CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8 - Buitengebied Best 2021 vast te stellen toelichting

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied36.356 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Daarnaast geldt dat voor een plan automatisch een m.e.r.-plicht geldt indien een passende beoordeling wordt vereist om te onderzoeken of het plan significante gevolgen kan hebben op een Natura 2000 gebied. Naast de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij en mogelijke effecten op Natura2000 gebieden zijn in het bestemmingsplan buitengebied geen andere activiteiten voorzien, die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. De resultaten van het onderzoek naar de milieueffecten worden mede gebruikt als onderbouwing van de beleidsregels in deze bestemmingsplanherziening. 7.5.2 Plan-MER De m.e.r. procedure voor dit bestemmingsplan is gestart met een openbare bekendmaking van het voornemen. Daarnaast is een zogenaamde Notitie reikwijdte en detailniveau opgesteld, waarin de reikwijdte en het detailniveau van de MER worden beschreven. De NRD heeft ter inzage gelegen woensdag 6 februari 2019 tot en met dinsdag 19 maart 2019. Iedereen kon een zienswijze geven op de inhoud van de NRD en aangeven wat in het milieueffectrapport moet worden onderzocht. Wettelijke adviseurs, andere bestuursorganen (provincie, waterschap en buurgemeenten) en overige belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de voorgestelde aanpak.

Op 11 en 13 februari 2019 hebben inloopavonden plaatsgevonden en is door de gemeente informatie gegeven over de NRD, de voorgenomen opzet en inhoud van het MER en om vragen te beantwoorden. Na de inspraakperiode is, met inachtneming van de ingediende adviezen en zienswijzen, de NRD vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best. Vervolgens is het MER met inachtneming van de ingediende reacties opgesteld.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

87

De ontwerp planMER is als bijlage Bijlage 3, 4 en 5 bij de toelichting van dit ontwerp bestemmingsplan toegevoegd. In het MER zijn de mogelijke milieueffecten ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan in beeld gebracht. Omdat niet bekend is hoe de toekomstige ontwikkeling er exact uit gaat zien (welke bedrijven gaan stoppen, welke bedrijven gaan groeien) is er gewerkt met ontwikkelscenario's. Er zijn voor de veehouderij twee scenario's onderzocht: een trendmatig scenario en een worstcase scenario.

Uit een trendanalyse blijkt dat komende 10 jaar de trend naar minder, maar grotere veebedrijven zal doorzetten. Bij deze ontwikkeling nemen groeiende veehouderijen grond, productierechten, ammoniakrechten en (in geval van hokdieren) stalderingsmeters over van de stoppende bedrijven.

Het worstcase scenario gaat uit van maximale benutting van de planologische mogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan biedt. Met toepassing van het worstcase scenario wordt invulling gegeven aan de verplichting om de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan in beeld te brengen.

In het MER (deel B) zijn de effecten van de onderzochte scenario's op verschillende aspecten in beeld gebracht en vergeleken met de referentiesituatie. Per aspect worden één of meer criteria gebruikt voor de effectbeoordeling. De effecten zijn kwalitatief beoordeeld met de zevenpunts-beoordelingsschaal.

Uit de resultaten van de ontwerp planMER kan het volgende worden geconcludeerd:: 1) Om het bestemmingsplan buitengebied in overeenstemming te brengen met de (strenge) toetsingskaders uit de Wet natuurbescherming, is het van belang dat er een stikstofplafondregeling in de planregels wordt opgenomen 2) In het bestemmingsplan moet voorkomen worden dat de achtergrondbelasting van geur kan toenemen en het woon- en leefklimaat verslechterd, met name ter plaatse van woningen waar al sprake is van een (te) hoge achtergrondbelasting. Hiertoe zijn in het bestemmingsplan veehouderijbedrijven specifiek bestemd naar type veehouderijbedrijf (diersoort). Omschakeling van bestaande veehouderijen naar andere diersoorten alsmede het uitbreiden van een veehouderijbedrijf met dezelfde diersoort is slechts onder voorwaarden in dit bestemmingsplan mogelijk. 3) De gemeente dient te sturen op het voorkomen en beperken van een te hoge blootstelling aan fijn stof en endotoxinen door in het bestemmingsplan het type veehouderij vast te leggen (diersoorten) en omschakelingen naar diersoorten waarbij mogelijk sprake is van risico's niet toe te staan. Hiertoe is in het bestemmingsplan geen mogelijkheid opgenomen voor omschakeling naar pluimvee, geiten of nertsen.

Omschakelen naar varkens en uitbreiding van dierenverblijven kan alleen via een wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit en daarbij dient aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid oa. op gebied van gezondheid en fijn stof. Dit geeft de gemeente ook meer mogelijkheden om nieuwe inzichten t.a.v. volksgezondheid en omwonenden te betrekken bij een nieuwe afweg 4) Door de attentiezones waterhuishouding vast te leggen in het bestemmingsplan met de aanduiding 'overige zone – attentiezone waterhuishouding' en in deze zones via gebruiksregels extra/grotere grondwateronttrekkingen niet toe te staan, worden significant negatieve effecten door verdroging uitgesloten. Het ontwerp bestemmingsplan is op basis van bovenstaande punten aangepast.

88

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Naar aanleiding van het ontwerp planMER heeft de MER commisie op 31 juni 2021 een toetsingsadvies uitgebracht. Naar aanleiding van dit toetsingsadvies is een aanvulling op de planMER opgesteld, die eveneens als bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. In de aanvulling op de planMER wordt nader ingegaan op mogelijke effecten van de in het plan opgenomen locatiespecifieke ontwikkelingsmogelijkheden. Daarnaast heeft een inventarisatie plaats gevonden van de verleende Wnb-vergunningen met betrekking tot stikstof. Tenslotte is door Staro bv een bureau studie uitgevoerd naar het voorkomen van soorten in het buitengebied, waarvan de resultaten in de aanvulling op de planMER zijn opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

89

90

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Hoofdstuk 8

Juridische toelichting

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen, vervolgens op de verbeelding. Daarna wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Tot slot wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten.

8.1

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012)

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden, RO Standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Onder vorige wetten werden bijna geen bepalingen gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. Dit, terwijl leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan van groot gewicht zijn. Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt.

Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbel-bestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten.

8.2

Verbeelding

De verbeelding (plankaart) heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

91

Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrond-gegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.

8.3

Regeling

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de anti-dubbeltelbepaling, de procedure bepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

Om bepaalde ontwikkelingen te sturen respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure kan aan deze 'flexibliteitsbepalingen' medewerking worden verleend. Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden (de voormalige aanlegvergunning). Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven.

8.4

Wijze van toetsen

Werkwijze Om te kunnen beoordelen of bepaalde zaken of ontwikkelingen passen binnen het regiem van het bestemmingsplan, wordt de volgende werkwijze geadviseerd: 1. 2. 3.

4. 5.

92

Ga op de verbeelding na welke bestemming(en) en aanduidingen voor de gronden zijn opgenomen waarop de onderzoeksvraag/aanvraag betrekking heeft; Kijk in de regels naar de bepalingen van het artikel van de bestemming die voor de gronden geldt; Beoordeel of het aangevraagde/geconstateerde past binnen de bestemmingsomschrijving. Hierbij dienen meteen de nadere detaillering van de bestemming en de gebruiksbepaling te worden meegenomen omdat die een nadere uitleg/inperking geven van de bestemmingsomschrijving; Luidt het antwoord op punt 3 ja, dan moet in het geval van een bouwwerk tevens worden gekeken of deze ook past binnen de bouwregels; Voor zover er tevens werken/werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, moeten worden uitgevoerd (waarbij gedacht kan worden aan werkzaamheden die bodem-/grondverzet met zich meebrengen) dan moet bovendien worden nagegaan of er een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden verplicht is gesteld;

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

6.

7.

Indien aan de punten 3, 4 en 5 wordt voldaan of kan worden voldaan, dan kan medewerking worden verleend, waarbij het bevoegd gezag eventueel nog gebruik kan maken van de aan haar toekomende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, teneinde de aanvraag beter te kunnen inpassen. Luidt het antwoord op de punten 3, 4 en/of 5 nee, dan kan nog worden gekeken of het plan voor dit aspect voorziet in een omgevingsvergunnings- of wijzigingsmogelijkheid (dit zijn de zogenaamde flexibiliteitbepalingen). Is dit zo, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt in hoeverre afwijken van het bestemmingsplan in dit geval gewenst is. Voorzien de flexibiliteitbepalingen niet in een afwijkingsmogelijkheid of wordt afwijken onwenselijk geacht dan dient het verzoek te worden afgewezen c.q. het geconstateerde (in principe) te worden gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan, tenzij het een situatie betreft waarop het overgangsrecht van toepassing is.

Ter zake deskundige Bij enkele bestemmingen dan wel aanduidingen wordt aangegeven dat bij activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden noodzakelijk is, door het bevoegd gezag een ter zake deskundige moet worden geraadpleegd ten aanzien van de mogelijke nadelige effecten voor de bestemming of aanduiding. Onder 'ter zake deskundige' wordt in dit geval begrepen een officieel erkende persoon of instantie op het betreffende kennisgebied dan wel een persoon die op basis van zijn opleiding en ervaring over een goede deskundigheid op het betreffende kennisterrein beschikt en dit ook in de praktijk heeft doen blijken. Tot slot geldt als voorwaarde dat de persoon/instantie de mogelijkheid heeft om over de relevante gegevens te beschikken. Deze deskundige wordt veelal door de gemeente ingeschakeld, op kosten van de aanvrager. Onevenredige aantasting Op deze open norm wordt op diverse plaatsen in de regels teruggegrepen. Vooral in de criteria bij de flexibiliteitbepalingen (omgevingsvergunnings- en wijzigingsbevoegdheden) en de bepalingen bij de omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden, wordt regelmatig aangegeven dat “geen onevenredige aantasting” van bepaalde waarden mag plaatsvinden.

Ook op een enkele plaats in de nadere detaillering van de bestemming en in de nadere eisenregeling worden deze woorden aangetroffen. Deze terminologie vraagt om een op de specifieke situatie toegesneden beoordeling.

Voorbeeld: Het kappen van 5 bomen zal binnen een waardevol landschapselement bestaande uit 10 bomen waarschijnlijk leiden tot de conclusie dat er sprake is van een onevenredige aantasting, terwijl het kappen van 20 bomen in een bos van 5 hectare in beginsel geen onevenredige aantasting oplevert. In dit laatste geval kan wel weer sprake zijn van onevenredige aantasting indien het bijvoorbeeld een bijzondere boomsoort betreft of het bomen zijn van een vergevorderde leeftijd. Wanneer gesteld wordt dat de cultuurhistorische waarde van bebouwing niet onevenredig mag worden aangetast, moet bijvoorbeeld worden gekeken of nieuw op te richten bebouwing de cultuurhistorische bebouwing niet geheel of grotendeels aan het zicht onttrekt. Cultuurhistorische bebouwing moet immers beleefd worden en het “inbouwen” is dan ook niet wenselijk.

Bij de beoordeling zullen dus steeds de bestaande situatie, de aanvraag, de tijdelijke gevolgen en de toekomstsituatie tegen elkaar moeten worden afgewogen. Er mag wel sprake zijn van een aantasting, maar deze mag niet dusdanig zijn dat de kwaliteit en/of kwantiteit van de te beschermen waarden in te grote mate afneemt. Afweging van belangen

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

93

Het bevoegd gezag mag zelfstandig afwegen of een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden kan worden verleend. Voor deze afweging is inzicht nodig in het belang van de uitvoering van desbetreffende werken en/of werkzaamheden enerzijds en de schadelijkheid voor de aanwezige waarden anderzijds. Vervolgens kan het belang van de ingreep worden afgewogen tegen de negatieve effecten op de aanwezige waarden. Veel werken en werkzaamheden hebben tot doel een verbetering van de waterhuishouding, verkaveling en ontsluiting van agrarische gronden. In hoeverre de werken en werkzaamheden schadelijk zijn voor de aanwezige waarden is afhankelijk van: de precieze locatie van de uit te voeren werken en werkzaamheden; de omvang, (diepte, oppervlakte); het tijdstip van de uitvoering; de wijze van uitvoering. Noodzakelijk In de regels wordt op een aantal plaatsen de eis van 'noodzakelijkheid' gesteld. Dat is bijvoorbeeld het geval bij agrarische bouwvlakvergroting/verandering (deze dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering of bedrijfsontwikkeling). De noodzakelijkheid duidt op een zwaarwegend bedrijfsmatig belang dat aan de orde moet zijn. Ten aanzien van de bestemmingsvlakvergroting kan worden gesteld dat van noodzaak geen sprake is indien binnen het bestemmingsvlak zelf nog voldoende ruimte is om de activiteiten te ontwikkelen.

Noodzaak is evenmin aan de orde indien de agrariër een groter bouwvlak wenst omdat hij de hoeveelheid bijgebouwen ten behoeve van zijn bedrijfswoning wenst uit te breiden. Dit heeft namelijk geen betrekking op het bedrijfsmatige aspect dat gediend moet worden. De noodzakelijkheid zal door de aanvrager moeten worden aangetoond. Hierover kan advies worden gevraagd aan een onafhankelijke terzake deskundige, waaronder de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). De aanvraag voor het advies vindt plaats door de gemeente, op kosten van de aanvrager.

94

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Hoofdstuk 9

Economische uitvoerbaarheid

Het grondexploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12 Wro, eerste en tweede lid is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft, zoals een bestemmingsplan.

In dit bestemmingsplan is geen sprake van nieuwe bouwmogelijkheden waarvoor de noodzaak van het stellen van locatie-eisen of een kostenverhaal aanwezig is. Aan dit bestemmingsplan hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden toegevoegd.

De in het buitengebied aan de orde zijnde ontwikkelingen, mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan, in de vorm van functiewijzigingen dan wel uitbreidingen betreffen particulier initiatieven. De kosten voor verwezenlijking van deze ontwikkelingen worden gedragen door de desbetreffende particulieren.

Voor de gemeente zijn geen kosten verbonden aan het bestemmingsplan anders dan bestemmingsplan- en procedurekosten. De uitvoering van het plan blijft hiermee voor de gemeente budgetneutraal. De gemeente acht de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

95

96

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Hoofdstuk 10 Maatschappelijke aanvaardbaarheid 10.1

Vooroverleg en inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Best 2019” heeft op grond van de gemeentelijke Inspraakverordening met ingang van 6 februari 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis van Best. Het is gepubliceerd op de gemeentelijke website en was digitaal raadpleegbaar op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens deze periode kon een ieder een inspraakreactie over het bestemmingsplan indienen. Gedurende deze termijn zijn 100 inspraakreacties ontvangen. Tevens zijn de stukken aan diverse overleginstanties gestuurd in het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening. 8 overleginstanties hebben gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. De ingediende inspraak- en vooroverlegreacties zijn in de nota vooroverleg en inspraak samengevat weergegeven en voorzien van een reactie van de gemeente alsmede of de ingebrachte inspraak- en vooroverlegreacties hebben geleid tot het doorvoeren van wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan. De nota is als bijlage 7 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De binnengekomen reacties hebben aanleiding gegeven het voorontwerp bestemmingsplan op een aantal onderdelen aan te passen. Zo is voor enkele agrarische bouwvlakken vormverandering toegepast, waarbij de voortuin nadrukkelijk onderdeel uitblijft maken van het bouwvlak.

Met betrekking tot de woonbestemming heeft een nadere beschouwing plaatsgevonden en is onderscheid gemaakt tussen een feitelijke woonbestemming (max. 1.500 m2 ) en een aangrenzende tuinbestemming, waar oprichting van nieuwe bebouwing niet is toegestaan. Daarnaast is onder meer de beschermingsregeling van het NNB en de waterbergingsgebieden aangevuld en zijn doorgevoerde functiewijzigingen, zonodig van een nadere motivering en/of onderbouwing voorzien.

10.2

Zienswijzen

Dit ontwerp bestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht samen met de ontwerp planMER met ingang van 28 april 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegend. Binnen deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld hierop zienswijzen in te dienen. Gedurende de terinzagelegging zijn er 75 zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen zijn samengevat en vervolgens voorzien van een gemeentelijke reactie en conclusie met betrekking tot eventuele aanpassing van het ontwerp bestemmingsplan in de nota van zienswijzen. Hierin zijn tevens geconstateerde ambtshalve aanpassingen beschreven. De nota van zienswijzen is als bijlage 31 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

97

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755762/1