CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.29 - Ruimtelijke onderbouwing Vleutstraat 10

Raadsavond 5 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied23.470 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Vleutstraat 10 te Best

Opdrachtgever D.A. van Vroenhoven & H.J. van Vroenhoven Vleutstraat 10 5681 PA Best

ZLTO Omgeving Ing. R.S. Westerveld Medewerker binnendienst team Omgeving Januari 2020 Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH T 06 – 21 23 26 19

INHOUD 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 2.

Het initiatief ............................................................................................................. 3 Aanleiding............................................................................................................. 3 De huidige situatie ................................................................................................. 3 Beoogde situatie .................................................................................................... 4 Economische uitvoerbaarheid en planschade ............................................................. 6

Planologisch beleidskader ........................................................................................... 7 2.1 Rijksbeleid ............................................................................................................ 7 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ................................................................ 7 2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ......................................................... 7

2.1.3

Ladder duurzame verstedelijking .......................................................................... 8

2.2 2.3

Provinciaal beleid ................................................................................................... 9 Gemeentelijke beleid ............................................................................................. 11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Ruimtelijke aspecten ............................................................................................... 14 Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur ................................................................ 14 Flora en fauna ...................................................................................................... 14 Ruimtelijke kwaliteit .............................................................................................. 16 Cultuurhistorie en archeologie ................................................................................ 17 Mobiliteit en parkeren............................................................................................ 19 Technische infrastructuur....................................................................................... 19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

Milieuaspecten ........................................................................................................ 20 Bodem ................................................................................................................ 20 Geluid ................................................................................................................. 20 Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 20 Externe veiligheid ................................................................................................. 22 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................... 22 Geurhinder .......................................................................................................... 23 Endotoxinen ......................................................................................................... 25 Spuitzones ........................................................................................................... 26 Verduurzaming ..................................................................................................... 26

5.1 5.2 5.3 5.4

Waterparagraaf....................................................................................................... 27 Inleiding .............................................................................................................. 27 Beleid.................................................................................................................. 27 Waterhuishoudkundige situatie ............................................................................... 27 Beoogde ruimtelijke ontwikkeling............................................................................ 28

3.

4.

5.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

2

1.

HET INITIATIEF

1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn voornemens om de vigerende agrarische bestemming van de locatie Vleutstraat 10 te wijzigen in de bestemming Wonen. Op deze locatie is van oudsher een agrarisch bedrijf gevestigd, een gemengd bedrijf bestaande uit een rundvee- en varkenshouderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten wenst men te beëindigen, en de locatie her te bestemmen. De bestaande bedrijfswoning is van het type langgevelboerderij. Deze boerderij wenst men in twee woningen te splitsen. Procedureel wordt aansluiting gezocht bij de integrale herziening van het bestemmingsplan Buitgengebied Best 2006 van de gemeente Best. Deze herziening is met name bedoeld om het bestemmingsplan te actualiseren naar aanleiding van kleine ontwikkelingen in het buitengebied. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een afweging gemaakt waarbij alle ruimtelijk relevante aspecten met betrekking tot het initiatief inzichtelijk gemaakt worden. Uit dit rapport zal blijken dat aan deze voorwaarden voldaan wordt en dat er derhalve medewerking verleend kan worden aan het toekennen van de bestemming ‘woondoeleinden’ en het splitsen van de boerderijwoning.

1.2 De huidige situatie Het plangebied aan de Vleutstraat 10 te Best is gelegen in het buitengebied van de gemeente Best ten noorden van het dorp Best. Kadastraal is het perceel bekend als gemeente Best, Sectie G, nummer 35. Aan de Vleutstraat 10 is de voormalige veehouderij van de vader van initiatiefnemers gevestigd. Het totale plangebied heeft een omvang van 3,56 ha. Op de locatie zijn een langgevelboerderij en diverse bedrijfsgebouwen aanwezig.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

3

Figuur 1-1: Plangebied

Figuur 1-2: Langgevelboerderij

1.3 Beoogde situatie Het initiatief is er op gericht om de huidige agrarische functie te beëindigen en de bestemming om te zetten naar een woonbestemming, met boerderijsplitsing. Het bestaande agrarische bouwvlak van 6.400 m2 komt als gevolg van de herbestemming te vervallen. De nieuwe bestemming wordt afgestemd op de nieuwe situatie. Dit betekent dat het agrarische bouwvlak komt te vervallen en vervangen wordt door twee andere bestemmingen: • Wonen ten behoeve van 2 woningen (splitsing) op een perceel van 3.000 m2 • Agrarisch (onbebouwd)

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

4

Figuur 1-3: Situatieschets beoogde ontwikkeling

Fysiek blijven de langgevelboerderij, de varkensstal achter het woonhuis (92 m 2), de garage (44 m2) en een deel van de voormalige varkensstal 4B – 157 m behouden. Het bestemmingsplan staat maximaal 100 m2 aan bijgebouwen per woning toe. Voor 2 woningen samen mag er 200 m2 aan bijgebouwen blijven staan. De overige agrarische bebouwing wordt gesaneerd, te weten 618 m2 aan varkensstallen en een mestsilo van 163 m2. Echter het voorontwerpbestemmingsplan bevat een sloopbonusregeling om de 100 m2 per woning vermeerderd met 20% van het te slopen meerdere van 100 m2 aan bedrijfsgebouwen, met een maximum van totaal 300 m2 aan bedrijfsgebouwen toe te staan. Bij sloop van 781 m2, mag er in totaal 156 m2 extra bijgebouwen blijven staan, welke evenredig worden verdeeld over de twee woningen. Dit betekent dat er per woning 178 m2 aanwezig mag zijn, 356 m2 in totaal.

Tabel 3 Overzicht behoud/sloop Lengte (M) 1A 1B 2 3 4a 4b 5 6

Boerderij (Vleustraat 10 + schuur) Boerderij (Vleustraat 10A) Varkensstal Auto+tractorgarage Varkensstal Bijkeuken/hobbyruimte Kraamstal Mestsilo Totaal

Breedte (M)

12 6 19 20 36

8 7 8 8 13

M2

M3 Opmerking/legenda

92 44 152 157 466

behoud behoud sloop behoud sloop 550 sloop 550

911

618 totaal M2 sloop 550 totaal M3 sloop 293 totaal M2 behoud

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

5

6

Hoefkesstraat

5

Vleutstraat Figuur 1-4: Situatietekening overzicht behoud/sloop

1.4 Economische uitvoerbaarheid en planschade Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente Best zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Realisering zal marktconform plaatsvinden. Tussen initiatiefnemers en de gemeente is een zogenaamde anterieure overeenkomst afgesloten. Hierin wordt de verrekening van de kosten met betrekking tot de plankosten, planschade en aanverwante kosten vastgelegd. Met een dergelijke anterieure overeenkomst hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

6

2.

PLANOLOGISCH BELEIDSKADER

2.1

Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: • Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport). •

Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt.

•

Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.

De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De regels welke doorvloeien vanuit het Rijk zijn door vertaald in de provinciale verordening en het bestemmingsplan van de gemeente. Belangrijk aandachtspunt hierbij zijn de effecten op de NNN.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt de juridische doorvertaling van het rijksbeleid en is een verdere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Provincies dienen deze regels door te vertalen in hun beleid en verordeningen en vervolgens dienen deze regels ook een plek te krijgen in de verschillende bestemmingsplannen, aanpassingsplannen etc. Regels t.a.v. de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Het nieuwe bestemmingsplan schaadt geen nationaal belang. Vandaar dat de regels zoals gesteld in het Barro, niet van toepassing zijn. Bij de wijziging van de bestemming komen geen nationale belangen in het geding. Onderhavige ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de regels van het Barro. Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

7

2.1.3 Ladder duurzame verstedelijking De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema dat alle mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De ladder duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De motiveringseis om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking is vervolgens vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Het systeem van de ladder zorgt voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming waar wel en waar niet mag worden gebouwd. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid wat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aan de hand van 3 stappen dient het ruimtelijk vraagstuk gemotiveerd te worden: 1. Bepalen van de regionale vraag naar ruimte 2. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied 3. Bouwen buiten bestaand stedelijk gebied De ladder duurzame verstedelijk is erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied op te vangen. Hierdoor wordt verstening van het buitengebied tegengegaan.

Uitgangspunt is dat steden en dorpen niet onnodig ‘uitdijen’ terwijl er in de kernen nog ruimte is voor ontwikkelingen. Wanneer er in de kernen ontwikkellocaties zijn moeten deze eerst opgevuld worden alvorens men uitbreidt in het buitengebied. Ook wanneer het gaat om herstructureringsprojecten moet hier voorrang aangegeven worden. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan nieuwe bebouwing die een stedelijk karakter heeft zoals woningbouw, realisatie winkelruimte, kantoorpanden, bedrijventerreinen of overige stedelijke functies (maatschappelijk, religie, cultuur, leisure, recreatie -> dit op basis van uitspraken van de RvS). De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. De ontwikkeling valt niet onder de definitie die de ladder voor duurzame verstedelijking stelt voor stedelijke ontwikkeling en hoeft daaraan dus niet getoetst worden. Geconcludeerd kan worden dat het landelijk beleid geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

8

2.2

Provinciaal beleid

Brabantse omgevingsvisie De provincie Noord-Brabant heeft in december 2018 haar omgevingsvisie vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant in 2050. De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor- en nadelen die daaraan kleven. Het plangebied ligt in Midden Brabant. De omgevingsvisie ziet hier de verbinding met de steden ’sHertogenbosch, Breda, Eindhoven, Helmond en Tilburg. De regio kent een hoge natuurwaarde en tevens veel agrarische activiteit. De Provincie benoemt de kleinschaligheid van agrarische activiteiten en de verbinding met de omgeving. De omgevingsvisie geeft tevens de visie van de Provincie op haar eigen rol en hoe zij de gewenste ontwikkeling naar 2050 wil stimuleren. De provincie ziet zichzelf als verbinder en aanjager waar nodig. De beoogde ontwikkeling op het plangebied past binnen de omgevingsvisie van de provincie NoordBrabant. In de omgevingsvisie wordt expliciet genoemd dat verdere leegstand van vrijkomende agrarische gebouwen voorkomen moet worden en dat verpaupering op de loer ligt. Met de sloop van een deel van de bedrijfsgebouwen en het duurzaam inzetten van de langgevelboerderij is de toekomst van de locatie verzekerd.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast de omgevingsvisie kent de Provincie Noord-Brabant de interim omgevingsverordening Noord-Brabant (oktober 2019 vastgesteld). In de omgevingsverordening staan de regels die de provincie stelt aan de bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. Met de Interim omgevingsvergunning bereid de provincie Noord-Brabant de komst van de omgevingswet (1 januari 2021) concreet voor en hanteert zij de in de wet aangegeven schrijf- en handelingswijze. De omgevingsverordening is geschreven met oog voor de doelgroep: burgers, gemeenten en waterschappen. Essentieel onderdeel van de verordening is de gedachte dat ontwikkelingen en plannen in gezamenlijkheid uitgevoerd worden en overleg en dialoog worden daarom toegejuicht. De verordening biedt voor ontwikkelaars en gemeenten meer mogelijkheden tot maatwerk, vaste afstanden en grootte maten worden losgelaten en er komt meer nadruk te liggen op het passend maken van initiatieven in hun omgeving. Ten aanzien van het voorliggende initiatief is artikel 3.68 van de interim omgevingsverordening van kracht, onderstaand is het artikel weergegeven en cursief is weergegeven hoe het initiatief daar aan voldoet. Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a.

alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; Dit is het geval, er is geen nieuwbouw voorzien b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Met het wijzigen naar een woonbestemming zal die niet aan de orde zijn Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

9

Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; Niet van toepassing b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Niet van toepassing Artikel 3.69 afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. Niet van toepassing b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. Er is sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Er is een langgevel boerderij aanwezig en initiatiefnemers willen de mogelijkheid hebben om deze te kunnen spitsen. Het betreft een langevelboerderij onder een met riet gedekte wolfdak met een pannenvoet van betonpannen. De huidige boerderij is te dateren in vierde kwart 19 e eeuw, maar heeft wellicht een oudere kern. De woon-/bedrijfsverhouding is nog intact.

De opzet van de langgevelboerderij maakt het mogelijk om de boerderij te splitsen in twee wooneenheden, één in het woondeel en één in het bedrijfsdeel. Door de aanwezige gevelopeningen is het mogelijk om het bedrijfsdeel geschikt te maken voor bewoning met behoud van de cultuurhistorische waarden. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden in acht gehouden c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; Er is sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en vanuit dat perspectief wordt er gebruik gemaakt van splitsing. 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. Twee voormalige varkensstallen en een mestsilo worden gesloopt. De overige gebouwen (een varkensstal en garage) blijven gehandhaafd als bijgebouw bij de woningen. Derhalve is er geen sprake van overtollige bebouwing. Om vast te stellen dat de aanwezige langgevel boerderij voldoende cultuurhistorisch waardevolle elementen bevat is een bouwhistorische verkenning uitgevoerd door bouwhistoricus John van Lierop. Het opgestelde rapport kent een hoge monumentenwaarde toe aan de langgevelboerderij. Er zijn intern en extern veel kenmerken zichtbaar van de typische Brabantse bouwstijl van welleer en er is een aanzienlijke geschiedenis van bewoning te documenteren van de familie van initiatiefnemers.

Het rapport geeft daarnaast diverse aanbevelingen en tips over hoe de woning het beste te splitsen en waar rekening mee dient te worden gehouden bij het renoveren en verbouwen van de boerderij. Het rapport is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen Het initiatief voldoet aan het gestelde in de interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming is gezien de omgeving en gewenste ontwikkelrichting van de Provincie gewenst. Vanwege de cultuurhistorische waarde van de boerderij is woningsplitsing mogelijk.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

10

2.3

Gemeentelijke beleid

Bestemmingsplan Buitengebied Best Op de gronden is het bestemmingsplan Buitengebied Best 2006 van de gemeente Best van kracht (vigerend d.d. 23-09-2008). In dit bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de enkelbestemming ‘Agrarische bedrijfsdoeleinden’, de aanduiding ‘landschapsontwikkelingszone’ en de aanduiding ‘niet grondgebonden intensieve veehouderij’. In artikel 10.5.4 van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging naar de (mede)bestemming ‘Woondoeleinden’ ten behoeve van boerderijsplitsing. Hoewel de te doorlopen procedure niet een wijzigingsprocedure betreft, maar een herziening van het bestemmingsplan wordt onderstaand wel inzichtelijk gemaakt dat aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan.

Figuur 2-1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Best 2006

B&W is bevoegd om toestemming te verlenen aan het wijzigen naar de bestemming ‘woondoeleinden’ ten behoeve van boerderijsplitsing onder de volgende voorwaarden: a.

Splitsing is alleen toegestaan, indien het agrarische bedrijf wordt beëindigd. Het betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning waar de agrarische bedrijfsvoering reeds is beëindigd.

b.

Splitsing is alleen toegestaan, indien het een woonboerderij betreft. Er is sprake van een langgevelboerderij, een vorm van een woonboerderij zoals bedoeld.

c.

De bouwmassa van de woonboerderij dient een inhoud te hebben van ten minste 900 m 3. De woonboerderij heeft een inhoud van meer dan 1.000 m3.

d.

Bij splitsing mogen maximaal twee volwaardige woningen ontstaan, met beide een inhoud van ten minste 350 m3. Bij de daadwerkelijke fysieke splitsing van de boerderij wordt hier gevolg aan gegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

11

e.

Het bestaande architectonische karakter van de woonboerderij en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet wezenlijk aangetast worden. Bij een eventuele verbouwing van de boerderij wordt hier gevolg aan gegeven.

f.

Voldaan dient te worden aan de eisen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder (artikel 3 onder 3.5). Uit akoestisch onderzoek is gebleken dat aan de grenswaarden voor geluid voldaan wordt. Zie hiervoor paragraaf 4.2.

g.

De vestiging van de nieuwe woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Hier wordt aan voldaan. Zie voor nadere onderbouwing paragraaf 4.5.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

12

h. De nieuwe woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Hier wordt aan voldaan. Zie voor nadere onderbouwing hoofdstuk 4. i.

Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van meer bedrijfsgebouwen/bijgebouwen dan de 80 m2 die als bijgebouw per woning zijn toegestaan, dienen die gebouwen te worden gesloopt. Het bestemmingsplan staat maximaal 100 m2 aan bijgebouwen per woning toe. Voor 2 woningen samen mag er 200 m2 aan bijgebouwen blijven staan. het voorontwerpbestemmingsplan bevat een sloopbonusregeling om de 100 m 2 per woning vermeerderd met 20% van het te slopen meerdere van 100 m 2 aan bedrijfsgebouwen, met een maximum van totaal 300 m2 aan bedrijfsgebouwen toe te staan. Bij sloop van 781 m2, mag er in totaal 156 m2 extra bijgebouwen blijven staan, welke evenredig worden verdeeld over de twee woningen. Dit betekent dat er per woning 178 m 2 aanwezig mag zijn, 356 m2 in totaal.

Structuurvisie Buitengebied Door de gemeente Best is de Structuurvisie buitengebied, ‘Vitaal vooruitzicht. Samen doen!’ vastgesteld in 2016. De Structuurvisie Best 2030 geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn voor de gemeente Best. De structuurvisie voor het buitengebied maakt keuzes op basis van actuele ontwikkelingen in het landelijke gebied (zoals wonen en werken, veehouderij, milieu) en gaat specifiek in op onderwerpen als landschap, landbouw en recreatie, maar ook woningbouw. De gemeente Best biedt in haar buitengebied ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur en woon- en leefmilieu. De gemeente staat open voor nieuwe initiatieven, maar stelt tegelijk eisen aan (het behoud en de versterking van) de omgevingskwaliteit. Het uitbreiden van bestaande of toekennen van nieuwe functies dient gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dat betekent dat het initiatief een bijdrage levert aan de economische, ecologische, ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke vitaliteit van het buitengebied. Voor wat betreft voormalige agrarische bedrijfslocaties is opgenomen dat op deze locaties kan worden gewoond, ruimte is voor bedrijvigheid aan huis en andersoortige, op die plek en in de omgeving passende bedrijvigheid.

Specifiek voor het behoud en/of herstel cultuurhistorisch waardevolle panden is de splitsing in meerdere woonfuncties mogelijk. Onderhavig initiatief voor de herbestemming van de voormalige veehouderijlocatie naar een woonbestemming met splitsing van de langgevelboerderij in twee wooneenheden past in beginsel binnen de structuurvisie.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

13

3.

RUIMTELIJKE ASPECTEN

3.1 Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur De omgeving kenmerkt zich door de aanwezigheid van enkele grotere varkensbedrijven aan de Vleutstraat 3, 7 en 8a. Overige bebouwing bestaat uit burgerwoningen, vaak op locaties van voormalige agrarische bedrijven. Verder kenmerkt het gebied zich door de overgang van een open polderlandschap naar een meer kleinschalig landschap met veel bomenrijen en bosjes richting het noorden en westen. Het perceel is aan alle zijden voorzien van beplanting in de vorm van bomenrijen. Ruimtelijk functioneel heeft het gebied een overwegend agrarisch-natuurlijk karakter op de overgang van open polderlandschap naar kleinschalig landschap.

Figuur 3-1: Ligging plangebied

De ruimtelijke en functionele structuur zal, met de omschakeling naar wonen, niet worden aangetast. Door de sloop van de bedrijfsbebouwing zal de ruimtelijke kwaliteit van de locatie versterkt worden.

3.2 Flora en fauna De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Deze beschermde gebieden zijn op grote afstand gelegen van het plangebied. Het meest nabij gelegen beschermde natuurgebied is de Kampina op een afstand van ca. 8 kilometer. Gezien deze afstand en de activiteiten die uitgevoerd worden zijn er geen effecten te verwachten op de beschermde gebieden. Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

14

Figuur 3-2: Natura2000-gebieden

Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Het plan leidt tot diverse handelingen en werkzaamheden die mogelijk consequenties kunnen hebben voor beschermde soorten. Dit betreft het slopen van de overtollige agrarische bedrijfsgebouwen. Het plangebied bestaat uit een agrarisch bedrijfsperceel met opstallen. Beplanting is aanwezig in de vorm van bomen en hagen op het terrein en op de perceelsgrenzen. In het kader van de Wet natuurbescherming dient inzicht gegeven te worden in de te verwachten effecten van deze ingrepen op beschermde soorten. De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van (mogelijke) rust- en verblijfplaatsen van algemeen voorkomende soorten en vogels. Alle vogelsoorten zijn beschermd volgens de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Niet uitgesloten is dat deels vaste of tijdelijke verblijfplaatsen en/of foerageergebieden verdwijnen van vogelsoorten.

De te slopen stallen zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond aanwezige vogelsoorten. Aangenomen mag worden dat er voor deze soorten in de omgeving van het plangebied ruim voldoende alternatief leefgebied aanwezig is. Hierdoor zal de eventuele vernietiging van leefgebied binnen het plangebied geen negatief effect hebben op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten op lokaal, regionaal, provinciaal of landelijk niveau. Compenserende of mitigerende maatregelen worden dan ook niet noodzakelijk geacht.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

15

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens Wet natuurbescherming in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken met een ontheffing of een vrijstelling. Er geldt een algemene vrijstelling. Wel geldt in het algemeen de zorgplicht. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden (april tot september), geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van vogels. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. Daarbij wordt opgemerkt dat de wet geen standaardperiode voor het broedseizoen kent. Het gaat er om of er een broedgeval is. De periode april tot september kan wel globaal aangehouden worden voor het uitvoeren van werkzaamheden. Bij in achtneming van de hierboven genoemde voorwaarden kan voorkomen worden dat er overtreding van de wet Natuurbescherming zal plaatsvinden. Verder kan aangenomen worden dat alle in het plangebied voorkomende vogelsoorten buiten het broedseizoen voldoende mobiel zijn om zich te verplaatsen naar geschikt leefgebied in de omgeving. Sloopactiviteiten zullen buiten het broedseizoen plaatvinden, om de aanwezigheid van vleermuizen en broedvogels ten tijden van sloop uit te stellen zal bij de sloopmelding een quick scan flora & fauna aangeleverd worden.

3.3 Ruimtelijke kwaliteit Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie Noord-Brabant dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur. Het achterliggende idee is dat ontwikkelingen actief bijdragen aan versterking van het landschap. Dit gaat dus verder dan de reguliere landschappelijke inpassing die vooral is gericht op het mitigeren van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van verlies aan omgevingskwaliteit. Kwaliteitsverbetering wordt niet alleen bereikt met een traditionele groene inpassing van het initiatief met de aanleg van (cultuurhistorische) landschapselementen, het terugbrengen of behouden van ontginningsstructuren, de realisering van nieuwe natuur, ecologische verbindingszones of landschapsversterkende maatregelen van waterstructuren. Ook sloop van bebouwing, het verbeteren van de recreatieve ontsluiting van een gebied en het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden dragen bij aan de kwaliteit van het landschap. De gemeente Best heeft dit beleid nader uitgewerkt in de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Best’, vastgesteld op 2 september 2013.

Onderhavig initiatief, het herbestemming van de voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een woonbestemming, wordt gezien als een categorie 3 ontwikkeling. Bij categorie 3 ontwikkelingen moet 20% van de waardevermeerdering van de gronden geïnvesteerd worden in een kwaliteitsverbetering van het landschap. In tabel 3.1 is de waardevermeerdering van de gronden berekend. De waardevermeerdering bedraagt €330.000,=. De totale waardevermeerdering daarvan wordt met een minimale basisinspanning van 20% gecompenseerd, wat overeenkomt met een vereiste inspanning van €66.000,-.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

16

Tabel 3-1: Berekening waardevermeerdering Waardevermeerdering waardestijging (€) 250 40

Wonen – 1.000 m Wonen > 1.000 m2 2

totaal (m2) 1.000 2.000

Totaal

waarde totaal (€) 250.000 80.000 330.000

Compensatieverplichting waarde (€) Waardestijging

330.000

Compensatieverplichting 20%

66.000

De ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt bereikt door het vervallen van het agrarische bouwvlak en de daarmee samenhangende bouwmogelijkheden en de sloop van de overtollige agrarische bedrijfsgebouwen. Tabel 3-2: Berekening kwaliteitsverbeterende maatregelen Compensatie Agrarische bouwvlak Sloop bebouwing

waarde (€) 20 25

totaal (m2) 3.400 781

Totaal

waarde totaal (€) 68.000 19.525 87.525

Tegelijkertijd met het voorontwerpbestemmingsplan heeft de gemeente een nieuwe Landschapsinvesteringsregeling (LIR) ter inzage gelegd (in concept 12 december 2018). In de nieuwe LIR wordt onderhavig initiatief gezien als categorie 1 ontwikkeling. Bij een categorie 1 ontwikkeling wordt geen extra landschappelijke kwaliteitsverbetering vereist. Het initiatief voldoet daarmee aan de bestaande en de nieuwe concept LIR van de gemeente Best.

3.4 Cultuurhistorie en archeologie Binnen het plangebied is sprake van provinciale cultuurhistorische belangen. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorische landschap het ‘Groene Woud’. Het gebied wordt gekenmerkt door een zwak golvend landschap waar dekzandruggen, lager gelegen beekdalen en broekgebieden elkaar afwisselen. Het gebied is een mozaïek van vele oude en jonge ontginningslandschappen. Dit kenmerkt zich door een kleinschalig landschap met weg- en perceelrandbeplanting. Door de invoering van prikkeldraad en andere grote ontwikkelingen zoals ruilverkaveling is de kleinschaligheid van het landschap grotendeels verloren gegaan. De Vleutstraat is als cultuurhistorisch element aangewezen door een redelijk hoge geografische ligging. Het plan is van geen invloed op de ligging en verschijningsvorm van dit element daar de ontwikkeling op enige afstand van het element plaatsvindt. Vanwege de mogelijke splitsing van de aanwezige boerderij is een bouwhistorisch verkenning uitgevoerd door John van Lierop, het rapport beschrijft gedetailleerd de geschiedenis van de boerderij en welke historische elementen er in en rond het gebouw aanwezig zijn. Het rapport is als 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

17

Figuur 3-4: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (CHW)

Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden, een onderdeel van de CHW, is het plangebied aangeduid als een gebied met een lage indicatieve archeologische verwachtingswaarde. De gemeente Best heeft het archeologiebeleid nader uitgewerkt in het Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg. Op de archeologische beleidskaart is de omgeving aangeduid als een gebied met een hoge verwachtingswaarde (Historische linten) categorie 3. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden. Voor bodemingrepen tot een oppervlakte van 250 m2 of tot een diepte van 30 cm is een ontheffing opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

18

Figuur 3-3: Uitsnede archeologische beleidskaart Drimmelen

De herbestemming van de bedrijfswoning brengt geen bodemwerkzaamheden met zich mee, anders dan de sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen. Omdat de bodem bij de bouw van de gebouwen al verstoord is, is het niet waarschijnlijk dat er nog archeologische vondsten in de bodem aanwezig zijn. Verder inventariserend archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

3.5 Mobiliteit en parkeren De ontsluiting van de locatie verloopt via de Vleutstraat en via de Hoefkesstraat. Op het plangebied zijn drie opritten aanwezig, hierdoor is het na splitsing van de boerderij ook mogelijk het verkeer naar het plangebied te splitsen. De Vleutstraat en de Hoefkesstraat zijn lokale ontsluitingswegen voor bestemmingsverkeer. Er is geen fysieke scheiding tussen fiets- en autoverkeer. Het profiel van de wegen bestaat uit asfalt en grasbermen. Het plan leidt niet tot een toename van verkeer. Er zal enkel sprake zijn van aan wonen gerelateerd verkeer. Dit zal niet leiden tot knelpunten in het verkeersbeeld. Op de locatie is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Daarmee kan voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en is er geen overlast te verwachten voor parkeren op de openbare weg.

3.6 Technische infrastructuur De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ten behoeve van het plan hoeven hiervoor geen structurele aanpassingen plaats te vinden.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

19

4.

MILIEUASPECTEN

4.1 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing zijn gemotiveerd hoe het is met de milieu hygiënische gesteldheid van de bodem. Afhankelijk van hetgeen er op die locatie gebouwd wordt, is dan nog een bodemonderzoek nodig. Dat is niet aan de orde wanneer er ruimtes worden opgericht die niet bestemd zijn voor menselijk verblijf. Een bodemonderzoek is wel aan de orde als er bebouwing wordt opgericht (bijvoorbeeld een kantine of kantoorruimte) waar met grote waarschijnlijkheid mensen langer dan 2 uur per dag verblijven. Onderhavig initiatief richt zich op het herbestemmen van voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een woonbestemming, waarbij een langgevelboerderij in twee wooneenheden gesplitst wordt. Dit betekent dat er ruimtes die niet bestemd waren voor menselijk verblijf na splitsing wel voor menselijk verblijf in gebruik genomen mogen worden. Om deze reden is er door M&A een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd (bodem 4). Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat geen vervolgonderzoek volgens de NEN 5740 / NEN 5707 behoeft te worden uitgevoerd in relatie tot de splitsing van de woning op het perceel. Een nader bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

4.2 Geluid Op basis van de Wet geluidhinder is het oprichten van nieuwe geluidgevoelige functies alleen mogelijk als voldaan wordt aan de geluidnormen. Voor nieuwe geluidgevoelige objecten als (bedrijfs)woningen en verblijfsrecreatie dient voldaan te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderhavig initiatief richt zich op het herbestemmen van voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een woonbestemming, waarbij een langgevelboerderij in twee wooneenheden gesplitst wordt. Dit betekent dat er binnen de bestaande langgevelboerderij een nieuw geluidgevoelig object wordt gerealiseerd. Om deze reden is er door M&A een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (bijlage 2). Geconcludeerd wordt dat ten gevolge van zowel de Vleutstraat als de Hoefkestraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. De geluidbelasting blijft ook overal onder de maximale ontheffingswaarden van 53 dB. Bij toetsing aan de binnenwaarde in de verblijfsruimten is gebleken dat bij uitvoering conform het Bouwbesluit aan de grenswaarde van 33 dB wordt voldaan. Vanuit akoestisch oogpunt gelden er geen belemmeringen tegen de woningsplitsing. In de Nota van M&A van 11 maart 2022 met betrekking tot Indirecte hinder van het bedrijf Vleutstraat 8a is de zienswijze met betrekking tot de belemmering van de nieuwe woning weerlegd met behulp van het akoestisch model Geomilieu V2021.1.

Deze is toegevoegd als bijlage 3. Het onderdeel industrielawaai is verder uitgewerkt in paragraaf 4.5 ‘bedrijven en milieuzonering’.

4.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

20

veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld dat bij één ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen niet in betekenende mate van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden.

De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: • jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3; • daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3; • aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer. Uit gegevens van het RIVM blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden. Het plangebied kent een jaargemiddelde fijnstofconcentratie 18 - 20 µg/m3. In juli 2014 is de ‘Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen in Best als beleidsregel ingevoerd. De handreiking is een aanvulling op het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Ook geeft hij invulling aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ uit de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij speelt zowel de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen een rol. De handreiking heeft als doel een betere leefomgeving te realiseren voor kwetsbare groepen. Daarom beperkt de handreiking nieuwvestiging van ‘lucht’-gevoelige objecten binnen 300 meter van een Rijksweg en binnen 50 meter van drukke provinciale en gemeentelijke wegen. Gevoelige objecten zijn scholen, kinderdagverblijven, verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen.. Blootstelling Het plan bevat geen gevoelige objecten en is daarmee geen aandachtslocatie voor luchtkwaliteit.

Plan als bron In de huidige situatie kent de locatie een agrarische bestemming, dit betekend dat het plangebied meermalen per week bezocht wordt door met name vrachtverkeer. Na de bestemmingswijziging blijft er een woonbestemming over. Het aantal verkeersbewegingen van personenauto’s zal wellicht toenemen, zet men dit af tegen de verlaging van het aantal verkeersbewegingen met vrachtauto’s dan is vast te stellen dat er een afname plaatvindt van fijnstof uitstotend verkeer. Luchtkwaliteit is voor dit project geen belemmering.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

21

4.4 Externe veiligheid Bij het opstellen of wijzigen van ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • bedrijven waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (bijvoorbeeld een • tankstation); • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water; • vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. • propaantanks bij particulieren. Raadpleging van de Risicokaart Nederland laat zien dat er in de omgeving van het plangebied geen activiteiten plaatsvinden met een invloedssfeer gelegen over het plangebied. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf wordt niet noodzakelijk geacht.

Figuur 4-1: Uitsnede Risicokaart Nederland

4.5 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen verschillende functies en bestemmingen voldoende afstand wordt gerealiseerd. Dit om te waarborgen dat er tussen bedrijven en woningen geen onnodige hinder wordt veroorzaakt. In de ruimtelijke ordening wordt de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering, gehanteerd als referentie voor de afstand die tussen de verschillende functies en activiteiten in acht dient te worden genomen. In de VNG brochure worden hiervoor indicatieve richtafstanden gegeven. De aanwezigheid van een (nieuwe) woonbestemming is mogelijk belemmerend voor de ontwikkeling van omliggende bedrijven. Conform de regels van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon en leefklimaat voor de woning vastgesteld en behouden te worden, dit betekend dat uitbreidingsplannen van bedrijven mogelijk geen doorgang kunnen vinden omdat het goede woon en leefklimaat aangetast wordt. In de omgeving van het plangebied bevindt zich alleen enkele veehouderijbedrijven. In paragraaf 4.6 wordt hier voor wat betreft geur nader op ingegaan. Ten aanzien van geluid is er voldoende Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

22

afstand tussen de omliggende bedrijven gelegen. Enkel het bedrijf aan de Vleutstraat 8a is dicht tegen het plangebied gelegen, de woning aan de Vleutstraat 8 is echter nog dichterbij gelegen en is daardoor al meer belemmerend dan de nieuwe woning. Er bevinden zich verder geen andere nietagrarische of landbouwbedrijven, niet zijnde veehouderijen, in de nabije omgeving van het plangebied.

4.6 Geurhinder Per 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet biedt een toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder vanuit dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv beschrijft de grenswaarden voor de toelaatbare geurbelasting bij woningen in “odour units” per kubieke meter lucht. Tevens zijn er in de Wgv minimum afstanden vastgelegd tussen stallen en geurgevoelige objecten (alle woningen van derden en recreatiewoningen). Dit hangt af van de diercategorie die gehouden wordt. Voor paarden, koeien e.d. zijn standaardafstanden vastgesteld, afhankelijk van het gebied waar de woning ligt. Het toetsingskader voor geurhinder van veehouderijen heeft gevolgen voor zowel bestemmingsplannen buitengebied als voor ruimtelijke plannen die in of grenzend aan het buitengebied voorzien in nieuwe gevoelige functies: •

In bestemmingsplannen buitengebied is de Wvg het toetsingskader om de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen en de ontwikkelingsmogelijkheden van nieuwe gevoelige functies, onder meer ter vervanging van vrijkomende agrarische bedrijven, te bepalen.

•

Voor ruimtelijke plannen voor nieuwe gevoelige functies moet worden onderzocht of naburige veehouderijbedrijven door de ontwikkeling niet in hun functioneren worden belemmerd en of ter plaatse een goed respectievelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd (“goede ruimtelijke ordening”).

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een drietal agrarische bedrijven: • Vleutstraat 3: zoogkoeien –en varkenshouderij • Vleutstraat 5: schapenhouderij • Vleutstraat 7: varkenshouderij • Vleutstraat 8a: varkenshouderij De langgevelboerderij is op dit moment deels ingericht als zijnde een woning. Woningsplitsing wordt gezien als het oprichten van een geurgevoelig object in het kader van de Wgv en hier dient aan getoetst te worden. De Wgv bepaalt in artikel 14 lid 2 dat de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd tenminste 100 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en tenminste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen, onder de voorwaarde dat de woning opgericht wordt: • op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij. • in samenhang met het beëindigen van het veehouderijbedrijf. • In samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen. In het kader van de Wgv wordt de gesplitste woonboerderij in zijn geheel beschouwd als een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakte van een ander veehouderijbedrijf en net als in de vigerende situatie dient er een afstand van 50 meter in acht te worden genomen.

De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt van een agrarisch bedrijf bedraagt ten minste 113 meter Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

23

(Vleutstraat 7). Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De omliggende agrarische bedrijven worden derhalve niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot geurhinder. Door het berekenen van de achtergrondbelasting met het verspreidingsprogramma V-Stacks gebied wordt vastgesteld of er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als geuruitstotende bronnen zijn alle bedrijven meegenomen binnen een straal van 2 km van de initiatieflocatie. Voor de emissiegegevens op bedrijfsniveau is BvB Brabant geraadpleegd aangevuld, uitgezonderd de veehouderijen aan de Vleutstraat 3, 5 en 8a. Voor deze bedrijven zijn de emissiegegevens op stalniveau ingevoerd. De achtergrondbelasting voor het plangebied is berekend met Vstacks-gebied. Voor de invoergegevens zijn alle bedrijven opgenomen binnen een straal van 2 km van de initiatieflocatie volgens het BVB. Hierin is de locatie Vleutstraat 10 niet meegenomen. Deze locatie is eigendom van initiatiefnemers en de veehouderij zal als onderdeel van onderhavig plan worden gesaneerd. Voor de veehouderijbedrijven aan de Vleutstraat 3, 7 en 8a zijn de emissiegegevens op stalniveau gebruikt.

Als ontvangerpunten zijn de 4 hoekpunten van de langgevelboerderij genomen. Op alle punten kan worden voldaan aan de grenswaarde van 20 OUe/m3. Er is dan ook gemiddeld sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat.

Figuur 4-2: Berekening achtergrondbelasting

De voorgrondbelasting is berekend met Vstacks-vergunning vanuit de meest nabij gelegen veehouderijen waar dieren gehouden worden met geuremissie. Dit betreffen de volgende veehouderijen: • Vleutstraat 3 •

Vleutstraat 7

•

Vleutstraat 8a

In onderstaande tabellen is de voorgrondbelasting van deze drie locaties op de ontvangerpunten van de initiatieflocatie weergegeven.

Tabel 4-1: Voorgrondbelasting t.g.v. Vleutstraat 3 Volgnummer 5 6 7 8

GGLID huis 1 huis 2 huis 3 huis 4

Xcoordinaat 156 285 156 289 156 261 156 257

Ycoordinaat 393 963 393 972 393 983 393 974

Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0

Geurbelasting 14,0 13,1 12,3 13,3

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

24

Tabel 4-2: Voorgrondbelasting t.g.v. Vleutstraat 7 Volgnummer 3 4 5 6

GGLID huis 1 huis 2 huis 3 huis 4

Xcoordinaat 156 285 156 289 156 261 156 257

Ycoordinaat 393 963 393 972 393 983 393 974

Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0

Geurbelasting 10,3 9,9 11,2 12,0

Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0

Geurbelasting 10,5 10,5 7,4 7,8

Tabel 4-3: Voorgrondbelasting t.g.v. Vleutstraat 8a Volgnummer 4 5 6 7

GGLID huis 1 huis 2 huis 3 huis 4

Xcoordinaat 156 285 156 289 156 261 156 257

Ycoordinaat 393 963 393 972 393 983 393 974

Op alle punten kan worden voldaan aan de grenswaarde van 14 OUe/m3. Er is dan ook gemiddeld sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geurhinder geen belemmering oplevert voor de boerderijsplitsing. Bestaande veehouderijen worden niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden én er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.7 Endotoxinen Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten “Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)” en “Emissies van Endotoxine uit de Veehouderij” gepubliceerd. Uit beide rapporten komt naar voren dat met name rond pluimveebedrijven en in veedichte gebieden gezondheidseffecten kunnen optreden. De huidige toetsing aan geurnormen en/of fijnstof-grenswaarden biedt onvoldoende bescherming voor omwonenden tegen endotoxinen. Voor de periode totdat een landelijk ‘endotoxine toetsingskader’ beschikbaar komt, bestaat het risico dat de blootstelling aan endotoxine oploopt. Door het Ondersteuningsteam van BPO speerpunt Transitie Zorgvuldige Veehouderij is daarom het endotoxine toetsingskader 1.0 opgesteld. Het beschrijft een aanpak voor het beoordelen van het volksgezondheidsrisico van (uitbreidende) veehouderijen. Op basis van de huidige kennis en inzichten is met het endotoxine toetsingskader 1.0 voor iedere vergunningaanvraag van individuele varkens- of pluimveehouderij te bepalen of de endotoxineblootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/ m3 van de Gezondheidsraad . Kanttekening hierbij is dat voor endotoxine geen wettelijk toetsingskader beschikbaar is.

Als aanvulling op Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0 is een rekenmodel ontwikkeld waarmee de minimale vaste afstand tussen een emissiepunt en een gevoelig object kan worden berekent. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vleeskuikens, leghennen en vleesvarkens. De dichtstbijzijnde bedrijven met één van de bovengenoemde diercategorieën betreffen de varkenshouderijbedrijven aan de Vleutstraat 3, 7 en 8a. Deze bedrijven hebben op basis van de vigerende milieutoestemmingen een stof emissie van respectievelijk 281 kg PM10, 92 kg PM10 en 210 kg PM10. Voor Vleutstraat 3 dient op basis van het rekenmodel een afstand van 107 meter in acht genomen te worden. De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt bedraagt 122 meter. Voor Vleutstraat 7 dient op basis van het rekenmodel een afstand van 40 meter in acht genomen te worden. De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt bedraagt 113 meter. Voor

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

25

Vleutstraat 8a dient op basis van het rekenmodel een afstand van 90 meter in acht genomen te worden. De afstand tot het meest nabijgelegen emissiepunt bedraagt 140 meter.

Figuur 4-3: Erbrink STACKS modelberekening

Ter plaatse van de langgevelboerderij wordt voldaan een de benodigde afstanden tot de omliggende veehouderijbedrijven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de endotoxine voor dit plan geen belemmering is.

4.8 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen een gevoelig object en een locatie waar gewasbeschermingsmiddelen gespoten worden voldoende afstand is. Op een afstand van circa 55 meter van het plangebied is een boomgaard gelegen waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De algemeen gehanteerde afstand tot gevoelige objecten is een spuitvrije zone van 50 meter. Omdat de afstand tussen het gevoelige object in het en de boomgaard ruim 55 meter bedraagt wordt ruim aan deze afstand voldaan. Er is geen reden om aan te nemen dat de drift van gewasbeschermingsmiddelen zorgt voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Verder onderzoek naar spuitvrije zones wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

4.9 Verduurzaming In de huidige situatie is de aanwezige woonboerderij voorzien van veel authentieke details maar daardoor is geen sprake van een energiezuinige of duurzame situatie. De gemeente Best heeft de ambitie uitgesproken om samen met de metropoolregio Eindhoven als eerste regio in Nederland energieneutraal te zijn. De woningvoorraad met woningen uit vroege bouwjaren mist in veel gevallen duurzame oplossingen die tegenwoordig standaard zijn te noemen (dubbel glas, muur en dak isolatie, zuinige ketels) er is voor de gemeente winst te halen met het verduurzamen van (oudere) woningen. Initiatiefnemers wensen om bij de verbouwing van de boerderij verduurzaming toe te passen.

Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

26

5.

WATERPARAGRAAF

5.1 Inleiding Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in Best is in handen van het Waterschap de Dommel. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het Waterschap. Het plan dient plaats te vinden binnen de kaders van het duurzaam omgaan met water en de beleidsuitgangspunten van het waterschap.

5.2 Beleid Het waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’.

5.3 Waterhuishoudkundige situatie Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van de Dommel. De locatie is gesitueerd in een gebied waar soms kwel voorkomt. Op een afstand van ongeveer 1 kilometer is de locatie gelegen van een grondwaterbeschermingsgebied. De boringsvrije zone is gelegen op een afstand van circa 100 meter. Met de uitvoering van het initiatief zullen geen verstoringen optreden van dit grondwaterbeschermingsgebied. Verder zijn er geen gebieden met een speciale hydrologische functie of betekenis in de directe omgeving. De omgeving watert in noordelijke richting af op de Dommel. Aan diverse zijden van de initiatieflocatie zijn kavelsloten gelegen. Ruimtelijke onderbouwing Veutstraat 10 te Best

27

Figuur 5-1: Ligging A en B watergangen

De bodem bestaat uit veldpodzolgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand type cHn23). Dit zijn zandgronden met een relatief hoge grondwaterstand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749811/1