedsbegrenzing: exact
Afbeelding 11: Uitsnede kaart 'gezondheid-1'; Provinciaal milieu- en waterpian 2016-2021 Op kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de planlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de planlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); " Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.
Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; " Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; " Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om
20 van 46
gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel. 4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de legger van De Dommel is informatie opgenomen van alle aanwezige waterrelevante objecten in een gebied. Tevens is aangegeven wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud. Uit de leggerkaart, zie onderstaande afbeelding, blijkt dat er geen waterlopen aanwezig zijn binnen het plangebied. De aanwezige B-wateren vormen de grens met naastgelegen inrichting.
Duiker
A-water
o»«ŵotsBÏ
B-water Z B-wateren
Afbeelding 12: Uitsnede legger Waterschap De Dommel
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt enkel huishoudelijk afvalwater geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten/bodem. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. 4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie In de beoogde situatie zal er sprake zijn van bedrijfsafvalwater en hemelwater. Het bedrijfsafvalwater is van huishoudelijke aard en wordt geloosd op het gemeentelijk riool. Er is sprake van een bedrijf zonder personeel, waardoor het bedrijfsafvalwater niet significant meer wordt in de beoogde situatie. Het betreft uitsluitend toiletgebruik en gebruik van een wasbak.
De situatie voor hemelwaterafvoer wijzigt niet.
21 van 46
Er is in het huidige plan sprake van (vervangende) nieuwbouw. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de B-watergang worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Ten oosten tegen het plangebied ligt de a-watergang DO10^H005 (Groote Waterloop) op het kadastrale perceel sectie K 4067. Vanuit de insteek (schuinte punt van de greppel) is circa 1 meter eigendom van het waterschap. Dit eigendom dient dan ook te worden beschermd. Zo ook het beheer en onderhoud dient voor nu en in de toekomst goed te kunnen worden uitgevoerd en het waterschap zou in de toekomst, mogelijk incidenteel met een machine bij deze A-watergang moeten kunnen. Bebouwing en tunnels zijn dan ook zeker niet mogelijk binnen de 5 meter zone van de A-watergang. Naast de A-watergang worden bomen geplant. Hiervoor dient een vergunning traject te worden doorlopen bij Waterschap De Dommel.
Middels een aparte procedure wordt, in overleg met het waterschap, een vergunning aangevraagd in het kader van de Waterwet. Zoals aangegeven is waterschap De dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond en oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap De Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap De Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie wordt het nieuwe gebouw groter gerealiseerd dan het oorspronkelijke gebouw welke enkel jaren geleden is afgebroken. Daarnaast vindt er uitbreiding van verhard oppervlak in de vorm van erfverharding plaats. Er is een toename van circa 1.600 m2 verhard oppervlak. Conform de regels is het mogelijk teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. In de beoogde situatie is hiervan geen sprake. Echter indien deze in de toekomst wel worden gerealiseerd worden teeltondersteunende voorzieningen gezien als verharding waardoor tevens moet worden voldaan aan bovenstaande mitigerende maatregelen.
Zoals aangegeven is waterschap De Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond en oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap De Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 'gevoeligheidsfactor' x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval De Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig.
Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: 1A (Laag), V2 (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt is er voor de locatie aan de Sint-Annaweg een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
22 van 46
Afbeelding 13: Uitsnede keurkaart De Dommel, plangebied aangeduid met blauwe pijl De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 mB/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario's. Dit is een vast gegeven in de formule. Als alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend, betekent dit dat de volgende rekensom gemaakt kan worden.
Benodigde compensatie = 1.600 m2 x 1 x 0,06 =96 m3 Mocht de hoeveelheid verhard oppervlak bij realisatie inderdaad 1.600 m2 bedragen zal er een retentievoorziening van 96 m3 worden gerealiseerd. Indien meer of minder verharding wordt gerealiseerd is ook een grotere of kleinere retentievoorziening noodzakelijk. Uitgaande van een GHG van 60cm (zie afbeelding 14) dient de retentievoorziening 160 m2 te bedragen (of kleiner indien de voorziening hoger wordt dan peil). Er wordt een afvoerconstructie gerealiseerd van 2 l/s en een overstort conform de beleidsregels.
Gemiddelde hoogste grondwaterstand
Afbeelding 14: Uitsnede Bodematias 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' provincie Noord-Brabant. Plangebied met blauwe pij! aangegeven Binnen het beoogde bestemmingsvlak is ruimte voor de realisatie van een retentievoorziening. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
23 van 46
4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. 4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.
Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: " Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; " Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; " Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.
Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 900Zo van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie onderstaande afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
24 van 46
' !‘
Natuur Netwerk Brabant
m Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone I n Stiltegebied___________________________________ I
Afbeelding 15: Uitsnede kaart 'Natuur Netwerk Brabant', plangebied weergegeven met plusteken 4.3.2. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De provincie NoordBrabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 6,9 kilometer ligt.
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden.
25 van 46
Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Recentelijk is door de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Stikstofreductie en natuurbescherming. Wanneer deze wet in werking is getreden is de bouwactiviteit waarschijnlijk vrijgesteld van een vergunningsplicht. Dit betekent dat er geen berekeningen meer nodig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Hier is pas uitsluitsel over wanneer deze wet in werking is getreden. Deze wet zal, naar verwachting, op 1 juli 2021, in werking treden. In het kader van deze doelstelling is geen AERIUSberekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt voor de gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in een separate bijlage. Tevens is als separate bijlage de rekenresultaten van de AERIUS-berekening opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar.