CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.3 - Plan Mer Deel A Hoofdrapport

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied28.184 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

50

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

In tabel 7 is de ontwikkeling weergegeven van de ammoniakemissie voor de huidig situaties en de scenario’s op basis van de modelmatige uitgangspunten. Tabel 7: Ammoniakemissies in het trendmatig en worst-case scenario t.o.v. de referentiesituatie.

Huidige situatie vergund (hsv)

Ammoniak (kg NH3/jaar) en % t.o.v. hsv

134.011

Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb) 93.811 (70%)

Huidige situatie vergund – met eisen IOV

78.624 (59%)

Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie 55.041 (41%)

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

73.876 (55%)

243.871 (182%)

In Tabel 8 is de ontwikkeling weergegeven van de maximale depositie op enkele Natura 2000gebieden. De kaarten in de bijlagen van het MER in Deel C-C5 geven de stikstofdepositie weer voor de huidig situaties en de scenario’s op basis van de modelmatige uitgangspunten. Tabel 8: Maximale stikstofdepositie voor het trendmatig en worst-case scenario t.o.v. de referentie situatie.

Natura2000 en overige natuurgebieden

Kampina & Oisterwijkse vennen Kempenland-West Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Strabrechtse Heide & Beuven

Huidige situatie vergund

Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb)

Huidige situatie vergund – met eisen IOV

Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

8,0

5,5

4,7

3,1

4,4

15,2

3,9 2,8

2,6 1,8

2,2 1,4

1,4 0,8

2,1 1,3

7,9 5,5

1,7

1,0

0,8

0,2

0,7

3,2

2,3

1,5

1,1

0,6

1,0

4,7

1,4

1,0

0,5

0,2

0,4

3,0

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

51

P186126.006

Natura2000 en overige natuurgebieden

Huidige situatie vergund

Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb)

Huidige situatie vergund – met eisen IOV

Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

Wav en overige NNB (< 1 km) Wav-gebied Overige NNB

126 206

88 144

73 107

51 75

66 86

191 247

* In het bestemmingsplan is stikstofplafond opgenomen. Bij het berekenen van de scenario’s is hier geen rekening mee gehouden.

Voor een toetsing aan de randvoorwaarden van de Wet natuurbescherming is de vergelijking met de waarden voor Huidige Situatie – CBS correctie het belangrijkste, als een zo goed mogelijke benadering van de huidige feitelijke, legale situatie (de vergelijkingsbasis voor de Wet Natuurbescherming). Uit Tabel 8 blijkt dat het worst-case scenario ten opzichte van de huidige situatie + CBS correctie gepaard gaan met een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden en op overige natuurgebieden (Wav-gebieden en overige NNB). Gelet op het feit dat vrijwel alle habitattypen gevoelig zijn voor een te hoge stikstofbelasting en nu al overbelast zijn, is zonder een ammoniak- / stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan niet op voorhand uit te sluiten dat een toename van de stikstofdepositie niet kan leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van die gebieden. Ook blijkt het trendmatig groeialternatief gepaard te gaan met een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie + CBS correctie. Deze toename wordt deels veroorzaakt door het verschil in vergund en werkelijke aantallen dieren. Opvullen van de latente ruimte is in de praktijk niet aan de orde vanwege de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen.

Deze beleidsregels sluiten namelijk saldering met ammoniakemissie van niet-gerealiseerde dierplaatsen (vergunde, maar niet gebouwde dierenverblijven) uit. Dit betreft het grootste gedeelte van de latente ruimte die opgevuld wordt in de scenario’s. Echter, omdat dit provinciale beleidsregels zijn die niet opgenomen worden in de planregels van het bestemmingsplan kan hier geen rekening mee gehouden worden in de effectbeoordeling van de scenario’s. De provincie kan tenslotte deze beleidsregels wijzigen. Een maximale benutting van de geboden planologische mogelijkheden (intensivering op bestaande bouwblokken, uitbreiding van bouwblokken, zoals beschreven in het MER) kan dus theoretisch leiden tot een sterke toename van de emissie en depositie van stikstof (vooral in de vorm van ammoniak) op de beschermde Natura2000-gebieden (en ook Wav-gebieden en overige NNB).

52

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

5.2.6

Aanvullende analyse per veehouderijbedrijf

In Deel C, bijlage C-4 is voor elke veehouderij op basis van het ontwerp bestemmingsplan buitengebied Best en de gegevens over de vergunde / gemelde dierplaatsen en stalsystemen (het zogenaamde BVB-bestand) het volgende in beeld gebracht:  Het type veehouderij;  De economische omvang van de veehouderij(tak);  Het oppervlak van het bouwblok en de aanduiding van het bouwblok;  De relatie tussen de economische omvang van de veehouderij(tak) en het oppervlak van het bouwblok (gemiddelde economische omvang per hectare);  De vergunde ammoniakemissie op basis van het aantal dierplaatsen en de stalsystemen;  De ammoniakemissie zoals die zou zijn bij dezelfde veebezetting van dat bedrijf, maar met toepassing van stalsystemen met de laagste ammoniakemissie (stand techniek en van factoren in de zogenaamde Regeling ammoniak en veehouderij ten tijde van publicatie van het ontwerp bestemmingsplan);  De theoretische emissieruimte (verschil vergund en minimale emissie), absoluut en als percentage van de vergunde emissie;  Wel of niet gelegen in de zone beperkingen veehouderijen (in deze zone zijn er geen planologische uitbreidingsmogelijkheden voor niet-grondgebonden veehouderijen).

De emissieruimte per veehouderijbedrijf geeft een beeld van de mogelijkheden die veehouderijen hebben om met toepassing van de emissie reducerende technieken uit te breiden met het aantal dieren zonder een toename van de vergunde ammoniakemissie. Gemiddeld is die emissieruimte (uitgedrukt als percentage van de vergunde ammoniakemissie) circa 47%. Dit betekent dat het aantal dieren bij toepassing van de nu vergunbare stalsystemen met de laagste emissie van ammoniak in theorie kan verdubbelen zonder een toename van de nu vergunde ammoniakemissies uit stallen van veehouderijen in Best. Er zijn wel verschillen tussen veehouderijen onderling. Vooral voor varkens en pluimvee is de emissieruimte groot (gemiddeld meer dan 75%). Voor de kalverenbedrijven ligt het percentage gemiddeld rond de 63%. Voor melkrundvee- en overig rundvee (incl. gemengde bedrijven) ligt het percentage emissieruimte met circa 37% een stuk lager. Voor deze veehouderijen zijn er ook bij een stikstofplafondregeling in theorie mogelijkheden voor verdere ontwikkeling binnen het eerder vergunde emissieplafond (ammoniak). 43 van de 58 veehouderijen in Best hebben een emissieruimte groter dan nul. Daarvan zijn er 38 met een emissieruimte van 30% of meer (30% is voor ammoniak het gemiddelde verschil tussen de vergunde dierplaatsen en de werkelijk aanwezige dierplaatsen op basis van de CBS-landbouwtellingen).

Minimaal 66% van de veehouderijen hebben (theoretisch) mogelijkheden om uit te breiden zonder dat dit gepaard hoeft te gaan met een toename van de ammoniakemissie. Als een verandering van het type dieren wordt meegenomen in de analyse of als er nieuwe stalsystemen beschikbaar komen met extra emissiereductie, neemt dit percentage toe. Voor paarden, schapen en nertsen is de emissieruimte 0%. Voor deze type dierplaatsen zijn geen emissie reducerende technieken beschikbaar om uit te breiden binnen het eigen emissieplafond.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

53

P186126.006

In par. 5.2.3. is de indicatie van de milieuruimte ammoniak bij een grenswaarde voor de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden van 0,005 mol N/ha/jaar. De milieugebruiksruimte is voor stikstofdepositie ten gevolge van ammoniakemissie in het hele gebied zeer beperkt.

5.2.7 Betekenis voor het bestemmingsplan Om het bestemmingsplan buitengebied in overeenstemming te brengen met de (strenge) toetsingskaders uit de Wet natuurbescherming, is het van belang dat er een stikstofplafondregeling in de planregels wordt opgenomen. Stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 Het bestemmingsplan maakt het voor veehouderijen mogelijk om hun veestapel uit te breiden en/of te wijzigen onder meer door de benutting van de nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden. Evenwel geldt bij deze gebruiksmogelijkheden dat de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande stikstofemissie op bedrijfsniveau niet mag toenemen. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat een toename van ammoniakemissie kan leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Door die toename zijn significante effecten op voor stikstofgevoelige habitattypen en -soorten niet zonder meer uit te sluiten vanwege de veelal hoge achtergronddepositie binnen Natura 2000-gebieden. Om het bestemmingsplan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming te kunnen vaststellen is een stikstofemissieplafond in de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Op basis van de begripsbepalingen is een toename van NH3- en NOx-emissie én N-depositie niet toegestaan.

Uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor de veehouderij Voor varkens, pluimvee, vleeskalveren en (melk)rundveehouderijen zijn er ook bij een stikstofplafondregeling in theorie mogelijkheden voor verdere ontwikkeling binnen het eerder vergunde emissieplafond (ammoniak). Minimaal 66% van de veehouderijen hebben (theoretisch) mogelijkheden om uit te breiden zonder dat dit gepaard hoeft te gaan met een toename van de ammoniakemissie. Als een verandering van het type dieren wordt meegenomen in de analyse of als er nieuwe stalsystemen beschikbaar komen met extra emissiereductie, neemt dit percentage toe. De emissieruimte leidt niet tot een knelpunt m.b.t. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Paarden- en schapenhouderijen hebben bij uitbreiding van het aantal dieren relatief weinig ontwikkelingsruimte nodig (25 kg NH3/jaar komt overeen met 5 paarden of 21 schapen). Een dergelijke “claim” is voor het verreweg het grootste deel van het buitengebied lager dan de maximale emissie van ammoniak bij een grenswaarde van 0,005 mol/ha/jaar. Voor paarden- en schapenhouderijen vormt het gebrek aan eigen emissieruimte geen knelpunt m.b.t. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (stikstofplafondregeling). De enige nertsenhouderij binnen het plangebied is op basis van landelijke regels verboden vanaf 1 januari 2024. Ook geldt voor dit bedrijf een uitbreidingsverbod.

Binnen het aanwezige stikstofplafond kan dit bedrijf omschakelen naar een grondgebonden veehouderij of naar andere activiteiten (niet-veehouderij), daarbij wel rekening houden met de beperkingen vanwege de ligging in de zone Beperking veehouderij en de korte afstand tot de bebouwde kom van. Dit leidt niet tot een knelpunt m.b.t. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan buitengebied. Het stikstofemissieplafond voor NOx voor het gebruik van bouwwerken en gronden vormt gezien voorgaande ook geen knelpunt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

54

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

5.3

Geur

5.3.1 Kaders geur Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. Daarnaast heeft deze wet consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt. Gemeenten kunnen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. Als een gemeente geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of besluit geen eigen, afwijkende waarde, vast te stellen, gelden de vaste wettelijke waarden. De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen “standaard waarden” voor de maximale geurbelasting zijn maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd).

Voor bepaalde veehouderijbedrijven (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste afstand die in acht genomen dient te worden. Deze afstand bedraagt ten aanzien van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 50 meter. Voor intensieve veehouderijen wordt de norm niet uitgedrukt in een afstand, maar in een geurcontour met een grillige vorm. Een eventuele afwijkende gemeentelijke normering dient vastgelegd te worden in een verordening, een gebiedsvisie moet deze verordening onderbouwen. De gebiedsvisie moet aantonen dat een – van de wet afwijkende – gemeentelijke normstelling nodig is om de gewenste ruimtelijke visie te realiseren. Bij het vaststellen van de norm, die dus de maximale belasting van een individuele bron bepaalt (de zogenaamde voorgrondbelasting), dient er rekening te worden gehouden met de geurhinder die meerdere bronnen samen (de achtergrondbelasting) veroorzaken. De Gemeente Best heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om eigen normen vast te stellen. Op 8 juli 2008 heeft de gemeenteraad van Best een gemeentelijke geurverordening vastgesteld, waarin is afgeweken van de vaste wettelijke waarden voor kernen en delen van het buitengebied. Deze geurverordening is op 16 juli 2008 in werking getreden.

In de geurverordening zijn de volgende afwijkende geurnormen (voorgrondbelasting) opgenomen, zie de kaart in Figuur 15:  Invloedsgebied A (kern Best): 1 Ou;  Invloedsgebied B, C, D, E (plangebieden Aarle, Hokkelstraat, Dijkstraten en Overgang): 7 Ou;  Buiten de aangewezen invloedsgebieden geldt de wettelijke norm van 14 Ou. Momenteel is een nieuwe geurverordening in voorbereiding welke volgens planning medio 2021 vastgesteld zal worden en in werking zal treden. Voor (delen van) het buitengebied zal een aanscherping van de geurnormen plaatsvinden. Aangezien het beleidskader voor geur wordt aangescherpt zullen de milieueffecten ten aanzien van geur gunstiger zijn dan beschreven in dit PlanMER.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

55

P186126.006

De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter indien het gevoelige object in de bebouwde kom van Best ligt.

Figuur 15: Kaart uitsnede geurverordening Best 2008

Voor alle normen en afstanden geldt dat deze alleen bij ontwikkelingen van veehouderijen of nieuwe ruimtelijke functies aan de orde zijn als toetsingscriterium. Er is in de huidige wet- en regelgeving geen verplichting opgenomen voor bedrijven om aan de norm te gaan voldoen. Als intensieve veehouderijen een geurbelasting hebben die hoger is dan de geurnorm, hoeven ze niet aan de norm te voldoen, uitgaand van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Via de zogenaamde 50% regeling moet een uitbreiding van het aantal dieren wel gepaard gaan met een gedeeltelijke afname van de geurbelasting. Eerder opgebouwde rechten t.a.v. de maximale geurbelasting zijn in die regelgeving op deze wijze beschermd. 5.3.2 Milieugebruiksruimte geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) verbiedt het overschrijden van de geurnorm bij gevoelige objecten en beperkt daarmee de milieugebruiksruimte voor veehouderijen, vooral intensieve veehouderijen. De geurbelasting is afhankelijk van de afstand van gevoelige objecten tot veehouderijbedrijven en de emissie van geureenheden. In Figuur 16 is de milieuruimte binnen de gemeentelijke geurnormen weergegeven.

56

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Figuur 16 Indicatie milieuruimte geur op basis van de gemeentelijke geurnormen Best (oranje-geel = weinig ruimte / groen = veel ruimte). Zie ook deel C, bijlage C-6.

In de gebieden waar zich de meeste intensieve veehouderijen bevinden (dieren met een geuremissiefactor) is de milieugebruiksruimte met betrekking tot geur beperkt vanwege de aangescherpte geurnorm van 1,0 Ou voor de bebouwde kom van Best. De gebieden waar meer ontwikkelingsruimte ten aanzien van geur aanwezig is zijn voor een groot deel aangewezen als Zone beperking veehouderij, hetgeen betekent dat intensieve bedrijven wellicht kunnen uitbreiden in geur, maar niet de dierenverblijven kunnen uitbreiden. Net zoals voor ammoniak zullen veehouderijen die willen groeien in het aantal dierplaatsen gebruik moeten maken van emissie reducerende technieken om de emissie te beperken en/of maatregelen moeten treffen om de geurbelasting te beperken (zogenaamde ‘out-of-pipe’ maatregelen zoals het verhogen van uittredesnelheden en/of emissiepunten). Die technieken zijn beschikbaar en vergunbaar, maar zullen ook vanuit bedrijfseconomisch oogpunt betaalbaar moeten zijn.

5.3.3

Effecten scenario’s

In Figuur 17 is de huidige achtergrondbelasting van geur uit stallen van veehouderijen in Best en aangrenzende gemeenten weergegeven. Het betreft de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) op basis van de huidige, vergunde situatie met en zonder CBS correctie voor de veestapel.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

57

P186126.006

Figuur 17: Indicatieve achtergrondbelasting geur in de huidige, vergunde situatie met CBS-correctie veestapel (zie ook deel C, bijlage C-6)

Trendmatig en worst case scenario zonder stikstofplafondregeling In paragraaf 5.2 staat toegelicht dat een stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan Buitengebied Best staat opgenomen en waarom deze noodzakelijk is. Een stikstofplafond zorgt ervoor dat de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen beperkt worden en dat emissiearme stalsystemen toegepast moeten worden om te kunnen uitbreiden. Deze beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen in het bestemmingsplan heeft indirect ook een beperkend effect op de geuremissie en geurbelasting. In het trendmatig scenario en het worst case scenario ten aanzien van geur wordt geen rekening gehouden met het effect van het stikstofemissieplafond, zodat inzichtelijk wordt wat de effecten voor geur kunnen zijn als geen stikstofemissieplafond opgenomen wordt. Ontwikkeling geuremissie Uit Tabel 9 blijkt dat het trendmatig scenario (niet rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een lichte afname van de geuremissie, ondanks dat de veehouderij in dit scenario groeit. De afname ten opzichte van de referentiesituatie wordt veroorzaakt door toepassing van ammoniakemissie reducerende maatregelen in het kader van de IOV die tevens een geurreductie geven.

58

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Het worstcase scenario (wel en niet rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een forse toename van de geuremissie. Hierbij wordt latente ruimte maximaal opgevuld en in overbelaste situaties gebruik gemaakt van de zogenaamde 50%-regel in de Wet geurhinder en veehouderij. Tabel 9: Geuremissies in het trendmatig en worst-case scenario t.o.v. de referentiesituatie.

Geur (OU/m3) en % t.o.v. hsv

Huidige situatie vergund (hsv)

Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb)

Huidige situatie vergund – met eisen IOV

1.026.496

821.196 (80%)

1.026.496 (100%)

Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie 821.196 (80%)

Trendmatig scenario

Worstcase Scenario -

Rekening houdend met geurnormen

Wel en niet rekening houdend met geurnormen Wel: 1.420 081 (138%)

781.111 (76%)

Niet: 4.976.383 (485%)

Ontwikkeling geurbelasting Uit Tabel 10 en Tabel 11 blijkt dat het trendmatig scenario (rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een lichte toename van de geurbelasting, met name buiten de bebouwde kom. Deze toename ten opzichte van de referentiesituatie wordt veroorzaakt door het opvullen van de latente ruimte in de vergunningen en ontwikkeling van intensieve veehouderijen binnen het bouwblok. Het worstcase scenario (wel en niet rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een wezenlijke toename van de geurbelasting binnen en buiten de bebouwde kom. De toename ten opzichte van de referentiesituatie wordt veroorzaakt door het opvullen van latente ruimte in de vergunningen en ontwikkeling van intensieve veehouderijen binnen het bouwblok. Rekening houdend met de gemeentelijke geurnormen is de toename kleiner. Dit komt door de lage geurnorm van 1,0 OU voor de bebouwde kom van Best. In de effectbeoordeling van het trendmatig en worst-case scenario is geen rekening gehouden met een toets op de achtergrondbelasting bij ruimtelijke procedures.

Indien niet alleen getoetst wordt op de voorgrondnormen, maar ook op normen ten aanzien van de maximale achtergrondbelasting, zal de ontwikkeling van de geurhinder zoals weergegeven voor het trendmatig en het worst-case scenario positiever zijn dan in Tabel 10 en Tabel 11 is weergegeven. In Deel C-C6 zijn de geurkaarten voor de scenario’s opgenomen. Deze kaarten verbeelden de gegevens in de tabellen 10 en 11.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

59

P186126.006

Tabel 10: Achtergrondbelasting geur binnen de bebouwde kom naar classificatie woon- en leefmilieu voor de scenario’s (in absolute aantallen verblijfsobjecten BAG, voor zover niet behorend bij (voormalige) veehouderij. Binnen bebouwde kom

Huidige situatie vergund

Huidige situatie vergund – CBS correctie met autonome ontwikkeling

Trendmatig scenario Rekening houdend met geurnormen geurverordening

Worstcase Scenario Rekening houdend met geurnormen geurverordening

Worstcase Scenario -

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht Totaal Hinderwaarde Hinderpercentage

12.444 544 6 0 0 0 0 0 12.994 283 2%

12.750 244 0 0 0 0 0 0 12.994 234 2%

12.624 365 5 0 0 0 0 0 12.994 259 2%

11.405 1.571 18 0 0 0 0 0 12.994 343 3%

3.865 3.797 2.440 1.650 1.014 223 5 0 12.994 1.219 9%

Tabel 11: Achtergrondbelasting geur buiten de bebouwde kom naar classificatie woon- en leefmilieu voor de scenario’s (in absolute aantallen verblijfsobjecten uit het BAG, voor zover niet behorend bij (voormalige) veehouderij. Buiten bebouwde kom

Huidige situatie vergund

Huidige situatie vergund – CBS correctie met autonome ontwikkeling

Trendmatig scenario Rekening houdend met geurnormen geurverordening

Worstcase Scenario Rekening houdend met geurnormen geurverordening

Worstcase Scenario

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht Totaal Hinderwaarde Hinderpercentage

80 269 78 10 1 1 2 0 441 317 8%

114 280 38 5 2 2 0 0 441 263 7%

90 271 64 12 1 1 2 0 441 292 8%

47 227 123 37 3 2 2 0 441 385 10%

29 8 2 72 82 63 74 111 441 1.339 27%

Crisis- en herstelwet (Chw) en Schone Lucht Akkoord (SLA) In de gemeente Best is op gebiedsniveau geen sprake van een geurprobleem. Wel kan er sprake zijn van lokale overbelaste situaties. De Crisis- en herstelwet en het Schone Lucht Akkoord bieden de gemeente de mogelijkheid om de geursituatie te verbeteren. Niet alleen bij ontwikkelende veehouderijen en veehouderij die actief het geurprobleem willen oplossen, maar ook bij ‘stilzittende’ bedrijven.

60

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

In de provincie Noord-Brabant komt experimenteerruimte voor overbelaste situaties vanwege veehouderij (o.b.v. voorstel 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet). De gemeente kan dan maatregelen aan veehouderijen opleggen om de overbelasting naar de omgeving toe te beperken, zoals het voorschrijven van geur reducerende maatregelen als sprake is van onaanvaardbare geurhinder en de nadelige gevolgen van geuremissies verder kunnen worden beperkt vanwege ontwikkeling technische mogelijkheden. De gemeente krijgt bij onaanvaardbare geurhinder ook de mogelijkheid om vergunningvoorschriften te wijzigen en zelfs de vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken. Om te bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder moet rekening worden gehouden met lokaal geurbeleid, historie van klachten, de bestaande en de verwachte geurhinder van de veehouderij en de kosten en baten van de technische voorzieningen en gedragsregels in de veehouderij. Verder komt er ruimte om te experimenteren met innovatieve technieken. De voorgestelde experimenteerruimte voorziet straks ook in de mogelijkheid om af te wijken van de geurregels in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. De gemeente kan afwijken van de zogeheten ‘50%-regeling’ voor geur. Deze experimenteerruimte is nog in ontwikkeling.

De gemeente heeft echter nu al mogelijkheden om te anticiperen op de Omgevingswet. Zo heeft de gemeente onder de Omgevingswet meer beleidsvrijheid bij het bepalen van het beschermingsniveau van verschillende geurgevoelige objecten en kan de gemeente een omgevingswaarde vastleggen voor geur.

5.3.4 Betekenis voor het bestemmingsplan In het bestemmingsplan moet voorkomen worden dat de achtergrondbelasting van geur kan toenemen en het woon- en leefklimaat verslechterd, met name ter plaatse van woningen waar al sprake is van een (te) hoge achtergrondbelasting. Bijvoorbeeld doordat de afname van de cumulatieve geurbelasting op een woning vanwege een stoppende veehouderij weer opgevuld wordt door een nabijgelegen veehouderij die wil uitbreiden. In het bestemmingsplan zijn veehouderijbedrijven specifiek bestemd naar type veehouderijbedrijf (diersoort). Omschakeling van bestaande veehouderijen naar andere diersoorten alsmede het uitbreiden van een veehouderijbedrijf met dezelfde diersoort is onder voorwaarden in dit bestemmingsplan wel mogelijk, onder andere onder de voorwaarde voor veehouderijen dat is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Deze voorwaarde is in overeenstemming met de voorwaarde in de Interim Omgevingsverordening.

In de bestemmingsregels staat in de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding dierenverblijven dat bij ontwikkeling van andere geurgevoelige functies, zoals wonen, moet ten aanzien van geurhinder voldaan worden aan relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk geurbeleid. Binnen de bestaande, planologisch legale dierenverblijven kan nog wel uitgebreid worden in aantal dieren, echter binnen het specifieke bestemde veehouderijtype. Daarbij kan de geuremissie en – geurbelasting nog toenemen, maar de ontwikkelingsruimte is beperkt. Als er geen sprake is van

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

61

P186126.006

uitbreiding in dierenverblijven dan moet de geurbelasting op geurgevoelige objecten o.b.v. het ‘milieuspoor’ uitsluitend getoetst worden aan de gemeentelijke geurnormen voor de voorgrondbelasting zoals vastgelegd in de gemeentelijke geurverordening. Hierbij kan in overbelaste situaties de zogenaamde 50% regel uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) toegepast worden, hetgeen betekent dat de helft van de behaalde geurwinst weer opgevuld mag worden boven de geurnorm en dat de overbelaste situatie in stand blijft. In overbelaste situaties zal bij toepassing van de 50%-regel uit de Wgv altijd sprake zijn van een afname van de voorgrondbelasting en daarmee een verbetering van het woon- en leefklimaat. In niet-overbelaste situaties mag de geurbelasting wel toenemen, echter tot maximaal de gemeentelijke geurnorm (= aanvaardbaar woon- en leefklimaat).

5.4

Fijn stof en endotoxinen

5.4.1

Kaders fijn stof en endotoxinen

Kaders fijn stof Fijn stof wordt gezien als één van de meest schadelijke stoffen van luchtverontreiniging. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (PM10) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst, met een verschillende chemische samenstelling. Concentratie van veehouderijen kan de kans op overschrijding van de fijn stof normen verhogen. Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit (oa. fijn stof) hebben in 2007 geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer op het gebied van de luchtkwaliteitseisen. Het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn in 2007 in werking getreden en het Besluit luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. Deze wetswijziging zorgde voor uitsluiting van het stand-still beginsel (zoals was opgenomen in het Besluit Luchtkwaliteit 2005). Het stand-still beginsel hield in dat een situatie die voldoet aan de normen, toch niet mag verslechteren tot aan de norm. Uitsluiting van dit beginsel ten aanzien van luchtkwaliteit betekent dat de luchtkwaliteit mag worden ‘opgevuld’ tot aan de grenswaarde.

Het Besluit Niet In Betekenende Mate en de bijbehorende NIBM-regeling bieden bedrijven de mogelijkheid uit te breiden en meer fijn stof te emitteren, tot een toename van maximaal 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Hierdoor ontstaat de ongewenste situatie dat overschrijdingen blijven bestaan of dat er nieuwe knelpunten kunnen ontstaan. In een publicatie van de Staatscourant van 21 maart 2013 zijn gebieden in de gemeenten Nederweert, Asten, Deurne, Barneveld, Ede, Renswoude en Scherpenzeel aangeduid waar de NIBM‐regeling niet meer van toepassing zal zijn. In Best is de NIBM-regeling niet door het Rijk aangepast. Medio 2008 is het verspreidingsmodel uitgekomen, aangevuld met de handreiking en per 24 december 2008 is ook het te hanteren toetsingskader vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In het toetsingskader is opgenomen dat de concentratie van fijn stof uitsluitend wordt beoordeeld op woonlocaties en op locaties die voor het publiek toegankelijk zijn. Een bedrijfswoning van een veehouderij wordt ook beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van veehouderijen in de omgeving. Alleen de eigen bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van de eigen veehouderij.

62

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Met behulp van dit toetsingskader en de tabel met emissiefactoren fijn stof kan en zal de gemeente de milieuaanvragen toetsen op het onderwerp fijn stof. Voor fijn stof gelden de volgende landelijke normen:  Een jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3 fijn stof in de buitenlucht.  Een daggemiddelde concentratie van 50 μg/m3 welke maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden. De Interim Omgevingsverordening stelde t.a.v. bestemmingsplannen bij uitbreiding van het oppervlakte dierenverblijven een maximaal jaargemiddelde concentratie van 31,2 μg/m3 fijn stof in de buitenlucht, echter uit jurisprudentie volgt dat de provincie in de IOV geen regels omtrent de inhoud van bestemmingsplannen mag stellen die betrekking hebben op de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) in de Wet milieubeheer (ABRvS 201802281/3/R2 , ECLI:NL:RVS:2020:452, 12 februari 2020).

Zeer fijn stof (PM2,5) In de EU richtlijn luchtkwaliteit van 2008 zijn normen opgenomen voor zeer fijn stof (PM2,5). Deze zijn in de Wet milieubeheer overgenomen. PM2,5 is naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10 . De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op een algemene vermindering van concentraties in stedelijke achtergrondgebieden. Dit bereikt men via een nationale streefwaarde en een nationale blootstellingsconcentratieverplichting, in combinatie met een streef- en grenswaarde. Voor de vergunningverlening van veehouderijen is alleen de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie belang. Deze geldt vanaf 1 januari 2015, naast de grenswaarden voor PM10. De grenswaarde voor PM2,5 vraagt geen aanvullende toetsing voor de agrarische sector. De emissie van primair PM2,5 uit veehouderijen is beperkt in verhouding tot de emissie van PM10. Als de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen. Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde. Uit onderzoek van RIVM blijkt dat bij een PM10-concentratie lager dan 32,5 μg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 norm kleiner dan 1% is. Uit informatie van de Commissie voor de m.e.r. volgt dat de emissie voor primair PM2,5 grofweg gelijkgesteld kan worden aan 20% van de PM10 emissies.

Daarnaast is er nog een geringe bijdrage van secundair PM2,5 dat ontstaat door de omzetting van geëmitteerd NH3 in NH4-deeltjes. De richtwaarde voor PM2,5 vanuit de veehouderij komt dan effectief overeen met ongeveer 77 % van de grenswaarde voor PM10, ofwel 30 μg/m3.

Besluit emissiearme huisvesting (maximale emissiewaarden fijn stof voor pluimvee) Op dit moment worden steeds meer technische maatregelen om de emissie van fijn stof te beperken ontwikkeld. Naast beschikbaarheid zal de economische en technische haalbaarheid van deze technieken toenemen. Op den duur kunnen daardoor een deel van deze technieken als Best Beschikbare Techniek (BBT) worden aangemerkt. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft voor pluimvee maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij (in werking getreden sinds augustus 2015). De uitbreiding en wijziging van bestaande

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

63

P186126.006

bedrijven en bij bouw van nieuwe stallen moet voldaan worden aan de maximale emissiewaarden voor fijn stof.

Kaders endotoxinen De blootstelling aan stoffen uit de veehouderij kunnen leiden tot negatieve gezondheidseffecten. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)’ bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uit veehouderijen. Vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Dit toetsingskader is opgesteld als handreiking bij vergunningverlening aan veehouderijen, maar kan ook gebruikt worden in de ruimtelijke ordening. Een verhoogd risico voor de volksgezondheid kan spelen bij de ontwikkeling van een veehouderij, maar ook bij de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming in de omgeving van een veehouderij.

Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Naast de individuele contouren per bedrijf moet ook de cumulatie met andere bedrijven in de omgeving betrokken worden in de beoordeling. In het toetsingskader is niet voorzien in een berekeningswijze voor cumulatie, zodat uitgegaan moet worden van een kwalitatieve beoordeling. Om toch een beeld te geven van de cumulatieve endotoxinen-blootstelling zijn de afstandsgrafieken voor een 30 EU/m3 belasting, d.w.z. de bij de grafieken behorende vergelijkingen, wiskundig vertaald naar formules. Met deze formules kan de belasting op een object door emissie van een veehouderij berekend worden. Dit geeft een indicatie van waar de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk overschreden wordt.

64

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

De gehanteerde formules voor een indicatie van de concentratie endotoxinen:

Ten aanzien van de te beschermen objecten (woningen) wordt aangesloten bij de fijn stof systematiek hetgeen betekent dat ook getoetst moet worden op de bedrijfswoningen van andere veehouderijen. Bedrijfswoning(en) bij veehouderijen worden niet beschermd tegen de emissies van het eigen bedrijf, maar wel tegen emissies van andere veehouderijen.

5.4.2

Milieugebruiksruimte fijn stof en endotoxinen

Fijn stof De achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) ligt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in vrijwel het hele plangebied rond de 18 -19 µg/m3. Op drie locaties ligt de achtergrondconcentratie PM10 hoger (circa 20-22 µg/m3) ten gevolge van aanwezige pluimveehouderijen. De achtergrondconcentraties liggen in het hele plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) ligt volgens de GCN in het hele plangebied tussen de 11-12 μg/m3 en ligt ruim onder de grenswaarde van 25 μg/m3. In de Figuren 18a - 18b is de huidige achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 weergegeven (RIVM).

Figuur 18a: Kaart bestaande achtergrondconcentraties PM10 en PM2,5 (Bron: GCN, jaar 2020)

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

65

P186126.006

Figuur 18b : Kaart bestaande achtergrondconcentraties PM10 (Bron: RIVM, 2019)

 In het oosten van het plangebied ligt een legkippenhouderij op de Oude Baan 25.  In het westen van het plangebied ligt een opfokhennenbedrijf voor legrassen op de Aarleseweg 31  In het westen ligt een legkippenhouderij op Kapelweg 25 en een vleeskuikenhouderij op Kapelweg 27.  In het noordwesten van het plangebied ligt een legkippenhouderij aan de Driehoekweg 20. Dit bedrijf heeft echter geen uitbreidingsmogelijkheden, omdat deze locatie in het gebied Beperking veehouderij ligt. In Figuur 19 is de indicatieve bijdrage aan de achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) van veehouderijen in de huidige vergunde situatie met CBS-correctie weergegeven. Binnen het plangebied is overwegend sprake van een lage bijdrage aan de achtergrondconcentratie door veehouderij (<1 µg/m3). Op deze kaart worden vijf veehouderijlocaties ‘zichtbaar’, waar sprake is van een verhoogde achtergrondconcentratie fijn stof (pluimveebedrijven), maar ook hier is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden ter plaatse van omliggende woningen. De indicatieve fijn stof belasting door de veehouderijen ligt onder de 20 µg/m3.

66

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Figuur 19: Indicatieve achtergrondconcentraties PM10 in de huidig, vergunde situatie met CBS-correctie veestapel (zie ook deel C, bijlage C-7)

Ten aanzien van fijn stof is binnen het plangebied nog milieugebruiksruimte aanwezig, aangezien de fijn stof concentratie mag worden ‘opgevuld’ tot aan de grenswaarden. De milieuaspecten geur en ammoniak-stikstof zijn de beperkende factoren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen, niet fijn stof. En de emissie reducerende maatregelen die bi ontwikkelingen getroffen moeten worden ten aanzien van ammoniak, geur en bij pluimvee ook fijn stof, kunnen in voor een daling van fijn stof emissies uit veehouderijen. Fijnstof - endotoxinen Voor het MER is de analyse op basis van de werkwijze uit het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)’ uitgevoerd. Daarbij zijn de afstandsgrafieken toegepast op dezelfde manier als in het voornoemde rapport en de daarin opgenomen tabel welke aangeeft voor welke diersoort welke grafiek gebruikt moet worden. Dit betreft enkel pluimvee en varkens; voor de overige diersoorten is de fijnstof emissie vele malen lager en niet relevant. Figuur 20 geeft de indicatieve individuele en cumulatieve risicocontouren (30 EU/m3) in de huidige vergunde situatie weer. Deze risico-contouren liggen rondom de pluimvee- en varkenshouderijen binnen het plangebied. Op enkele plaatsen overlappen de contouren elkaar en is sprake van een cumulatief effect.

Ter plaatse van de veehouderijen aan de Kapelweg, het pluimveebedrijf aan de Aarleseweg en de kleine cluster van veehouderijen aan de Vleutstraat/Hoefkesstraat liggen woningen van derden binnen de individuele en cumulatieve risico-contour. Bij toepassing van het endotoxine-toetsingskader betekent dat deze veehouderijbedrijven als ze gaan ontwikkelen uit voorzorg niet mogen toenemen in fijn stof emissie (stand-still). Hiermee wordt een toename van het blootstellingsrisico voorkomen.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

67

P186126.006

Figuur 20: Indicatieve fijnstof-endotoxine contouren in de huidige vergunde situatie (zie ook deel C, bijlage C-8)

5.4.3

Effecten scenario’s

Fijn stof De ontwikkeling van de fijn stof concentratie wordt met name bepaald door de bestaande pluimveehouderijen. Het bestemmingsplan sluit omschakelen naar pluimvee uit, maar bestaande pluimveehouderijen kunnen wel uitbreiden. Nieuw te bouwen pluimveestallen moeten voldoen aan maximale emissiewaarden voor fijn stof in het Besluit emissiearme huisvesting. Hiermee is geen rekening gehouden in de scenario’s. Net als bij geur wordt in beide scenario’s geen rekening gehouden met de effecten van het stikstofemissieplafond. In Figuur 21 is de fijn stof belasting uit de veehouderij bij het trendmatig scenario weergegeven. Dit beeld wijkt weinig af van de referentiesituatie. De landelijke fijnstof normen in de Wet milieubeheer verhinderen over het algemeen niet een toename in achtergrondconcentratie fijn stof, tenzij er sprake is van woning of een andere gevoelig object op zeer korte afstand van stallen waar al sprake is van een hoge belasting door fijn stof. Dit wordt zichtbaar in het worstcase scenario in Figuur 22. In het worstcase scenario is sprake van een aanzienlijke toename van de fijn stof concentratie. Hierbij ontstaat met name een verslechtering van het woon- en leefklimaat in het westen van het plangebied rondom en ten zuiden van Aarle.

In dit deel van het plangebied zitten enkele pluimveehouderijen in elkaars nabijheid en zijn op relatief korte afstand meerdere woningen aanwezig.

68

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Figuur 21: Indicatieve cumulatieve milieubelasting fijn stof vanuit veehouderijen, trendmatig scenario (Deel C, bijlage C-7)

Figuur 22: Indicatieve cumulatieve milieubelasting fijn stof vanuit veehouderijen, worstcase scenario (Deel C, bijlage C-7)

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

69

P186126.006

In het worst case scenario ontstaat door de toename van de fijn stof concentratie met name een verslechtering van het woon- en leefklimaat in het westen van het plangebied rondom en ten zuiden van Aarle. In dit deel van het plangebied zitten enkele pluimveehouderijen in elkaars nabijheid en zijn op relatief korte afstand meerdere woningen aanwezig. Als hier het voorlopig toetsingskader voor endotoxinen wordt toegepast zal de worstcase ontwikkeling van de fijn stof concentratie in het worstcase scenario een stuk minder negatief zijn, aangezien in bestaande situaties waar woningen binnen de endotoxinen-risicocontour van een veehouderij liggen de fijn stof emissie van de veehouderij niet mag toenemen. Afhankelijk van de ligging zijn er veehouderijen binnen het plangebied aanwezig die geen of weinig milieugebruiksruimte hebben ten aanzien van ammoniak en geur en bij uitbreidingsplannen emissie reducerende maatregelen moeten treffen. Bij varkenshouderijen worden voornamelijk luchtwassers toegepast en die reduceren ook fijnstof (het verwijderingsrendement is afhankelijk van het type luchtwasser). Nieuwe pluimveestallen moeten voldoen aan de maximale emissiewaarden van het Beh, bijvoorbeeld door nageschakelde technieken. Dit kan betekenen dat uitbreiding resulteert in een daling van de fijn stof emissies.

Dit is niet meegenomen in de scenario’s (lastig te voorspellen), maar kan dus voor een vermindering van de concentratie fijn stof zorgen of een beperking van een toename van de concentratie fijn stof uit stallen van veehouderijen. Indien daarbij door de gemeente Best ook wordt getoetst op basis van het voorlopig toetsingskader voor endotoxinen zal de ontwikkeling van de fijn stof belasting zoals weergegeven voor het trendmatig scenario en het worst case scenario minder negatief zijn.

Fijn stof - endotoxinen De gemeente Best past in de praktijk het voorlopig toetsingskader endotoxinen toe, echter dit is geen landelijke wet- en regelgeving. Op basis van het voorlopig toetsingskader mag in bestaande situaties waar woningen binnen de endotoxinen-risicocontour van één of meerdere veehouderijen liggen, de fijn stof emissie van de veehouderij niet toenemen. Hierbij wordt vanuit het voorzorgbeginsel uitgegaan van een worstcase benadering en geen rekening gehouden met de verspreiding van fijn stof- endotoxinen. Ter plaatse van de veehouderijen aan de Kapelweg, het pluimveebedrijf aan de Aarleseweg en de kleine cluster van veehouderijen aan de Vleutstraat/Hoefkesstraat liggen woningen van derden binnen de individuele en cumulatieve risico-contour. Bij toepassing van het endotoxinetoetsingskader betekent dat deze veehouderijbedrijven als ze gaan ontwikkelen uit voorzorg niet mogen toenemen in fijnstof emissie (stand-still). Hiermee wordt een toename van het blootstellingsrisico voorkomen. Verder kan binnen het plangebied de fijn stof emissie toenemen zoals in Figuur 21- en Figuur 22 is weergegeven.

70

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

5.4.4

Betekenis voor het bestemmingsplan

De gemeente stuurt op het voorkomen en beperken van een te hoge blootstelling aan fijn stof en endotoxinen door in het bestemmingsplan het type veehouderij vast te leggen (diersoorten) en omschakelingen naar diersoorten waarbij mogelijk sprake is van risico’s niet toe te staan. Het bestemmingsplan bevat geen mogelijkheden voor omschakeling naar pluimvee, geiten of nertsen. Omschakelen naar varkens en uitbreiding van dierenverblijven kan alleen via een wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit en daarbij dient aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid oa. op gebied van gezondheid en fijn stof. Dit geeft de gemeente ook meer mogelijkheden om nieuwe inzichten t.a.v. volksgezondheid en omwonenden te betrekken bij een nieuwe afweging. De gemeente Best hanteert het voorlopig endotoxine toetsingskader bij vergunningenprocedures (omgevingsvergunning) en ruimtelijke procedures voor veehouderijen en voor nieuwe kwetsbare functies in de omgeving van veehouderijen.

Met toepassing van dit toetsingskader kan een toename van het blootstellingsrisico voorkomen worden, maar andersom ook worden voorkomen dat bij functiewijzigingen op VAB-locaties woningen of andere gevoelige functies binnen endotoxine risicocontouren worden toegevoegd (voorkomen van een toename van het aantal blootgestelden). De GGD adviseert over gebieden met 15 of meer veehouderijen in een straal van 1 kilometer van een burgerwoning om een halt toe te roepen aan de toename van het aantal bedrijven en oplossingen te zoeken voor het terugdringen van de emissies fijnstof, endotoxinen en ammoniak. De gemeente kan in gebieden met veel overlast en een sterke concentratie van veehouderijen, per locatie het aantal dieren begrenzen. Dit om nog sterker via het ruimtelijk instrumentarium te sturen op beperking van de emissies. Binnen het plangebied is echter geen sprake van een dergelijke concentratie van veehouderijen met veel overlast, waardoor hiervoor in Best geen noodzaak is.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

71

P186126.006

6 Overige milieueffecten 6.1

Overige effecten ontwikkelingen veehouderijen

Hiervoor is ingegaan op een analyse van de milieugebruiksruimte voor de veehouderij in Best voor de meest bepalende thema’s: ammoniak/stikstof, geur, fijn stof en endotoxinen. Hierbij is ook is ingegaan op de effecten van de onderzochte alternatieven (c.q. twee scenario’s van ontwikkeling binnen de geboden planologische mogelijkheden). De ontwikkelingsruimte die geboden wordt aan veehouderij kan ook effecten hebben op andere thema’s, te weten: landschap, cultuurhistorie en archeologie, geluid, verkeer, bodem en water, gezondheid en klimaat/energie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op effecten van veehouderijen op deze overige thema’s.

6.1.1

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Best maakt onderdeel uit van gebiedspaspoort Meierij, dat wordt gekenmerkt als ‘kleinschalig mozaïek aan de benedenloop van beken, rijk aan populieren’. De provincie wil het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken. Onder meer door mogelijkheden te bieden voor menging van functies in het buitengebied en verbreding van de landbouw, het versterken en verbinden van Het Groene Woud met andere natuurgebieden, in te zetten op een duurzame waterhuishouding en het versterken van de recreatieve structuur. De ontwikkeling van dorpen, steden en de intensieve landbouw (zoals veehouderij en boomteelt) vindt plaats in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter van de Meierij; zoals poelen, houtwallen, open graslanden, bomenlanen en onverharde wegen. In het noorden van het plangebied ligt Nationaal landschap Het Groene Woud. De afwisseling tussen waardevol natuur- en cultuurlandschap met hoge cultuurhistorische waarden is groot op kleine schaal. De verwevenheid tussen ecologische en landbouwbelangen is vanwege deze afwisseling aanzienlijk. Op basis van overeenkomsten in abiotische kenmerken, ontstaansgeschiedenis, karakteristiek en grondgebruik kan het buitengebied van Best worden onderverdeeld in grofweg drie landschappelijke eenheden: 

72

Broekontginningslandschap in het noorden: Hier ligt het cultuurhistorisch landschap Groene Woud en liggen de Natte Natuurparels (onderdeel NNB) De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken. Het gebied wordt onder andere gekenmerkt door waardevolle kwel- en bosvegetaties (moerassige gronden en blauwgraslanden). Een kenmerkend cultuurhistorisch aspect is de zeer kleinschalige afwisseling van (broek)bosjes, houtsingels, bomenrijen (vooral populieren) en kleine graslandjes. Een aantal van de landschapselementen heeft historische waarde.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Binnen De Mortelen en De Scheeken is een aantal historisch geografische lijnen aanwezig en er is sprake van een aantal historische groenstructuren. De indicatieve archeologische waarde is laag binnen nagenoeg het hele deelgebied. 

Kampenlandschap in het midden: Dit landschapstype bestaat uit kleinschalige akkerlanden, omgeven door houtsingels en houtwallen. Als gevolg van schaalvergroting in de landbouw is deze verkaveling nog maar beperkt aanwezig. De buurtschappen De Vleut en Aarle zijn specifieke landschappelijke eenheden. De indicatieve archeologische waarde is middelhoog tot hoog in een groot deel van dit gebied.

Heidelandschap in het zuiden: Dit landschap is een heideontginnings- en heidebebossingslandschap. De Nieuwe Heide in het zuidoosten van de gemeente Best is van oorsprong een relatief hooggelegen heideterrein op stuifzandruggen. Het landschap is besloten van karakter door de aanwezige naaldhoutbossen. In de bosgebieden ligt een aantal nieuwe open heideterreinen met vennen. Geheel in het westen van de Nieuwe Heide ligt het Langven. De Aarlesche Heide wordt gekenmerkt door landduinen en is (half) open van karakter.

Ruimtelijke ontwikkelingen van met name veehouderijen kan vanwege verstening/bouwmassa van invloed zijn op de landschappelijke patronen/objecten en elementen. Het effect op archeologische waarden is beperkt, omdat gebieden met archeologische verwachtingswaarden zijn voorzien van een dubbelbestemming (Waarde – Archeologie), die het verrichten van onderzoek naar archeologische waarden verplicht stelt. In beide scenario’s is de invloed van de ontwikkelingsruimte voor met name agrarische bedrijven op landschap, cultuurhistorie en archeologie zeer beperkt ten opzichte van de referentiesituatie, omdat ruimtelijke ontwikkelingen, met name wijzigingen van veehouderijbedrijven, alleen mogelijk zijn wanneer voldaan wordt aan een breed scala aan landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen.

6.1.2 Geluid Het plangebied grenst aan de woonkern Best. Binnen het plangebied liggen de buurtschappen Aarle en De Vleut. In de buurtschappen is sprake van gemengde activiteiten; een combinatie van wonen, agrarische bedrijven en lichte bedrijfsactiviteiten. Er zijn binnen het plangebied geen geluidgevoelige gebouwen en terreinen gelegen zoals scholen en zorginstellingen. Lokaal kan ter plaatse van woningen naast agrarische bedrijven sprake zijn van geluidhinder als gevolg van de agrarische bedrijfsvoering. Binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied zijn geen stiltegebieden aangewezen. In de gebieden waar uitbreiding van veehouderijen plaatsvindt wordt de kans op een lokale toename van de geluidbelasting vanwege stationaire bronnen (de ventilatoren die worden toegepast in de intensieve veehouderij) en in mindere mate geluidbelasting door verkeer (zoals vrachtauto’s) op woningen en geluidgevoelige gebouwen en terreinen vergroot. Dit is met name aan de orde bij de intensieve veehouderij (pluimvee, varkens en vleeskalveren).

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

73

P186126.006

Bij de melkveehouderij wordt de kans op een lokale toename aan geluidbelasting door ventilatoren als niet aanwezig verondersteld, omdat deze stallen natuurlijk geventileerd worden. De verkeersgeneratie van melkveehouderijen is daarbij ook zeer beperkt. Een groot deel van het plangebied bestaat uit natuur of is aangewezen als Zone Beperkingen veehouderij. Ook rondom de woonkern Best ligt de zone Beperkingen veehouderij. Hier heeft de intensieve veehouderij geen ontwikkelingsmogelijkheden. In de omgeving van de buurtschappen Aarle en De Vleut kan uitbreiding van intensieve veehouderij wel plaatsvinden en daarmee zorgen van een toename van de geluidsbelasting. Het trendmatig scenario is daarom beoordeeld als licht negatief (0/-) en het worstcase scenario als negatief (-). Directe geluidhinder kan worden beperkt door extra geluid emissiebeperkende maatregelen via de vergunningverlening te eisen (bijvoorbeeld inpandig of tijdsgebonden laden en lossen, geluidschermen, situering van de ventilatoren, vervangen van oude ventilatoren door nieuwe geluidsarme ventilatoren, geluiddempers op ventilatoren of demping van de geluidsemissie door ventilatoren voor de luchtwasser te plaatsen). Indirecte geluidhinder (wegverkeer) kan worden beperkt door de routing van het vrachtverkeer en locatie van inritten in relatie tot nabij gelegen geluidgevoelige functies te sturen.

6.1.3 Verkeer Omdat de verkeersafwikkeling momenteel geen probleem is in het buitengebied, is de verwachting dat de wegenstructuur voldoende capaciteit heeft om een mogelijke toename van (vracht)verkeer veroorzaakt door de mogelijkheid van de uitbreiding van veehouderijen in het trendmatig scenario en worstcase scenario te verwerken.

6.1.4 Bodem en water Binnen het plangebied ligt geen grondwaterbeschermingsgebied, maar wel het waterwingebied ‘Son’ met daaromheen een boringsvrije zone. Uitgangspunt is dat veehouderijen door maatregelen (zoals vloeistofdichte vloeren) in het kader van vergunningen geen emissies naar het grond- en oppervlaktewater veroorzaken. Het effect van het worstcase scenario op de bodem-, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit is daarom neutraal (0) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. (Effecten door boomteelt zijn uitgewerkt in navolgende paragraaf 6.2).

6.1.5 Gezondheid In hoofdstuk 5 van Deel A van het MER is inzichtelijk gemaakt dat voor geur, fijnstof en endotoxinen een verslechtering van de milieukwaliteit niet uit te sluiten is, hetgeen kan leiden tot nadelige gezondheidseffecten. Het is bekend dat juridische normen voor milieukwaliteit niet altijd overeenkomen met gezondheidskundige advieswaarden. In deze paragraaf wordt de gezondheidsimpact op basis van de strengere gezondheidskundige advieswaarden inzichtelijk gemaakt.

74

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Geurhinder en gezondheid De normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de relatie tussen de berekende geurbelasting en de te verwachten hinder aan de hand van de toelichting en handreiking Wgv niet zondermeer overeenkomen met de strengere gezondheidskundige advieswaarden van GGD GHOR Nederland of de verwachte mate van geurhinder op basis van GGD-IRAS onderzoek. Aanvullend op de gegevens en kaarten wordt een overzicht gegeven van op welke locaties en hoeveel personen worden blootgesteld aan situaties boven de gezondheidskundige advieswaarden van GGD GHOR NL om zo de gezondheidsimpact op basis van deze strengere advieswaarden inzichtelijk te maken. In het MER (deel B, paragraaf 4.5 Geur) wordt nader ingegaan op de resultaten van het GGD-IRAS onderzoek, de verschillen in gevonden relaties tussen geurbelasting en de strengere gezondheidskundige advieswaarden van GGD GHOR Nederland. De GGD adviseert een maximale achtergrondbelasting (=cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen) van 5 Ou voor objecten binnen de bebouwde kom en 10 Ou voor objecten buiten de bebouwde kom. In Tabel 12 is het aantal voor geurhinder gevoelige objecten ingedeeld op basis van de achtergrondbelasting op basis van de vergunde situatie. Daarbij zijn klassen gehanteerd die afgeleid zijn van de advieswaarden van GGD GHOR Nederland en refereren aan de klassen uit bovenstaande kaart.

Tabel 12: Aantal objecten met overschrijding van de normen voor achtergrondbelasting geur op basis van de normen van de provincie (rood) en op basis van de advieswaarden van GGD GHOR Nederland (oranje en rood).

Klasse achtergrondbelasting geur 0-5 Ou 5-10 Ou 10-20 Ou Meer dan 20 Ou Totaal

Aantal objecten bebouwde kom 12.830 164 0 0 12.994

Percentage objecten bebouwde kom 99% 1% 0% 0% 100%

Aantal objecten buitengebied 216 192 29 4 441

Percentage objecten buitengebied 49% 44% 7% 1% 100%

Hieruit blijkt dat er in de bebouwde kom en het buitengebied in totaal 193 verblijfsobjecten zijn (ca. 1,5% van alle verblijfsobjecten) waar de berekende cumulatieve geurbelasting uit stallen (vergunde geuremissie) hoger is dan de advieswaarde van GGD GHOR Nederland, maar waarvan de cumulatieve geurbelasting lager is dan de normen zoals deze zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

In Figuur 23 is weergegeven waar de achtergrondbelasting in de huidige vergunde situatie al dan niet voldoet aan de normen van de provincie Noord-Brabant (hinderpercentage uit de Interim Omgevingsverordening vertaald op basis van de hinderrelatie uit de handleiding Wgv) en al dan niet voldoet aan de advieswaarden van GGD GHOR Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755765/1