22022.3 - Nota bodembeheer gemeente Best 2022
Tekst van het document
Indien voor de ruimtelijke ontwikkeling in een later stadium een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of milieu noodzakelijk is, is het aan te bevelen het hiervoor benodigde bodemonderzoek al uit te voeren voor de bestemmingsplanprocedure. Dit om zo vertragingen te voorkomen. Dit geldt ook voor bodemonderzoeken die dienen te worden uitgevoerd vanuit eventuele andere wettelijke kaders, zoals de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk (aanlegvergunning) en ontgronden.
4.2 Omgevingsvergunning bouwen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit dient conform de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, art. 2.4) [29] een onderzoeksrapport inzake de bodemgesteldheid aangeleverd te worden. In volgende gevallen kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek: 1.
Een bouwwerk is vergunningsvrij conform het Besluit Omgevingsrecht (Bor) art. 2 en 3 Bijlage II [32] of naar aard en omvang gelijk aan een vergunningsvrij bouwwerk;
2.
Het bouwwerk raakt de grond niet (ook inpandige verbouwing) of het bestaande feitelijk gebruik blijft gehandhaafd;
3.
Bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsruimten, zie richtlijn voor bepalen verblijfsduur van mensen in bouwwerken);
4.
Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn (max. 15 jaar) conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), art. 2.23 [33] en conform het Besluit Omgevingsrecht (Bor) art.5.16;
5.
Het te bebouwen oppervlak is kleiner dan 50 m2.
pagina 23 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Richtlijn voor bepalen verblijfsduur van mensen in bouwwerken Het primaire doel van de bodemtoets is te voorkomen dat er gebouwd wordt op dusdanig verontreinigde grond dat nadelige gevolgen kunnen ontstaan voor de gebruikers van het bouwwerk. De woningwet stelt dan ook in artikel 8 lid 3 dat geen bodemtoets hoeft plaats te vinden wanneer 'het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven'. In de memorie van toelichting staat hierover dat het bouwwerken moet betreffen waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een structureel verblijf van twee of meer uren van dezelfde mensen in het gebouw. In een aantal gevallen kan discussie ontstaan over het verblijfscriterium 'enige tijd'. Om deze discussie zoveel mogelijk te voorkomen, zijn hieronder enkele richtlijnen gegeven: < 2 uur
: schuren, garages, tuinhuisjes, gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, tijdelijke loodsen, opslagplaatsen, overkappingen/overdekte terrassen aan woningen;
< 2 uur, tenzij
: voor gebouwen voor het telen van groenten, fruit en overige gewassen en het houden van vee zoals varkensstallen, koeienstallen, kippenstallen e.d. wordt aangenomen dat zij niet voldoen aan het verblijfscriterium en dat dus geen bodemtoets plaatsvindt, tenzij uit de aanvraag en het aangegeven gebruik vast komt te staan dat wel voldaan wordt aan het verblijfscriterium;
> 2 uur, tenzij
: voor gebouwen voor de distributie van goederen (groothandels e.d.) wordt aangenomen dat zij wel voldoen aan het verblijfscriterium en dat dus op grond daarvan een bodemtoets dient plaats te vinden, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet het geval is.
> 2 uur
: woningen, recreatiewoningen, scholen, kantoren, bedrijfsgebouwen, etc.
Het betreffende onderzoek naar de bodemgesteldheid bestaat uit:
Een recent milieuhygiënisch (verkennend) bodemonderzoek conform NEN 5740 [14], en;
Indien het vermoeden bestaat dat asbest in de bodem aanwezig is een (verkennend/nader) asbest in grond onderzoek conform NEN 5707 [26].
Onder een recent bodemonderzoek wordt verstaan een onderzoek dat niet ouder is dan 5 jaar (geldigheidstermijn) [31]. Indien onderzoeken verouderd zijn met een maximum van 10 jaar kan volstaan worden met aanleveren van een aanvullend bodemonderzoek conform NEN5740 van alleen de bovengrond. Voorwaarde hiervoor is wel dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd en er geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Indien bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden na uitvoering van het bodemonderzoek, dient het bodemonderzoek geactualiseerd te worden. De opzet van het actualiserend bodemonderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de bodembedreigende activiteiten. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. De gemeente Best toetst de bodemonderzoek(en) aan de Woningwet (art.8) [34] en de Bouwverordening [30]. In de Woningwet en de Bouwverordening (art. 2.4.1) zijn regels opgenomen om het bouwen op
pagina 24 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
verontreinigde grond tegen te gaan. Er mag niet gebouwd worden op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van gebruikers. Dit geldt voor bouwwerken:
waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsruimten);
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist; en 1. die de grond raken of; 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Indien door de gemeente vrijstelling wordt verleend voor het indienen van een verkennend bodemonderzoek, moet de gemeente toetsen of er al bodemonderzoeken bekend zijn bij de gemeente waaruit blijkt dat er sprake is van sterk verontreinigd grond en/of grondwater. Indien uit een ingediend of reeds bekend bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van sterk verontreinigde grond en/of grondwater kan de gemeente de Omgevingsvergunning bouwen onder voorwaarden verlenen (art. 2.4.2, Bouwverordening). Er kan sprake zijn van twee situaties: Geval van niet-ernstige bodemverontreiniging of nieuwe bodemverontreinigingen De Omgevingsvergunning bouwen kan worden verleend onder de voorwaarde dat de bodem (grond en/of grondwater) geschikt gemaakt wordt voor het beoogde doel (zie § 5.1.2). Na afloop van de saneringswerkzaamheden dient een saneringsevaluatie ingediend te worden bij de gemeente. Het starten van de bouwwerkzaamheden voordat ingestemd is met de saneringsevaluatie is toegestaan, mits vooraf afstemming heeft plaatsgevonden met de gemeente en voldaan is aan de saneringsdoelstelling. Geval van ernstige bodemverontreiniging De Omgevingsvergunning bouwen kan worden verleend, maar treedt conform art.
6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) onverminderd niet in werking als er ter plaatse van het bouwwerk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan vóór 1 januari 1987 conform de Wet bodembescherming. De omgevingsvergunning treedt pas in werking als:
vastgesteld is dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarbij een spoedige sanering noodzakelijk is (art. 29 en 37, Wet bodembescherming); of
er ingestemd is met een (deel)saneringsplan (Wbb art. 39, tweede lid) én het desbetreffende besluit in werking is getreden; of
er een BUS-melding (Wbb art. 39b, derde lid) is verricht en de gesteld termijn (5 weken) is verstreken.
Na afloop van de saneringswerkzaamheden dient een saneringsevaluatie ingediend te worden bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Het starten van de bouwwerkzaamheden voordat ingestemd is met de saneringsevaluatie is toegestaan, mits vooraf afstemming heeft plaatsgevonden met het bevoegd gezag en voldaan is aan de saneringsdoelstelling.
pagina 25 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
4.3 Wet milieubeheer en activiteitenbesluit In artikel 1.1a van de Wet milieubeheer (Wm) [36] staat: 'Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.' Deze zogenoemde zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen 'die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.' Het zorgplichtartikel uit de Wm verplicht (evenals het algemene zorgplichtartikel 13 uit de Wbb [28]) om nieuwe bodemverontreiniging op te ruimen en vormt het uitgangspunt voor het opleggen van specifieke bodemgerelateerde voorschriften in de vergunning (omgevingsvergunning milieu) of in algemene regels (Activiteitenbesluit) [37]. 4.3.1 Omgevingsvergunning milieu De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit milieu wordt ten aanzien van preventieve bodembescherming getoetst aan de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) [35]. Op basis van de NRB voert aanvrager een bodemrisicoanalyse uit om zo de aard en de mate van bodembedreigende activiteiten te bepalen.
Als sprake is van bodembedreigende activiteiten, dan is in het merendeel van de gevallen het uitvoeren van een bodemonderzoek verplicht. In de vergunning dienen zowel voorschriften voor het vastleggen van de nulsituatie als voor het uitvoeren van de eindsituatie te worden opgenomen. Bij actualisatie van omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan om een nulsituatie bodemonderzoek worden gevraagd als er binnen de inrichting nieuwe bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. In de vergunning kan daarnaast worden opgenomen dat periodiek een herhalingsbodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Het herhalingsonderzoek maakt vroegtijdig ingrijpen door de - dan nog - actieve inrichting mogelijk bij onverhoopte verontreiniging van de bodem. De locatie (bodemtype), de mobiliteit van de bodembedreigende stoffen en het verspreidingsrisico spelen een rol bij de keuze voor een herhalingsfrequentie. Per geval wordt beoordeeld of het nodig is om een herhalingsbodemonderzoek voor te schrijven in de omgevingsvergunning. 4.3.2 Melding Activiteitenbesluit milieubeheer Bij bedrijven, die onder het Activiteitenbesluit vallen, wordt in een aantal voorschriften van het besluit specifiek aandacht besteed aan bodemaspecten. Op grond van artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit zijn er een drietal momenten dat bodemonderzoek verplicht is: 1.
Wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. De resultaten van het nulsituatie bodemonderzoek worden binnen drie maanden na oprichting van de inrichting toegezonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 1). Een uitzondering hierop is dat een IPPC-installatie op grond van artikel 4.3 lid 1 van de Ministeriele regeling omgevingsrecht (MOR) [29] een onderzoeksrapport moet aanleveren voor de start van de activiteiten.
2.
Wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat het nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem
pagina 26 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit. Het bevoegd gezag stelt dit met een ‘maatwerkvoorschrift’ vast, zijnde een besluit (art. 2.11, lid 2). 3.
Wanneer een dergelijke inrichting wordt beëindigd, of de IPPC-installatie, of na beëindiging van het opslaan van een vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse tank. De resultaten van het eindsituatiebodemonderzoek worden binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de beëindiging van opslag in een ondergrondse tank verzonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 3).
4.3.3 Nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek Hoewel conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) bij bodembedreigende activiteiten altijd een nulsituatie bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, blijkt uit diverse jurisprudentie van de Raad van State, dat bij een bedrijf met een verwaarloosbaar bodemrisico geen nulsituatie bodemonderzoek verlangd mag worden zonder een deugdelijke motivering. Voor de mogelijke mate van bodemverontreiniging speelt naast de omvang ook de aard van de gebruikte stoffen een belangrijke rol. Het risico op bodemverontreiniging alsmede de ernst en omvang hiervan is in grote mate gerelateerd aan de mobiliteit van de stof. Gelet op het voorgaande, zal de gemeente Best het al dan niet verlangen van een nulsituatie bodemonderzoek af laten hangen van zowel de omvang van de betreffende activiteit, alsmede de aard van de verontreinigende stof, overeenkomstig tabel 4.1. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen agrarische en niet-agrarische bedrijven.
Tabel 4.1:
noodzaak nulsituatiebodemonderzoek in relatie tot omvang activiteit en aard stoffen Aard
Immobiel
*)
Omvang
NRB
: t/m 200 l of kg
mobiel
: t/m 100 l of kg
zeer mobiel
: t/m 25 l of kg
Immobiel
: onbeperkt
mobiel
: t/m 5.000 l of kg
zeer mobiel
: t/m 1.000 l of kg
Immobiel
: n.v.t.
mobiel
: > 5.000 l of kg
zeer mobiel
: > 1.000 l of kg
Zeer gering
Blijft buiten beschouwing
Verwaarloosbaar
Gering
bodemrisico
Aanzienlijk
Verwaarloosbaar bodemrisico
Voorziening
0-sit.*)
Waar nodig beperkte voorschriften ter bescherming
Nee
van de bodem Vloeistofkerende voorziening Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening
Nee Nee
Vloeistofkerende voorziening Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening
Ja Nee
0-sit.: nulsituatie bodemonderzoek.
Eisen nul- en eindsituatiebodemonderzoek Het nulsituatiebodemonderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740 [14] en uitgevoerd te worden conform de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige belasting (NUL) of de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige ondergrondse opslagtank(s) (NUL-OO). Een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens dezelfde strategie en op dezelfde plaats als het voorgaande nulsituatie bodemonderzoek. Indien geen nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is kan een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek plaatsvinden volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijk bodembelasting met duidelijke verontreinigings-
pagina 27 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
kern (VEP) of volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtank(s) (VEP-OO). Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden (art. 2.11, lid 8, Activiteitenbesluit). Een aanwezige vloeistofdichte vloer of verharding wordt ten behoeve van het onderzoek niet doorboord of anderszins aangetast (art. 2.11, lid 9, Activiteitenbesluit). Er kan in dat geval worden volstaan met onderzoek van het grondwater aan de stroomafwaartse zijde zo dicht mogelijk bij de bron. Voor het bepalen van de benodigde analyses kan gebruik gemaakt worden van het overzicht kritische paramaters, zie bijlage 8. 4.3.4 Herstelplicht Indien uit het eindsituatiebodemonderzoek blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag de bodemkwaliteit is hersteld tot: 1.
de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport van een nulsituatie bodemonderzoek;
2.
de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen rapport van een nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is.
Gelet op dit laatste kan het dus in het belang van de drijver van de inrichting zijn om wel een nulsituatiebodemonderzoek uit te voeren om te voorkomen dat deze verantwoordelijk kan worden gesteld voor de sanering van al aanwezige verontreinigingen. Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is, door een persoon of instantie die een erkenning bezit op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Degene die de inrichting drijft meldt de aanvang en de afronding van de werkzaamheden direct aan het bevoegd gezag.
pagina 28 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
5
Het saneren van een bodemverontreiniging (procedures wijzigen bij het ingaan van de Omgevingswet)
Indien op een terrein sprake is van een bodemverontreiniging, zal dit in vele gevallen beperkingen geven voor eventuele ontwikkelingen op een locatie. Om een locatie geschikt te maken voor het toekomstige gebruik is in deze situaties vaak een bodemsanering noodzakelijk. In de Wet bodembescherming (Wbb) [28] zijn regels opgenomen om de bodem te beschermen, daarnaast zijn er regels opgenomen over hoe om te gaan met gevallen van ernstige bodemverontreiniging. In de Circulaire bodemsanering 2013 [38] wordt ingegaan op het milieuhygiënisch saneringscriterium (wanneer is saneren noodzakelijk en op welke termijn) en de saneringsdoelstelling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende vormen van bodemverontreiniging en welke instantie het bevoegde gezag is. Daarnaast wordt kort de procedure besproken, welke doorlopen dient te worden om de bodemverontreiniging te saneren.
5.1 Historische bodemverontreiniging Indien een bodemverontreiniging wordt aangetroffen moet vastgesteld worden of sprake is van een historische verontreiniging of van een recente ‘nieuwe’ verontreiniging. Er is sprake van een historisch geval van bodemverontreiniging als deze ontstaan is vóór 1 januari 1987. Voor asbest geldt dat sprake is van een historisch geval van bodemverontreiniging als deze ontstaan is vóór 1 juli 1993 (vanaf die datum is het in Nederland verboden om asbest(houdende) materialen te (her)gebruiken). In alle andere situaties is sprake van een zogenaamd nieuw geval van bodemverontreiniging (zie § 5.2). 5.1.1 Geval van ernstige bodemverontreiniging Indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, is de ODZOB namens de provincie Noord-Brabant bevoegd gezag Wet bodembescherming. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof het gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van een grondverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en er toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.
Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Voor asbest is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien het gehalte aan asbest (gewogen) in de grond de interventiewaarde 100 mg/kg ds overschrijdt. In tegenstelling tot andere stoffen geldt voor asbest geen volumecriterium. Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld, dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Er dient dan te worden bepaald of er sprake is van
pagina 29 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
onaanvaardbare risico’s bij het huidige of toekomstig gebruik, in welk geval er spoedig moet worden gesaneerd. De spoedeisendheid wordt bepaald door middel van de uitvoering van een risicobeoordeling, waarbij vastgesteld wordt of sprake is van onaanvaardbare actuele humane, ecologische of verspreidingsrisico’s. De volgende gevallen van kunnen zich voordoen:
Geval van ernstige bodemverontreiniging dat met spoed gesaneerd dient te worden (spoedlocatie). De ODZOB zal een saneringsverplichting opleggen, met een termijn waarbinnen de bodemsanering uitgevoerd zal moeten worden (veelal binnen 4 jaar na het afgeven van de beschikking ‘ernst en spoed’).
Geval van ernstige bodemverontreiniging dat niet met spoed gesaneerd dient te worden. Het is niet noodzakelijk om deze bodemverontreiniging direct te saneren. Het saneren kan plaatsvinden op een ‘natuurlijk’ moment, zoals bij (her)ontwikkeling of graafwerkzaamheden op een locatie.
Indien een geval van (mogelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt aangetroffen binnen de gemeente, dan meldt de gemeente dit bij het bevoegd gezag (Art. 41, Wbb). Een groot deel van de saneringen wordt uitgevoerd onder het Besluit Uniform Saneren (BUS), waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. Het BUS is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd middels diverse standaardaanpakken kunnen worden afgerond. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor, waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. Indien een bodemsanering wordt uitgevoerd, moet de bodem ten minste geschikt gemaakt worden voor de functie die de locatie krijgt na sanering, waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast moet het risico voor verspreiding en de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem (de nazorg) zo veel mogelijk beperkt worden (art. 38 Wbb). Bovenstaande geldt niet voor een BUS-melding tijdelijk uitplaatsen (BUS-TUP). Hierbij blijft de verontreinigingssituatie ongewijzigd. Wel moet een melding BUS-TUP worden ingediend om te waarborgen dat civieltechnische werkzaamheden op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden uitgevoerd.
De terugsaneerwaarden voor immobiele verontreinigingen dient bij voorkeur aan te sluiten bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart. Hiervan mag bij een saneringsplan gemotiveerd worden afgeweken (bij BUS-melding is afwijken niet mogelijk). Het aanvullen van een saneringsput valt onder het Besluit bodemkwaliteit, de aanvulgrond moet daardoor voldoen aan de gemeentelijke kwaliteitseisen (zie hoofdstuk 2 en 3). Bij een saneringsplan kan ook hier gemotiveerd van worden afgeweken. De sanering van mobiele verontreinigingen moet leiden tot een kwaliteit van grond en grondwater die het gewenste gebruik van de boven- en ondergrond mogelijk maakt, de risico’s van de verspreiding van (rest)verontreinigingen na sanering zo veel mogelijk beperkt en zo min mogelijk nazorg vereist. Dit kan worden beschouwd als een ‘stabiele, milieuhygiënisch acceptabele eindsituatie’. De precieze invulling
pagina 30 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
hiervan hangt af van de kosteneffectiviteit van de sanering (afweging van onder andere kosten, technische mogelijkheden en eventuele nazorg voor de verontreiniging die achterblijft). Indieningsvereisten Om een bodemverontreiniging te saneren dient een saneringsplan of een melding Besluit Uniforme Sanering (BUS-melding) [8,9] ter beoordeling ingediend te worden bij de ODZOB. De standaard beoordelingstermijn voor een saneringsplan is 15 weken en voor een BUS-melding afhankelijk van het type melding 5 werkdagen (alleen voor categorie tijdelijk uitplaatsen waarvoor geen milieukundige begeleiding is vereist) of 5 weken (alle overige gevallen). De bodemsanering dient uitgevoerd te worden door een SIKB-BRL7000 [39] gecertificeerde aannemer en (in de meeste gevallen) begeleidt te worden door een SIKB-BRL 6000 [40] milieukundige begeleider. Na afronding van de bodemsanering dient binnen 8 weken een saneringsverslag of BUS-evaluatieformulier ingediend te worden bij de ODZOB. Namens de provincie Noord-Brabant beoordeelt de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) de saneringsplannen en saneringsevaluaties. Voor de juiste wijze van indienen wordt verwezen naar de website van de ODZOB (www.odzob.nl). Omgevingswet Bij het ingaan van de Omgevingswet zal er een bevoegdheidsverschuiving plaatsvinden.
De gemeente Best wordt dan bevoegd gezag voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging met uitzondering van de gevallen waarvoor al een beschikking is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is of waarvoor al een saneringsplan of BUS-melding is ingediend en voor grondwaterverontreinigingen. 5.1.2 Geval van niet-ernstige bodemverontreiniging Indien sprake is van een geval van niet-ernstige bodemverontreiniging, kan de gemeente op grond van het Besluit bodemkwaliteit voorwaarden voorschrijven om deze niet-ernstige gevallen te verwijderen zodat voldaan wordt aan de gebiedskwaliteit. De gemeente Best wil voorkomen dat sterk verontreinigde grond (met gehalte boven de interventiewaarde) vergraven wordt, dan wel elders wordt toegepast waardoor de lokale bodemkwaliteit kan verslechteren. Indien een initiatiefnemer graafwerkzaamheden wil uitvoeren in sterk verontreinigde grond, dan dient dit gemeld te worden bij de gemeente door middel van het indienen van een plan van aanpak. De terugsaneer-waarden dienen aan te sluiten bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassen-kaart. Het plan van aanpak dient 4 weken voor aanvang van de graafwerkzaamheden ter beoordeling te zijn ingediend bij de gemeente. De bodemsanering van niet-ernstige gevallen valt formeel niet onder de Kwalibo-regelgeving.
De aannemer en de milieukundige begeleider hoeven niet gecertificeerd te zijn volgens de SIKB-BRL 7000 en de SIKB-BRL 6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. De gemeente zal voor het uitvoeren van bodemsaneringen altijd gebruik maken van erkende bodemintermediairs.
pagina 31 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Na afloop van de graafwerkzaamheden dient binnen een termijn van 4 weken een saneringsverslag te worden aangeleverd. De gemeente heeft 4 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. Het plan van aanpak en de evaluatie kunnen ingediend worden via vergunningen@gembest.nl.
5.2 Nieuwe bodemverontreinigingen (zorgplicht) Voor bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 geldt dat sprake is van zorgplicht conform art. 13 Wet bodembescherming (Wbb) en art. 1.1a Wet milieubeheer (Wm). De omvang en mate van verontreiniging is hierbij niet relevant, dus kan ook betrekking hebben op verontreinigingen met een omvang van kleiner dan 25 m2 en/of gehalten kleiner dan de interventiewaarde. Op basis van deze artikelen is de veroorzaker van een bodemverontreiniging verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de verontreiniging ongedaan te maken. Dit houdt in dat de bodemverontreiniging in principe volledig verwijderd dient te worden, met inachtneming van het redelijkerwijs beginsel. Indien de bodemverontreiniging is ontstaan door een ongewoon voorval (calamiteit), dienen de sanerende maatregelen onverwijld genomen te worden om verdere verspreiding van de bodemverontreiniging tegen te gaan. De ODZOB is namens de provincie Noord-Brabant bevoegd gezag voor nieuwe bodemverontreinigingen buiten Wm-inrichtingen (art. 13 en 30 Wbb en art 17.9, lid 3 Wm). De gemeente is enkel bevoegd om handhavend op te treden bij het constateren van een nieuwe verontreiniging (art. 95 Wbb).
De veroorzaker van de verontreiniging wordt hierbij verplicht gesteld om de verontreiniging te verwijderen. De zaak wordt vervolgens afgehandeld door de ODZOB. Binnen Wm-inrichtingen conform de Wet milieubeheer is het bevoegd gezag voor nieuwe bodemverontreinigingen de vergunningverlenende instantie van de Omgevingsvergunning milieu (art. 17.2 en 17.9 Wm). Afhankelijk van het type inrichting is dit de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) namens de provincie of de gemeente. Indien de gemeente bevoegd gezag is, stemt de gemeente de benodigde herstelmaatregelen af met het bevoegd gezag Wet bodembescherming (ODZOB) (art. 17.2, lid 3 en 17.9, lid 5 Wm). 5.2.1 Nieuwe bodemverontreinigingen buiten Wm-inrichtingen De veroorzaker van bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 buiten Wm-inrichtingen, is verplicht om verdere aantasting van de bodem te voorkomen en de aantasting zo veel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging is ontstaan als gevolg van een calamiteit (ongewoon voorval) dienen de maatregelen direct genomen (zonder uitstel) te worden om verdere verspreiding te voorkomen. Dit heeft alleen zin als de verontreiniging kort geleden is ontstaan en het eenvoudig is op te ruimen door middel van ontgraving.
pagina 32 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Degene die de bodemverontreiniging veroorzaakt of opmerkt meldt dit aan het bevoegd gezag (ODZOB) en geeft aan welke maatregelen worden genomen om de verontreiniging ongedaan te maken (art. 27 Wbb). De melding kan gedaan worden via bodemloket@odzob.nl. In het geval van een calamiteit (ongewoon voorval) moet de veroorzaker in de gelegenheid gesteld worden om de benodigde maatregelen te nemen om de verontreiniging ongedaan te maken. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegd gezag acties (laten) uitvoeren en deze later in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is sprake van rauwelijkse bestuursdwang (art 5.24 Algemene wet bestuursrecht) [6]. De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld. De ODZOB is het bevoegde gezag voor het beoordelen en handhaven van deze nieuwe bodemverontreinigingen. Indieningsvereisten Om een nieuwe bodemverontreiniging te saneren dient een plan van aanpak ter beoordeling ingediend te worden bij de ODZOB. In geval van een calamiteit kan direct gestart worden met de sanering en is een melding voldoende. De bodemsanering zal uitgevoerd moeten worden door een SIKB-BRL7000 gecertificeerde aannemer en begeleidt dienen te worden door een SIKB-BRL 6000 milieukundige begeleider. Uitzondering hierop vormen situaties waarin direct handelen is vereist (calamiteiten).
In deze situatie hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn volgens SIKB-BRL7000 (bereddering), de milieukundige begeleider bepaald de ontgravingsgrenzen en verzorgt de eindbemonstering. Na afloop van de graafwerkzaamheden zal binnen een termijn van 8 weken een saneringsevaluatie ter beoordeling aangeleverd moeten bij de ODZOB. De meldingen, het plan van aanpak en de saneringsevaluatie kunnen ingediend worden via bodemloket@odzob.nl. Regeling verwijdering calamiteuze stoffen (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 23-12-2019) De “Regeling Verwijdering Calamiteuze Stoffen” (hierna RVCS) [41] is bedoeld om op een verantwoorde wijze gevaarlijke stoffen, onbekende stoffen en lege verpakkingen van gevaarlijke stoffen, die vrijkomen bij een calamiteit of onbeheerd worden aangetroffen of gedumpt (niet zijnde in een gebouw), af te voeren. Tevens is de RVCS bedoeld om de gevolgen van deze calamiteit of dumping voor de bodem ongedaan te maken. De gemeente Best heeft de RVCS vastgesteld waarmee regionaal dezelfde werkwijze wordt gehanteerd bij het aantreffen van calamiteuze stoffen (voornamelijk drugsafval). Indien er een calamiteit heeft plaats gevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt, zal in overleg met de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant direct gestart worden met de bodemsanering.
De milieukundig begeleider stelt binnen één week na ontvangst van de analyseresultaten een briefrapport op over de uitvoering van de bodemsanering en stuurt dat ter beoordeling naar bodemloket@odzob.nl.
pagina 33 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Voor een nadere toelichting over de werkwijze bij het aantreffen van calamiteuze stoffen wordt verwezen naar de RVCS.
5.2.2 Nieuwe bodemverontreinigingen binnen Wm-inrichtingen De veroorzaker van bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 binnen Wm-inrichtingen, is verplicht om verdere aantasting van de bodem te voorkomen en de aantasting zo veel mogelijk ongedaan te maken (art. 1.1a Wm en art. 2.11 Activiteitenbesluit) [37]. Indien de verontreiniging is ontstaan als gevolg van een calamiteit (ongewoon voorval) dienen de maatregelen direct genomen (zonder uitstel) te worden om verdere verspreiding te voorkomen (art. 17.1 Wm). Dit heeft alleen zin als de verontreiniging kort geleden is ontstaan en het eenvoudig is op te ruimen door middel van ontgraving. Bij een calamiteit wordt hiervan melding gemaakt bij het bevoegd gezag (de gemeente of bij provinciale inrichtingen de OMWB, zie § 5.2) (art. 17.2 Wm). Indien het uit een (eindsituatie) bodemonderzoek blijkt dat er door de activiteiten van de inrichting de bodemkwaliteit is aangetast, dan zorgt de drijver van de inrichting dat de bodemkwaliteit hersteld wordt en er binnen 6 maanden een evaluatie is ingediend bij het bevoegde gezag (art. 2.11 Activiteitenbesluit). Bij geen directe spoed zal voor aanvang een plan van aanpak ter beoordeling ingediend moeten worden bij het bevoegd gezag (art. 2.9a, Activiteitenbesluit). Zie ook §4.3.4.
Indieningsvereisten Om een nieuwe bodemverontreiniging te saneren binnen een inrichting dient een plan van aanpak ter beoordeling ingediend te worden bij de gemeente (of OMWB bij provinciale inrichtingen). In geval van een calamiteit kan direct gestart worden met de sanering en is een melding voldoende. De bodemsanering zal uitgevoerd moeten worden door een SIKB-BRL7000 gecertificeerde aannemer en begeleidt dienen te worden door een SIKB-BRL 6000 milieukundige begeleider. Uitzondering hierop vormen situaties waarin direct handelen is vereist (calamiteiten). In deze situatie hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn volgens SIKB-BRL7000 (bereddering), de milieukundige begeleider bepaald de ontgravingsgrenzen en verzorgt de eindbemonstering. Na afloop van de graafwerkzaamheden zal binnen een termijn van 8 weken een saneringsevaluatie ter beoordeling aangeleverd moeten bij de gemeente (of OMWB bij provinciale inrichtingen). De meldingen, het plan van aanpak en de saneringsevaluatie kunnen ingediend worden via vergunningen@gembest.nl. Voor provinciale inrichtingen dient contact opgenomen te worden met de Omgevingsdienst Midden en West-Brabant (OMWB).
pagina 34 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
6
Bodeminformatie
Alle bij de gemeente bekende gegevens over bodemonderzoeken en saneringen worden bijgehouden in het gemeentelijk bodeminformatiesysteem. Inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit kan noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld het uitvoeren van een bodemonderzoek, de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging of omgevingsvergunning, de aan/verkoop van een woning of als er graafwerkzaamheden in de bodem noodzakelijk zijn. De bodeminformatie van de gemeente Best is online raadpleegbaar via de kaart ‘Omgevingsrapportage Noord-Brabant’. Aan de rechterzijde op de website ‘Omgevingsrapportage Noord-Brabant’ zit een pulldownmenu waar verschillende kaartlagen geselecteerd kunnen worden. Aan de linkerzijde kan de gewenste locatie opgezocht worden en is er de mogelijkheid om een rapportage met de bodeminformatie op te vragen (PDF). Op de website en in de rapportage wordt de volgende informatie weergegeven: •
historische informatie over potentieel bodembedreigende activiteiten die zijn of worden uitgevoerd (historisch bodembestand);
•
rapporten van uitgevoerde bodemonderzoeken;
•
aanwezige grond- en grondwaterverontreinigingen;
•
saneringsplannen en saneringsevaluaties van in uitvoering zijnde of afgeronde bodemsaneringen.
In de rapportage worden eveneens de bodemgegevens geleverd in een straal van 25 meter rondom de geselecteerde locatie. Daarnaast is vaak een beknopte samenvatting aanwezig met de resultaten van de bodemonderzoeken. De gemeentelijke bodemdossiers kunnen worden opgevraagd via vergunningen@gembest.nl. Binnen 10 werkdagen zal de gemeente reageren. In de omgevingsrapportage worden ook de bodemdossiers van de Provincie Noord-Brabant weergegeven. Deze bodemdossiers zijn op te vragen bij de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant via bodemloket@odzob.nl.
pagina 35 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 1
Referenties
1.
Besluit bodemkwaliteit, 22 november 2007;
2.
Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007;
3.
Nota van toelichting op het Besluit bodemkwaliteit;
4.
Nota van toelichting op de Regeling bodemkwaliteit;
5.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;
6.
Algemene Wet bestuursrecht;
7.
Bodemkwaliteitskaart gemeente Best (Lievense Milieu B.V., kenmerk: SOB010395.RAP001, d.d.: december 2019);
8.
Besluit uniforme saneringen;
9.
Regeling uniforme saneringen;
10.
Bestemmingsplannen;
11.
Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009);
12.
Bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant (Anteagroup, kenmerk: 0462683.100, d.d.: 28-10-2020);
13.
Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, VROM & Ministerie van Verkeer en Waterstaat;
14.
NEN 5740. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond;
15.
Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie 2 juli 2020);
16.
Keur Waterschap De Dommel 2015;
17.
Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie (Agentschap NL, kenmerk: mca/201004004, d.d.: 7 juli 2010);
18.
BRL SIKB 7500. Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie;
19.
BRL 9335. Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond;
20.
BRL SIKB 1000. Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen, Protocol 1001 – Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie;
21.
NEN 5720. Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie.
22.
CROW 400: Werken in en met verontreinigde bodem, richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risico
23.
NEN 5725. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en
24.
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
25.
Besluit Ruimtelijke Ordening;
26.
NEN 5707. Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond;
gestuurd werken (Kennisplatform CROW, tweede gewijzigde druk, december 2017) nader onderzoek;
27.
NTA 5755. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging;
28.
Wet bodembescherming;
29.
Ministeriële regeling omgevingsrecht;
30.
Bouwverordening Best;
31.
Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering;
32.
Besluit Omgevingsrecht;
33.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
34.
Woningwet;
35.
Nederlandse Richtlijn bodembescherming 2012 (NRB), Agentschap NL, maart 2012;
36.
Wet Milieubeheer;
37.
Activiteitenbesluit Milieubeheer;
38.
Circulaire bodemsanering 2013;
39.
BRL SIKB 7000. Beoordelingsrichtlijn Uitvoering (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem;
40.
BRL 6000. Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg.
41.
Regeling verwijdering calamiteuze stoffen (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, d.d.: 23-12-2019).
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 2
Begrippenlijst
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Achtergrondwaarden Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
Baggerspecie Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, evenals van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Bodembeheergebied Aaneengesloten, afgebakend deel van de oppervlakte van één of meer gemeenten of het beheergebied van één of meer waterkwaliteitsbeheerders.
Bodemfunctie Gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling.
Bodemfunctieklasse Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties:
Industrie;
Wonen;
Overig (landbouw/natuur).
Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de bodemfunctieklassen staan aangegeven.
Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten in een gebied. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).
Bodemkwaliteitskaart Kaart waarop zones met gelijke chemische bodemkwaliteit staan aangegeven.
Bodemkwaliteitsklasse In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:
klasse Landbouw/Natuur (AW2000): o
de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de achtergrondwaarden;
klasse Wonen:
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
o
de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de maximale waarde van de bodemfunctie Wonen;
klasse Industrie :
o
de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de maximale waarde van de bodemfunctie Industrie.
Bodemkwaliteitszone Aaneengesloten deel of meerdere niet aaneengesloten delen van een beheersgebied met een gelijke ontstaans- en gebruiksgeschiedenis, als gevolg waarvan sprake is van een vergelijkbare actuele kwaliteit van de bodem. Een bodemkwaliteitszone is ook in verticale richting begrensd.
Erkende kwaliteitsverklaring Schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens het besluit bodemkwaliteit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven wijze.
Fabrikant-eigenverklaring Schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen. Een overzicht van fabrikant-eigenverklaringen wordt gepubliceerd op de site van Bodem+ (www.bodemplus.nl).
Functionele en nuttige toepassing Partijen grond en baggerspecie mogen alleen worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen andere regels. Nuttig toepassen betekent ook dat niet meer materiaal mag worden toegepast dan nuttig of nodig is. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om een geluidswal aan te leggen in een gebied waar dit niet nodig is, of die hoger is dan nodig om het geluid te weren. De onderstaande toepassingen van grond en baggerspecie worden beoordeeld als nuttige, functionele toepassingen: a)
Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.
b)
Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouwen
c)
Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats,
natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid. met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal. d)
Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. e)
Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.
f)
Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen.
g)
Verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment.
h)
Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in oppervlaktewater.
i)
Tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.
Gesaneerde locatie Locatie waarop de sanering van een aanwezige ernstige bodemverontreiniging is afgerond en goedgekeurd middels een beschikking op het evaluatierapport (en eventueel nazorgplan) door het bevoegd gezag Wet bodembescherming.
Grond Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie. Grootschalige (bodem)toepassing Een bijzonder toepassingskader binnen het Besluit bodemkwaliteit (zie § 3.1.1).
Interventiewaarden Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet Bodembescherming. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).
Milieuhygiënische verklaring a)
voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende kwaliteitsverklaring, en
b)
voor grond, baggerspecie of de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem.
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de te verwachten gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De kaart doet dus alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden indien afkomstig van een onverdachte locatie. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit kan vallen in één van de vier onderscheiden klassen: •
Klasse Landbouw/Natuur (AW2000).
•
Klasse Wonen.
•
Klasse Industrie.
•
Klasse Niet toepasbaar.
Ontvangende bodem Bodem waarop of waarin grond wordt hergebruikt of toegepast. Ontvangstplicht In artikel 5.23 van de Waterwet is een verplichting opgenomen voor rechthebbenden van gronden, gelegen aan of in een oppervlaktewaterlichaam, om baggerspecie en maaisel te ontvangen, die in het kader van regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd. Deze gedoogplicht geldt voor onderhoud door of onder toezicht van de beheerder van het oppervlaktewater. Tevens dienen zij onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan waterstaatswerken te gedogen. De beheerder stelt de rechthebbenden ten minste achtenveertig uur van tevoren schriftelijk in kennis van de voorgenomen werkzaamheden. In het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) zijn de milieuhygiënische randvoorwaarden voor het verspreiden van baggerspecie opgenomen.
Partij Een partij is een identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast. Daarom geldt het volgende: Bodem en waterbodem (in-situ) resp. grond en baggerspecie (depots – dus na ontgraving) mogen worden aangemerkt als één partij (tot een maximum van 10.000 ton), als:
sprake is van een eenduidige en gelijke textuur, bepaald overeenkomstig NEN 5706, en
sprake is van aaneengesloten percelen of depots, en
de aangetroffen bijmengingen van de individuele partijen, qua samenstelling en percentage, bepaald conform protocol 2001, vergelijkbaar zijn, en
sprake is van een gelijke milieuhygiënische kwaliteitsklasse (vastgesteld aan de hand van een indicatieve partijkeuring zoals bedoeld in BRL 9335 en BRL 7500, verkennend bodemonderzoek, bodemverwachtingenkaart (waterbodem), historisch bodemonderzoek en/of vastgestelde bodemkwaliteitskaart van gemeente of waterkwaliteitsbeheerder).
Partijkeuring Schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het Besluit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld. Partijkeuringen grond kunnen zowel in-situ
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
als ex-situ worden uitgevoerd. Met een partijkeuring grond wordt de kwaliteit van de gehele partij grond vastgesteld.
Percentiel(waarde) Waarde waar beneden een bepaald percentage van de waarnemingen gelegen is. Bijvoorbeeld 90percentiel: 90% van de waarnemingen ligt beneden deze waarde.
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten De landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is voorgeschreven als een gemeente of waterschap een bodemkwaliteitskaart opstelt die wordt gebruikt voor hergebruik van grond en baggerspecie onder het Besluit. Met deze Richtlijn zijn tevens een aantal andere procedures geregeld, waaronder de te hanteren normwaarden, omgaan met uitbijters, vergelijkbaarheid, omgaan met ‘bijzondere omstandigheden’ en het in een kaart weergeven van de bodemkwaliteit en mogelijkheden tot grond- en baggerverzet.
Sterk verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden overschrijden. Indien sprake is van een bodemvolume van minimaal 25 m3 sterk verontreinigde grond spreekt met van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Sterk verontreinigde grond komt niet in aanmerking voor hergebruik.
Zorgplicht De zorgplicht houdt in, dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast (bijvoorbeeld door het toepassen of opslaan van een bouwstof, grond of baggerspecie, die niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen), verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde de verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan te voorkomen, te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 3
Bodemfunctieklassenkaart
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 4
Bodemkwaliteitskaarten boven- en ondergrond
Ligging bodemkwaliteitszones;
Ontgravingskaarten;
Toepassingskaarten (generiek kader Besluit bodemkwaliteit);
Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem).
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 5
Bodemkwaliteitskaarten PFAS
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 6
Stroomschema grondverzet
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 7
Bodemnormen
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST Bodemnormen (in mg/kg ds) voor een standaardbodem (humus 10% en lutum 25%) Circulaire bodemsanering 2013 AW
Regeling uniforme saneringen
Regeling bodemkwaliteit
T
I
AW
MW-W
(De Kempen)
MW-I
MW-V 1)
M-emissie
Emissie-TW
ABdK-M
ABdK-S
Zware metalen Arseen (As)
20
48
76
20
27
76
X
0,61
42
55
55
Barium (Ba)
-
-
920 3)
-
-
-
X
-
-
-
-
Cadmium (Cd)
0,6
6,8
13
0,6
1,2
4,3
X en 7,5
0,051
4,3
3,7
12
Chroom (Cr)
55
117,5 (Cr III), 66,5 (Cr VI)
180 (Cr III), 78 (Cr VI)
55
62
180
X
0,17
180
62
62
Kobalt (Co)
15
102,5
190
15
35
190
X
0,24
130
35
35
Koper (Cu)
40
115
190
40
54
190
X
0,24
113
190
190
Kwik (Hg)
0,15
18,1
36
0,15
0,83
4,8
X
0,49
4,8
0,83
0,83
Lood (Pb)
50
290
530
50
210
530
X
15
308
85
276
Molybdeen (Mo)
1,5
95,8
190
1,5
88
190
X
0,48
105
88
88
Nikkel (Ni)
35
67,5
100
35
39
100
X
0,21
100
39
39
Zink (Zn)
140
430
720
140
200
720
X
2,1
430
720
720
500
3000
-
-
190
190
40
- 2)
-
-
6,8
6,8
0,5
- 2)
-
-
0,02
0,02
Minerale olie Minerale olie (GC)
190
2595
5000
190
190
PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) PAK’s totaal (som 10)
1,5
20,8
40
1,5
6,8
PCB (polychloorbifenylen) PCB’s (som 7)
0,02
0,51
1
0,02
0,02
legenda: AW
:
achtergrondwaarde
MW-W
:
maximale waarde klasse wonen
ABdK-M
:
maximale waarde klasse wonen met moestuin
T
:
tussenwaarde
MW-I
:
maximale waarde klasse industrie
ABdK-S
:
maximale waarde klasse wonen met siertuin
I
:
interventiewaarde
MW-V
:
maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel 1) 2)
1)
M-emissie
:
maximale emissiewaarden
Emissie-TW
:
emissietoetswaarde
De msPAF wordt berekend voor de met X aangeduide stoffen. Indien geen waarde wordt ingevuld (bijvoorbeeld omdat de stof niet gemeten wordt) wordt gerekend met 0,7 * bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). De baggerspecie voldoet aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel indien: -
de gehalten van de gemeten stoffen lager zijn dan de Interventiewaarde bodem, niet zijnde de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, en;
-
voor organische stoffen: msPAF < 20%, en;
-
voor metalen: msPAF < 50%, waarbij voor cadmium een maximum gehalte geldt.
Voor gemeten stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF-berekening geldt de achtergrondwaarde (met uitzondering van somparameters waarbij de individuele parameters onderdeel uitmaken van de msPAF-berekening; deze uitzondering geldt niet voor dioxine (som TEQ) waarvan PCB118 onderdeel uitmaakt). Minerale olie maakt geen deel uit van de msPAF-berekening. In plaats van de Achtergrondwaarde geldt voor deze stof de waarde, die vermeld is in de kolom ‘Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel’. Voor toetsing aan de Achtergrondwaarden worden de toetsingsregels van de Achtergrondwaarden toegepast. Uit vloeit voort dat naast de msPAF toetsing ook een toets moet plaatsvinden aan de Interventiewaarden bodem. Voor metalen waarvoor geen Interventiewaarden bodem zijn vastgesteld, dienen de Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie te worden gehanteerd. 2)
Voor de individuele PAK’s en PCB’s geldt: X.
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST 3)
De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verh
achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. Deze voormalige interv interventiewaarden voor de meeste andere metalen en is voor barium inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg d.s.
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 8
Overzicht kritische parameters nulsituatie bodemonderzoek
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST Overzicht kritische parameters vanaf 18 juni 2018 (geactualiseerd, bruikbaar voor alle inrichtingen in de provincie Noord-Brabant) Kritische parameter
Analyse grond (** en ***)
Analyse grondwater (** en ***)
Asbest opslag
Activiteit (*)
Asbest
Asbest
n.v.t.
Bestrijdingsmiddelen
OCB's, PCB's
OCB's, PCB's
OCB's, PCB's
Benzine
Minerale olie (incl.vluchtig), BTEXN
Minerale olie en minerale olie vluchtig (C6-C10 (steekbus))
Minerale olie, minerale olie vluchtig (C6-C10), BTEXN
benzine vanaf 1988
Minerale olie (incl.vluchtig), BTEXN, MTBE en ETBE
Minerale olie en minerale olie vluchtig (C6-C10 (steekbus))
Minerale olie, minerale olie vluchtig (C6-C10), BTEXN, MTBE en ETBE
Diesel
Minerale olie
Minerale olie
Minerale olie
CZV, N-Kjeldahl, sulfaten, fosfaten, chloride en metalen
STAP-grond
STAP-grondwater, CZV, N-Kjeldahl, sulfaten, fosfaten en chloride
Flessenglas (container)
Macroparameters (CZV, N-Kjeldahl)
-
CZV, N-Kjeldahl
Houtopslag (geshredderd B-hout en
Fenolen en chloorfenolen, PAK, glycolen, BTEXN en zware
STAP-grond, fenolen, chloorfenolen (géén fenolindex), glycolen + As,
STAP-grondwater, fenolen, chloorfenolen (géén fenolindex), glycolen,
(on)geshredderd C-hout)
metalen
Cr
PAK + As, Cr
Electronicamaterialen, opslag
Metalen (soldeerverbindingen)
Sn, Pb, Ag, Cd
Sn, Pb, Ag, Cd
Kabelopslag
Metalen, minerale olie, PAK's, bitumen
STAP-grond
Brandstoffen
Subactiviteit
Compostering (gft, groenafval -> geen snoeihout)
STAP-grondwater STAP-grondwater, antimoon, vanadium, zilver, GC/MS-vluchtig (=
STAP, antimoon, barium, vanadium, zilver, diverse (niet)
STAP-grond, antimoon, vanadium, zilver, GC/MS-niet vluchtig (= PAK,
BTEXN, BTEXN uitgebreid, VOH, VOH uitgebreid, vluchtige
vluchtige organische componenten
OCB, PCB, ONB, OPB, niet vluchtige chloorbenzenen) + As, Cr
chloorbenzenen), GC/MS-niet vluchtig (= PAK, OCB, PCB, ONB, OPB,
Inzameling/ Milieustraten Opslag Klein Gevaarlijk Afval (KGA)
niet vluchtige chloorbenzenen) + As, Cr Opslag op inrichtingen Koelvloeistoffen (autobranche)
STAP-grond
STAP-grondwater
Glycolen
Glycolen
Glycolen
Metalen, minerale olie
Metalen, minerale olie
Metalen, minerale olie
Exclusief aluminium, ijzer en Metalenopslag (zoals ongesorteerd roestvrijstaal, mits er geen sprake schroot, draaisels) is van aanhangende olie
Olieopslag
Diesel, huisbrandolie
Minerale olie
Minerale olie
Minerale olie
motorolie, stookolie
Minerale olie
Minerale olie
Minerale olie
Afgewerkte olie (vat)
Minerale olie en PAK
Minerale olie en PAK
Minerale olie en PAK
Autodemontage, tankstation
Minerale olie, brandstoffen
Minerale olie
Minerale olie, BTEXN
o.a. Metaalbewerking:
minerale olie
Minerale olie
Minerale olie
STAP, methanol, ethanol, isopropylalcohol,
STAP-grond, methanol, ethanol, isopropylalcohol, glycolen (incl.
STAP-grondwater, methanol, ethanol, isopropylalcohol, glycolen (incl.
monoethyleenglycol, glycolen
monoethyleenglycol)
monoethyleenglycol)
STAP, Sb, CN-tot, CN-vr, F, SO4, asbest
STAP-grond + As, Cr
STAP-grondwater, Sb, CN-tot, CN-vrij, F, SO4 + As, Cr
STAP
STAP-grond
STAP-grondwater
minerale olie en vetten
minerale olie en vetten
minerale olie en vetten
STAP, Sb, CN-tot, CN-vr, F, SO4
STAP-grond + As, Cr
STAP-grondwater, Sb, CN-tot, CN-vrij, F, SO4 + As, Cr
Methanol, ethanol, isopropylalcohol, glycolen
Alcoholen (methanol, ethanol, isopropylalcohol), glycolen
Alcoholen (methanol, ethanol, isopropylalcohol), glycolen
Olieafscheider
Onbewerkte autowrakken Opslag grond (verontreinigde grond,
exclusief opslag grond t/m klasse
onbekende samenstelling)
industrie formeel geen nulsituatie nodig,
Opslag grond of baggerspecie (klasse maatwerk in relatie tot wonen en industrie) ontvangende bodem Plantaardige oliën en vetten, opslag Puinopslag / Bouw- en Sloopafval (BSA) / exclusief schoon puin zeefzand Ruitensproeiervloeistoffen (autobranche) Teerhoudend asfalt
Minerale olie, PAK
Minerale olie, PAK
Minerale olie, PAK
Verfopslag en verwerking
Oplosmiddelen, metalen, minerale olie
Metalen
STAP-grondwater, Alcoholen, Acetaten
Wasplaats / reinigingsmiddelen
Detergenten, metalen en minerale olie
STAP-grond
STAP-grondwater, detergenten (an-, kat- en non-ionische)
Zoutopslag
Chloride, cyaniden, metalen
STAP-grond, chloride, CN-tot, CN-vrij
STAP-grondwater, chloride, CN-tot, CN-vrij
Zuren en basen opslag
Metalen, zuurgraad
Metalen en pH
Metalen
* De lijst is niet volledig. Het zijn activiteiten die regelmatig voorkomen binnen inrichtingen in de Provincie Noord-Brabant. ** Per activiteit, maatwerk m.b.t. het analysepakket. Indien er aanwijzigingen/zintuiglijke waarnemingen zijn dat andere parameters als kritisch aangemerkt dienen te worden, dan opnemen in het te onderzoeken parameterpakket. *** Het is vaak goedkoper om analyses uit te voeren op het standaard NEN5740+A1-grond en/of grondwaterpakket (STAP), dan aparte analyses (individuele parameters). STAP = standaardpakket NEN5740+A1 minerale olie = C10-C40
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bijlage 9
Betrokkenen en verantwoordelijkheden grondverzet
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST