22046.10 - Bijlage 8 - Buitengebied Best 2021 vast te stellen toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Buitengebied Best 2021 Gemeente Best
BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -
Buitengebied Best 2021 Gemeente Best
IDN-nummer:
NL.IMRO.0753.bpBuitengebied-VG01
Status:
vastgesteld
Datum:
aug 2022
Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen
Locatie Vught Parklaan 21 5261 LR Vught
024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Begrenzing plangebied Kaders en voorgaande processtappen Plan-m.e.r. (MilieuEffectRapportage) Leeswijzer
5 5 7 7 8
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
9
2.1 2.2 2.3
9 9 11
Algemeen Ruimtelijke structuur Functionele structuur
Hoofdstuk 3 Beleidskader
13
3.1 3.2 3.3
Europees en nationaal beleid en regelgeving Provinciaal beleid en regelgeving Waterschap beleid en regelgeving
13 15 29
3.4
Gemeentelijk beleid
31
Hoofdstuk 4 Gebiedsbestemmingen en regelingen
37
4.1 4.2 4.3
37 37 48
Algemeen Vertaling in gebiedsbestemmingen Regeling waterhuishoudkundige aspecten
Hoofdstuk 5 Bestemmingsregeling sociaal economisch gebruik
51
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10
51 52 58 59 60 62 64 66 68 70
Bestemmingswijze bestaande agrarische bedrijven Ontwikkelingsmogelijkheden agrarische bedrijven Overige agrarische aspecten Bedrijfswoning Nevenactiviteiten Hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen Wonen Niet agrarische bedrijvigheid Recreatie Infrastructuur
Hoofdstuk 6 Aanpassingen detailbestemmingen
73
6.1 6.2 6.3 6.4
Aanpassingen naar aanleiding van uitspraak Raad van State Locatiespecifieke planherzieningen Particuliere verzoeken voor ruimtelijke ontwikkelingen Overige ambtshalve aanpassingen
73 73 74 78
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
3
Hoofdstuk 7 Milieu-aspecten
79
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
79 81 83 83 87
Geluid Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid Plan-MER
Hoofdstuk 8 Juridische toelichting
91
8.1 8.2 8.3 8.4
91 91 92 92
Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) Verbeelding Regeling Wijze van toetsen
Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid
95
Hoofdstuk 10 Maatschappelijke aanvaardbaarheid
97
10.1 10.2
97 97
Vooroverleg en inspraak Zienswijzen
Toelichting
4
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het gemeentelijk ruimtelijk beleid voor het buitengebied is vastgelegd in de 'Structuurvisie buitengebied' (vastgesteld in 2016). De juridisch-planologische regeling voor het buitengebied is ouder. De planologische mogelijkheden voor functies in het buitengebied zijn grotendeels vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 (vastgesteld 21 januari 2008), dat in 2010 onherroepelijk is geworden. Voor een deel van de gronden gelden nog oudere bestemmingsplannen, onder andere doordat voor enkele onderdelen goedkeuring is onthouden door Gedeputeerde Staten van Provincie Noord-Brabant en enkele onderdelen zijn vernietigd naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Deze bestemmingsplannen zijn nog niet geactualiseerd omdat bij de actualisatie van bestemmingsplannen destijds prioriteit is gegeven aan andere bestemmingsplannen. De regeling zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 is inmiddels ingehaald door een reeks van ontwikkelingen in het landelijk gebied en sluit daarnaast onvoldoende aan op de Structuurvisie buitengebied.
Ook heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) vastgesteld, waarin nieuwe beleidsregels zijn opgenomen die moeten worden vertaald in het bestemmingsplan, onder andere met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij ('stalderingsregeling' en 'Brabantse Zorgvuldigheidsscore'). Daarnaast vragen diverse huidige maatschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot de problematiek van toenemende vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) en de toegenomen aandacht voor gezondheidseffecten van veehouderijen en voor duurzame energie(bronnen) in het buitengebied om actualisering van het beleid. Gemeente Best is daarom gestart met een integrale herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. In dit nieuwe bestemmingsplan worden ook de ouder geldende bestemmingsplannen (van voor 2006) in het buitengebied geïntegreerd. Samen met de Omgevingsvisie en de Structuurvisie buitengebied heeft de gemeente Best hiermee straks een geactualiseerd beleids- en toetsingskader om regie te voeren op ontwikkelingen in het buitengebied.
1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied bestaat uit het buitengebied van Best en wordt begrensd door de gemeentegrens van Best. De volgende gebieden vallen buiten het plangebied: De kern/bebouwde kom Best; Woningbouwproject Aarle (bp 'Aerlseche Erven'); Woningbouwproject Steegsche Velden-Oost en Steegsche Velden-Noordoost; Natuur- en recreatie gebied Ekkersweijer (Aquabest en omgeving). Daarnaast maken enkele specifieke locaties geen onderdeel meer uit van het plangebied. Dit betreft locaties waar na de vaststelling van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2006' in een afzonderlijk zogeheten postzegelbestemmingsplan een specifieke regeling is opgenomen. De gemeente wenst voor deze locaties de specifieke, veelal gedetailleerde regeling in stand te houden. Deze locaties zijn derhalve buiten het plangebied gehouden. Het gaat om de volgende plannen: Uitbreiding BestZoo, De Vleut; Rotonde en parkeerweide Het Groene Woud; Oude Baan 36 (omschakeling naar een agrarisch loonbedrijf); Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best;
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
5
Heuveleindseweg 11 - 13 (omzetting voormalige nertsenhouderij); Sonseweg 20 (omzetting naar een kampeerterrein) Eindhovenseweg Zuid en Ploegstraat 1 (uitbreiding Van de Valk hotel). Een aantal overige (particuliere), meer algemene planherzieningen waarvoor een onherroepelijke vaststellingsprocedure is doorlopen, zijn wel zoveel mogelijk opgenomen in het plangebied. Dit betreft onder meer het museumpark, landgoed Kleinbroek, enkele Ruimte-voor-Ruimte ontwikkelingen en enkele wijzigingsplannen.
Afbeelding globale planbegrenzing
6
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
1.3
Kaders en voorgaande processtappen
Het nieuwe bestemmingsplan is in hoofdzaak conserverend van aard en richt zich vooral op actualisering. Gegeven dit in hoofdzaak conserverende karakter is ervoor gekozen niet vooruit te lopen op de komst van de Omgevingswet. Dat geeft nu nog te veel onzekerheid. Gekozen is om met deze actualisering eerst de basis goed op orde te brengen, wat in het belang is van bewoners en bedrijven in het buitengebied. Ten behoeve van de actualisatie van het gemeentelijk bestemmingsplan is op 4 april 2016 door de gemeenteraad de Structuurvisie buitengebied Vitaal vooruitzicht vastgesteld. De structuurvisie is de inspiratiebron en vormt het algemeen visiekader voor het buitengebied. Daarnaast dient het huidig provinciaal beleid door de gemeente te worden door vertaald. Voor een aantal te actualiseren onderwerpen heeft de gemeente enige beleidsvrijheid. Dit heeft onder meer betrekking op navolgende onderwerpen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Bescherming van lokale waarden op het gebied van natuur en landschap Bouwvlaktoekenning en bestemmingswijze agrarische bedrijven en Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen Mogelijkheden voor (vrijkomende) agrarische bebouwing Ruimtelijk beleid voor duurzame energie opwekking in het buitengebied Wijziging bestemmingsplanmethodiek woondoeleinden Handhaving, vergunningverlening op locatie niveau.
Voor bovenstaande onderwerpen is expliciet aan de gemeenteraad om een keuze gevraagd op basis van de hiertoe opgestelde Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan buitengebied – beslispunten. De concept nota van uitgangspunten is op 12 juni met een klankbordgroep besproken en vervolgens op 18 september 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. De in de nota gemaakte keuzen hebben mede als basis gediend voor dit bestemmingsplan. Bovendien is ten behoeve van de actualisatie een inventarisatie uitgevoerd, waarbij de bestaande situatie met de vergunde en planologische situatie is vergeleken.
1.4
Plan-m.e.r. (MilieuEffectRapportage)
Met dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid voor uitbreiding voor veehouderijen opnieuw vastgelegd. Hiermee vormt dit bestemmingsplan de opmaat voor latere m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten. Bijvoorbeeld het uitbreiden van een intensieve veehouderij voor het fokken, mesten of houden van meer dan 60.000 hennen of meer dan 3000 mestvarkens (zie m.e.r.-drempel in categorie C.14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Het bestemmingsplanbesluit is hierdoor plan-m.e.r.-plichtig. Daarnaast ligt de gemeente in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen alsmede Kempenland-West. Activiteiten waarvoor het bestemmingsplan een kader schept kunnen mogelijk significante gevolgen hebben voor het Natura 2000-gebied. Daarom is een passende beoordeling nodig. Deze dient te worden opgenomen in het planMER. Zowel de discussies over stikstofbelasting van Natura 2000-gebieden als de discussies rondom de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij maken het belangrijk dat een zorgvuldige en transparante afweging wordt gemaakt waarbij de milieuaspecten een duidelijke plaats in het proces hebben. Voor het nog geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' is geen planMER opgesteld. Derhalve is ten behoeve van dit bestemmingsplan wel een planMER opgesteld. De plan-m.e.r.
heeft tot doel de milieueffecten van de ontwikkelingsmogelijkheden, die worden geboden in het bestemmingsplan in beeld te brengen. De ontwerp planMER wordt tezamen met dit ontwerp bestemmingsplan 'Buitengebied' ter inzage gelegd.
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
7
1.5
Leeswijzer
Deze toelichting kent de volgende opzet: hoofdstuk 2 omvat een globale, beknopte gebiedsbeschrijving van het plangebied; hoofdstuk 3 omvat een globale beschrijving van het relevant beleidskader, waar het nieuwe bestemmingsplan aan dient te voldoen; in hoofdstuk 4 is beschreven hoe de nieuwe gebiedsbestemmingen zijn toegekend alsmede de nieuwe beleidsuitwerking voor een aantal aspecten op het gebied van de omgevingskwaliteit (natuur, landschap, archeologie, cultuurhistorie en waterhuishouding). in hoofdstuk 5 is voor het sociaal-economisch gebruik voor een aantal specifieke beleidsthema's een nadere beleidsuitwerking met bijbehorende beschermingsregeling beschreven. hoofdstuk 6 omvat de milieuparagraaf. In hoofdstuk 7 is de juridische toelichting weergegeven. Hierin is aangegeven hoe de regels en verbeelding zijn opgebouwd. In hoofdstuk 8 wordt de economische (financiële) uitvoerbaarheid van het plan beschreven. In hoofdstuk 9 wordt de maatschappelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.
8
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving plangebied
Algemeen
Best ligt ten noordwesten van Eindhoven en grenst verder aan de gemeenten Oirschot, Boxtel, Meierijstad en Son en Breugel. Het maakt deel uit van landstreek De Meierij en grenst aan De Kempen. De gemeente Best maakt deel uit van de stedelijke regio Eindhoven. Verder is het onderdeel van nationaal landschap Het Groene Woud, gelegen binnen de stedendriehoek Tilburg-Den Bosch-Eindhoven. De gemeente Best heeft een oppervlakte van 3.512 hectare en telt op 1 januari 2018 bijna 12.500 woningen en bijna 29.500 inwoners. Zo'n 1.500 hectare van het grondgebied is (overwegend) agrarisch terrein, 750 hectare bos en open natuurlijk terrein en 80 hectare water. De rest is bebouwd c.q. verhard terrein.
2.2
Ruimtelijke structuur
2.2.1 Ondergrond De gemeente Best ligt op de zandgronden van het Brabants plateau. Een bepalend element in de regio is de Middenbrabantse dekzandrug, die ook in het zuiden van Best ligt. Deze hooggelegen gordel strekt zich uit van west naar oost en wordt onder meer gekenmerkt door de aanwezigheid van grote bos- en heidecomplexen zoals de Oostelbeerse Heide, Oirschotse Heide, Nieuwe Heide en Sonse Heide. Het hoogteverloop van zuid naar noord is ook goed herkenbaar door de in grote lijn noord/noordwest lopende beekdalen van de Beerze en de Dommel, beide net buiten het grondgebied van Best. 2.2.2 Natuur en landschap Op basis van overeenkomsten in abiotische kenmerken, ontstaansgeschiedenis, karakteristiek en grondgebruik kan het buitengebied van Best worden onderverdeeld in grofweg drie landschappelijke eenheden:
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
9
1. 2. 3.
het broekontginningslandschap in het noorden (moerassige gronden en blauwgraslanden); het kampenlandschap in het midden (kleinschalige akkerlanden, omgeven door houtsingels en houtwallen; het heidelandschap (heideontginnings- en heidebebossingslandschap) in het zuiden.
Broekontginningslandschap De Mortelen en De Scheeken maken met de Pailjaart deel uit van het uitgestrekte broekontginningslandschap op een relatief laaggelegen deel van het dekzandgebied. Het deelgebied bestaat vooral uit een natte lemige bodem in de vorm van vlakvaag- en beekeerdgronden. De natste delen worden gekenmerkt door kwel vanaf de hogere gronden. 'Broek' betekent moerassig beekdal. Veel broeklanden waren voor landbouw onbruikbaar. Door een verbeterde manier van afwatering konden de gronden in de loop van de 19e eeuw worden ontgonnen. Ze werden ingezet als weilanden voor het vee. Zo ontstond het broekontginningslandschap. Door de bijzondere bodem en waterhuishouding en het vele groen is het gebied rijk aan natuurwaarden. Het gebied wordt onder andere gekenmerkt door waardevolle kwel- en bosvegetaties. Het gebied is rijk aan amfibieën en broedvogels. Het landschap wordt gekenmerkt door de kleinschalige afwisseling van (broek)bosjes, houtsingels, bomenrijen (van voornamelijk populieren) en kleinschalige graslanden tussen deze landschapselementen. Een aantal van de landschapselementen heeft een historische waarde, zoals De Kavelen. Dit in 1973 aangewezen Natuurmonument ligt in de oksel Koppelstraat-Kanterseveldenweg. Het bosperceel (in de volksmond: 'het vlinderbosje') is zo'n 1,78 hectare groot en eigendom van Staatsbosbeheer.
Een kenmerkend cultuurhistorisch aspect is de zeer kleinschalige afwisseling van (broek)bosjes, houtsingels, bomenrijen (vooral populieren) en kleine graslandjes. De indicatieve archeologische waarde is laag binnen nagenoeg het hele deelgebied. Binnen De Mortelen en De Scheeken is een aantal historisch geografische lijnen aanwezig en er is sprake van een aantal historische groenstructuren. Kampenlandschap
10
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Het Kampenlandschap ligt grotendeels op een vlakke dekzandrug. In de ondergrond zijn enkeerd- en laarpodzolgronden (oude akkerbodems) aanwezig. Waterhuishoudkundig wordt het gebied als 'intermediair' bestempeld. Dit houdt in dat hemelwater niet altijd direct in de bodem kan infiltreren. Vroeger was hier sprake van kleinschalige akkers en grasland omzoomd door houtsingels en houtwallen. Als gevolg van schaalvergroting in de landbouw is deze verkaveling nu nog beperkt aanwezig. De buurtschappen De Vleut en Aarle zijn specifieke eenheden binnen dit landschap. Heidelandschap De Nieuwe Heide in het zuidoosten van de gemeente is van oorsprong een relatief hooggelegen heideterrein op stuifzandruggen. De zandruggen zijn begroeid met droge heide en vliegdennen. In de laagtes liggen enkele vennen met in de oeverzone natte heide. De ondergrond bestaat uit droge veld- en haardpodzolgronden en op de hoogste verstoven delen uit duinvaaggronden. Hemelwater kan hier gemakkelijk in de bodem infiltreren. Het gebied is pas in de jaren dertig van de vorige eeuw ontgonnen en grotendeels beplant met (productie)bos. Het landschap is besloten van karakter door de aanwezige naaldhoutbossen. In de bosgebieden ligt een aantal nieuwe open heideterreinen met vennen. Geheel in het westen van de Nieuwe Heide ligt het Langven. Het gehele heidegebied rond dit vennencomplex is circa 38 hectare groot.
De heide en vennen zijn vanuit ecologisch en landschappelijk oogpunt waardevol. De Aarlesche Heide ligt ook op een stuifzandrug en wordt gekenmerkt door landduinen. De ondergrond bestaat uit veldpodzol- en duinvaaggronden. Ook hier kan hemelwater gemakkelijk in de bodem infiltreren. Ruimtelijk gezien is de Aarlesche Heide (half) open van karakter.
2.3
Functionele structuur
2.3.1 Grondgebruik De bebouwingsstructuur houdt vanouds verband met de ligging op de dekzandrug. Een bewoonde strook lag in het overgangsgebied van de hoger gelegen zandgronden in het zuiden naar de lager gelegen broekgronden in het noorden. Het kerkdorp Best bestond uit een kort bebouwingslint langs een hoofdweg. Belangrijke historische structuren zijn nog grotendeels herkenbaar in de huidige ruimtelijke hoofdstructuur. Landbouwgebieden komen voor in het (noord)westen van de gemeente en ten oosten van de A2. De recreatievoorzieningen zijn hoofdzakelijk in het zuiden en oosten van de gemeente gesitueerd. 2.3.2 Infrastructuur Van oorsprong bestond er een sterke relatie tussen de wegenstructuur en het natuurlijk landschap. In het landschap valt op dat met name in de eerste helft van de twintigste eeuw op grote schaal naaldbossen in de Nieuwe Heide zijn aangeplant. Doorgaande wegen werden op de hogere gronden aangelegd. De Oirschotseweg en Sint- Oedenrodeseweg liepen bijvoorbeeld min of meer parallel aan de hoogtelijnen. Langs de primaire wegen was de bebouwing gesitueerd. De secundaire wegen waren voornamelijk noord-zuid georiënteerd en vormden de verbindingen naar de lager gelegen broekgronden en de hoger gelegen heidegronden. Best ligt nu te midden van een uitgebreid infrastructureel netwerk, mede door de ligging in stedelijk gebied Eindhoven.
De historische routes zijn grotendeels opgenomen in de huidige wegenstructuur. De belangrijkste structuurdragers nu zijn de autosnelwegen A2 en A58. Deze vertonen geen samenhang met het natuurlijk landschap en zijn als 'gebiedsvreemde lijnen' te beschouwen. Ditzelfde geldt voor de spoorlijn Eindhoven-Den Bosch,, het Wilhelminakanaal (aanleg gestart in 1910 en afgerond in 1923) en de hoogspanningsleidingen, die de gemeente van oost naar west doorsnijden. Ten zuiden vormt het Beatrixkanaal (aanleg gestart 1930 en afgerond in 1939) een deel van de grens van de gemeente.
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
11
12
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Bij het bepalen van het beleid voor het buitengebied moet de gemeente rekening houden met het kaderstellende beleid van rijk en provincie. Het ruimtelijke beleid van de provincie Brabant vormt het belangrijkste toetsingskader. In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen van het nieuwe beleid op provinciale en gemeentelijke niveau beknopt weergegeven.
3.1
Europees en nationaal beleid en regelgeving
3.1.1 Natura 2000 / Wet natuurbescherming Natura 2000 is het grootste initiatief op het gebied van natuurbescherming in Europa. Het is een samenhangend, Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk wordt gerealiseerd door bijdragen van alle lidstaten van de Europese Unie. Behoud en herstel van de biodiversiteit in de Europese Unie is het doel. De Natura 2000-gebieden worden aangewezen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Zowel de verplichtingen voor bescherming van natuurgebieden als de bescherming van planten en dieren is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Activiteiten die negatieve gevolgen voor de natuurwaarden kunnen hebben (zoals uitbreiding van een camping of bouwactiviteiten in of nabij een beschermd gebied), mogen bijvoorbeeld niet plaatsvinden zonder vergunning. Er wordt alleen een vergunning verleend indien: de kwaliteit van de natuurlijke habitats niet verslechtert en er geen soorten worden verstoord (met dien verstande dat het gaat om soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen); indien bovenstaande wel het geval is, alleen dan wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een groot openbaar belang in het geding is en er compensatie plaats vindt.
Voor elk plan dat significante gevolgen kan hebben op een gebied dat is aangewezen als Natura 2000, Vogelof habitatrichtlijngebied moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Toestemming mag verleend worden nadat zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aantast of als er geen alternatieve mogelijkheden zijn en het plan om dwingende redenen van openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moeten worden gerealiseerd. In dat geval moeten alle nodige compenserende maatregelen getroffen worden om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Indien van een plan daadwerkelijk significante gevolgen worden verwacht is regeling binnen het voorliggende bestemmingsplan niet mogelijk. Dan zal er voor het plan een afzonderlijke procedure gevolgd dienen te worden. Binnen het plangebied bevinden zich geen Natura 2000 gebieden gelegen. Het plangebied is gelegen op ca. 5 km afstand ten zuidoosten van het Natura 2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Daarnaast is het plangebied gelegen op ca. 6 km afstand ten noordoosten van het Natura 2000 gebied Kempenland-West.
In het kader van de uitgevoerde MER is een passende beoordeling uitgevoerd, waarin de mogelijke negatieve effecten van het plan zijn onderzocht.
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
13
3.1.2 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd.
De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten : 1. 2. 3. 4.
ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting uit de Omgevingswet van het begrip fysieke leefomgeving en wordt de noodzakelijke integraliteit van afwegingen benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen.
Het doel van de toekomstige Omgevingswet (deze wet treedt naar verluid in werking per 1 januari 2023) is namelijk het bereiken van een balans tussen: '(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'.
Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in de omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving. Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het maken van beleidskeuzes. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de
14
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
energietransitie en de woningbouw.
Afwegingsprincipes Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. 2. 3.
combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen.
Het voorliggend bestemmingsplan betreft een conserverend plan. Er zijn daarmee niet direct rijksbelangen in het geding. Wel geeft het voornemen invulling aan een toekomstbestendige inrichting van het landelijk gebied en aan een versterking van de regionale identiteit van het gebied. Het planvoornemen is daarmee in de geest van de Nationale Omgevingsvisie 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn dertien nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' ontwerp AMvB Ruimte die in 2009 al aan inspraak is onderworpen, en deels uit nieuwe onderwerpen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012.
Het betreft de volgende nationale belangen uit de SVIR: 1) Rijksvaarwegen, 2) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, 3) Kustfundament, 4) Grote Rivieren, 5) Waddenzee en waddengebied, 6) Defensie, 7) Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, 8) Elektriciteitsvoorziening, 10) Ecologische Hoofdstructuur, 11) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, 12) Ijsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en 13) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De hierboven besproken beleidsstukken van het Rijk hebben geen concrete, inhoudelijke gevolgen voor voorliggend bestemmingsplan.
3.2
Provinciaal beleid en regelgeving
3.2.1 Provinciale structuurvisie ruimtelijke ordening - partiele herziening 2014 Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerden Staten de Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014 vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het beleid tot 2025. In de structuurvisie is het landelijk gebied van de hele provincie gezoneerd. De zonering is bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de diverse functies in het buitengebied zoals landbouw, natuur en recreatie, voor zover deze het provinciaal belang aangaan. De zonering is op zichzelf niet bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit geldt echter niet voor de doorvertaling van deze zonering in de IOV, want die is wel bindend voor een bestemmingsplan. Het landelijk gebied is opgedeeld in vier ruimtelijke structuren. Dit zijn de: groenblauwe structuur;
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
15
het gemengd landelijk gebied; stedelijke structuur; infrastructuur. Het buitengebied van de gemeente Best ligt deels in het landelijk gebied en deels binnen de groenblauwe structuur. De Groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Het landelijk gebied daarentegen omvat die agrarische gebieden die niet tot de groenblauwe structuur behoren. Groenblauwe structuur Kerngebied groenblauw (NNB) Het kerngebied groenblauw bestaat uit natuurgebieden in de ecologische hoofdstuctuur (het huidige natuurnetwerk) inclusief de (robuuste) ecologische verbindingszones en de gebieden waar ruimte nodig is voor watersysteemherstel. De hoofdfunctie is hier behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. Groenblauwe mantel Binnen de groenblauwe mantel blijft de agrarische sector een grote en belangrijke grondgebruiker. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water (-beheer) en landschap is echter ook een belangrijke opgave. Nieuwe ontwikkelingen binnen de mantel zijn mogelijk, als ze een positief effect hebben op de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden en/of op het bodem- en watersysteem in het gebied. Het beleid is er op gericht dat de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap toeneemt.
Ontwikkelingen dienen qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel te passen en houden rekening met omliggende waarden (omgevingstoets). Dit wordt betrokken bij de afweging van zorgvuldig ruimtegebruik. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen en (kapitaal)intensieve vormen van landbouw en recreatie zijn hieraan strijdig. De ontwikkelingsmogelijkheden voor deze intensievere functies zijn dan ook beperkt. In de groenblauwe mantel biedt de provincie ruimte aan de groeiende vraag naar 'diensten' die het landelijke gebied aan de samenleving kan bieden. Agrarisch natuurbeheer, groene en blauwe diensten, vormen van agrarische verbreding die zijn gericht op de beleving van rust en ruimte, energiewinning met een directe koppeling aan de agrarische bedrijfsvoering, zonne-energie en de ontwikkeling van met name grondgebonden melkveehouderijen zijn als economische drager in dit gebied gewenst. Het gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is.
Naast ruimte voor de land- en tuinbouw is hier ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. In het gebied is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Nieuwe ontwikkelingen dienen wel rekening te houden met hun omgeving en bij te dragen aan een versterking van de gebiedskwaliteiten.
16
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
De provincie wil daarnaast ruimte bieden voor de verdere ontwikkeling van de land- en tuinbouw, mits deze bijdraagt aan een verdere verduurzaming van de sector. Belangrijke aspecten daarbij zijn zorgvuldig ruimtegebruik, volksgezondheid, dierenwelzijn, een afname van de milieubelasting, een robuust watersysteem, duurzame energieopwekking en efficiënt energiegebruik. Vanuit de denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' wil de provincie stimuleren dat de veehouderij op een verantwoorde manier verbonden is met de sociale en fysieke omgeving. De beleidslijn maakt geen onderscheid naar veesector en geldt voor alle veehouderijen. De denklijn verloopt langs drie lijnen: ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. Ontwikkelruimte betekent niet automatisch dat er verdere schaalvergroting of forse groei van bedrijven plaatsvindt. De ontwikkeling richt zich juist op de inpassing in de omgeving en een transitie richting duurzame en zorgvuldige veehouderij.
Hiertoe heeft de provincie samen met de partners de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) ontwikkelt. De BZV is een flexibel instrument dat een duurzame bedrijfsvoering objectiveert door maatregelen te benoemen die bijdragen aan een verbetering van de fysieke leefomgeving, volksgezondheid, dierenwelzijn en -gezondheid. Waar mogelijk wordt aangesloten bij certificeringssystemen. Via een puntensysteem bepaalt de individuele ondernemer welke maatregelen hij toepast. Door de BZV regelmatig bij te stellen aan de meest moderne inzichten ontstaat er een trapsgewijze transitie richting 2020. De provincie wil voorkomen dat er nieuwe overbelastingen ontstaan op het gebied van geurhinder, fijnstof en ammoniak. Daarnaast wil de provincie een afname van bestaande overbelastingen realiseren. Om een goede leefomgeving te waarborgen, stelt de provincie daarom op gebiedsniveau normen vast voor geur en fijn stof. Voor de sociale binding van de veehouderij met diens omgeving is het voeren van een dialoog belangrijk. De dialoog is er op gericht in een vroegtijdig stadium aandachtspunten met de omgeving te bespreken waardoor die betrokken worden bij de concrete planontwikkeling. Gebiedspaspoort Een specifiek onderdeel van de structuurvisie vormen de zogeheten Gebiedspaspoorten.
Dit is een uitwerking van de structuurvisie en daarmee een apart document, waarin de provincie aangeeft welke landschapskenmerken zij bepalend vindt voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype (de kernkwaliteiten van Noord-Brabant). De provincie geeft tevens haar ambities weer voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteit in die gebieden. De provincie wil de diversiteit en de contrasten in de Brabantse landschappen in stand houden en als uitgangspunt nemen voor nieuwe ontwikkelingen. De gebiedspaspoorten geven inhoud aan het provinciaal belang van landschap en zijn daarom belangrijk voor het handelen van de provincie en de inzet van provinciale instrumenten, zoals subsidies. In het geval dat gemeenten of andere partijen initiatiefnemer zijn, vraagt de provincie de landschapskenmerken en de ambities van de paspoorten uit te werken in hun eigen plannen, ze te betrekken in de afwegingen bij ruimtelijke planvorming en daaraan uitvoering te (laten) geven in plannen. Best maakt onderdeel uit van gebiedspaspoort Meierij, dat wordt gekenmerkt als 'kleinschalig mozaïek aan de benedenloop van beken, rijk aan populieren'. De provincie wil het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken.
Onder meer door mogelijkheden te bieden voor menging van functies in het buitengebied en verbreding van de landbouw, het versterken en verbinden van Het Groene Woud met andere natuurgebieden, in te zetten op een duurzame waterhuishouding en het versterken van de recreatieve structuur. De ontwikkeling van dorpen, steden en de intensieve landbouw (zoals veehouderij en boomteelt)
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
17
vindt plaats in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter van de Meierij; zoals poelen, houtwallen, open graslanden, bomenlanen en onverharde wegen. 3.2.2 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' Vooruitlopend en anticiperend op de in werking treding van de nationale Omgevingswet in 2021 hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's en een provinciale omgevingsverordening. 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De IOV is op 25 oktober 2019 vastgesteld en daarna partieel enkele malen herzien (huidige geconsolideerde versie is van 14 april 2022). De IOV betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. De beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er in het geheel geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders.
De nadruk op omgevingskwaliteit komt ook tot uitdrukking bij de kwalitatieve benadering voor hergebruik van leegstaand vastgoed in het landelijk gebied en duurzame verstedelijking. De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse omgevingsvisie en worden meer mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een 'ja, mits - benadering'. Belangrijk voor het beleid in het buitengebied is de zonering van het gemengd landelijk gebied, de groenblauwe mantel en het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Aan deze zonering zijn de ontwikkelingsmogelijkheden gekoppeld voor de agrarische en niet agrarische functies. De volgende thema's zijn voor het buitengebied van Best met name van belang: a. b. c. d. e. f.
18
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies; Natuur Netwerk Brabant; Groenblauwe Mantel; Agrarisch gebied; Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderij; Cultuurhistorie;
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
g. h.
Niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied; Stedelijke ontwikkeling.
Ad a) Basisprincipes voor evenwichtige toedeling van functies In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaarde-creatie. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag (bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel) voor bebouwing, bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame verstedelijking en gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
De lagenbenadering omvat de effecten op: de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen, waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaarde-creatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat alsmede de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Een ruimtelijke ontwikkeling dient tevens te leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. Daarnaast heeft de provincie recent de aanvullende beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit vastgesteld.
De gemeente onderschrijft het principe van het beleidsvoornemen dat ruimtelijke ontwikkelingen bij moeten dragen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit plan betreft grotendeels een geconserverend plan. De locatiespecifieke ontwikkelingen die wel zijn meegenomen in dit bestemmingsplan, zijn vooraf tevens getoetst om ruimtelijke kwaliteit. In de juridische regeling van het Bestemmingsplan zijn toetsingscriteria opgenomen, waarmee bij eventuele toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
19
kwaliteit in het bestemmingsplan ook nader verankerd is. Bij toetsing van verzoeken wordt onder meer gebruikt gemaakt van de geactualiseerde gemeentelijke 'Landschapsinvesteringsregeling 2019 gemeente Best' (LIR). Deze regeling geeft concrete handvaten voor de invulling van de ruimtelijke kwaliteitswinst.
Ad b) Natuur Netwerk Brabant Het beleid rond het Natuur Netwerk Brabant heeft betrekking op: 1. 2.
3.
4. 5. 6.
Bestaande en nog te realiseren natuur- en bosgebieden; Gerealiseerde nieuwe natuur: dit zijn gronden die met subsidie op grond van het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen; Nog niet gerealiseerde nieuwe natuur: dit zijn meestal agrarische gronden, die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur maar waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming nog aanwezig is. Ecologische verbindingszones; Ruimte voor herstel en behoud van watersystemen; Attentiezone waterhuishouding (voorheen attentiegebied NNB).
Voor het Natuur Netwerk Brabant (bestaande en nog te realiseren natuurgebieden) geldt op basis van het rijksbeleid de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. Hiertoe geldt het zogenaamde 'nee, tenzij'-regime. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Een nieuw bestemmingsplan gelegen in het NNB dient regels te stellen ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. De ecologische waarden en kenmerken van het gebied betreffen de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het provinciaal natuurbeheerplan.
20
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Uitsnede IOV, deelkaart natuur In de IOV zijn diverse ecologische verbindingszones als zoekgebied opgenomen en voorzien van een beschermingsregeling die gemeenten in hun bestemmingsplan dienen over te nemen. Voor deze ecologische verbindingszones geldt een beperkt beschermingsregime. Daarnaast zijn in de IOV tevens zoekgebieden voor behoud en herstel van watersystemen opgenomen. Dit betreft gebieden waarbinnen gestreefd wordt naar behoud, herstel en ontwikkeling van het natuurlijk watersysteem (beken en kreken) en de daaraan gekoppelde natuur- en landschapswaarden. Deze doelstelling geldt als randvoorwaarde voor ontwikkelingen binnen deze gebieden. In deze gebieden gelden ruimtelijke beperkingen aan activiteiten die het realiseren van watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. Het zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen binnen de gemeente overlapt in zijn geheel met de gebieden die in de IOV zijn aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone. Rond de kanalen is een zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen aangewezen. Het zoekgebied heeft een breedte heeft van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Agrarische gebieden rondom kwetsbare natuurgebieden zijn ter bescherming van de waterhuishouding van de
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
21
NNB aangeduid als attentiezone waterhuishouding (voorheen beschermingszone attentiegebieden NNB) . Voor bodemingrepen die een negatief effect kunnen hebben op de (grond)waterstand van het nabijgelegen natuurgebied is een hier omgevingsvergunning vereist. De begrenzing van de nieuwe gebiedsbestemmingen is afgestemd op de begrenzing van het NNB, zie paragraaf 4.1 en 4.2. Het zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen overlapt binnen de gemeente in zijn geheel met de gebieden die in de IOV zijn aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone. Volledigheidshalve zijn beide zoekgebieden met een specifieke aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' respectievelijk 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' op de verbeelding opgenomen en voorzien van een beschermingsregeling. Ter plaatse zijn geen kapitaalintensieve functies aanwezig en deze worden in het plan ter plaatse ook niet mogelijk gemaakt. De attentiezone waterhuishouding is eveneens als gebiedsaanduiding 'overige zone - attentiezone waterhuishouding' op de verbeelding opgenomen en voorzien van een beschermingsregeling.
Ad c) Groenblauwe mantel Een aantal agrarische gronden, direct grenzend aan de bestaande natuur- en bosgebieden is aangeduid als Groenblauwe mantel (Gbm). De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw (het NNB) en het gemengd landelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit grondgebonden agrarisch gebied, met belangrijke nevenfuncties voor natuur, water en (niet-bezoekersintensieve) recreatie. Door in de groenblauwe mantel in te zetten op het behoud en ontwikkeling van natuur en water(beheer) wordt bijgedragen aan de bescherming van de waarden in het aanliggende kerngebied groenblauw. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de mantel zijn mogelijk, als ze een positief effect hebben op de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden en/of op het bodem- en watersysteem in het gebied. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem- watersysteem (zoals de aanwezigheid van kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), en de aanwezigheid van bijzondere planten en dieren. Het beleid is er ook op gericht dat de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap toeneemt.
22
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Uitsnede IOV, groenblauwe mantel De begrenzing van de nieuwe gebiedsbestemmingen is afgestemd op de begrenzing van de Groenblauwe mantel, zie paragraaf 4.1 en 4.2. Daarnaast is de zonering als een afzonderlijke gebiedsaanduiding in het bestemmingsplan zichtbaar.
Ad d) Gemengd landelijk gebied Het gemengd landelijk gebied betreft de agrarische gronden, gelegen buiten de groenblauwe structuur. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. In het gebied worden de agrarische functies in samenhang met de andere functies uitgeoefend. Voor wat betreft het gemengd landelijk gebied vraagt de provincie aan gemeenten om aan te geven welke ontwikkelmogelijkheden er zijn voor het gebied. Functies die niet passen bij het gewenste ontwikkelingsperspectief moeten in het bestemmingsplan worden uitgesloten. Voor alle veehouderijbedrijven zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden stringente randvoorwaarden opgenomen, zie navolgende paragraaf. Voor (vollegronds)teeltbedrijven en overige agrarische bedrijven (waaronder paardenfokkerijen, vissen- en champignonkwekerijen) gelden deze stringente randvoorwaarden niet. Voor overige agrarische bedrijven geldt een bouwvlak maximum van 1,5 ha. Voor (vollegronds)teeltbedrijven is geen specifiek maximum opgenomen voor de toegestane bouwvlak omvang. Mede gelet op de nabijheid van kernen en grootschalige bos- en natuurgebieden, het veelal kleinschalig karakter van het gebied en het meer besloten landschap wordt voor de hele gemeente een gemengde plattelandseconomie voorgestaan.
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
23
Ad e) Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderij In de IOV zijn afzonderlijke regels opgenomen voor de ontwikkeling van veehouderij bedrijven. Deze regels zijn tevens opgenomen in een rechtstreeks werkende regel, zodat deze bij iedere nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning betrokken dienen te worden, ook als het geldende bestemmingsplan nog niet op deze regels uit de IOV is aangepast. De beleidsregels voor de veehouderij komen voort uit de vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' (maart 2013). Er is daarbij besloten dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. GS hebben nadere regels opgesteld over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Deze nadere regels staan inmiddels bekend als de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) (versie 2.2; vastgesteld door GS op 19 juli 2022, geconsolideerde versie 1 augustus 2022). Hoofdregel is dat veehouderijbedrijven in beginsel niet groter groeien dan 1,5 ha. Bovendien wordt het gebruik van etagestallen verboden, behoudens in geval van legkippen.
Daarnaast worden randvoorwaarden gesteld aan de toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte van dierenverblijven (ook binnen het agrarisch bouwperceel) of het in gebruik nemen van bebouwing die eerder niet voor de veehouderij in gebruik was. Een dierenverblijf betreft een gebouw van het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daarbij behorende voorzieningen. In de IOV zijn onder meer normen voor geur en fijn stof opgenomen op gebiedsniveau. Deze normen geven invulling aan de grenzen die vanuit gebiedsniveau aan individuele ontwikkelruimte gesteld worden. Concreet betreft het navolgende randvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden bij ontwikkelingen die voorzien in een uitbreiding, vestiging of omschakeling naar een veehouderij 1. Er dient te worden geborgd dat ter plaatse alleen een veehouderij is toegestaan, waar maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. Een zorgvuldige veehouderij is in de IOV gedefinieerd als 'een veehouderij, die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving'.
Hiertoe dient een veehouderij ten minste 7,25 punten te behalen overeenkomstig de bij de nadere regels horende BZV, waarbij geldt dat ten minste 0,2 punten behaald moet worden via de pijler Certificaten en minimaal 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving. De score van een ruimtelijke ontwikkeling van een veehouderij wordt in de BZV deels bepaald aan de hand van reeds bestaande certificaten (met name gericht op managementmaatregelen voor de thema's dierenwelzijn, diergezondheid en in beperkte mate fosfaatefficiëntie). Omdat de huidig beschikbare certificaten slechts beperkt betrekking hebben op de fysieke inrichting van een bedrijf in relatie tot omgevingsfactoren en de risico's voor volksgezondheid is dit apart in beeld gebracht in de BZV via acht maatlatten: gezondheid, geuremissie, geurimpact, emissie&impact fijn stof en endotoxinen, ammoniak, mineralen kringlopen, verbinding en biodiversiteit. 2, De ontwikkeling dient vanuit een goede leefomgeving en gelet op de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit inpasbaar te zijn in de omgeving. 3.
De kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied dient niet meer dan 20% te bedragen, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenomen percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage compenseert. De geurnorm is opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van
24
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. 4. De toelichting op een bestemmingsplan dient een verantwoording te bevatten over dat er een zorgvuldige dialoog is. Deze dialoog is er specifiek op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat die bij de uitwerking kunnen worden betrokken. Het gaat er om dat inzicht bestaat in de wensen van de omgeving in relatie tot de mogelijkheden die de ondernemer heeft. De gemeente beslist of de dialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd. Er wordt in de IOV niet langer een onderscheid gemaakt tussen categorieën dieren die tot de intensieve of niet-intensieve veehouderij worden gerekend. Bovenstaande ruimtelijke regels gelden voor alle veehouderijen ongeacht of het varkens, kippen, melkrundvee of geiten zijn. Daarnaast is de eerder geldende zonering in landbouw-ontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden (conform de Reconstructiewet) ingetrokken. Voor gebieden rondom kernen en natuur gelden echter nog wel beperkingen. Hiervoor is de aanduiding 'Beperking veehouderij ' opgenomen in de IOV.
Binnen deze aanduiding is iedere uitbreiding van bestaande bebouwing en permanente voorzieningen (peildatum 21 september 2013) van veehouderijen niet toegestaan, tenzij sprake is van een 'grondgebonden veehouderij', zoals opgenomen in nadere regels van de IOV, zie verder paragraaf 5.2.
Uitsnede IOV, 'Beperkingen veehouderij' Voor hokdierhouderijen (= een veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij) gelden conform de IOV aanvullende stalderingseisen. Staldering betekent dat een ondernemer die een dierenverblijf wil oprichten danwel uitbreiden of die een bestaand gebouw als dierenverblijf in gebruik wil nemen binnen het bestaand bouwperceel, bewijs moet overleggen dat er elders
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
25
110% bestaand dierenverblijf is gesaneerd door sloop of herbestemming. Een bestaand dierenverblijf betekent in dit geval dierenverblijven die uitgaande van de peildatum van 17 maart 2017 in de drie daaraan voorafgaande jaren legaal en onafgebroken bedrijfsmatig zijn gebruikt voor het houden van dieren. De regeling geldt in alle gevallen waarbij de oppervlakte dierenverblijf van de hokdierhouderij toeneemt, dus ook als een bestaande stal wordt vergroot qua oppervlakte of met een aanbouw. Omdat er voor nertsenhouderijen ook landelijke maatregelen gelden die de omvang sturen, geldt de stalderingsregeling niet voor nertsen. Daarnaast geldt vanwege het voorzorgsprincipe dat de ontwikkeling van geitenhouderijen (tijdelijk ) wordt tegengegaan, vanwege mogelijk nadelige effecten op de gezondheid van mensen. Op een bouwperceel voor een veehouderij is uitsluitend mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest. De bewerking van ter plaatse geproduceerde mest maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering. Mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (of mestbewerking voor derden) dient in beginsel plaats te vinden op een daartoe geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein.
In het bestemmingsplan zijn betreffende beleidsregels met betrekking tot een zorgvuldige veehouderij, staldering en mestbewerking overeenkomstig de IOV doorvertaald alsmede de aanvullende gemeentelijke beleidsuitgangspunten met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij binnen de gemeente. (Binnen de gemeente zijn overigens geen geitenhouderijen gesitueerd).
Ad g) Water In de IOV zijn zogenaamde wateraanduidingen opgenomen voor gebieden waar geen ontwikkelingen plaats mogen vinden die tot risico's kunnen leiden voor de grondwaterkwaliteit of die ten kosten kunnen gaan van het waterbergend vermogen. Dit betreft voor de gemeente de waterbergingsgebieden en zoekgebieden voor behoud en herstel van watersystemen. De gronden aangeduid als waterbergingsgebied dienen mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Er gelden beperkingen m.b.t. oprichting van gebouwen, omdat deze gronden nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Op gronden aangeduid met reserveringsgebied waterberging betreffen slechts zoekgebieden. Hier is bij eventuele ontwikkelingsverzoeken nog een nadere afweging mogelijk.
26
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Door een aanpassing van het plangebied als gevolg van een gewijzigde gemeentegrens bevinden zich in het uiteindelijke plangebied geen provinciaal regionaal waterbergingsgebied en reserveringsgebied waterberging.
Ad g) Cultuurhistorie In de IOV heeft de provincie binnen de gemeente 1 gebied aangeduid met cultuurhistorische waarden. Het doel is het behoud en de bescherming van deze waarden te verzekeren.
bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
27
Uitsnede IOV, Cultuurhistorisch waardevol gebied
Dit cultuurhistorisch waardevol gebied is op de verbeelding opgenomen met de gebiedsaanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' en voorzien van een adequate beschermingsregeling, zie par. 4.4 en 4.5.
Ad h) Niet-agrarische functies In de IOV zijn tevens specifieke regels opgenomen met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden voor een aantal niet-agrarische functies in het buitengebied, bijvoorbeeld functiewijziging naar recreatie en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. De regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van de ontwikkelingen, waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik dient te worden gemaakt van bestaande bebouwing en de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zijn beleidsregels met betrekking tot ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-agrarische functies afgestemd op de bepalingen in de IOV voor zover anders strijdigheid met de IOV zou ontstaan, zie paragraaf 5.2 tot en met paragraaf 5.5.