22046.10 - Bijlage 8.3 - Plan Mer Deel A Hoofdrapport
Tekst van het document
Figuur 4 Samenhang tussen structuurvisie, milieueffectrapportage en bestemmingsplan
In Figuur 5 is het plangebied van de Structuurvisie buitengebied weergegeven. Het stedelijk gebied (de bebouwde kom) en het gebied waar de structuurvisie ‘Groene Mantel met rode knopen’ geldt, maken er dus geen onderdeel vanuit.
Figuur 5 Structuurvisiekaart (bron: Structuurvisie Buitengebied, Best, 2016).
24
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
2.3
Beleidskeuzen voor het Bestemmingsplan Buitengebied Best
2.3.1 Nota van uitgangspunten Binnen het plangebied zijn verschillende bestemmingsplannen van kracht. Binnen het grootste deel van het plangebied is het onherroepelijke bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 het geldende bestemmingsplan (vastgesteld 21 januari 2008 en in 2010 onherroepelijk geworden). Voor een deel van de gronden in het buitengebied gelden nog oudere bestemmingsplannen, onder andere doordat voor enkele onderdelen goedkeuring is onthouden door gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant en doordat enkele onderdelen zijn vernietigd door de Raad van State. Deze oudere bestemmingsplannen zijn tot op heden niet meer geactualiseerd. In het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 worden de geldende bestemmingsplannen (bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 en oudere geldende bestemmingsplannen) in het buitengebied geïntegreerd. Samen met de Structuurvisie buitengebied heeft de gemeente Best straks een geactualiseerd beleids- en toetsingskader om regie te voeren op ontwikkelingen in het buitengebied. Voor het nieuwe bestemmingsplan zijn vooraf een aantal beleidsmatige keuzes gemaakt. In 2017 heeft de gemeenteraad voor het opstellen van het bestemmingsplan de Nota van Uitgangspunten van 18 juli 2017 vastgesteld.
In de Nota van Uitgangspunten heeft de raad ook bepaald dat in het kader van de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied ook de volgende beleidsstukken worden opgesteld: aanpassing van de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling (LIR); beleid voor duurzame energieopwekking in het buitengebied; beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). De basis van deze Nota van uitgangspunten bestaat uit een analyse van het geldende Bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 in relatie tot de Structuurvisie buitengebied en de Verordening ruimte Noord-Brabant (nu: Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant). Deze analyse is opgenomen in een informatief achtergronddocument bij de Nota van uitgangspunten. In de Tabel 1 staan de beleidskeuzes en uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 samengevat. In de daarna volgende sub-paragrafen is een nadere uitwerking van de bestemmingswijzen opgenomen. Tabel 1: Beleidskeuzen Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021
Onderwerp Bescherming van lokale waarden in het buitengebied
Beleidskeuzen voor het nieuwe bestemmingsplan De huidige bescherming zoals geformuleerd in de geldende bestemmingsplanregels, wordt als basis genomen. De provinciale regels worden hierin verwerkt. Daar waar de structuren Natuur Netwerk Brabant en de groenblauwe mantel liggen, moeten de ecologische waarden en kenmerken en het aanwezige watersysteem beschermd worden. Zie verder §2.3.2.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
25
P186126.006
Onderwerp Bestemmingswijze agrarische bedrijven
Beleidskeuzen voor het nieuwe bestemmingsplan Agrarische bedrijven worden gecategoriseerd naar: Agrarisch bedrijf Voormalige agrarisch bedrijf Zie verder §2.3.3.
Plattelandswoningen
Terughoudendheid in het toekennen van de status van plattelandswoning. Deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt om een beperkt aantal knelpunten ten aanzien van strijdig gebruik van een voormalige agrarische bedrijfswoning op te lossen, waar een wijziging naar de bestemming ‘wonen’ niet mogelijk is vanwege de milieugevolgen van het bedrijf waartoe de bedrijfswoning behoort.
Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen
Veehouderijen worden specifiek bestemd naar type veehouderij (diersoort). Omschakelen naar andere diersoorten kan onder voorwaarden via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (niet naar pluimvee, geiten of nertsen). Voor veehouderijen wordt een stikstofemissie- (NH3 en NOx) en stikstofdepositieplafond (stikstofdepositie op Natura2000 gebieden) voor activiteiten opgenomen in de planregels. Zie verder §2.3.3.
Mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB)
Verbrede landbouw en nevenactiviteiten bij agrarische bedrijfsbestemmingen worden rechtstreeks of met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid toegestaan. Op 20 maart 2020 is het VAB-beleid gepubliceerd waarin de randvoorwaarden voor functiewijzigingen en hergebruik worden geformuleerd. Het bestemmingsplan voorziet alleen in generieke bestemmingsregels voor standaard ontwikkelingen en functies binnen een omvang die passend is voor het buitengebied. Hergebruik ten behoeve van een bedrijfsfunctie hoeft echter niet beperkt te blijven tot locaties binnen een bebouwingsconcentratie. Voor VAB-ontwikkelingen die om maatwerk vragen moet een buitenplanse procedure doorlopen worden.
Mogelijkheden voor duurzame energieopwekking
Op 1 december 2020 is de Visie duurzame energieopwekking buitengebied Best gepubliceerd. Uitgangspunt is dat toe te passen duurzame energiebronnen voldoen aan wet- en regelgeving wat betreft algemene milieu- en veiligheidsnormen.
26
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Onderwerp
Beleidskeuzen voor het nieuwe bestemmingsplan Het opwekken van duurzame energie in het buitengebied wordt niet rechtstreeks geregeld en toegestaan in het bestemmingsplan Buitengebied. Nieuwe initiatieven volgen een eigenstandige procedure met de daarbij behorende voorwaarden zoals het voeren van een omgevingsdialoog. Dit zijn buitenplanse ontwikkelingen die toegestaan kunnen worden via een omgevingsvergunning. Deze wordt verleend met een toegestaan gebruik voor een periode van max. 25 jaar.
Wijziging bestemmingsplanregeling woondoeleinden
De bestemmingsregeling woondoeleinden wordt gewijzigd: Iedere woning krijgt apart bestemmingsvlak en fysiek bouwvlak op de verbeelding. Inhoud van de woningen wordt vergroot van 600 m3 naar 750 m3. Via binnenplanse afwijkingsmogelijkheid onder kwaliteitscriteria de inhoud van woningen vergroten tot 1.000 m3. Vergroten boven de 1.000 m3 is maatwerk, dus geen mogelijkheden binnen het bestemmingsplan. Oppervlakte aan bijgebouwen rechtstreeks vergroten van 80 m2 naar 100 m2 per woning. Via binnenplanse afwijkingsmogelijkheid oppervlakte bijgebouwen vergroten tot maximaal 300 m2 onder voorwaarden (investeren in landschappelijke, cultuurhistorische kwaliteit, duurzaamheid e.d.).
Landschapsinvesteringsregeling
Door wijzigingen in het nieuwe bestemmingsplan moet de Landschapsinvesteringsregeling (LIR) worden aangepast.
Handhaving en vergunningverlening op locatieniveau
Aan handhaving moet prioriteit gegeven worden. Bij strijdigheid met het geldend en toekomstig bestemmingsplan worden bewoners/eigenaren aangeschreven en actief de mogelijkheid geboden om tot een passende oplossing te komen.
Strijdigheden en nieuwe initiatieven
Voor strijdigheden tussen feitelijk gebruik en de geldende planologische situatie en voor het meenemen van nieuwe initiatieven in het bestemmingsplan zijn proceslijnen (stappenschema’s) vastgesteld.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
27
P186126.006
2.3.2 Gebiedsbestemmingen In het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Best (2019) is de indeling uit het bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 het uitgangspunt voor het toekennen van de gebiedsbestemmingen en heeft afstemming plaatsgevonden met de gebiedszoneringen zoals opgenomen in de huidige Interim omgevingsverordening. De oorspronkelijke onderverdeling in een agrarische en een groene hoofdstructuur uit de vroegere Streekplannen en een nog verdere onderscheiding in subcategorieën is deels losgelaten. In plaats van de groene hoofdstructuur is in de provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de Interim omgevingsverordening sprake van een onderverdeling in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) en de groenblauwe mantel, naast het gemengd landelijk gebied. Het agrarisch gebied is conform het geldend bestemmingsplan onderverdeeld in drie bestemmingen met verschillende mogelijkheden (zie Tabel 2). Via aanduidingen worden de groenblauwe mantel en het Natuur Netwerk Brabant beschermd. Tabel 2: De (on)mogelijkheden van de agrarische bestemmingen
Bestemming
Agrarisch gebied
Agrarisch gebied met landschapswaarden
Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden
28
(On)mogelijkheden De gronden zijn geschikt voor agrarische bedrijven, maar ook de ontwikkeling van (agrarische) nevenactiviteiten, recreatie en nieuwe economische dragers zoals beschreven in het geldende bestemmingsplan. Aan bestaande agrarische bedrijven kan onder voorwaarden ontwikkelingsruimte worden geboden voor uitbreiding, maar daarnaast worden ook mogelijkheden voor functieverandering geboden. Bestemming is conform de geldende bestemming met uitzondering van de agrarische gronden die in de IOV zijn aangeduid als ‘groenblauwe mantel’. Deze gronden zijn nu bestemd als ‘Agrarisch gebied met landschapswaarden’. De mogelijkheden die de bestemming ‘Agrarisch gebied’ biedt, zijn ook binnen deze gebiedsbestemming in principe mogelijk, maar met een nadere toets aan of beperking vanwege de aanwezige gebiedswaarden. De regels in de IOV zijn hierin bepalend. Gronden die overlappen met de groenblauwe mantel zijn grotendeels binnen deze bestemming gelegen. Gronden die vigerend de bestemming Agrarisch hebben, maar volgens de IOV binnen de groenblauwe mantel liggen, zijn opgenomen binnen de gebiedsbestemming ‘Agrarisch gebied met landschapswaarden’. Door middel van een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden worden de gebiedswaarden beschermd.
De mogelijkheden die de bestemming ‘Agrarisch gebied’ biedt, zijn ook binnen deze gebiedsbestemming in principe mogelijk, maar met een nadere toets aan of beperking vanwege de aanwezige gebiedswaarden. De regels in de IOV zijn hierin bepalend.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Bestemming Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (vervolg)
(On)mogelijkheden Binnen deze bestemming zijn o.a. de agrarische gronden opgenomen die liggen in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Binnen het NNB zijn uitbreidingen van een agrarisch bedrijf niet mogelijk. Door middel van een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden worden de gebiedswaarden beschermd.
Bij de verschillende bestemmingen wordt de landschapsinvesteringsregeling (LIR) in de afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden van toepassing verklaard. Dit betreft een zogenaamde ‘dynamische verwijzing’.
2.3.3 Bestemmingswijze bestaande veehouderijen Voor de begrenzing van de agrarische bestemmingsvlakken is in beginsel uitgegaan van de huidig geldende begrenzing van de bestemmingsvlakken, zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2006 of een hiervoor reeds doorlopen planologische planprocedure. Alle voorzieningen (sleufsilo’s, mestsilo’s, bestrating, mestzakken e.d.) dienen in het bestemmingsvlak te zijn gesitueerd, met uitzondering van de verharde ontsluiting naar de openbare weg. Daar waar legale voorzieningen en/of gebouwen buiten het geldend bestemmingsvlak liggen heeft - waar mogelijk - vormverandering van het bestemmingsvlak plaatsgevonden. Voor bestaande, legale voorzieningen buiten het geldend bestemmingsvlak bij een omvang > 1,5 ha, is een zogeheten differentiatievlak opgenomen met de nadere aanduiding ‘overige zone – voorziening buiten bouwvlak’. Ter plaatse zijn de bestaande voorzieningen toegestaan, maar is oprichten van gebouwen niet mogelijk. De bewerking van ter plaatse geproduceerde mest maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering. Binnen het agrarische bestemmingsvlak is bewerking van mest die is geproduceerd op dezelfde bedrijfslocatie van de veehouderij dan ook rechtstreeks toegestaan. De bewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (of mestbewerking voor derden) wordt in dit bestemmingsplan niet toegestaan.
In de afgelopen jaren hebben veel veranderingen plaatsgevonden bij agrarische bedrijven. Agrarische bedrijven zijn gegroeid, gestopt, verbreed of hebben andere wijzigingen doorgemaakt. Deze wijzigingen zijn niet allemaal planologisch zijn vastgelegd, waardoor er nu de nodige afwijkingen bestaan tussen de feitelijke situatie en de planologische situatie van diverse (voormalige) agrarische bedrijfslocaties in Best. Het is belangrijk dat in dit nieuwe bestemmingsplan de feitelijke situatie met de planologische situatie overeenkomt. Tegelijkertijd is het belangrijk om hierbij in overweging te nemen welk type ontwikkeling op welke locatie wenselijk is. Niet overal is bijvoorbeeld een wijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonfunctie wenselijk.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
29
P186126.006
In dit bestemmingsplan wordt de volgende onderverdeling gehanteerd.
Agrarische bedrijven: Deze bedrijven zijn voorzien van de geldende bestemming 'Agrarisch – agrarisch bedrijf';
Voormalige agrarische bedrijven: dit betreft bedrijfslocaties, die voorheen nog waren bestemd als 'agrarisch bedrijf', maar waar nu geen sprake meer is van bedrijfsmatige agrarische activiteiten. Wanneer herbestemming (nog) niet mogelijk is voor deze locaties is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – vrijkomende agrarische bebouwing' opgenomen. Hiermee wordt ter plaatse gebruik ten behoeve van burgerwoning toegestaan.
Vanwege het verschil in de ontwikkelingsmogelijkheden en mogelijke omgevingseffecten (milieuimpact) van de diverse type agrarische bedrijven heeft de gemeenteraad besloten om veehouderijbedrijven specifiek te bestemmen naar type veehouderijbedrijf (diersoort). Omschakelen naar een andere diersoort wordt niet in alle gevallen mogelijk gemaakt. Omschakeling naar geiten, pluimvee en nertsen is in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Bestaande paardenhouderijen hebben de bestemming ‘Bedrijf – paardenhouderijen’. Ten aanzien van het bestemmingsvlak worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden. Paardenhouderijen kunnen niet omschakelen naar veehouderij. Omschakeling van bestaande veehouderijen naar andere diersoorten alsmede het uitbreiden van een veehouderijbedrijf met dezelfde diersoort is onder voorwaarden in dit bestemmingsplan mogelijk. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarbij wordt steeds naar de meest recente inzichten op het gebied van volksgezondheid gekeken. De voorwaarden waaronder uitbreiding mogelijk is staan in Tabel 3. Tabel 3: Voorwaarden voor uitbreiding bebouwing binnen het bestemmingsvlak
Uitbreiding bebouwing (binnen bestemmingsvlak)
Voorwaarden
Niet-veehouderijbedrijven
Bebouwingsuitbreiding binnen het agrarisch bestemmingsvlak is hier rechtstreeks toegestaan.
Veehouderijbedrijven
Voor uitbreiding van het oppervlak van dierenverblijven binnen het agrarisch bestemmingsvlak geldt dat in het kader van een zorgvuldige veehouderij voldaan dient te worden aan de randvoorwaarden zoals opgenomen in de IOV, waaronder de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) en specifiek voor hokdierbedrijven de ‘stalderingsregeling’. Om te voldoen aan de Wet natuurbescherming wordt in het bestemmingsplan een gebruiksregeling opgenomen waarmee een toename van de stikstofemissie (NH3 en NOx/NO2) en stikstofdepositie (op Natura2000 gebieden) niet is toegestaan.
30
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Uitbreiding bebouwing (binnen bestemmingsvlak)
Voorwaarden Hierdoor zijn geen aparte procedures nodig voor ontwikkelingen die binnen de gebruiksregel passen. Dit kan bijvoorbeeld door de ontwikkeling te combineren met het toepassen van technieken om ammoniakemissies en stikstofdeposities extra te beperken. Voor ontwikkelingen die het zogenaamde stikstofplafond overschrijden, is een aparte procedure nodig waarin de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden worden getoetst. Omdat gezondheid nog niet naar concrete normen te vertalen is, zijn in het bestemmingsplan geen mogelijkheden voor omschakelingen naar diersoorten waarbij gezondheid ter discussie staat opgenomen, te weten: pluimvee, geiten, nertsen. Voor deze omschakelingen is een aparte procedure (buitenplans) nodig waarbij de meest recente inzichten op het gebied van gezondheid kunnen worden betrokken. Omschakelingen naar overige diersoorten waarbij gezondheid niet expliciet een issue is, zijn wel binnen voorwaarden mogelijk binnen dit bestemmingsplan en worden onder andere getoetst op het algemene aspect “goed woon- en leefklimaat”. Tenslotte geldt op basis van rechtstreeks werkende regels van de IOV dat uitbreiding van het oppervlakte dierenverblijven voor een geitenhouderij is uitgesloten.
2.3.4 Bestemmingswijze voor (vrijkomende) agrarische bedrijven In de Nota van Uitgangspunten voor bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’ is opgenomen dat: Verbrede landbouw en nevenactiviteiten bij agrarische bedrijfsbestemmingen, voor zover mogelijk, rechtstreeks of met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid toe te staan. Het college te vragen om een voorstel op te stellen met VAB-beleid waarmee de randvoorwaarden voor functiewijzigingen of hergebruik van agrarisch vastgoed worden gefaciliteerd. Het VAB-beleid gepubliceerd op 20 maart 2020. In de Structuurvisie Buitengebied is de nieuwe koers voor vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied van Best verwoord. Het ontwikkelingsperspectief uit de Structuurvisie Buitengebied is in het VAB-beleid nader uitgewerkt. Het bestemmingsplan voorziet alleen in generieke bestemmingsregels voor standaard ontwikkelingen en functies binnen een omvang die passend is voor het buitengebied. Hergebruik ten behoeve van een bedrijfsfunctie hoeft echter niet beperkt te blijven tot locaties binnen een bebouwingsconcentratie. Voor VAB-ontwikkelingen die om maatwerk vragen moet een buitenplanse procedure doorlopen worden.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
31
P186126.006
Enkele locaties zijn als bestaand gebruik voorzien van de aanduiding ‘vab’ op basis waarvan alleen de gestopte agrariër en/of partner en eventueel inwonende kinderen mogen blijven wonen in de bedrijfswoning. Deze aanduiding dient als ‘pauzeknop’ waarmee wordt sloop uitgesteld tot overgegaan wordt op een verkoop of op het perceel financiële middelen gegenereerd worden met bedrijvigheid. Bij verkoop van de woning of het starten van een niet-agrarisch bedrijf ontstaat er een strijdigheid met het bestemmingsplan. De sloop van overtollige bebouwing (bij een woonbestemming) en/of verplichte kwaliteitsverbetering (bij bedrijvigheid) wordt gekoppeld aan de verplichte bestemmingswijziging. De prognose is dat in Best tot 2030 17% van de agrarische bedrijfsbebouwing (exclusief kassen) de landbouwfunctie verliest. Dit betekent dat van de 182.824 m2 aan stallen en bedrijfsruimten (peil 2012) er 31.286 m2 leeg komt te staan. Verder gaat het om 39% van de agrarische bedrijfswoningen. Dat gaat dan om 7.726 m2 aan vrijkomende bedrijfswoningen. Ter plaatse van het voormalige boerenbedrijf kan worden gewoond, is ruimte voor kleinschalige bedrijven aan huis en kan de bestemming gewijzigd naar andersoortige, op die plek én in de omgeving passende bedrijvigheid. (Bron: Structuurvisie buitengebied gemeente Best).
2.3.5 Bestemmingswijze overige agrarische bedrijven - boomteelt Onder overige agrarische bedrijven vallen akkerbouw, vollegrondsteelt en glastuinbouw. In de gemeente Best zijn de ontwikkelingsmogelijkheden van de boomteelt op open grond van belang voor de beoordeling van de milieugevolgen. Bestemming Agrarisch Ter plaatse van de agrarische bestemming 'Agrarisch – agrarisch bedrijf' mag bij recht een boomteeltbedrijf worden uitgeoefend. Per bouwvlak is maximaal 5.000 m2 teeltondersteunende kassen toegestaan, behalve binnen de groenblauwe mantel (bestaand glastuinbouwbedrijf is hiervan uitgezonderd), binnen de aanduiding overige zone – Natuur Netwerk Brabant en op percelen die geheel of grotendeels worden omgeven door de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden. Bestemming Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden Ter plaatse van agrarische gronden waar tevens natuur- en landschapswaarden aanwezig zijn kunnen boomteeltbedrijven worden voortgezet. Bestaande boomteeltpercelen binnen de Attentiezone waterhuishouding zijn op de verbeelding aangeduid met de aanduiding ’boomteelt’. Boomteelt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van deze aanduiding of na verlening van een omgevingsvergunning op basis van een afwijkingsbevoegdheid.
Voor nieuwe boomteeltpercelen wordt gelet op de hier aanwezige landschaps- en natuurwaarden een nadere afweging op mogelijke negatieve effecten wenselijk geacht. In het bestemmingsregeling is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning boomteelt te laten plaatsvinden op percelen zonder aanduiding boomteelt en een afwijkingsbevoegdheid middels een omgevingsvergunning. Bepaalde bodemingrepen en werkzaamheden moeten vooraf nader worden getoetst aan eventuele effecten op de omgeving. Dit geldt onder meer ook voor ingebruikname van gronden/percelen voor boomteelt.
32
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Uitbreiding van (vollegronds)teeltbedrijven is binnen de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden is mogelijk via een wijzigingsbevoegdheid tot een omvang van 1,5 ha, indien het bestaande bouwvlak reeds 1,5 ha bedraagt, mag deze worden vergroot met max. 15%. In de gebruiksregels is opgenomen dat binnen een afstand van 50 meter (conform de huidig gangbare normen met betrekking tot spuitvrije zones) tot de bestemmingsgrens van gevoelige functies (wonen, bedrijf, maatschappelijk, recreatie en sport) het gebruik van gronden voor boomteelt uitsluitend via een afwijkingsbevoegdheid tot minimaal 5 afstand tot bestemmingsvlakken van gevoelige functies kan worden toegestaan, zodat kan worden getoetst of nieuwe boomteelt niet tot onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat leidt.
2.3.6 Bestemmingswijze niet-agrarische bedrijven en recreatie Bedrijven zonder functionele binding met het buitengebied horen in principe thuis binnen de bebouwde kom of op een bedrijventerrein. De bestaande niet-agrarische bedrijven zijn daarom positief bestemd, maar met de uitbreiding van de bedrijven wordt terughoudend omgegaan. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat voorkomen wordt dat de ruimtelijke impact van de bestaande niet-agrarische bedrijven op het landschap en de leefbaarheid groeit. De bestaande nietagrarische bedrijven zijn daarom positief bestemd en conform de huidige functie vastgelegd, maar met de uitbreiding van de bedrijven wordt terughoudend omgegaan. Eventuele verdere uitbreiding van bebouwing wordt binnen dit bestemmingsplan niet toegestaan. Nieuwe niet-agrarische bedrijven zijn alleen zeer kleinschalig en onder strikte voorwaarden mogelijk. De mogelijkheden voor omschakeling naar andere typen bedrijvigheid zijn beperkt. Omschakeling naar een ander type niet-agrarisch bedrijf kan via een afwijking worden toegestaan onder de voorwaarde dat het bestemmingsvlak en de oppervlakte bedrijfsbebouwing niet wordt vergroot en het nieuw te vestigen type bedrijf niet leidt tot meer milieuhinder voor de omgeving. Het nieuwe bedrijf mag uitsluitend tot milieucategorie 1 of 2 behoren.
Als het bestaande bedrijfsbestemmingsvlak groter is dan 5.000 m2 is de niet-agrarische functieverandering alleen via wijziging mogelijk en geldt hierbij als aanvullende voorwaarde dat het nieuwe bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot 5.000 m2. (Uitzondering: Voor agrarisch verwante bedrijven geldt een maximale omvang van het bestemmingsvlak 1,5 ha). Voor recreatie geldt dat de toegestane bebouwing van bestaande locaties in de bestaande regels is vastgelegd. Verdere uitbreiding van deze bebouwing is conform de bestaande regeling niet toegestaan. Dat geldt ook voor de bestaande sportvoorzieningen. Verder geldt dat de ontwikkelingsruimte voor kleinschalig kamperen en overnachten minimaal is.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
33
P186126.006
3 Ontwikkeling veehouderij 3.1
Omvang en spreiding veehouderij nu en ontwikkeling in het verleden
In juni 2020 waren er binnen de gemeente Best 58 locaties met een vergunning of melding voor het houden van vee en hiervan zijn 41 locaties (71%) aan te merken als een volwaardig agrarisch bedrijf (conform het geldende bestemmingsplan is een bedrijf >35 Nge, ofwel vanaf 0,5 fte, aan te merken als een volwaardig agrarisch bedrijf). De volwaardige agrarische bedrijven zijn vooral gespecialiseerde varkens-, melkrundvee- en pluimveebedrijven en enkele gemengde bedrijven. Bijna 30% van de in 2019 vergunde veehouderijbedrijven had een omvang van minder dan 0,5 fte (volwaardige arbeidskrachten). Dit zijn gemengde bedrijven, paardenhouderijen en schapenhouderijen. Een groot deel van deze bedrijven is inmiddels gestopt met de veehouderijactiviteiten of aan het afbouwen, maar beschikt nog wel over een vergunning. Of de vergunning staat nog geregistreerd in WEB BVB, terwijl planologisch geen sprake meer is van een veehouderij. Binnen het plangebied zijn in het eerste kwartaal van 2021 alle vergunde en tevens planologisch legale veehouderijen aan te merken als volwaardig. Eén veehouderij uitgezonderd, maar deze locatie heeft een gunstige ligging en geschikt voor ontwikkeling tot een volwaardige veehouderij. Binnen de gemeente Best is slechts 1 nertsenhouderij aanwezig en geen enkele geitenhouderij. Tabel 4: Locaties in het plangebied met vergunning of melding voor houden van vee
Type veehouderij (diersoort) Melk- en overig rundvee Varkens Gemengd Pluimvee Paarden Vleeskalveren Schapen Nertsen Totaal 1)
Aantal locaties 1 15 14 8 7 6 3 2 1 56
Aandeel van alle locaties 27% 25% 14% 12,5% 11% 5% 3,5% 2% 100%
Aantal locaties 1 >35 Nge 10 14 4 7 2 3 0 1 41
Aandeel van locaties >35 Nge 24% 34% 10% 17% 5% 7% 0% 2% 100%
Inbegrepen enkele veehouderijen die al herbestemd en/of beëindigd zijn, maar waarvoor nog een vergunning of melding geregistreerd staat in WEB BVB maart 2020.
De veehouderijen bevinden zich voornamelijk in het westelijke deel van het plangebied rondom buurtschappen Aarle en Driehoek (overwegend melkvee en pluimvee) en in het noorden en noordoosten van het plangebied rondom buurtschap De Vleut (hier bevindt zich het grootste deel van de varkens en vleeskalveren). Er is geen sprake van een sterke concentratie aan veehouderijen op één plek. Ten noorden van De Vleut is een kleine cluster van varkensbedrijven aanwezig.
34
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
De paardenhouderijen en de gemengde bedrijven liggen verspreid over het plangebied. De nertsenhouderij ligt ten zuidwesten van Best, op relatief korte afstand van de bebouwde kom van Best. Het plangebied is voor een groot deel aangewezen als zone beperkingen veehouderij. In deze zone liggen binnen het plangebied 14 locaties met een vergunning of melding voor het houden van vee, waarvan de helft niet-grondgebonden veehouderijen. Voor niet- grondgebonden veehouderijen is uitbreiding niet toegestaan. Voor alle veehouderijen in deze zone geldt tevens dat de bestaande bebouwing niet mag toenemen. In Figuur 6 is de spreiding van de veehouderijlocaties in het plangebied van Best weergegeven. Hierbij zijn de locaties met een vergunning/melding, maar waar bedrijfsmatig houden van vee planologisch niet is togestaan, weggelaten.
Figuur 6 Vergunde, planologisch legale veehouderijen in Best naar type en omvang. Zie ook deel C, bijlage C-4 (Bron: Web BVB Brabant, maart 2020)
In Figuur 7 zijn de voormalige veehouderijbedrijven weergegeven. In het buitengebied liggen deze locaties vooral in de bebouwingslinten van de buurtschappen. Veel van deze locaties zijn nu woonboerderijen.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
35
P186126.006
Figuur 7 Ligging voormalige veehouderijbedrijven (bron: Kaartbank Brabant, maart 2020)
3.2
Waarmee worden effecten vergeleken?
Voor het MER is het van belang om te bepalen wat de huidige situatie is in het plangebied en welke autonome ontwikkelingen voorzien zijn. Deze informatie dient om referenties te bepalen voor de in het MER te beschrijven effecten bij de planologische effectuering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij. De huidige situatie is in het MER beschreven aan de hand van de gegevens uit vergunningen en meldingen van veehouderijbedrijven, in combinatie met de verbeelding en planregels uit het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Best 2021. Dit geeft de vergunde situatie weer. De vergunde dieraantallen kunnen afwijken van de werkelijk gehouden dieraantallen. Voor een Voortoets in het kader van de Natuurbeschermingswet dient als referentie uitgegaan te worden van de werkelijk gehouden dieraantallen. Dit is de huidige situatie vergund, gecorrigeerd voor veebezetting. Hierbij is uitgegaan van een gemiddeld verschil tussen vergund en werkelijk van 20%: een gemiddeld bezettingspercentage van 80%. Afgeleid uit een vergelijking van gegevens van het CBS (opgegeven bezetting) en de vergunde en gemelde dierplaatsen, rekening houdend met functionele leegstand die in de standaard emissiefactoren is verdisconteerd. Voor het MER is daarnaast de autonome ontwikkeling van belang, de ontwikkelingen die te voorzien zijn en waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden.
De belangrijkste hiervan is dat alle bedrijven moeten voldoen aan het landelijke Besluit emissiearme huisvesting. Dit stelt eisen aan de maximale emissies van ammoniak en fijnstof die veehouderijbedrijven mogen uitstoten, nu, en op termijn. Dit wordt meegenomen in een derde referentie, welke relevant is voor het MER.
36
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
De volgende referentiesituaties zijn in het MER onderzocht: 4) Huidige situatie vergund. 5) Huidige situatie vergund, met CBS-correctie voor veebezetting. Dit is de referentie voor de Voortoets in het kader van de Wet Natuurbescherming. 6) Huidige situatie vergund, met CBS-correctie voor veebezetting en alle bedrijven voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting én IOV*. Dit is de referentie voor het MER. *In het MER deel B wordt nader ingegaan op de eisen die de provincie Noord-Brabant stelt m.b.t. de emissie van ammoniak uit stallen van veehouderijen, zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant).
3.3
Onderzochte scenario’s
Voor het MER is het van belang de mogelijke milieueffecten van benutting van de in het bestemmingsplan geboden planologische ruimte in beeld te brengen. Omdat niet bekend is hoe de ontwikkeling er exact uit gaat zien (welke bedrijven gaan groeien en welke gaan stoppen en in welke mate) is er gewerkt met ontwikkelscenario’s. Uit beschikbare gegevens en een trendanalyse blijkt binnen de planhorizon 2030, de trend naar minder, maar grotere veebedrijven zal doorzetten. Bij deze ontwikkeling nemen de groeiende veehouderijen grond, productierechten, ammoniakrechten en in geval van hokdieren mogelijk ook stalderingsmeters over van stoppende bedrijven. Echter gezien de beperkte hoeveelheid veehouderijen in Best waarvan een aanzienlijk deel als blijver en groeier aangemerkt wordt en er enkele grote ondernemers zijn met meerdere een iv-locaties in eigendom, is het waarschijnlijker dat de groeiers de benodigde grond en productierechten van stoppers buiten de gemeente Best zullen overnemen. Er zijn twee scenario’s onderzocht, één scenario dat uitgaat van een “trendmatige ontwikkeling”, welke aansluit bij trendmatige ontwikkeling van de afgelopen jaren. De trendmatige ontwikkeling in Best is geïllustreerd in Figuur 8. Hierin staat voor de periode 2000-2019 het aantal dieren en aantal bedrijven (rundvee, varkens en kippen) in Best volgens CBS-gegevens (landbouwtellingen).
Bij de ontwikkeling van het aantal bedrijven in Best geldt wel dat enkele bedrijven bestaan uit meerdere locaties van enkele grote ondernemers, waardoor het aantal bedrijven kleiner is dan het aantal locaties. In Figuur 9 staat de ontwikkeling tussen 2000 en 2020 van de vergunde veestapel (melkrundvee en overig rundvee, varkens en pluimvee) in Best en in het stalderingsgebied waarin Best valt, op basis van BVB-gegevens in 2000, 2010 en 2020 vertaald naar economische eenheden (nge’s).
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
37
P186126.006
Figuur 8: Ontwikkeling veehouderij in Best 2000-2019 (Bron: CBS, 2020).
Figuur 9: Ontwikkeling vergunde veestapel (in Nge) in Best en stalderingsgebied van Best 2000-2020 (bron: BVB-gegevens)
38
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Uit de BVB-gegevens volgt een afname van de vergunde omvang van de veestapel in Best. De toename van het aantal vleeskalveren in Best is terug te leiden tot slechts drie locaties waar afgelopen jaren is uitgebreid in vleesklaveren waarbij andere diercategorieën (oa. melkrundvee en pluimvee) zijn beëindigd. De omvang van de vleeskalverhouderij in Best kan mede gezien de marktsituatie nu worden beschouwd als stabiel. Tabel 5: Ontwikkeling aantal vergunde dierplaatsen (in Nge) in Best (Bron: BVB-gegevens)
Type veehouderij Melk- en overig rundvee Vleeskalveren Varkens Kippen
Toe- of afname aantal vergunde dierplaatsen in Best (o.b.v. Nge’s) 2020 t.o.v. 2010 2020 t.o.v. 2000 - 28% -26% + 62% +142% +7% -13% -5% -12%
Binnen de gemeente Best geven de landbouwtellingen afwijkende cijfers, waardoor deze niet betrouwbaar genoeg zijn om te gebruiken voor de correctie van de veestapel. Het aantal veehouderij is Best is beperkt, met name in de intensieve veehouderij zijn meerdere locaties eigendom van dezelfde grote ondernemer. Zo geven CBS-cijfers voor de varkenshouderij in Best bijvoorbeeld aan dat het werkelijke aantal varkens groter is dan vergunde varkens. Omdat hiervoor een duidelijke verklaring ontbreekt is gekozen de afwijking tussen vergunde dieraantallen en werkelijke dieraantallen te baseren op provinciale CBS-cijfers (2019). Dit geeft een realistischer beeld. Bij het gebruiken van de provinciale CBS-cijfers zijn de diercategorieën die niet in de gemeente Best aanwezig zijn buiten beschouwing gelaten. Uit de provinciale CBS-cijfers (2019) volgt de trend dat bij een gelijkblijvende of groeiende veestapel het aantal bedrijven gestaag afneemt. Minder bedrijven, maar de bedrijven worden groter (trend van schaalvergroting). Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de landelijke trend. In deel B wordt nader ingegaan op de trendmatige ontwikkeling.
De omvang en spreiding van de intensieve veehouderij wordt vooral provinciaal en regionaal gestuurd (door provincie en gemeente) via de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, bestemmingsplan, de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet Natuurbescherming. Voor varkensbedrijven kunnen vooral normen op het gebied van geur en ammoniak sturen in de ontwikkelingsmogelijkheden. Voor pluimveebedrijven kunnen vooral normen op het gebied van luchtkwaliteit (fijn stof, endotoxine) sturen in de ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is de Wet natuurbescherming van belang. Hierbij gaat het om sturing op de effecten van de veehouderij (bebouwingsmogelijkheden, ruimtelijke inpassing, geurbelasting, concentratie fijn stof, ammoniakemissie en stikstofdepositie) en niet om een directe sturing op dieraantallen. De omvang, spreiding en uitvoering van melkveebedrijven wordt in mindere mate gestuurd door provincie en gemeenten. Voor deze bedrijven zijn vooral de Wet natuurbescherming, de provinciale staleisen in de Interim Omgevingsverordening en de ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen) van belang. Ook hierbij gaat het om een sturing op effecten (bebouwingsmogelijkheden, ruimtelijke inpassing) en niet om een directe sturing op dieraantallen.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
39
P186126.006
Naast het trendmatige scenario is een “worst case” scenario gemodelleerd en op effecten doorgerekend. Dit scenario gaat uit van maximale benutting van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Zo kan een beeld verkregen worden van het verwachte effect van de ontwikkeling van de veehouderij, binnen de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Met toepassing van het worst case scenario wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting de maximale effecten/mogelijkheden van het bestemmingsplan in beeld te brengen.
Scenario Trendmatige ontwikkeling (2020-2030): groei van bestaande, grotere bedrijven, krimp/stoppen van bestaande, kleinere bedrijven; trendmatige groei economische omvang veehouderij; binnen de grenzen van planologische mogelijkheden bestemmingsplan; binnen de grenzen van de milieuruimte ten aanzien van geurhinder (voorgrondnormen). Scenario Worst case ontwikkeling: maximale groei van bestaande bedrijven; omschakeling van veehouderijbedrijven naar een ander type (intensieve) veehouderij, indien dat toegestaan wordt; binnen grenzen van planologische mogelijkheden bestemmingsplan.
Door bij de effectbepaling in het MER uit te gaan van een trendmatig groeiscenario (daling van het aantal locaties met vee, een toename van de gemiddelde omvang per locatie) en een maximaal scenario (worst-case: welke groei in theorie mogelijk binnen de planologische mogelijkheden) is geprobeerd aan te sluiten bij de groeitrend van de afgelopen jaren en onzekerheden in de autonome toekomstige ontwikkeling. De focus van het MER licht, via het in beeld brengen van de worst-case situatie, op het in beeld brengen van mogelijke effecten indien gebruik wordt gemaakt van de planologische mogelijkheden en de beschikbare milieuruimte. Indien er vanwege economische ontwikkelingen sprake is van een krimp van de veestapel, zullen de voorspelde effecten op basis van het trendmatig groeiscenario en zeker het worst-case scenario niet of in mindere mate, optreden.
40
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
4 Ontwikkeling overige bedrijven 4.1
Niet-agrarische bedrijven en recreatie
De bestaande niet-agrarische bedrijven zijn positief bestemd en conform de huidige functie vastgelegd, maar uitbreiding van bebouwing wordt binnen dit bestemmingsplan niet toegestaan. Nieuwe niet-agrarische bedrijven zijn alleen zeer kleinschalig en onder strikte voorwaarden mogelijk. Ook de mogelijkheden voor omschakeling naar andere typen bedrijvigheid zijn beperkt. Omschakeling naar een ander type niet-agrarisch bedrijf kan via een afwijking omgevingsvergunning worden toegestaan onder de voorwaarde dat het bestemmingsvlak en de oppervlakte bedrijfsbebouwing niet wordt vergroot en het nieuw te vestigen type bedrijf niet leidt tot meer milieuhinder voor de omgeving. Het nieuwe bedrijf mag uitsluitend tot milieucategorie 1 of 2 behoren. Als het bestaande bedrijfsbestemmingsvlak groter is dan 5.000 m2 is de niet-agrarische functieverandering alleen via wijziging mogelijk en geldt hierbij als aanvullende voorwaarde dat het nieuwe bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot 5.000 m2. (Uitzondering: Voor agrarisch verwante bedrijven geldt een maximale omvang van het bestemmingsvlak 1,5 ha). Voor recreatie geldt ook dat de toegestane bebouwing van bestaande locaties in de bestaande regels is vastgelegd. Verdere uitbreiding van deze bebouwing is conform de bestaande regeling niet toegestaan. Dat geldt ook voor de bestaande sportvoorzieningen.
Verder geldt dat de ontwikkelingsruimte voor kleinschalig kamperen en overnachten minimaal is. Door de bestemmingsplanregeling zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van het bestemmingsplan verwaarloosbaar en worden de effecten van niet-agrarische bedrijven en recreatie niet nader onderzocht in dit MER.
4.2
Overige agrarische bedrijven (niet-veehouderijbedrijven)
In 2019 waren in Best de volgende overige agrarische bedrijven aanwezig (bron: CBS 2020): 26 akkerbouwbedrijven 16 tuinbouwbedrijven, open grond: o 9 boomkwekerijen (incl. vaste planten) o 7 tuinbouwbedrijven (groenten) 3 glastuinbouwbedrijven (boomkwekerij en/of vaste planten onder glas), waarvan 1 glastuinbouwbedrijf binnen het plangebied. Het aantal akkerbouwbedrijven en het oppervlakte akkerbouw is in de periode 2000-2014 afgenomen en in de periode 2015-2019 weer toegenomen. Deze ontwikkeling is samengegaan met schaalvergroting. Ten opzichte van 2000 zijn er in 2019 minder akkerbouwbedrijven (-26%), maar is het oppervlakte akkerbouw vergroot (+33%). Het aantal tuinbouwbedrijven, met name boomkwekerijen (incl. vaste planten), is toegenomen in de periode 2000-2006 en daarna weer afgenomen en is in 2019 terug op hetzelfde niveau als in 2000.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
41
P186126.006
Het oppervlakte boomkwekerijen is toegenomen in de periode 2000-2010, maar daarna weer afgenomen en stabiel gebleven in de periode 2010-2019. Ten opzichte van 2000 is in 2019 sprake van een afname van het oppervlakte tuinbouw open grond (-20%). Alle groententeelt bedrijven zijn beëindigd en de tuinbouw op open grond betreft alleen nog boomteeltbedrijven (-39%). Het aantal glastuinbouwbedrijven is afgenomen in de periode 2000-2012 van 8 naar slechts 2 bedrijven en in 2019 is hier een derde bedrijf bijgekomen (alle drie boomkwekerijgewassen en/of vaste planten onder glas). Het oppervlakte glastuinbouw is verkleind in de periode 2000-2018 (-46%), maar is in 2019 meer dan verdubbeld door de komst van een derde bedrijf. Ten opzichte van 2000 is in 2019 sprake van een toename van het oppervlakte boomkwekerijgewassen en/of vaste planten onder glas (+30%). Het aantal bedrijven met grasland en voedergewassen is gehalveerd in de periode 2000-2019, maar het oppervlak grasland en voedergewassen is slecht een kwart gedaald (-25%). Deze trend ligt in de lijn van de ontwikkeling van de melkveebedrijven. De algehele trendmatige ontwikkeling laat zien dat ook bij de overige agrarische bedrijven sprake is van schaalvergroting en dat het teeltoppervlak per bedrijf toe neemt.
De boomteelt op open grond vormt hierop een uitzondering, aangezien in de gemeente Best zowel het aantal bedrijven als het teeltoppervlak de laatste jaren licht is afgenomen. Het gemiddeld oppervlak per bedrijf ligt in Best in 2019 iets onder het landelijk gemiddelde.
Figuur 9: Ontwikkeling overige agrarische bedrijven in Best 2000-2019 (Bron: CBS, 2020).
42
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Figuur 10: Ontwikkeling boomteelt open grond, Nederland (Bron: CBS-landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research, Agrimatie)
Figuur 11: Bestaande boomteelt en vaste planten in Best
Bestaande boomteeltpercelen zijn op de verbeelding aangeduid met de aanduiding ’boomteelt’. Voor nieuwe percelen wordt gelet op landschaps- en natuurwaarden een nadere afweging op mogelijke negatieve effecten wenselijk geacht. Bij gebruik van gronden voor boomteelt ziet het afwegingskader toe op het voorkomen van aantasting van landschappelijk waardevolle openheid en/of negatieve gevolgen voor de waterhuishouding.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
43
P186126.006
5 Milieueffecten ammoniak, geur en fijn stof 5.1
Inleiding
Om te bekijken of er wel mogelijkheid is voor bedrijfsontwikkeling binnen de geboden planologische mogelijkheden, is de milieugebruiksruimte bepaald. In dit hoofdstuk is ingegaan op een analyse van de milieugebruiksruimte voor de veehouderij in Best voor de meest bepalende thema’s: stikstof, geur, fijn stof en endotoxinen. Ook is ingegaan op de effecten van de onderzochte alternatieven (twee scenario’s van ontwikkeling binnen de geboden planologische mogelijkheden).
5.2
Stikstof en Natura2000 gebieden
5.2.1 Kaders stikstof en Natura2000 Voor stikstofeffecten op gevoelige natuurgebieden is de Wet natuurbescherming en de Wet ammoniak en veehouderij bepalend. De mogelijkheden voor ontwikkeling van veehouderijen in de gemeente Best worden in belangrijke mate bepaald door de eisen en randvoorden die voortvloeien uit de Wet natuurbescherming en het landelijke en provinciale stikstofbeleid.
Om de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden te verminderen worden generieke maatregelen gericht op NOx en NH3 en gebiedsgerichte maatregelen gericht op NH3 genomen. Emissiereductie per eenheid ammoniak levert meer ‘stikstofwinst’ op dan emissiereductie per eenheid NOx , omdat ammoniak gemiddeld genomen dichter bij de bron neerslaat. Natura 2000 is de verzamelnaam voor het netwerk van Europese natuurgebieden. Natura 2000gebieden vallen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en zijn in nationale wetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming 2017. De Europese Unie heeft zich als doel gesteld om bedreigde soorten en habitats te beschermen. Aan de hand van een lijst met meest kwetsbare soorten zijn opgaven opgelegd aan de landen binnen de Europese Unie. De landelijke opgave is inmiddels vertaald naar gebieden in de vorm van zogenaamde aanwijzingsbesluiten.
44
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan buitengebied dient de gemeenteraad rekening te houden met de gevolgen die het plan kan hebben voor de Natura2000-gebieden. Een besluit mag alleen genomen indien de raad zich op grond van de Voortoets / Passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Zekerheid bestaat wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel is over de afwezigheid van schadelijke gevolgen. Als schadelijke gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan het plan worden vastgesteld c.q. de vergunning alsnog worden verleend aan de hand van de ‘ADC- criteria’. De criteria geven aan dat bij mogelijke significante negatieve gevolgen alleen vergunning verleend kan worden wanneer aan alle volgende criteria wordt voldaan: A) het ontbreken van alternatieve oplossingen; D) dwingende redenen van groot openbaar belang; C) met het voorschrift verbonden aan de vergunning dat de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft.
5.2.2
Natura 2000 gebieden
Binnen de gemeente Best zijn geen Natura2000 gebieden aanwezig. Het Natura2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen ligt op ongeveer 5 km afstand. Overige Natura2000 gebieden liggen op 10 km en meer. Zie Figuur 12. Op deze afstand kunnen alleen effecten door stikstofdepositie plaatsvinden en zijn overige effecten uitgesloten en hoeven dan ook niet nader onderzocht te worden (geen Passende beoordeling voor ‘overige effecten’ nodig).
Figuur 12: Natura 2000 gebieden in de omgeving van Best (met 5 km en 10 km contouren).
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
45
P186126.006
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstofdepositie. Dit is schadelijk voor de natuur. Herstelmaatregelen moeten er voor zorgen dat de instandhoudingsdoelen voor de Natura 2000-gebieden worden gerealiseerd. Een toename van stikstofdepositie is niet toegestaan op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000 gebieden als het niet zeker is dat de toename in stikstofdepositie geen nadelige gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Dit belemmert de vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom hebben het Rijk en de provincies het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ontwikkeld. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden en op 29 mei 2019 onverbindend verklaard door de Raad van State 1. De stikstofuitspraak legde bouwprojecten en het verlenen van vergunningen stil. Het kabinet kwam daarop in november 2019 met korte termijn maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen. Zodat de vergunningverlening weer op gang kon komen. Het is een meertrapsraket: enkele maatregelen zijn ingevoerd, zoals het verlagen van de maximumsnelheid op snelwegen. Een aantal maatregelen is verder uitgewerkt, zoals de subsidieregeling voor stalaanpassingen. En er komt een aantal nieuwe maatregelen bij.
Bij minstens de helft van de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden, moet de stikstofdepositie in 2030 onder de kritische depositiewaarden (KDW) liggen. In 2018 heeft circa 78% van de stikstofgevoelige natuurgebieden een te hoge stikstofdepositie, uitgaande van de KWD-norm (bron: Rijksoverheid). De benodigde uitstootdaling komt voor de helft van maatregelen die het kabinet al heeft genomen. Circa 10% neemt het Klimaatakkoord voor zijn rekening. Aanvullende maatregelen moeten zorgen voor de andere 40%. Naast de maatregelen voor het verminderen van stikstofuitstoot aan de bron, zet het kabinet ook in op natuurbehoud en –herstel. (bron: RIVM)
5.2.3 Milieugebruiksruimte stikstof (ammoniak) De milieugebruiksruimte ten aanzien van ammoniak is de uitbreidingsruimte die veehouderijen hebben zonder dat er sprake is van een significante toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. In Figuur 13 is de milieugebruiksruimte op een aantal willekeurige locaties binnen het plangebied Best weergegeven, uitgedrukt in een toename van de ammoniakemissie tot het bereiken van de depositiedrempel < 0,005 mol N/ha/jaar (= geen significante toename van de stikstofdepositie). Het Natura2000 gebied Kampina &Oisterwijkse Vennen ligt op ca. 5 km afstand en is bepalend voor de milieugebruiksruimte binnen het plangebied. Deze is aanzienlijk kleiner aan de westzijde van het plangebied dan aan de oostzijde.
1 ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604, Raad van State, 29 mei 2019
46
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Figuur 13: Indicatieve emissieruimte bij grenswaarde van 0,005 mol/ha/jaar, uitgedrukt in NH3 emissie in kg/jaar (Zie ook deel C, bijlage C-5).
Provinciale eisen m.b.t. de emissie van ammoniak uit stallen Op provinciaal niveau en specifiek voor de veehouderijen heeft de provincie Noord-Brabant een verordening Stikstof en Natura 2000 vastgesteld, sinds 2017 opgegaan in de Verordening natuurbescherming en sinds 2019 opgenomen in de Interim omgevingsverordening. De verordening stelt (extra) technische eisen aan stallen die qua emissiereductie verder gaan dan de vereisten uit Besluit emissiearme huisvesting. Nieuwe stallen worden getoetst aan de streefwaarden die in de bijlagen bij de verordening zijn genoemd en de toepassing van stallen/technieken met een ammoniakemissie per dier die ligt onder die streefwaarden. In juli 2017 is de verordening aangescherpt, omdat met name de beoogde reductie van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden niet of niet snel genoeg gerealiseerd zou worden. De provincie had besloten de datum waarop verouderde stallen moeten voldoen aan de emissie reducerende eisen naar voren te halen en te stellen op 1 januari 2022. In het Bestuursakkoord 2020-2023 heeft het nieuwe provinciebestuur vervolgens besloten deze datum op te schuiven naar 1 januari 2024 en niet meer te kijken naar emissie op stalniveau, maar op bedrijfsniveau (intern salderen). De Interim Omgevingsverordening is in 2020 hierop aangepast.
Door deze beleidswijziging zullen naar verwachting minder veehouders gaan stoppen en zal de piek van het aantal stoppende veehouderijen verschuiven naar eind 2023. Door het mogelijk maken van gemiddeld op bedrijfsniveau voldoen zullen er tot 2024 meer bedrijven besluiten door te gaan. Een deel van de verouderde, traditionele stallen zal blijven bestaan en hoeven niet aangepast te worden. Dit speelt zich vooral af bij de melkveehouderij. De pluimvee- en varkenshouderij hebben reeds een grote structuurverandering ondergaan. De melkveehouderij staat nog aan het begin van dit proces. De toekomstperspectieven op de kalfsvleesmarkt zijn onzeker, waardoor naar verwachting komende jaren veel Brabantse kalverenhouders zullen stoppen in plaats van investeren. De ingezette afname van het aantal veehouderijen in Brabant zal doorzetten, maar veehouders zullen veelal afwachten en de beslissing om te stoppen of te investeren zo ver mogelijk vooruit schuiven. Voor varkensbedrijven zijn brongerichte emissiearme stalsystemen en luchtwassers beschikbaar en toepasbaar waarmee de emissiereductie gerealiseerd kan worden. Varkensbedrijven kunnen hiermee uitbreiden in dierplaatsen zonder dat er sprake hoeft te zijn van een toename van de ammoniakemissie.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
47
P186126.006
Voor pluimveebedrijven zijn nog knelpunten aanwezig met betrekking tot de toepasbaarheid en werking van luchtwassers. Voor melkveebedrijven zijn de emissie reducerende technieken slechts beperkt beschikbaar, waardoor er minder mogelijkheden zijn om via de inzet van technieken het aantal dierplaatsen uit te breiden zonder een toename van de ammoniakemissie. Er zijn op dit moment veel ontwikkelingen gaande ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe, emissie reducerende stalsystemen. Er is nog geen zekerheid dat de in ontwikkeling zijnde systemen voldoen aan de door de provincie gestelde eisen én voor 2024 beschikbaar zijn voor bedrijven. Daarom zal op 1 januari 2024 in een evaluatie van de verordening bekeken worden of voor bepaalde diercategorieën meer tijd nodig is en mogelijk de datum van aanpassen van verouderde stallen opnieuw uitgesteld worden. Daarnaast wordt nog onderzocht of ook andere maatregelen (bijvoorbeeld aanvullende voer- en managementmaatregelen) ingezet kunnen worden om aan de eisen te voldoen.
Om mogelijke effecten te duiden is in Tabel 6 voor een aantal diersoorten weergegeven wat 100 kg ammoniakemissieruimte in dieraantallen betekent. In deze tabel is dit weergegeven op basis van: de emissie bij toepassing van traditionele stalsystemen; de emissie indien voldaan wordt aan de landelijke emissie eisen voor bestaande stallen (Besluit emissiearme huisvesting, kolom a); de emissie indien voldaan wordt aan de eisen voor nieuwe stallen uit de provinciale omgevingsverordening; de emissie indien uitgegaan wordt van de laagst mogelijke emissie (op basis van in de Regeling Ammoniak en Veehouderij vermelde systemen). Tabel 6: Aantal dieren die samen een emissie van 100 kg NH3/jaar veroorzaken bij verschillende emissie-eisen (bronnen: Besluit emissiearme huisvesting, provinciale omgevingsverordening, Rav) Aantal dieren per 100 kg emissie, per type stal Diercategorie
Traditionele stallen
Melk- en kalfkoeien Vleesvarkens Fokzeugen Gespeende biggen Leghennen (niet-batterij) Vleeskuikens Vleeskalveren Paarden
8 33 12 - 24 145 317 1.250 29 20
Landelijke eisen Beh bestaande stallen 8 63 35 - 38 476 800 2.222 29 20
Provinciale eisen voor nieuwe stallen 14 222 77 - 159 1.000 3.125 5.556 56 20
Minimale emissies vergunbaar (Rav) 20 667 238 - 476 3.333 4.000 25.000 556 20
De uitbreidingsruimte binnen het plangebied is met circa 19 tot 50 kg NH3 zeer beperkt, omdat de stikstofdepositie niet significant mag toenemen op de Natura2000 gebieden (<0,005 mol N/ha/jaar). Dit betekent bij toepassing van een stalsysteem met de laagst mogelijk emissie (ongeacht of dit een stalsysteem of techniek betreft die in de praktijk daadwerkelijk wordt toegepast) een maximale uitbreidingsruimte voor bijvoorbeeld 4 tot 10 melkkoeien, 106 tot 278 vleeskalveren of 126 tot 333 vleesvarkens.
48
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A
P186126.006
Geconcludeerd kan worden dat een uitbreiding niet of zeer beperkt gepaard kan gaan met een uitbreiding in ammoniakemissie. Voor een aantal bedrijven zal het mogelijk zijn een uitbreiding te realiseren binnen het huidige emissieplafond, door inzet van emissiearme (of emissiearmere) stallen voor de bestaande veestapel (intern salderen). Op bedrijven met verouderde stallen zijn daarvoor nog mogelijkheden. Maar zal dat gepaard gaan met investeringen in emissiearme stalsystemen die mogelijk al eerder moeten worden gedaan dan op basis van bestaande regelgeving. Veehouders kunnen alleen uitbreiden in ammoniakemissie door middel van interne of externe saldering. Ook bij extern salderen zal per saldo de stikstofdepositie op de Natura2000 gebieden niet toenemen en ontstaan geen significant nadelige effecten op Natura2000 gebieden. Bij toepassing van externe saldering gelden strenge regels, waaronder 30% afroming en wegvallen van latente ruimte. Dit betekent dat externe saldering altijd zal resulteren in verlaging van de stikstofdepositie.
5.2.4 Milieugebruiksruimte stikstof (stikstofoxiden) De milieugebruiksruimte ten aanzien van stikstofoxiden (NOx) is de uitbreidingsruimte voor met name voertuigen, mobiele werktuigen en stookinstallaties (NOx komt vrij bij verbrandingsprocessen van fossiele brandstoffen), zonder dat er sprake is van een significante toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. In Figuur 14 is de milieugebruiksruimte op een aantal willekeurige locaties binnen het plangebied Best weergegeven, uitgedrukt in een toename van de ammoniakemissie tot het bereiken van de depositiedrempel < 0,005 mol N/ha/jaar (= geen significante toename van de stikstofdepositie). Het Natura2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen is voor het grootste deel van het plangebied bepalend voor de milieugebruiksruimte. Deze is aanzienlijk kleiner aan de westzijde van het plangebied dan aan de oostzijde. Aan de zuidzijde van het plangebied is het Natura2000 gebied Kempenland-West bepalend voor de milieugebruiksruimte.
Figuur 14: Indicatieve emissieruimte bij grenswaarde van 0,005 mol/ha/jaar, uitgedrukt in NOx emissie in kg/jaar (Zie ook deel C, bijlage C-5).
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A
49
P186126.006
De uitbreidingsruimte binnen het plangebied is met circa 179 tot 625 kg NOx voldoende voor NOxemissies van (tijdelijke) bouw- en aanlegactiviteiten en een toename van verkeergeneratie voor wonen en de toegestane bedrijfsfunctie binnen het plangebied. Nieuwe bebouwing (woningen en bedrijfsgebouwen) moeten gasloos worden uitgevoerd (geen stookinstallaties) en zullen geen toename in NOx-emissie geven. Voor (middel)grote stookinstallaties in kassen is de uitbreidingsruimte wel beperkt, omdat de stikstofdepositie niet significant mag toenemen op de Natura2000 gebieden (<0,005 mol N/ha/jaar). Binnen het plangebied zijn slechts drie locatie met de aanduiding glastuinbouw opgenomen en het bestemmingsplan staat conform de provinciale regels geen oprichting of omschakeling naar glastuinbouw toe. Uitbreiden in teeltondersteunende kassen is slechts zeer beperkt mogelijk binnen uitsluitend de bestemming Agrarisch (tot maximaal 5.000 m2) en niet alle kassen worden voorzien van een stookinstallatie. Een toename van NOx-emissie ten gevolge van stookinstallaties in kassen is binnen de mogelijkheden van het bestemminsplan dan ook zeer beperkt. Uitbreiding in NOx-emissie boven de milieugebruiksruimte kan alleen door middel van externe saldering met ammoniak van veehouderijen.
Ook bij extern salderen zal per saldo de stikstofdepositie op de Natura2000 gebieden niet toenemen en ontstaan geen significant nadelige effecten op Natura2000 gebieden. Bij toepassing van externe saldering gelden strenge regels, waaronder 30% afroming en wegvallen van latente ruimte. Dit betekent dat externe saldering altijd zal resulteren in verlaging van de stikstofdepositie. Het is alleen nog niet besloten of in het nieuwe stikstofbeleid het uitruilen van ammoniak van stoppende veehouderijen voor een toename in stikstofoxiden toegestaan gaat worden. Indien dit wordt toegestaan zal externe saldering altijd resulteren in verlaging van de stikstofdepositie.
5.2.5
Effecten scenario’s
Ten aanzien van NOx biedt het bestemmingsplan geen wezenlijke ontwikkelingsmogelijkheden voor stikstofrelevante activiteiten. Stikstofeffecten ten gevolge van NOx zijn ondergeschikt aan de stikstofeffecten ten gevolge van NH3, waardoor het verder in beeld brengen van de scenario’s voor NOx weinig toegevoegde waarde heeft. De stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan ziet daarbij ook toe op NOx-emissie en behorende stikstofdepositie, waardoor significant nadelige effecten voor beschermde natuurgebieden ten gevolge van een toename in NOx-emissies uitgesloten zijn. Veehouderijen die stoppen en omschakelen naar andere functies (van NH3 naar NOx) zullen resulteren in een afname van stikstofdepositie. Uitbreiden van bestaande niet-agrarische bedrijven en agrarisch verwante bedrijven is daarbij slechts beperkt mogelijk. In deze paragraaf worden alleen de effecten ten gevolge van ammoniakemissies uit veehouderijen voor de verschillende scenario’s uitgewerkt. Zonder stikstofemissieplafond kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. In de scenario’s wordt inzichtelijk gemaakt welke milieueffecten optreden indien er geen stikstofemissieplafond wordt opgenomen.