CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.7 - Ruimtelijke onderbouwing Aarleseweg 38

Raadsavond 5 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied27.549 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit het plangebied enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Binnen het plangebied wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Binnen het plangebied vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

22

4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Het initiatief zal geen effect hebben op de waterhuishoudkundige situatie in de omgeving. De aanwezige gebouwen en erfverhardingen blijven in omvang ongewijzigd. De omvang aan oppervlakte verharding op het perceel blijft hiermee gelijk. Compenserende maatregelen voor een toename van oppervlakteverharding is derhalve niet noodzakelijk. Het huishoudelijk afvalwater blijft geloosd worden op het gemeentelijk riool. Ook de nieuw te realiseren bed & breakfast eenheden in de bestaande bebouwing worden hier op aangesloten. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 10. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg en instandhouding van de aanwezige landschappelijke inpassing plus aanvullende kwaliteitsverbetering de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

23

Afbeelding 10: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Regte Heide & Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft de Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 6,6 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

24

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Er is sprake van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wanneer uit de rekenresultaten van het rekenprogramma AERIUS blijkt dat het initiatief ten opzichte van de uitgangssituatie niet zorgt voor een stikstofdepositie die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Als uitgangssituatie geldt de bestaande, planologisch legale, situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. In de bestaande, planologisch legale, situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is ter plaatse één woning met bijbehorende bouwwerken toegestaan. Voor een bestaande woning geldt een emissiefactor van 3,0 NOx per woning per jaar, vanwege de emissie van stikstof vanuit de stookinstallatie.

Verder zullen ook de verkeersbewegingen van en naar de woning stikstofemissie veroorzaken. De verkeersaantrekkende werking van een vrijstaande woning in het buitengebied is conform publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ van de CROW (editie december 2018) 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. De omvang van de woning en bijbehorende bouwwerken doet aan deze kentallen voor de relevante stikstofemissie van een woning niet af. Ook de uitbreiding van de woning in de naastgelegen voormalige stal en de renovaties van de bijbehorende bouwwerken hebben geen (tijdelijke) toename in stikstofemissie tot gevolg gehad, omdat deze voornamelijk inpandig hebben plaatsgevonden en hiervoor geen mobiele werktuigen zijn gebruikt. Hetzelfde geldt voor de realisatie van de beoogde bed & breakfast eenheden in de bestaande bijgebouwen. Dit betekent dat alleen het gebruik van de beoogde bed & breakfast mogelijk een toename in stikstofdepositie tot gevolg heeft. Hiervoor is aangenomen dat er één stookinstallatie aanwezig is in de voormalige mantelzorgwoning en er maximaal twee stookinstallaties worden aangebracht ten behoeve van de nieuwe bed & breakfast eenheden. Hierbij wordt opgemerkt dat de nieuwe bed & breakfast eenheden in lijn met de landelijke wetgeving waarschijnlijk echter gasloos zullen worden uitgevoerd. Hierdoor is er geen sprake van stikstofemissie vanuit de stookinstallatie.

Voor wat betreft de verkeersgeneratie van de bed & breakfast eenheden is aangesloten bij de categorie ‘3* Hotel’ (middenklasse) van de CROW. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 1,8-2,1 per kamer per etmaal. In de beoogde situatie worden maximaal 5 kamers gerealiseerd. Dit brengt de verkeersgeneratie van de recreatieve nevenfunctie op maximaal 10,5 per etmaal. Om aan te tonen dat er als gevolg van het initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS op basis van bovengenoemde stikstofbronnen een berekening gemaakt voor de beoogde situatie. Volledigheidshalve zijn hier ook de stikstofbronnen van de bestaande woning in mee genomen. De verkeersbewegingen van en naar het plangebied zijn evenredig verdeeld over de ontsluitingsroutes (buitenwegen). Deze lopen vanaf het plangebied in noordelijke en zuidelijke richting over de Aarleseweg. De ontsluitingsroutes zijn meegerekend tot het moment dat het verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In lijn met vaste jurisprudentie kunnen vanaf dat moment de gevolgen van het af- en aanrijdende verkeer voor het milieu namelijk niet meer worden toegerekend aan de ontwikkeling binnen het plangebied. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de stikstofdepositie in de beoogde situatie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar, zie Bijlage 4.

Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

25

Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder ook niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Met het initiatief worden de bestaande woning en bijbehorende bouwwerken positief bestemd, waarbij het mogelijk wordt om een gedeelte van de bijgebouwen in gebruik te nemen als bed & breakfast. Hiervoor hebben reeds de nodige vergunningsvrije renovaties plaatsgevonden, waarbij de wettelijke zorg voor in het wild levende dieren en planten in acht is genomen. Dit zal in de toekomst worden voortgezet.

Hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, zullen niet beschadigd, vernield of verstoord worden. Hiermee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Bovendien blijkt uit de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat de aanwezigheid van beschermde soorten binnen het plangebied onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

26

Afbeelding 11: Uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

27

Afbeelding 12: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’ Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij het vellen van houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief worden geen houtopstanden geveld. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

28

bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande woning met de bijbehorende bouwwerken mogen al als zodanig worden gebruikt. Bovendien vinden er binnen de huidige woonbestemming geen bodembedreigende activiteiten plaats. Er mag dan ook worden aangenomen dat de bodemkwaliteit binnen het plangebied geschikt is voor menselijk verblijf. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk.

4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de ontwikkeling van de beoogde situatie moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 13. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov 4.5.2

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

29

De gemeente Best heeft haar archeologiebeleid derhalve vervat in het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’, aldus vastgesteld d.d. 06-02-2017. Conform dit bestemmingsplan heeft het westelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)’ toegekend gekregen en het oostelijk deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting)’, zie Afbeelding 14. Dit betekent dat de in de grond aanwezige archeologische waarden in stand gehouden en beschermd moeten worden. Met het initiatief wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en vinden er geen bodemingrepen plaats die de in de grond aanwezige archeologische waarden zouden kunnen aantasten.

Afbeelding 14: Uitsnede verbeelding voorontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied Best 2019' Ten aanzien van het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. 4.6 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.

Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

30

-

Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).

Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische bedrijven, een KI-station, handel in openhaardhout, tuincentrum en fouragehandel. Een verhoogde milieubelasting is derhalve te verantwoorden. Met het initiatief worden de bestaande woning en bijbehorende bouwwerken positief bestemd, waarbij het mogelijk wordt om een gedeelte van de bijgebouwen in gebruik te nemen als recreatieve nevenfunctie in de vorm van bed & breakfast eenheden. Enerzijds zijn deze functies gevoelig en dienen deze op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd te worden. Anderzijds vormen de recreatieve nevenfuncties zelf ook een belasting op de omgeving. Voor wat betreft het plangebied als gevoelige functie wordt de ligging ten opzichte van veehouderijen in de omgeving getoetst in paragraaf 4.7 t.a.v. het maatgevende aspect geur. De dichtstbijzijnde nietveehouderijfunctie ten opzichte van het plangebied betreft het KI-station dat onderdeel is van het bedrijf aan de Aarleseweg 34, waar tevens veehouderij activiteiten plaats vinden. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat wanneer er meerdere bedrijfsfuncties op één locatie gevestigd zijn, de meest belastende functie in dat geval maatgevend is.

Voor het bedrijf aan de Aarleseweg 34 zijn dat de veehouderij activiteiten. Zoals gezegd zal hier aan worden getoetst in paragraaf 4.7. Het dichtstbijzijnde niet-veehouderij bedrijf ten opzichte van het plangebied is gelegen aan de Aarleseweg 42/42a en betreft een opslag/handel in openhaardhout. Een dergelijke bedrijfsfunctie behoort tot de categorie ‘Groothandel in hout en bouwmaterialen’. Hiervoor geldt op basis van milieucategorie 3.1 een richtafstand van 30 meter, wanneer gelegen in gemengd gebied. De kortste afstand tussen het bedrijf en de woning binnen het plangebied is 32 meter. De kortste afstand tussen het bedrijf en de beoogde bed & breakfast eenheden is 34 meter. De opslag/handel in openhaardhout is dus op gepaste afstand van de gevoelige objecten binnen het plangebied gelegen. Andere bedrijven in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen waardoor ook aan deze richtafstanden wordt voldaan. Op locatie is een hobbymatige timmerwerkplaats aanwezig in gebouw 3, hier worden geen bedrijfsmatige werkzaamheden uitgevoerd. De activiteiten vinden hier beperkte uren in de week plaats, enkel voor eigen gebruik. Er kan worden geconcludeerd dat de werkzaamheden in deze omvang en hinder, qua impact op de omgeving, niet als zijne bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt.

Voor wat betreft de belasting van het bed & breakfast op de omgeving moet getoetst worden aan de richtafstanden van de VNG-handreiking. Een bed & breakfast behoort conform de VNG-handreiking tot milieucategorie 1 (hotels & pensions). Voor milieucategorie 1 geldt een richtafstand van 0 meter wanneer gelegen in gemengd gebied. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde recreatieve activiteiten op locatie met zekerheid op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving is gelegen. 4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen?

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

31

b. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Om deze twee vragen te kunnen beantwoorden is een geuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 5. Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur heerst. Omgekeerd vormt het initiatief geen onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Op grond van de vigerende geurwetgeving zijn er dus geen belemmeringen ten aanzien van het initiatief. Vervolgens kwam echter het volgende naar voren: Voor wat betreft de maatgevende veehouderij ten opzichte van het plangebied – gelegen aan de Aarleseweg 34 te Best – is een gedeelte van de milieuvergunning van rechtswege komen te vervallen. In het geuronderzoek voor de Aarleseweg 38 was al enkel het resterende deel van de milieuvergunning van de veehouderij aan de Aarleseweg 34 te Best meegenomen. Nu bleek dat er bij de gemeente een verzoek voor lag om de milieuvergunning voor de Aarleseweg 34 opnieuw te verlenen. Er is derhalve een integrale afweging gemaakt voor beide ontwikkelingen aan de Aarleseweg 34 en 38, zie Bijlage 6.

Hieruit kan voor wat betreft het initiatief binnen het plangebied de volgende eindconclusie worden getrokken: - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe recreatieve voorzieningen op nr. 38; - Het agrarische bedrijf wordt niet beperkt in haar ontwikkelingsmogelijkheden door komst van de verblijfsrecreatie. Het bebouwen van de onbebouwde punt grond tussen de stal die nu gebouwd wordt en het perceel op nr. 38 is een niet reëel worst-case scenario omdat: o Uitbreiding in de kleine onbebouwde punt met het verleggen van het emissiepunt op de rand van het bestemmingsvlak bij deze punt is een fictieve, slechts denkbare situatie; Het is onwaarschijnlijk dat deze situatie zich voordoet. o De ondernemer heeft zelf een verzoek ingediend voor het uit het bouwvlak halen van de onbebouwde punt. Beide ontwikkelingen, te weten het aanduiden van de schuur en de mantelzorgwoning op nummer 38 als verblijfsrecreatie en het opnieuw verlenen van de van rechtswegen vervallen milieuvergunning op nummer 34, kunnen dus doorgang vinden omdat beide ontwikkelingen elkaar niet in de weg zitten. 4.8 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a.

gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Voor wat betreft bedrijven in de omgeving is in paragraaf 4.6 reeds uiteengezet dat kan worden voldaan aan de richtafstanden (waaronder het aspect geluid). Het plangebied is wel gelegen binnen het geluidszone van Aarleseweg. Het planologisch legaal aanwezige deel van de woning is een bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. De inpandige uitbreiding in de voormalige stal heeft plaatsgevonden op een grotere afstand van de weg. Er van uit gaande dat er op het bestaande, planologisch legaal aanwezige deel van de woning voldaan kan worden aan de grenswaarden uit de Wgh, zal dat op de uitbreiding dus ook het geval zijn. De recreatieve verblijfsvoorzieningen hoeven niet betrokken te worden in de besluitvorming. Vaste jurisprudentie hierover is dat recreatieverblijven geen geluidsgevoelige objecten zijn, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659).

De timmerwerkzaamheden worden hobbymatig uitgevoerd in gebouw 3, de werkplaats wordt uitsluitend bestemd voor eigen gebruik. Er is geen sprake van een bedrijfsmatige werkplaats, er worden geen werkzaamheden uitgevoerd voor derden. Hierdoor voorzien de timmerwerkzaamheden niet in een verkoopfunctie met bijhorende verkeersbewegingen en vinden de activiteiten een beperkte hoeveelheid

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

32

uren per week plaats. Er kan worden geconcludeerd dat de timmerwerkplaats niet voorziet in een zodanige geluidsproductie waardoor het opstellen van akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen het plangebied. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.9 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied is gelegen aan de Aarleseweg. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De weg wordt in noordelijke richting ontsloten door de Mosselaarweg en in zuidelijke richting door de Oirschotseweg. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om kleine toename in verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Zoals reeds is toegelicht in paragraaf 4.3.2 zal de recreatieve nevenfunctie namelijk een verkeersgeneratie van maximaal 10,5 voertuigbewegingen met per etmaal opleveren. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid.

Op 30 november 2015 heeft de gemeente Best de ‘Nota parkeernormen 2015’ vastgesteld. Conform deze nota geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Voor een bed & breakfast voorziening vindt alleen een parkeertoets plaats, indien er meer dan een kamer is. Dit is bij dit initiatief het geval. Er wordt aangenomen dat er voor elke kamer voorzien moet worden in één parkeerplaats. Dit betekent dat er binnen het plangebied in totaal ruimte moet zijn voor 7 parkeerplaatsen. De aanwezige parkeerplaats biedt ruim voldoende ruimte voor 7 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.10 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1 Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

33

wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Voor het beoogde recreatieve nevenfunctie dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. De verkeersgeneratie van een woning is afhankelijk van de ligging en het type woning, niet van de omvang. De inpandige uitbreiding in de voormalige stal heeft dus geen invloed (gehad) op het aantal verkeersbewegingen dat dagelijks van en naar de woning beweegt. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld.

Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 4.3.2 zal de recreatieve nevenfunctie een verkeersgeneratie van maximaal 10,5 voertuigbewegingen met per etmaal opleveren. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is, zie Afbeelding 15. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Afbeelding 15: Uitsnede NIBM-tool 4.10.2 Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

34

Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 19,39 μg/m3, voor PM2,5 12,53 μg/m3 en voor NO2 16,06 μg/m3, zie Afbeelding 16.

Afbeelding 16: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

35

kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.11.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Uit de risicokaart, Afbeelding 17, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen binnen 750 meter van het plangebied. Het initiatief voorziet ook niet in het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de gemeente Best zijn enkele risicovolle transportroutes gelegen, te weten de A2, A50, A58 en het spoortraject Tilburg - Eindhoven. Het invloedsgebied van zowel de A2 als de A50 bedraagt 880 meter. De A2 is op circa 1,95 km van het plangebied gelegen en de A50 op circa 6,95 km. Deze wegen hebben dus geen invloed op het plangebied. De A58 heeft een invloedsgebied van 4 km, vanwege het vervoer van stoffen tot categorie GF4. De A58 is op circa 2,65 km van het plangebied gelegen. Het spoortraject Tilburg – Eindhoven heeft een invloedsgebied van 995 meter, vanwege het vervoer van stoffen die behoren tot categorie B2. Het plangebied is gelegen op circa 925 meter van het spoortraject Tilburg - Eindhoven.

Het plangebied ligt dus in het invloedsgebied van de A58 en het spoortraject Tilburg – Eindhoven. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verantwoord moeten worden. Aangezien de afstand tot zowel de A58 als het spoortraject Tilburg - Eindhoven de meer dan 200 meter bedraagt en er met de ruimtelijke ontwikkeling geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied worden toegevoegd, kan echter volstaan worden met een beperkte verantwoording. De

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

36

Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft hiervoor een standaard advies opgesteld. Dit standaard advies is als Bijlage 7 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op een afstand van circa 750 meter van het plangebied en betreft een kerosineleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie. Aan deze buisleiding is een PR 10-6 risicocontour van 0 meter is toegekend. Aan weerszijden van deze leiding is een belemmeringenstrook van 5 meter bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van deze brandstofleiding. Binnen deze belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Het plangebied is volledig buiten deze belemmeringenstrook gelegen. Op grond van het Bevb zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied.

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied blauw omcirkeld) Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. 4.12 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 17). Aangezien er met het initiatief geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden vormt de technische infrastructuur in de omgeving van het plangebied geen belemmering voor het initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

37

5. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor het positief bestemmen van de bestaande woning en bijbehorende bouwwerken positief aan de Aarleseweg 38 te Best, waarbij het mogelijk wordt om een gedeelte van de bijgebouwen in gebruik te nemen als bed & breakfast. Het plan loopt mee met de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2019’ van de gemeente Best. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze is getoetst aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke structuurvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Door het hergebruik van de bestaande gebouwen wordt enerzijds leegstand en verloedering én anderzijds kapitaalvernietiging - zowel economisch als milieukundig - voorkomen.

Met de waterparagraaf en de onderzoeken naar natuur, bodem, archeologie en externe veiligheid is aangetoond dat het initiatief ook planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Aarleseweg 38 te Best doorgang vinden.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

38

6. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijke inpassing plus aanvullende kwaliteitsverbetering Bijlage 2: Landschappelijke inpassing – enkel de kwaliteitsverbetering Bijlage 3: Berekening kwaliteitsverbetering Bijlage 4: AERIUS berekening beoogde situatie Bijlage 5: Geuronderzoek Bijlage 6: Aarleseweg 38 vs. Aarleseweg 34 Bijlage 7: Standaard advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Aarleseweg 38 te Best’

40

Berekening kwaliteitsverbetering Aarleseweg 38 te Best 14-7-2022 Benodigde investering op basis van redelijkheid Huidigesituatie

Oppervlakte 1.500 m

Woonbestemming

2

Beoogde situatie Woonbestemming

5.428 m2

Toename

3.928 m

Vereiste investering op basis van redelijkheid

Waarde € 2,- /m2

Uitbreiding bestemmingsvlak/bouwvlak/bebouwing Totaal Investeringskosten ten behoeve van kwaliteitsverbetering A. Voorzijde Aanleg fruitbomen (maat 12-14) Onderhoud fruitbomen (10 jaar)

€

Aantal

m3 Aanleg amfibiënpoel Onderhoud poel (10 jaar) m Veeraster dierenweide Totaal B. Achterzijde Aanleg laanbomen (maat 12-14) Onderhoud laanbomen (10 jaar)

Aantal

Aanleg fruitbomen (maat 12-14) Onderhoud fruitbomen (10 jaar) Are Aanleg bloemrijk grasland Onderhoud fruitbomen (10 jaar) m3 Aanleg amfibiënpoel Onderhoud poel (10 jaar) m Veeraster dierenweide Totaal Totaal Investeringskosten ten behoeve van kwaliteitsverbetering Benodigde investering op basis van redelijkheid Totale extra kwaliteitswinst

€ € €

2

7.856,00

€/st 10 € 10 €

64,90 € 53,40 €

649,00 534,00

5,51 €

551,00

43,09 €

430,90

4,63 € €

893,59 3.058,49

€/st 8 € 8 €

64,90 € 53,40 €

519,20 427,20

10 € 10 €

64,90 € 53,40 €

649,00 534,00

€/are 11,44 € 11,44 €

16,25 € 84,20 €

185,90 963,25

5,51 €

551,00

43,09 €

430,90

4,63 € €

648,20 4.908,65

€/m3 100 € €/j € €/m 193 €

€/m3 100 € €/j € €/m 140 €

7.967,14 7.856,00 111,14

Nieuwe beplanting Groene erfscheiding struiken: Meidoorn(Crataegus) Vlier(Sambucus) Trosvlier(Sambucus racemosa) Meelbes(Sorbus aria) Gele kornoeltje(Cornusmas)

aanplanten groene erfscheiding

aanplanten plantvakken/erfscheiding

aanplanten plantvakken

aanplanten vogelweide aanplanten groene erfscheiding aanplanten plantvakken/erfscheiding

Opgesteld door: Datum: Schaal: Project:

F. VAN HOOF 14-07-2022 1:1.000 (A3) 16201.002

Deze tekening betreft een indicatieve weergave van de beoogde ontwikkeling als gevolg van de bijbehorende planologische procedure, hieraan kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

|

AARLESEWEG 38 | BEST

Plantvakken bomen: Fruitbomen struiken: Meidoorn(Crataegus) Braam(Rubus) Trosvlier(Sambucus racemosa) Meelbes(Sorbus aria) Gele kornoeltje(Cornusmas)

Nieuwe beplanting Groene erfscheiding struiken: Meidoorn(Crataegus) Vlier(Sambucus) Trosvlier(Sambucus racemosa) Meelbes(Sorbus aria) Gele kornoeltje(Cornusmas)

te realiseren laanbomen (8) te realiseren amfibiënpoel

te realiseren weide

aanplanten plantvakken / fruitbomen (10)

te realiseren poel te realiseren fruitbomen (4) te realiseren fruitbomen (6)

Opgesteld door: Datum: Schaal: Project:

F. VAN HOOF 14-07-2022 1:1.000 (A3) 16201.002

Deze tekening betreft een indicatieve weergave van de beoogde ontwikkeling als gevolg van de bijbehorende planologische procedure, hieraan kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.

KWALITEITSVERBETERING

|

AARLESEWEG 38 | BEST

Plantvakken bomen: plataan(Platanus) knotwilg(Salix alba) struiken: Meidoorn(Crataegus) Braam(Rubus) Trosvlier(Sambucus racemosa) Meelbes(Sorbus aria) Gele kornoeltje(Cornusmas)

Projectberekening

Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron

Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Van Dun Advies B.V. Aarleseweg 38, 5684 LN Best 16201.003 Beoogde situatie

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RkY3cW1MM2NY 10 juni 2022, 09:29 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar 2022

Beoogde situatie - Beoogd

Resultaten

Emissie NH3 0,1 kg/j

Hoogste depositie Hexagon Beoogde situatie - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j

RkY3cW1MM2NY (10 juni 2022)

Emissie NOx 12,5 kg/j Gebied

2/6

Projectberekening

Beoogde situatie (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen 1 Wonen en Werken | Woningen | Woning en Werken | Woningen | B&B in bestaande 2 Wonen mantelzorgwoning 3 Wonen en Werken | Woningen | Nieuwe B&B

 Verkeersnetwerk

RkY3cW1MM2NY (10 juni 2022)

Emissie Emissie NH3 NOx - 3,0 kg/j -

3,0 kg/j

-

6,0 kg/j

0,1 kg/j

0,5 kg/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn

Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RkY3cW1MM2NY (10 juni 2022)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Beoogde situatie" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal

RkY3cW1MM2NY (10 juni 2022)

Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)

0,00

0,00

0,00

0,00

Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)

0,00

0,00

5/6

Projectberekening

Beoogde situatie, Rekenjaar 2022 1 Wonen en Werken | Woningen Naam Woning Uittreedhoogte Wijze van ventilatie Niet geforceerd Warmteinhoud Temporele Variatie Continue Emissie

1,0 m 0,000 MW

NOx

3,0 kg/j

1,0 m 0,000 MW

NOx

3,0 kg/j

1,0 m 0,000 MW

NOx

6,0 kg/j

2 Wonen en Werken | Woningen Naam B&B in bestaande Uittreedhoogte mantelzorgwoning Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie

3 Wonen en Werken | Woningen Naam Nieuwe B&B Uittreedhoogte Wijze van ventilatie Niet geforceerd Warmteinhoud Temporele Variatie Continue Emissie

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.5_20220328_855771c674 Database versie 2021.0.5_855771c674 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

RkY3cW1MM2NY (10 juni 2022)

6/6

Geuronderzoek

Aarleseweg 38 te Best

Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten Postel 8 5711 ET Someren KvK 180 61 619 T. F. E. I.

Projectlocatie:

Aarleseweg 38, 5684 LN Best

Projectnummer:

16201-003

Datum:

30-04-2020

Opgesteld door:

Van Dun Advies B.V. J.C.P.M. van de Pas

Geuronderzoek – Aarleseweg 38 te Best

013 519 94 58 013 519 97 27

info@vandunadvies.nl www.vandunadvies.nl

1

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ................................................................................................................................ 3

2.

Achtergrond en aanleiding ...................................................................................................... 4

3.

4.

2.1

Wet geurhinder en veehouderij........................................................................................ 4

2.2

Omgekeerde werking ...................................................................................................... 5

Parameters ............................................................................................................................ 7 3.1

Rekenpunten .................................................................................................................. 7

3.2

Web-BVB........................................................................................................................ 7

3.3

Brongegevens meest bepalende veehouderijen ................................................................ 7

Woon- en leefklimaat ............................................................................................................. 9 4.1

Voorgrondbelasting ......................................................................................................... 9

4.2

Achtergrondbelasting ...................................................................................................... 9

4.3

Afweging .......................................................................................................................10

4.4

Vaste afstanden .............................................................................................................11

5.

Invloed ontwikkeling op omliggende veehouderijen .................................................................12

6.

Conclusie ..............................................................................................................................14

7.

Bijlagen ................................................................................................................................15

Geuronderzoek – Aarleseweg 38 te Best

2

1. Inleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het plangebied aan de Aarleseweg 38 te Best. Dit betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie, die in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2002’ is herbestemd voor woondoeleinden. Hierbij is de legaal aanwezige bebouwing onder het overgangsrecht vervat. In het verleden is echter een gedeelte van een voormalige stal bij de woning getrokken waardoor deze nu een omvang heeft van 1.106 m3, waar planologisch 750 m3 is toegestaan. Daarbij zijn de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke omvang van circa 1.115 m2 in gebruik als bijgebouw. Hiervan is 378 m2 in gebruik als professionele hobby timmerwerkplaats en 158 m2 ingericht als mantelzorgwoning. De overige gebouwen worden gebruikt voor opslag. Initiatiefnemer heeft de wens om de bestaande woning en bijbehorende bijgebouwen positief te bestemmen en recreatieve nevenactiviteiten binnen de bestaande bijgebouwen te realiseren. Om dit initiatief te kunnen realiseren wordt het vigerende bestemmingsplan herzien. Dit is alleen mogelijk indien er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Daarnaast mag de ontwikkeling geen beperkingen opleveren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.

In voorliggend rapport wordt de mate van geurhinder afkomstig van de omliggende veehouderijen onderzocht. Aansluitend wordt ingegaan op de al dan niet belemmerende werking van het initiatief op de omliggende veehouderijen. Onderstaande afbeeldingen geven luchtfoto’s op het plangebied en de omgeving van het plangebied weer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749783/1