23005.3 - Bijlage 1 - Toelichting BP Oirschotseweg ong. (nabij 96, 98)
Tekst van het document
Het betreft de toevoeging van een viertal burgerwoningen. Aangenomen kan worden dat de woningen betrokken wordt door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. 5.8.6.3
Aanvullend Advies Veiligheidsregio
Gezien de ontwikkeling is gebruik gemaakt van het standaard advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Er is geen aanvullend advies bij de VRBZO gevraagd.
5.8.7
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.9
Besluit m.e.r.
5.9.1
Inleiding
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
5.9.2
Toets initiatief
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van vier woningen binnen de planlocatie. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van [..Jwoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m2’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
57
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
6. ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE EN NATUUR 6.1
Archeologie
6.1.1
Verdrag van Valletta
In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.
6.1.2
Wet op de archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
6.1.3
Archeologiebeleid gemeente Best
Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijks en provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Onderdeel van het beleidsplan is de ‘Archeologische verwachtingen en waardenkaart’. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven, waarbij het plangebied met een blauw contour is aangeduid. Legenda CD GemeentegrenS-best
Historische kern
Vondstmetd i nge n
Hoge verwachting
Onderzoeksme Idingen
Middelhoge verwachting
KadastraalJijn Mogelijk verstoringen
Verstoringen
Wettelijk beschermd monument
Water
Archeologisch waardevol gebied
2484:6
Figuur 22: Uitsnede Archeologische verwachtingen en waardenkaart
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
58
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
Het plangebied is aangeduid als een locatie in een ‘historische kern’ en ‘hoge verwachting’. Archeologisch onderzoek wordt dan daarom noodzakelijk geacht. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij dit rapport gevoegd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. “Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen en de aanwezigheid van Brabantse Leem in de ondergrond van het plangebied en daarmee lage verwachting voor alle archeologische perioden in het westelijke deel van het plangebied adviseert KSP Archeologie in het westelijke deel geen archeologisch vervolgonderzoek. Op grond van de aangetroffen glas, baksteen-, puin- en morelresten in het oostelijke deel van het plangebied, die een aanwijzing vormen dat dit deel van het plangebied onderdeel heeft uitgemaakt van een historische boerderijlocatie, en daarmee hoge archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie een archeologisch vervolgonderzoek in het oostelijke deel van het plangebied. Op grond van de aangetroffen glas, baksteen-, puin- en morelresten tijdens het booronderzoek in het oostelijke deel van het plangebied, die een aanwijzing vormen dat dit deel van het plangebied onderdeel heeft uitgemaakt van een historische boerderijlocatie.
Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld (vanwege esdek) kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. KSP Archeologie adviseert een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek ter plekke van de geplande woning om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. ”
6.2
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 'sHertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De
Meierij
wordt
gekenmerkt
door
een
kleinschalig
mozaïek
van
oude
en
jonge
ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
59
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar.
In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Met de realisatie van dit plan worden de beplantingen op de kavelgrenzen weer hersteld. Aansluiting si gezocht bij de historische beplantingselementen zoals een hoogstamboomgaard, knotbomenrijen, knip- en scheerhagen, Struweelhagen en houtsingel. Tevens wordt een weidepoel aangelegd. Met deze landschapselementen worden de historische structuren weer zichtbaar gemaakt. De oude schuur op de locatie Oirschotseweg 96 is gedeeltelijk opgetrokken van Populierenhout. Deze schuur kent cultuurhistorische waarden en zal behouden blijven als bijgebouw bij de nieuw op te richten woning nabij Oirschotseweg 96.
6.3
Natuur
6.3.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
6.3.2
Gebiedsbescherming
De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
60
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS)
regelde sinds 2015 de ruimte voor economische
ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2019 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Het dichtst bij het plangebied gelegen natuurgebied betreft ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’, gelegen op een afstand van circa 7.300 meter ten noorden van het plangebied.
Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van omliggende natuurgebieden, waarbij het plangebied met rood is aangeduid. Met AERIUS Calculator is de consequentie hiervan op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. De beoogde herontwikkeling voorziet niet in rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen op omliggende natuurgebieden.
6.3.3
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
61
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
Ten behoeve van de ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Daaruit volgen de volgende conclusies: - Met de beoogde ontwikkeling op de locatie Oirschotseweg nabij 96 en 98 te Best worden -
geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet aan de orde.
Het volledige onderzoek behoort als bijlage bij deze toelichting.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
62
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid en Grexwet
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van onderhavig plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Best zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten voor de herontwikkeling verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal met de gemeente Best een anterieure overeenkomst voor de planontwikkeling sluiten. Tevens zal door de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente Best waarin is bepaald dat de initiatiefnemer de kosten voor rekening neemt.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ruimtelijke onderbouwing zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen kan een heroverweging op onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden onderhavig ruimtelijke onderbouwing op een aantal punten te wijzigen.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
63
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
8.
PROCEDURE
8.1
Inleiding
De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schríftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren
-
brengen aan de gemeenteraad; binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de
-
gemeenteraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend
-
gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of o
niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
8.2
Inspraak
In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.
8.3
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro worden provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
64
Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg ong. (nabij 96 en nabij 98) Best' - Toelichting
Waterschap De Dommel Per elektronische brief d.d. 4 maart 2022 heeft Waterschap De Dommel gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. Het waterschap geeft aan in te stemmen met het bestemmingsplan in het kader van de watertoetsprocedure. Wel is gevraagd enkele punten nader uit te werken in de waterparagraaf. Het voorontwerp bestemmingsplan is naar aanleiding hiervan aangevuld. Provincie Noord-Brabant Per brief d.d. 2 mei
2022
heeft
de
Provincie
Noord-Brabant
gereageerd
op
het
voorontwerpbestemmingsplan. De provincie heeft beoordeeld dat de beoogde locatie voor de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woningen een aanvaardbare locatie is en deze ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van dit gebied. Hiermee wordt voldaan aan enkele belangrijke voorwaarden voor de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimte woning. Wel ontbrekende bouwtitels Ruimte voor Ruimte nog ten tijde van het voorontwerpbestemmingsplan. Vaststelling kan pas plaatsvinden na het aanleveren van de bouwtitels. Daarnaast is aangegeven dat de provincie niet heeft kunnen vaststellen dat de veldschuur een cultuurhistorisch waardevol object is. Na herhaaldelijke verzoeken aan de provincie om dit nader te onderbouwen of de vooroverleg reactie op dit punt te verduidelijken is hier niet meer op gereageerd. In cultuurhistorische waardestelling met cultuurhistorische onderbouwing maakt als bijlage deel uit van deze toelichting.
8.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘heeft met ingang van 3 augustus 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis te Best en is gepubliceerd op de gemeentelijke website. Het bestemmingsplan was tevens digitaal raadpleegbaar op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens deze periode kon een ieder een zienswijze op het bestemmingsplan indienen. Gedurende de ter inzage legging zijn er twee zienswijzen binnengekomen. Een toelichting op de zienswijze en de beantwoording hiervan is opgenomen in de nota van zienswijzen welke als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.
CONCEPT-VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
65