CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22047.4 - Toelichting Oirschotseweg tussen 109 en 111

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22047 - Bestemmingsplan 3 woningen Oirschotseweg 109-11112.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Watercompensatie Raadpleging van de legger van het Waterschap De Dommel wijst verder uit dat in het plangebied zelf geen oppervlaktewater is gelegen en voor de ontwikkeling ook geen

27

oppervlaktewater gedempt wordt. Het is derhalve op dit punt niet nodig om watercompensatie door te voeren. Wel grenst het plangebied aan de zuidzijde aan een A-watergang, zoals op navolgen­ de afbeelding te zien is. De A-watergang valt buiten het plangebied en blijft derhalve behouden zodat het oppervlaktewatersysteem niet wijzigt. De watergang kent aan de noordzijde een beschermingszone van 5 meter ten behoeve van het beheer en on­ derhoud. Deze zone is reeds voorzien van een groenbestemming. Dit zal met dit plan niet wijzigen. Het oprichten van gebouwen is hier niet toegestaan.

Plangebied

Legger Oppervlaktewater Waterschap De Dommel (Bron: De Dommel).

Tevens gelden de algemene regels van de Keur ten aanzien van verhard oppervlak. Volgens artikel 3.6 van de Keur is het verboden zonder vergunning neerslag door toe­ name van verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktelichaam te laten komen. In artikel 15 van de Algemene regels van de Keur is echter geregeld dat dit verbod niet geldt indien sprake is van een toename van maximaal 500 m aan verhard opper­ vlak. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd. In huidige situa­ tie zijn uitsluitend een aantal kleine bouwwerken aanwezig. Met de voorgenomen ont­ wikkeling zal het verhard oppervlak toenemen, maar naar verwachting niet met meer 2 dan 500 m . Specifieke compenserende maatregelen worden daarom niet noodzake­ lijk geacht. Wel is het zo dat er in het plangebied veel ruimte is voor groen waar ruimte is om eventuele voorzieningen te treffen om het regenwater ter plaatse te infiltreren of te bergen. Daarbij geldt de voorkeur om hemelwater zo lang mogelijk op eigen terrein vast te houden, te vertragen en daarna via maaiveld af te voeren naar sloten. Vuil wa­ ter gaat via het drukriool.

28

Riolering In de omgeving van het plangebied is geen directe mogelijkheid om op de vuilwaterriolering aan te sluiten. Wel zijn mogelijkheden om aan te sluiten op de in de nabijheid aanwezige drukriolering. De toekomstige eigenaren moeten deze aansluiting op eigen rekening regelen. Conclusie Het aspect water zorgt niet voor een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.9

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige na­ tuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet na­ tuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebie­ den en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een nega­ tief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ont­ heffing kan worden verkregen. Toetsing 5 Voor voorliggende ontwikkeling is in een door SAB uitgevoerde quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 7,7 kilometer van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de dit Natura 2000-gebied is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. SAB heeft daarom een onderzoek stikstofdepositie 6uitgevoerd.

Uit de uitgevoerde berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provin­ ciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

SAB (2021). Quick scan natuur. Best, Oirschotseweg 109 & 111. Projectnummer: 200339. 6

7 april 2021. SAB (2021). Onderzoek stikstofdepositie. Best, Oirschotseweg. Projectnummer: 200339. 25 maart 2021. 29

Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verbo­ den geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwik­ keling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broe­ den. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Daarnaast is er mogelijk essentieel leefgebied van de teunisbloempijlstaart aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek7 uitge­ voerd.

Uit het onderzoek volgt dat de aanwezigheid van geschikt of essentieel leefge­ bied van de teunisbloempijlstaart kan worden uitgesloten. Wat betreft vleermuizen geldt dat in het plangebied één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen, die als gevolg van de ontwikkeling vernietigd zal worden. Om die reden wordt een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en worden de benodigde mitigerende maatregelen getroffen. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voor­ komt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Als het plangebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van an­ dere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwe­ zig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn.

De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

7

SAB (2021). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Best, Oirschotseweg 109 & 11. Projectnummer: 200339.01. 30 september 2021. 30

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeolo­ gische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te wor­ den aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Raadpleging van het geldende thematische bestemmingsplan ‘Parkeernormen en ar­ cheologie’ wijst uit dat het plangebied archeologische dubbelbestemmingen kent (Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4). Op de plek waar de woningen zijn beoogd geldt Waarde - Archeologie 3. Raadpleging van de regels blijkt dat hier bij een bodemingreep groter dan 250 m en dieper dan 0,3 meter een archeologisch on­ derzoek moet worden overlegd. Aangezien deze grenswaarden worden overschreden is een verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek8 uitgevoerd. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat rekening dient te worden gehouden met ar­ cheologische waarden in de rood gemarkeerde zone zoals op navolgende afbeelding te zien is.

Indien bouwwerkzaamheden zijn gepland in deze zone, dan wordt aanbevo­ len om in die zone eerst een proefsleuvenonderzoek uit te voeren zodat bepaald kan worden of behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Verder geldt dat het noordoostelijke deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorge­ nomen ontwikkeling. Voor de rood gemarkeerde gronden zijn in dit bestemmingsplan de geldende archeologische dubbelbestemmingen overgenomen, waarmee de arche­ ologische waarden in het plangebied beschermd worden. Dit betekent dat indien er bouwwerkzaamheden plaatsvinden in de rood gemarkeerde zone er, ten behoeve van een bouwvergunning, proefsleuven moeten worden gegraven.

Zone met mogelijke archeologische resten (rood) (Bron: Bureau voor Archeologie).

8

Bureau voor Archeologie (2021). Een bureau- en inventariserend veldonderzoek. Best, Oirschotseweg. Projectnummer: 1028. 18 juni 2021. 31

Conclusie Met het handhaven van de geldende archeologische dubbelbestemmingen ter plaatse van een deel van het plangebied is het aspect archeologie in voldoende mate be­ schermd en vormt het geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cul­ tuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmings­ plannen. Toetsing Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is aangegeven waar cultuurhistori­ sche waarden te vinden zijn. Aan de Oirschotseweg 117 staat de Armenhoef boerde­ rij, welke is aangewezen als rijksmonument. De boerderij is vanwege de stal, waarvan het houtskelet gedeeltelijk uit 1263 dateert, mogelijk de oudste boerderij van WestEuropa waarvan nog bovengrondse delen bestaan. De boerderij ligt op 330 meter af­ stand van het plangebied. Raadpleging van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Best wijst verder uit dat de Oirschotseweg wordt aangemerkt als cul­ tuurhistorische waardevolle structuur. De Oirschotseweg wordt gekenmerkt door de variatie in functie en bebouwingsmassa en het landelijk en dorps karakter. In para­ graaf 2.2 van deze toelichting is reeds beschreven dat met de ontwikkeling wordt aan­ gesloten bij de huidige stedenbouwkundige kenmerken. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor de eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistori­ sche waarden.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van on­ derhavig plan.

4.12

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gege­ nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW9 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveel­ heid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het plangebied tussen het buitengebied en de woonwijk Heivelden wor­ den de kencijfers voor het gebied ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. De gemeente Best wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘matig stedelijk’ gebied.

9

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 32

Voor de toevoeging van drie woningen volgt uit deze kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Koop, huis, vrijstaand (1) Koop, huis, twee-onder- Totaal één-kap (2) Minimaal

7,8 x 1 = 7,8

7,4 x 2 = 14,8

22,6

Maximaal

8,6 x 1 = 8,6

8,2 x 2 = 16,4

25,0

Gemiddeld gezien zullen maximaal circa 25 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verwachting is dat dit extra verkeer afge­ wikkeld kan worden op de Oirschotseweg. Parkeren De gemeente Best heeft haar gemeentelijke parkeernormen vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2015’. Voor het gebiedstype rest bebouwde kom hanteert de gemeen­ te Best een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning voor de woningtypologie ‘vrijstaand’ en 1,8 parkeerplaatsen per woning voor de woningtypologie ‘twee-onderéén-kap groot’. Dit betekent dat voor iedere beoogde woning 2 parkeerplaatsen moe­ ten worden gerealiseerd. In dit plan bevinden zich aan de achterzijde van de wonin­ gen 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein van iedere woning. Daarmee worden in dit plan voldoende parkeerplaatsen geregeld voor de 3 beoogde woningen. In de regels van dit bestemmingsplan wordt het gemeentelijk parkeerbeleid juridischplanologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bou­ wen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daar­ mee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.13

Kabels en leidingen Er bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied.

33

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Van­ uit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: - de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aan­ gewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en - de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebou­ wing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘wer­ ken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: - het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: - het bebouwen van de gronden; - het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk be­ leid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verorde­ ning, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uit­ oefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gege­ ven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderlig­ gende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

34

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet wor­ den bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrek­ king tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk op­ genomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformu­ leerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden op­ genomen.

Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen ka­ rakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan 5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De ver­ beelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het be­ stemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan de­ ze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de be­ weegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

35

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het geldende bestem­ mingsplan ‘Heuveleind, Heivelden en De Zessprong’ en thematische bestemmings­ plan ‘Parkeernormen en archeologie’. Het plan bevat de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeolo­ gie 4’. Groen De randen van de woonpercelen beschikken over de bestemming ‘Groen’. Deze gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden voor langzaam verkeer, speelvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzienin­ gen en een hondentoilet. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden ge­ bouwd. Middels de aanduiding ‘weg’ is geregeld dat binnen deze bestemming, daar waar aangeduid, ontsluitingsvoorzieningen zijn toegestaan voor gemotoriseerd be­ stemmingsverkeer. Wonen De woonpercelen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De gronden met de be­ stemming ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het wonen in woningen en in samenhang daar­ mee aan huis verbonden beroepen. Ook daarbij behorende voorzieningen zoals we­ gen, paden, parkeervoorzieningen, groen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en erven zijn toegestaan. Hoofdgebou­ wen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Middels de bouwaan­ duidingen ‘twee-aaneen’ en ‘vrijstaand’ is de woningtypologie geregeld.

De woningen moeten voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte zoals opgenomen op de ver­ beelding van dit bestemmingsplan. Dit is respectievelijk 4 en 10 meter. De achterzijde van de woonpercelen beschikt over de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’. Dit betekent dat hier mag worden voorzien in aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Waarde - Archeologie 3 Het grootste gedeelte van het plangebied kent de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorko­ mende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Bij een bodemingreep groter dan 250 m en dieper dan 0,3 meter moet een archeologisch onderzoek worden overlegd om aan te tonen dat archeologische waarden voldoende beschermd worden bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen. Waarde - Archeologie 4 Het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied kent de archeologische dubbelbe­ stemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Bij een bodemingreep groter 2 dan 500 m en dieper dan 0,3 meter moet een archeologisch onderzoek worden over-

36

legd om aan te tonen dat archeologische waarden voldoende beschermd worden bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen. 5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest re­ cente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.

37

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (econo­ mische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk wor­ den gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Voor voorliggend plan wordt een gemengde grondexploitatie gevoerd. Het gaat om een combinatie van een particuliere grondexploitatie (met kostenverhaal via een ex­ ploitatiebijdrage) en een gemeentelijke grondexploitatie. Met deze grondexploitatie is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke pro­ cedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestem­ mingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan on­ toelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoon­ baar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755315/1