22022.3 - Nota bodembeheer gemeente Best 2022
Tekst van het document
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Archiefexemplaar van BL22-08221
- Nota bodembeheer 2022 gemeente Best
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST In opdracht van
Gemeente Best
Opgesteld door
Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven
Auteur(s)
Ing. P.F.G. van Bergen Ing. P.H.J. Maas
Kenmerk
Z.234409/D.872472
Datum
12-04-2022
Status
Definitief
-2-
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Samenvatting Voor u ligt de Nota bodembeheer van de gemeente Best. Door middel van deze Nota bodembeheer worden concrete richtlijnen gegeven voor een duurzaam beheer van de bodem. De nota is grotendeels gebaseerd op wettelijk landelijk (generiek) voorgeschreven beleid. Op een aantal onderdelen is eigen (gebiedsspecifiek) beleid geformuleerd. De Nota bodembeheer wordt vastgesteld voor een periode van 10 jaar. De bodemkwaliteitskaart is in 2020 vastgesteld voor een periode van maximaal 5 jaar. Ten grondslag aan de Nota bodembeheer liggen de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart en de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant. Bodemfunctieklassenkaart Het grondgebied van de gemeente is op basis van het huidig of toekomstig bodemgebruik ingedeeld in de bodemfunctieklassen Industrie, Wonen en Landbouw/Natuur. De bodemfunctieklasse bepaalt (mede) de kwaliteitseisen voor grond die binnen een gebied wordt toegepast en de terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen. Bodemkwaliteitskaart In de bodemkwaliteitskaart is een gemeente, op basis van bij de gemeente bekende onderzoeksgegevens, ingedeeld in zones met een gelijke bodemkwaliteit. Voor elke zone is zo de te verwachten kwaliteitsklasse (industrie / wonen / achtergrondwaarde) vastgesteld.
Locaties verdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging vallen niet onder de bodemkwaliteitskaart. Onder het generieke beleid bepaalt de bodemkwaliteitsklasse mede de kwaliteitseisen die gelden voor grond die binnen een gebied wordt toegepast. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodemkwaliteit in de gemeente Best voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’ (schone grond). PFAS is niet verhoogd ten opzichte van de landelijke normen voor Landbouw/Natuur. Nota bodembeheer Grondverzet Het hergebruiken van grond moet 5 werkdagen voor het daadwerkelijk toepassen gemeld worden bij het landelijk meldpunt bodemkwaliteit. In hoofdstuk 3 van de nota zijn de regels en voorwaarden voor grondverzet binnen de gemeente Best beschreven. De gemeente is hiervoor bevoegd gezag. De regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit.
Generiek (landelijk) beleid Conform het generieke beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit dient toe te passen grond geschikt te zijn voor de beoogde functie van de locatie en mag door het toepassen van de grond de kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren ('standstill-principe'). Hiertoe dient een dubbele toets te worden uitgevoerd. De kwaliteit van de toe te passen grond moet zowel voldoen aan de functieklasse (conform de
-3-
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
bodemfunctieklassenkaart) als aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (die volgt uit de bodemkwaliteitskaart). De kwaliteit van de grond van de toe te passen grond dient te worden aangetoond door middel van een erkende milieuhygiënische kwaliteitsverklaring. Bij het hergebruik van binnen de gemeente Best vrijkomende grond mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit. Grond welke voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/Natuur’ (<AW2000) is overal binnen de gemeente toepasbaar.
Gebiedsspecifiek (lokaal) beleid De gemeente heeft gebiedsspecifiek beleid opgesteld ten aanzien het maximale percentage aan bodemvreemd materiaal, wat in een toe te passen partij grond aanwezig mag zijn. Daarnaast zijn aanvullende voorwaarden opgenomen voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart voor grond welke vrijkomt in de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’
Bodembeleid In hoofdstuk 4 van de nota is het gemeentelijk beleid weergegeven ten aanzien van bodemonderzoek in het kader van de omgevingsvergunning bouwen of milieu en ruimtelijke plannen, waar de onderzoeken aan dienen te voldoen en hoe de gegevens worden getoetst. In een bestemmingsplan moet rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Voor qua bodemverontreiniging onverdachte locaties dient wel een historisch vooronderzoek te worden uitgevoerd, maar hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd en kan worden uitgegaan van de verwachte bodemkwaliteit volgens de bodemkwaliteitskaart. Om bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan, dient bij aanvraag om een omgevingsvergunning in principe altijd een bodemonderzoeksrapport te worden overlegd, tenzij hiervoor door de gemeente vrijstelling wordt verleend. Bij een omgevingsvergunning activiteit milieu kan, indien sprake is van bodembedreigende activiteiten, het uitvoeren van een nulsituatie-bodemonderzoek worden voorgeschreven. Indien de omvang van de bodembedreigende activiteiten echter zeer gering is, er geen sprake is van het gebruik van mobiele stoffen of als er al afdoende voorzieningen worden getroffen om verontreiniging te voorkomen, kan in sommige gevallen worden afgezien van een verplicht nulsituatie-bodemonderzoek. In de nota is aangegeven wanneer hier sprake van is.
In de nota zijn ten slotte in hoofdstuk 5 de kaders weergegeven met betrekking tot bodemsanering. Als terugsaneerwaarden bij door de gemeente of derden uit te voeren bodemsaneringen gelden veelal de in bodemfunctieklassenkaart vastgelegde functieklassen en daarmee samenhangende toegestane gehalten aan verontreinigende stoffen in de bodem.
-4-
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Inhoudsopgave 1
2
3
Algemeen..................................................................................................................................... 1 1.1
Inleiding .................................................................................................................................... 1
1.2
Reikwijdte.................................................................................................................................. 1
1.3
Geldigheid ................................................................................................................................. 2
1.4
Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid................................................................................. 2
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................................. 3
Bodemkwaliteit en bodemfuncties .................................................................................................. 4 2.1
Bodemfunctieklassenkaart ......................................................................................................... 4
2.2
Bodemkwaliteitskaarten ............................................................................................................. 6
Voorwaarden voor grondverzet ...................................................................................................... 8 3.1
Generiek (landelijk) toetsingskader ............................................................................................ 8 3.1.1 Bijzondere toetsingskaders ............................................................................................. 11
3.2
Gebiedsspecifiek (lokaal) toetsingskader gemeente Best ........................................................... 15 3.2.1 Bijmengingen bodemvreemde materialen in toe te passen grond en baggerspecie ........... 15
3.3
Bewijsmiddelen ........................................................................................................................ 16 3.3.1 Bodemkwaliteitskaart ...................................................................................................... 16 3.3.2 Uitgesloten locaties en gebieden ..................................................................................... 16 3.3.3 Grond afkomstig van de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’................................. 17 3.3.4 Overige erkende bewijsmiddelen ..................................................................................... 18 3.3.5 Bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten en waterschappen .................................. 19 3.3.6 Werken in en met verontreinigde bodem (CROW400) ....................................................... 19
4
3.4
Melden, controle en handhaving grondverzet ........................................................................... 20
3.5
Transport van grond ................................................................................................................ 21
Bodembeleid (procedures wijzigen bij het ingaan van de Omgevingswet) ........................................ 22 4.1
Bestemmingsplannen ............................................................................................................... 22
4.2
Omgevingsvergunning bouwen ................................................................................................ 23
4.3
Wet milieubeheer en activiteitenbesluit .................................................................................... 26 4.3.1 Omgevingsvergunning milieu .......................................................................................... 26 4.3.2 Melding Activiteitenbesluit milieubeheer ......................................................................... 26 4.3.3 Nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek .................................................................. 27 4.3.4 Herstelplicht ................................................................................................................... 28
5
Het saneren van een bodemverontreiniging (procedures wijzigen bij het ingaan van de Omgevingswet)........................................................................................................................... 29
-5-
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
5.1
Historische bodemverontreiniging ........................................................................................... 29 5.1.1 Geval van ernstige bodemverontreiniging ........................................................................ 29 5.1.2 Geval van niet-ernstige bodemverontreiniging ................................................................ 31
5.2
Nieuwe bodemverontreinigingen (zorgplicht) ........................................................................... 32 5.2.1 Nieuwe bodemverontreinigingen buiten Wm-inrichtingen................................................ 32 5.2.2 Nieuwe bodemverontreinigingen binnen Wm-inrichtingen ............................................... 34
6
Bodeminformatie ........................................................................................................................ 35
Bijlage 1
Referenties
Bijlage 2
Begrippenlijst
Bijlage 3
Bodemfunctieklassenkaart
Bijlage 4
Bodemkwaliteitskaarten boven- en ondergrond
Bijlage 5
Bodemkwaliteitskaarten PFAS
Bijlage 6
Stroomschema grondverzet
Bijlage 7
Bodemnormen
Bijlage 8
Overzicht kritische parameters nulsituatie bodemonderzoek
Bijlage 9
Betrokkenen en verantwoordelijkheden grondverzet
Bijlage 10
Formulier toets herkomst grondverzet
Bijlage 11
Nota bodembeheer PFAS
-6-
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
1
Algemeen
1.1 Inleiding Voor u ligt de nota bodembeheer van de gemeente Best, met daarin het gehanteerde bodembeleid en de lokale regelgeving voor grondverzet. De wet- en regelgeving rondom grondverzet is geregeld in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit [1,2,3,4]. Hierin zijn voorwaarden opgenomen voor het toepassen (inclusief tijdelijk opslaan) van grond, baggerspecie en bouwstoffen op de landbodem als bodemmateriaal. Het college van B&W is bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit. Het toezicht wordt uitgevoerd door Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. In deze nota bodembeheer zijn de regels en voorwaarden voor grondverzet binnen de gemeente Best beschreven. De gemeente Best heeft als doel om zoveel mogelijk grond en baggerspecie binnen het eigen bodembeheergebied te hergebruiken zonder dat de dit leid tot risico’s voor mens, plant of dier bij het (beoogde) gebruik op de toepassingslocatie (duurzaam bodembeheer). In hoofdlijnen wordt uitgegaan van het generieke (landelijke) kader van het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van enkele specifieke voorwaarden (gebiedsspecifiek toetsingskader).
1.2 Reikwijdte De nota bodembeheer heeft betrekking op toepassingen van grond en baggerspecie op landbodem binnen het bodembeheergebied van de gemeente Best. Het toepassen van partijen grond en baggerspecie is enkel toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing (uitleg zie begrippenlijst). Indien hiervan geen sprake is, dan is sprake van het ontdoen van afvalstoffen en gelden strenge regels conform de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen. Voor het toepassen van partijen grond en baggerspecie, gelden hoofdzakelijk de regels van het generieke (landelijke) toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn enkele aanvullende gebiedsspecifieke toepassingseisen van toepassing (o.a. het percentage bijmengingen met bodemvreemde materialen). Daarnaast dient rekening gehouden te worden met aanvullende regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant [5] voor bijzondere gebieden. Voor de gemeente Best zijn dit de gebieden van Natuurnetwerk Brabant en het Waterwingebied Son. Toepassingen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater vallen buiten deze nota, omdat het college van B&W hiervoor niet het bevoegde gezag is, maar Waterschap De Dommel of Rijkswaterstaat. Er dient rekening mee te worden gehouden dat met betrekking tot werkzaamheden op of in de bodem nog andere wetgeving van toepassing kan zijn, zoals bijvoorbeeld:
pagina 1 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Wet milieubeheer (melding of vergunning voor opslag van grond);
Besluit asbestwegen milieubeheer;
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (melding of vergunning voor ontgronding);
Archeologische beleidskaart gemeente Best (regels met betrekking tot archeologie).
1.3 Geldigheid De nota bodembeheer wordt door de gemeenteraad vastgesteld via de openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht [6]. De geldigheidsduur van deze nota is maximaal 10 jaar. De bodemkwaliteitskaart is in 2020 voor een periode van maximaal 5 jaar vastgesteld. Hierna dient de bodemkwaliteitskaart te worden geëvalueerd (geactualiseerd) en, indien van toepassing, opnieuw te worden opgesteld en vastgesteld. Voor de bodemfunctieklassenkaart geldt geen vaste geldigheidstermijn. Bij het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart zal worden beoordeeld of een tussentijdse aanpassing van de nota bodembeheer noodzakelijk is. Ook in het geval van relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving zal worden nagegaan of het noodzakelijk is om de nota bodembeheer te actualiseren. Het heeft de voorkeur om de nota bodembeheer inclusief de bodemfunctieklassenkaart gelijktijdig met de bodemkwaliteitskaart iedere 5 jaar te actualiseren. Met het vaststellen van de voorliggende nota bodembeheer vindt automatisch delegatie plaats van de gemeenteraad naar het college van B&W, om binnen de geldigheidsduur van deze nota bodembeheer de bodemkwaliteitskaart en/of de bodemfunctieklassenkaart opnieuw vast te stellen.
Voorwaarde hierbij is dat de nieuwe kaarten geen inhoudelijke wijzigingen van de nota bodembeheer met zich meebrengen. Is dit wel het geval dan dient de nota te worden aangepast en samen met de kaarten opnieuw door de gemeenteraad vastgesteld te worden. Deze nieuwe nota vervangt de Nota bodembeheer gemeente Best van 5 december 2012.
1.4 Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid De bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. Een bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op losse waarnemingen in onverdachte gebieden. Het is dus een steekproef met een bepaalde mate van onzekerheid. De bodemkwaliteitskaart geeft derhalve alleen de verwachte bodemkwaliteit weer en biedt geen harde garanties voor de daadwerkelijke kwaliteit van de (vrijkomende) grond. De gemeente Best is dan ook niet aansprakelijk voor eventuele schade die voortkomt uit een grondkwaliteit die afwijkt van wat de bodemkwaliteitskaart aangeeft. Ondanks de genoemde beperking wordt de bij deze nota behorende bodemkwaliteitskaart door de gemeente Best, onder de voorwaarden zoals gesteld in deze nota, als een wettig bewijsmiddel geaccepteerd bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie.
pagina 2 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
De verantwoordelijkheid voor het toepassen van een partij grond of baggerspecie en de naleving van de hiervoor geldende regels ligt altijd bij de eigenaar van de locatie waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.
1.5 Leeswijzer De nota bodembeheer bevat de volgende onderdelen:
Bodemkwaliteit en bodemfuncties (hoofdstuk 2);
Voorwaarden voor grondverzet (hoofdstuk 3);
Bodembeleid (hoofdstuk 4);
Saneren van bodemverontreiniging (hoofdstuk 5).
Bodeminformatie (hoofdstuk 6).
pagina 3 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
2
Bodemkwaliteit en bodemfuncties
Deze nota bodembeheer bevat conform het Besluit bodemkwaliteit een aantal kaarten van:
de binnen de gemeente voorkomende bodemfuncties;
de verwachte bodemkwaliteit.
Deze kaarten vormen het uitgangspunt voor het bepalen van het gemeentelijke grondverzetbeleid.
2.1 Bodemfunctieklassenkaart De indeling van een bodembeheergebied in bodemfuncties is vastgelegd in een bodemfunctieklassenkaart [7], zie bijlage 3. Op deze kaart zijn de volgende bodemfuncties weergegeven:
gebieden met de bodemfunctie Industrie;
gebieden met de bodemfunctie Wonen;
gebieden met overige bodemfuncties (Landbouw/natuur).
Het college van B&W van Best is op grond van artikel 55 Bbk verplicht een bodemfunctieklassenkaart vast te stellen en actueel te houden. De kaart wordt gebruikt bij:
1.
Het bepalen van de terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen Bij saneringen middels ontgraving conform het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) [8,9] gelden als terugsaneerwaarden de maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit voor de betreffende bodemfunctieklasse. Deze waarden gelden ook voor de kwaliteit van een onder het BUS aangebrachte leeflaag.
2.
Het bepalen van de toepassingseis voor grond en baggerspecie Bij het generieke (landelijke) toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de bodemfunctieklassenkaart gebruikt bij de zogenaamde dubbele toets. De milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet passen bij zowel de bodemfunctieklasse als de bodemkwaliteits-klasse van de ontvangende bodem.
De bodemfuncties zijn toegekend aan de hand van (kaarten van) de:
Bestemmingsplannen [10];
Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische hoofdstructuur);
Waterwingebied Son (Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant) [5];
Spoorzone (via kadaster).
Hieronder is aangegeven voor welke gebiedsdelen welke bodemfunctie gehanteerd dient te worden. Hierbij wordt opgemerkt dat een aantal gebieden niet afzonderlijk op de bodemfunctieklassenkaart zijn ingetekend.
pagina 4 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Bodemfunctie Industrie:
Huidige en toekomstige industrie- en bedrijfsterreinen;
Infrastructuren: rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen en verharde wegen (inclusief onverharde bermen);
Parkeerterreinen zoals aangegeven in het bestemmingsplan;
Strook van 10 meter langs het Wilhelminakanaal en het Beatrixkanaal, voor zover deze niet behoort tot het oppervlaktelichaam.
Bodemfunctie Wonen:
Huidige en toekomstige woonwijken en delen van de bebouwde kom waar gemengd woonfuncties en bedrijven/industrie voorkomen;
Gebieden die voor toekomstig wonen of wonen met bedrijf zijn bestemd;
(Sport)parken en aangewezen recreatieterreinen;
Begraafplaatsen in de bebouwde kom;
Alle percelen in het buitengebied met de bestemming 'wonen';
Alle bouwblokken van bedrijven in het buitengebied.
Bodemfunctie Landbouw/natuur:
Landbouw- en natuurgebieden;
Volkstuinen en moestuinen;
Recreatieterreinen in het buitengebied zoals golfterreinen en intensief (gebruikte) groen;
Provinciale beschermingsgebieden zoals Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland.
De onverharde wegen en bijbehorende wegbermen vallen binnen de bodemfunctie van het gebied waarbinnen de desbetreffende onverharde weg is gelegen. Onder de onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur 2.1): •
de erfgrens of;
•
de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of;
•
de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of;
•
als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
pagina 5 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Figuur 2.1: Begrenzing wegbermen [11] Voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen grond met kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (AW2000) worden toegepast. De bodemfunctieklassenkaart is opgenomen als bijlage 3.
2.2 Bodemkwaliteitskaarten In deze nota bodembeheer is de in 2020 reeds vastgestelde bodemkwaliteitskaart opgesteld door Lievense Milieu B.V. [7] voor de gemeente Best opgenomen. In verband met de recente ontwikkelingen omtrent PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) is in samenwerking met de gemeenten in de provincie Noord-Brabant door AnteaGroup [12] een gezamenlijke bodemkwaliteitskaart PFAS Noord-Brabant opgesteld. Deze bodemkwaliteitskaart PFAS geldt als aanvulling op de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart voor de overige stoffen opgesteld door Lievense Milieu B.V. De bodemkwaliteitskaarten voor de gemeente Best zijn opgesteld conform de methodiek zoals opgenomen in de 'Richtlijn bodemkwaliteitskaarten' [13]. De bodemkwaliteitskaarten geven gebieden (zones) met een gelijke chemische bodemkwaliteit weer en gelden als basis voor het bepalen van de mogelijkheden voor hergebruik van grond en baggerspecie in het bodembeheergebied van de gemeente Best. Het bodembeheergebied van de gemeente Best is op basis van gebiedskenmerken en verwachte bodemkwaliteit ingedeeld in de volgende bodemkwaliteitszones:
Woongebieden;
Bedrijven/Industrie;
Buitengebied.
In het bodembeheergebied komen locaties voor waarvoor de bodemkwaliteitskaart geen goede indicatie geeft voor de aanwezige bodemkwaliteit. Op deze uitgesloten locaties wordt een andere bodemkwaliteit verwacht dan in de omgeving, waardoor de bodemkwaliteitskaart niet geldig is voor deze specifieke locaties. Voor de uitgesloten locaties wordt verwezen naar § 3.3.2.
pagina 6 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
De bodemkwaliteitskaarten voor de bovengrond (0,0 - 0,5 m-maaiveld) en de ondergrond (0,5 - 2,0 mmaaiveld) zijn opgesteld voor de stoffen van het standaardpakket uit de NEN 5740 (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie, PCB (som) en PAK (som 10) [14]), aangevuld met de stoffen. Voor PFAS (PFOA, PFOS, GenX en overige PFAS) is een aparte bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaarten met zone-indeling zijn opgenomen in bijlagen 4 en 5. De bodemkwaliteitskaarten worden gebruikt voor het bepalen van: 1.
de kwaliteit van de ontvangende bodem (wordt gebruikt bij de dubbele toets in het generieke toetsingskader).
2.
de kwaliteit van vrijkomende grond (ontgravingskaart).
Op basis van de kaarten van bodemkwaliteit en bodemfunctieklasse is een zogenaamde toepassingskaart volgens het generieke (landelijke) kader opgesteld. Deze kaart wordt gebruikt als kwaliteitseis voor de toe te passen grond en bagger die wordt aangevoerd. In § 3.1 is een toelichting gegeven over het hanteren van de ontgravingskaart en toepassingskaart. De kaarten zijn opgenomen in bijlagen 4 en 5.
pagina 7 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
3
Voorwaarden voor grondverzet
In deze nota bodembeheer zijn de regels en voorwaarden voor grondverzet binnen de gemeente Best beschreven. De gemeente Best heeft als doel om zoveel mogelijk grond en baggerspecie binnen het eigen bodembeheergebied te hergebruiken zonder dat de dit leid tot risico’s voor mens, plant of dier bij het (beoogde) gebruik van de toepassingslocatie (duurzaam bodembeheer). In hoofdlijnen wordt uitgegaan van het generieke (landelijke) kader van het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van enkele specifieke voorwaarden (gebiedsspecifiek toetsingskader).
3.1 Generiek (landelijk) toetsingskader De gemeente Best is bevoegd gezag voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem binnen de eigen gemeente. De regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieronder zijn de regels op basis van het generieke beleid toegelicht. Vooraf aan het toepassen van een partij grond of baggerspecie moet een dubbele toets worden uitgevoerd. De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen aan:
De bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem (zie § 2.1);
De bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (zie § 2.2).
De toepassingsmogelijkheden voor een partij grond of baggerspecie hangen af van de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse van de toepassingslocatie (ontvangende bodem). Hierbij geldt steeds de strengste van de twee als de toepassingseis. Daarnaast is in het generieke kader sprake van stand-still op klasseniveau. Dit houdt in dat er getoetst wordt aan een kwaliteitsklasse en niet aan de concentraties van individuele stoffen. Een partij grond of baggerspecie mag alleen op een bepaalde locatie worden toegepast als de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij voldoet aan de toepassingseis van deze locatie. De toepassingsmogelijkheden zijn weergegeven op de toepassingskaart (bijlage 4). PFAS (Poly- en perfluoralkylstoffen) Poly-en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stofgroep bestaat uit ruim 6.000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). In verband met de recente ontwikkelingen omtrent PFAS is in samenwerking met de gemeenten in de provincie Noord-Brabant door AnteaGroup een gezamenlijke bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant [12] met bijbehorende nota bodembeheer PFAS opgesteld. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de gemeente Best gelegen is in de PFAS-bodemkwaliteits-zone Zuid-Brabant.
De gehalten aan PFAS-verbindingen voldoen aan huidige ‘tijdelijke’ normen voor
pagina 8 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Landbouw/Natuur uit het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ [15]. Er is derhalve geen sprake van verhoogd gehalten aan PFAS in de bodem van de gemeente Best, waardoor het niet noodzakelijk is om verhoogde toepassingseisen voor PFAS vast te stellen. Als maximale toepassingswaarde voor PFAS wordt vooralsnog aangesloten bij de normen uit het genoemde ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’ voor de bodemfunctie Landbouw/natuur. Zodra de normen definitief vastgesteld worden in de Regeling bodemkwaliteit, wordt aangesloten bij de definitieve landelijke toepassingswaarden. Voor het toepassen van PFAS-houdende grond dient voldaan te worden aan de eisen zoals gesteld in de Nota bodembeheer PFAS, welke als aanvulling geldt voor PFAS op onderhavige Nota bodembeheer. De nota bodembeheer PFAS is opgenomen als bijlage 11. In tabel 3.1 zijn de mogelijkheden voor grondverzet op basis van het generiek kader van het Besluit bodemkwaliteit in de gemeente Best weergeven.
pagina 9 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Tabel 3.1:
Mogelijkheden grondverzet Best (Generiek toetsingskader Besluit bodemkwaliteit) Ontgravingskaart
Woongebieden
Bedrijven/Industrie
Buitengebied
Toepassingskaart Functieklasse4
Bodemkwaliteitszone Bovengrond
Ondergrond3
Landbouw/
Landbouw/
Natuur
Natuur
Landbouw/
Landbouw/
Natuur
Natuur
Landbouw/
Landbouw/
Natuur
Natuur
Bovengrond
Ondergrond
Landbouw/
Landbouw/
Natuur
Natuur
Landbouw/
Landbouw/
Natuur
Natuur
Overig
Landbouw/
Landbouw/
(landbouw/natuur)
Natuur
Natuur
Landbouw/
Landbouw/
Natuur
Natuur
Overig
PFAS Landbouw/
PFAS Landbouw/
(landbouw/natuur)
Natuur
Natuur
PFAS Landbouw/
PFAS Landbouw/
Natuur
Natuur
PFAS Landbouw/
PFAS Landbouw/
Natuur
Natuur
Wonen
Industrie
Overig (landbouw/natuur) Uitgesloten locaties1,2
N.v.t.
N.v.t.
Wonen Industrie
PFAS bodemkwaliteitszone:
Zuid-Brabant (omvat
PFAS
PFAS
alle bovenstaande
Landbouw/
Landbouw/
zones)
Natuur
Natuur
Wonen
Industrie
1) Op deze locaties wordt een slechtere bodemkwaliteit verwacht dan in de omgeving. 2) Op uitgesloten locaties kan de kwaliteit van de ontvangende bodem op locatieniveau door middel van verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 worden vastgesteld. De toepassingseis is dan afhankelijk van de aangetroffen bodemkwaliteit en de functieklasse voor de betreffende locatie. Grond met kwaliteit Landbouw/Natuur (AW-2000) kan altijd worden toegepast. 3) De ontgravingskaart van de ondergrond wordt tevens representatief geacht voor grond afkomstig uit diepere bodemlagen dan 2 m-mv. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart ook als bewijsmiddel van vrijkomende grond uit grotere diepten mag worden gebruikt. 4) Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen meerdere bodemfunctieklassen voorkomen (zie § 2.1). In deze tabel is de hoofdfunctie weergegeven.
Partijen grond en baggerspecie moeten altijd voldoen aan het generiek (landelijk) toetsingskader. Daarnaast zijn er nog enkele aanvullende voorwaarden opgenomen (o.a. bijmengingen bodemvreemde materialen, zie § 3.2.1).
pagina 10 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
3.1.1 Bijzondere toetsingskaders Voor de volgende toepassingen gelden bijzondere regels welke afwijken van het generieke toetsingskader. Het betreft overigens wel landelijk beleid. Grootschalige toepassingen Onder grootschalige toepassingen wordt volstaan bouw- en wegconstructies (o.a. wegen, spoorwegen en geluidswallen), afdeklagen van saneringslocaties of stortplaatsen, ophogingen in waterbouwkundige constructies. Bij grootschalige toepassingen hoeft er niet getoetst te worden aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. Hierdoor ontstaan er meer mogelijkheden voor het hergebruiken van licht verontreinigde grond. Om het milieu in voldoende mate te beschermen gelden de volgende specifieke kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden:
de grootschalige toepassing heeft een minimaal volume van 5.000 m3;
de grootschalige toepassing heeft een minimale toepassingshoogte van 2,0 meter (voor (spoor)wegen 0,5 meter);
de grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van minimaal 0,5 meter en de kwaliteit van de leeflaag moet aansluiten bij de bodemkwaliteit uit de omgeving (toepassingskaart). Uitzonderingen hierop vormen: •
grootschalige toepassingen onder wegen (deze worden afgedekt met een verhardingsconstructie);
•
grootschalige toepassingen in bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen (tot maximaal 10 m uit de weg mag grond/baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast als afdeklaag);
de grootschalige toepassing moet voor uitloging voldoen aan de geldende emissie(toets)waarden zoals opgenomen bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [2].
Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bijvoorbeeld bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing. De toepassing moet blijvend worden beheerd. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid waarin deze is toegepast en staat geregistreerd. Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder toetsingskader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Keur van waterschappen [16]. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:
voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel zoals opgenomen bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [2] geldt de ontvangstplicht;
de baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid;
pagina 11 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem;
de verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.
Het toetsingskader geldt niet voor verspreiding van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten. Deze worden als puntbronnen aangemerkt en vallen buiten de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit. Toepassingen in oppervlaktewater Voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater wordt alleen getoetst aan de actuele waterbodemkwaliteit en niet aan de bodemfunctie. Tevens geldt er voor de waterbodem een andere normstelling en kwaliteitsklassenindeling. Het bevoegd gezag voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap De Dommel). Het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater valt buiten de reikwijdte van deze nota bodembeheer. Toepassingen aanvulgrond saneringslocaties Voor het toepassen van grond op saneringslocaties als aanvulgrond in een saneringsput wordt alleen getoetst aan de bodemfunctie en niet aan de kwaliteit van de omliggende bodem. Tijdelijke opslag Het Besluit bodemkwaliteit maakt onderscheid tussen verschillende vormen van tijdelijke opslag, die vooraf gaan aan een definitieve toepassing. De verschillende vormen en de bijbehorende voorwaarden zijn weergegeven in tabel 3.2.
pagina 12 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Tabel 3.2:
Voorwaarden met betrekking tot opslagduur, kwaliteitseisen en meldingsplicht. Voorwaarden van het Besluit
Vorm van tijdelijke opslag
Maximale duur van de opslag
Kortdurende opslag Tijdelijke opslag op landbodem
Tijdelijke opslag in oppervlaktewaterlichaam
3 jaar
10 jaar
-
Ja
Kwaliteit moet voldoen aan de
Ja,
kwaliteitsklasse van de
met voorziene duur van
ontvangende bodem
opslag en eindbestemming
Kwaliteit moet voldoen aan de
Ja,
kwaliteitsklasse van de
met voorziene duur van
ontvangende waterbodem
opslag en eindbestemming
Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor
3 jaar
verspreiding over
op aangrenzend perceel)
Opslag bij tijdelijke uitname
Meldingsplicht
6 maanden
Weilanddepot (opslag van baggerspecie
Kwaliteitseisen
aangrenzende percelen Looptijd van de werkzaamheden
-
Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Nee
Wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan, is alsnog een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist. Verder moet de opslag mogelijk zijn vanuit andere wet- en regelgeving (onder andere Wet ruimtelijke ordening of provinciale verordening), passen binnen het bestemmingsplan en moet rekening worden gehouden met de zorgplicht. Tijdelijke uitname In het Besluit bodemkwaliteit is tijdelijke uitname van grond en baggerspecie toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd of een functietoets is gedaan en een melding is verricht (art. 36, derde lid). Enige voorwaarde is dat er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt en dat de grond of baggerspecie op of nabij dezelfde plaats onder dezelfde condities weer wordt toegepast (ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond). De zorgplicht (art. 13 Wbb) is altijd van toepassing. Bovenstaande geldt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bij tijdelijke uitname is het in het kader van de CROW400 en de Wet bodembescherming wel nodig om vooraf inzicht te verkrijgen in de verwachte bodemkwaliteit. Hiervoor dient minimaal een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 te worden uitgevoerd. In de nota van toelichting van het Besluit bodemkwaliteit [3] zijn een aantal randvoorwaarden gegeven voor het gebruik van de uitzondering van art.
36, derde lid uit het Besluit bodemkwaliteit. In het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie [17] zijn deze regels verduidelijkt.
pagina 13 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Toelichting begrip ‘tussentijdse bewerking’: In het Besluit bodemkwaliteit is geen definitie opgenomen van het begrip bewerken. De toelichting van het Besluit bodemkwaliteit geeft voor tijdelijke uitname aan welke voorbeelden wel of niet onder het begrip bewerken vallen. De volgende voorbeelden worden gezien als bewerken (hierbij kan dus geen gebruik gemaakt worden van de uitzondering uit artikel 36, Bbk):
het rijpen van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is;
het ontwateren van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is;
zandscheiding.
De volgende voorbeelden vallen volgens de toelichting niet onder het begrip bewerken (hierbij kan dus wel gebruik gemaakt worden van de uitzondering uit artikel 36, Bbk):
het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen *);
louter natuurlijke, niet gestimuleerde processen of omstandigheden, zoals verdamping, microbiële afbraak, natuurlijke oxidatie en reductie;
wijziging van de structuur van de grond of baggerspecie, zoals ten gevolge van graafwerkzaamheden of het ploegen van landbouwgronden. *) Let op: het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen gericht op een milieuhygiënische kwaliteitsverbetering (bijvoorbeeld het uitzeven van asbesthoudende materialen) valt niet onder deze uitzondering. Dit wordt gezien als een bewerking (reinigen van verontreinigde grond). Voor dergelijke werkzaamheden is bovendien een erkenning voor de BRL 7500 [18] op grond van het Besluit bodemkwaliteit vereist.
Toelichting begrip ‘toepassen onder dezelfde condities’: Toetsing aan kwaliteit en functie kan achterwege blijven omdat de betreffende handelingen ter plaatse niet tot (extra) aantasting van de bodem(functie) leiden. Om dit te waarborgen spreekt het artikel daarnaast over toepassen onder dezelfde condities. Van belang is dat samenstelling en emissie (uitloging) van de grond niet wijzigt. In de toelichting van het Bbk staan de volgende voorbeelden genoemd die niet aan de voorwaarde onder dezelfde condities voldoen:
het toepassen van (niet gerijpte) baggerspecie op landbodem (natte toepassing wordt droge toepassing);
het toepassen van grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal als afdeklaag van respectievelijk het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag).
Met het oog op de controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie ook in dezelfde toepassing worden teruggebracht. In artikel 36 Bbk alsmede in de toelichting worden de woorden “dezelfde toepassing” expliciet genoemd.
Toelichting begrip ‘op of nabij dezelfde plaats’: De term ‘op of nabij’ geeft enige speelruimte. Indien sprake is van dezelfde toepassing en aan de andere voorwaarden wordt voldaan, dan hoeft de grond of baggerspecie niet precies weer op de plaats van uitname te worden aangebracht. Hierbij kunnen de volgende voorbeelden worden gegeven:
pagina 14 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
het in het kader van de (spoor)wegenbouw of –reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact zelfde plaats);
bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem).
Samenvoegen van (kleine) partijen grond of baggerspecie
Samenvoegen tot partij > 25 m3 Het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie tot een partij die groter is dan 25 m3 is uitsluitend toegestaan door een BRL 9335 [19] of BRL7500 [18] gecertificeerd persoon of instelling (Art. 4.3.2 Regeling bodemkwaliteit).
Samenvoegen tot partij < 25 m3 Het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie van verschillende herkomst is uitsluitend toegestaan tot een hoeveelheid van 25 m3. Deze partij moet vervolgens worden afgevoerd naar een inrichting die erkend is voor de BRL 9335. Deze laatste uitzondering is gemaakt omdat het in de praktijk gebleken is, dat het voor veel hoveniersbedrijven, gemeentewerven en kleine aannemers vanuit economisch oogpunt niet haalbaar is om een erkenning voor de BRL 9335 te behalen.
3.2 Gebiedsspecifiek (lokaal) toetsingskader gemeente Best De gemeente Best heeft de volgende aanvullende gebiedsspecifieke voorwaarden gesteld voor het hergebruiken van grond en baggerspecie. 3.2.1 Bijmengingen bodemvreemde materialen in toe te passen grond en baggerspecie Het Besluit bodemkwaliteit stelt in artikel 34 dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal (steenachtig materiaal of hout) mag bevatten, anders mag het niet als grond of baggerspecie worden toegepast. Alle andere bodemvreemde materialen (glas, metaal, plastic, piepschuim, ect.) mogen hoogstens sporadisch in de partij voorkomen. De gemeente Best vindt het maximale percentage van 20 % in vele gevallen te hoog. Indien 20 % bodemvreemd materiaal zonder meer wordt toegestaan, ontstaat ook een verslechtering in bijvoorbeeld de fysische en cultuurtechnische eigenschappen. Bovendien kan verdergaande verwering van bodemvreemde materialen later alsnog leiden tot ongewenste bodembelasting met verontreinigende stoffen. Op grond van artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit wordt daarom bepaald dat binnen de gemeente Best, met uitzondering van grootschalige bodemtoepassingen (exclusief leeflaag), alleen grond en baggerspecie mag worden toegepast met een maximaal percentage bodemvreemd materiaal (steenachtig materiaal of hout) van 10 gewichtsprocent.
Bovendien mag de toe te passen grond in de gemeente Best geen visueel herkenbare asbesthoudende materialen bevatten. Alle andere bodemvreemde materialen (glas, metaal, plastic, piepschuim, ect.) mogen hoogstens sporadisch in de partij voorkomen.
pagina 15 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
3.3 Bewijsmiddelen 3.3.1 Bodemkwaliteitskaart Bij het hergebruik van binnen de gemeente Best vrijkomende grond mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit. Voorwaarde hierbij is dat de actuele bodemkwaliteit op de betreffende herkomstlocatie (naar verwachting) overeenkomt met de bodemkwaliteit in de betreffende bodemkwaliteitszone. Er mag dus geen sprake zijn van een uitgesloten locatie (zie hieronder). Ook gelden er aanvullende voorwaarden voor het toepassen van grond afkomstig uit de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’. Als de grond ook is voorzien van een geldig ander bewijsmiddel (partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring), dan geldt dat andere bewijsmiddel als milieuhygiënische verklaring, omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of bagger dan de bodemkwaliteitskaart. 3.3.2 Uitgesloten locaties en gebieden
Om gebruik te kunnen maken van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel moet de herkomstlocatie 'onverdacht' zijn ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging c.q. een bodemkwaliteit hebben die naar verwachting niet afwijkt van de lokale bodemkwaliteitsklasse. Gelet hierop zijn de volgende verdachte locaties en gebieden uitgesloten:
(voormalige) stortplaatsen;
(voormalige) saneringslocaties;
locaties waar bodemverontreiniging boven de interventiewaarde is aangetoond;
locaties waar potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden of vinden;
locaties waar brand is geweest;
locaties waar bij calamiteiten mogelijk bodemvreemde stoffen op of in de bodem zijn gelekt;
locaties die zijn opgehoogd met materiaal van onbekende aard en/of samenstelling;
Rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen inclusief de onverharde bermen;
Defensieterreinen;
(Voormalige) zinkassenwegen en erven;
Opritten aansluitend op (voormalige) zinkassenerven;
Voormalige vloeivelden gelegen tegenover de (voormalige) Batafabriek;
Waterbodems.
Deze verdachte locaties en gebieden zijn uitgesloten van het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel. De kwaliteitsklasse dient in dat geval op een andere wijze aangetoond te worden. Ook als in de grond bodemvreemd materiaal of andere zintuiglijke waarnemingen worden aangetroffen die duiden op een plaatselijke bodemverontreiniging (bijv. puin, koolas, sintels, asbest, olie-, oplosmiddelenof andere afwijkende geur, niet-natuurlijke verkleuringen, etc.), dan dient de grond als verdacht te worden beschouwd. Indien de bodem van of eventueel vrijkomende grond afkomstig van de voormalige vloeivelden gelegen tegenover de (voormalige) Batafabriek onderzocht wordt, dient de bodem en vrijkomende grond
pagina 16 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
aanvullend onderzocht te worden op de parameters chroom III en chroom VI. De voormalige vloeivelden zijn weergegeven op figuur 3.1 (paars gearceerd).
Figuur 3.1: Ligging vloeivelden (voormalige) Batafabriek (verdacht op chroom III en chroom IV)
Toets herkomst Om te bepalen of een locatie onverdacht is, dient minimaal een bodemtoets uitgevoerd te worden. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van het formulier 'toets herkomst'. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel, dient dit formulier volledig ingevuld bij de melding te worden toegevoegd. Het formulier is opgenomen in bijlage 10. 3.3.3 Grond afkomstig van de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’ De gemeente Best stelt aanvullende voorwaarden voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart voor grond welke vrijkomt in de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’. De vrijkomende grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’ heeft conform de ontgravingskaart een gemiddelde kwaliteit van Landbouw/Natuur (AW2000). In deze bodemkwaliteitszone komen echter relatief veel lokale bronnen van bodemverontreiniging voor, en wellicht ook een aantal onbekende bronnen. Derhalve stelt de gemeente Best de volgende aanvullende voorwaarden:
Indien grond afkomstig uit de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’ vrijkomt en eveneens weer toegepast wordt binnen deze bodemkwaliteitszone, volstaat de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel. Voorwaarden hierbij is dat er geen sprake is van een uitgesloten locatie voor grondverzet (onverdachte locatie);
pagina 17 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
Indien grond afkomstig uit de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’ vrijkomt en toegepast
wordt binnen de bodemkwaliteitszones ‘Woongebieden’ en ‘Buitengebied’, volstaat de bodemkwaliteitskaart niet als erkend bewijsmiddel. In aanvulling op de bodemkwaliteitskaart moet de kwaliteitsklasse aanvullend worden vastgesteld met een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 of een partijkeuring (AP04); Indien grond afkomstig is van een verdachte (uitgesloten) locatie op het voorkomen van een
bodemverontreiniging dient de grond altijd onderzocht te worden met een partijkeuring (AP04). 3.3.4 Overige erkende bewijsmiddelen Wanneer de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond:
Partijkeuring (AP04, SIKB BRL1000, protocol 1001 [20]);
erkende kwaliteitsverklaring;
fabrikant-eigenverklaring;
bodemonderzoek mits dat voldoet aan een van de volgende de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740; •
onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);
•
onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);
•
onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).
waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 [21].
Andere onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond. Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met formulier toets herkomst en de bodemkwaliteitskaart. Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties en gebieden dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:
onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);
onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);
onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB);
onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);
onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);
onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).
Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, die zich bevindt op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.
pagina 18 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
3.3.5 Bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten en waterschappen Vooralsnog zijn nog geen bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten geaccepteerd, zodat de kwaliteit van grond afkomstig uit andere gemeenten op dit moment moet zijn vastgesteld via een ander erkend bewijsmiddel (zie § 3.3.4). De gemeente Best wil de mogelijkheid open houden om in de toekomst bodemkwaliteitskaarten van omliggende gemeenten en waterschappen te accepteren als milieuhygiënische verklaring. Hiervoor zou dan het generiek (landelijk) toetsingskader van toepassing zijn (zie § 3.1). De acceptatie van deze kaarten kan in dat geval door het college worden vastgesteld en hoeft niet nogmaals door de gemeenteraad te worden goedgekeurd. Met het vaststellen van voorliggende nota bodembeheer vindt automatisch delegatie plaats van de gemeenteraad naar het college van Burgemeester en Wethouders om voornoemde bodemkwaliteitskaarten te accepteren als milieuhygiënische kwaliteitsverklaring. 3.3.6 Werken in en met verontreinigde bodem (CROW400) De bodemkwaliteitskaart in deze nota bodembeheer kan gebruikt worden om een veiligheidsklasse volgens de CROW400 [22] af te leiden voor (graaf)werkzaamheden in de bodem. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart is enkel toegestaan indien een vooronderzoek conform de NEN 5725 [23] is uitgevoerd.
Hieruit moet dan blijken dat de bodemkwaliteit op de locatie niet afwijkt van de gebiedskwaliteit zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart (onverdachte locatie). Op basis van de bodemkwaliteitskaart in combinatie met de nota bodembeheer kan aan de hand van de percentielwaarde van minimaal P80 vastgesteld worden of een veiligheidsklasse van toepassing is (zie bijlage 4). Op basis van de bodemkwaliteitskaart van gemeente Best is voor alle zones vooralsnog geen sprake van een veiligheidsklasse. Wel is altijd sprake van de ‘basishygiëne’. De veiligheidskundige zal uiteindelijk de veiligheidsklassen definitief moeten vaststellen en de bijbehorende veiligheidsmaatregelen voorschrijven.
pagina 19 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
3.4 Melden, controle en handhaving grondverzet Voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen (inclusief het tijdelijk opslaan) op de landbodem in Best geldt een meldingsplicht.
Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen moet dit ten minste vijf werkdagen van te voren melden via het Meldpunt bodemkwaliteit: https://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl Namens het college van B&W worden (meldingen van) dergelijke toepassingen door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) gecontroleerd.
Uitzonderingen meldplicht: In het Besluit bodemkwaliteit zijn de volgende toepassingen vrijgesteld van de meldplicht:
het toepassen van grond of baggerspecie door particulieren. Schakelt een particulier een bedrijf in, bijvoorbeeld een aannemer, dan gelden deze vrijstelling niet. Ook als een particulier beroepsmatig bouwstoffen, grond of bagger toepast, geldt geen vrijstelling;
het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf als de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;
het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen (zie § 3.1.1);
het toepassen van schone grond en baggerspecie (Landbouw/Natuur) in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie (Landbouw/Natuur) in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
De zorgplicht blijft voor agrariërs en particulieren overigens wel gelden. De vrijstelling ontslaat particulieren en agrariërs ook niet van de plicht om te voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer vermoedens bestaan dat de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie niet voldoen aan de eisen van het besluit, kan door het bevoegd gezag handhavend worden opgetreden. Binnen grootschalige toepassingen, waarbij gedurende een lange periode verzet van grote hoeveelheden grond plaats gaat vinden, is het aan te bevelen om vooraf in overleg te treden met de gemeente en de ODZOB. Hierbij kunnen afspraken worden gemaakt over de wijze en termijn van melden, zodat voor de initiatiefnemer een werkbare procedure ontstaat, waarbij gewaarborgd blijft dat de gemeente en de ODZOB voldoende inzicht krijgen in de kwaliteit van de toegepaste partijen grond.
pagina 20 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
3.5 Transport van grond In het kader van het Besluit Bodemkwaliteit moet alleen het toepassen van grond en baggerspecie worden gemeld bij het meldpunt bodemkwaliteit. Verplichtingen voor transport vanuit andere wet- en regelgeving Omdat grond of baggerspecie in veel gevallen bij transport over de openbare weg als afvalstof wordt gezien, moet het transport vergezeld gaan van een begeleidingsbrief. Dit geldt ook voor een transport van een partij herbruikbare grond of baggerspecie naar een toepassing of tijdelijke opslaglocatie onder het Besluit bodemkwaliteit. Als de grond of baggerspecie wordt afgevoerd naar een gronddepot (met een opslagcapaciteit groter dan 50 m3), reiniger of stortplaats (meldingsplichtige inrichtingen volgens het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen [24]), moet de acceptant van het materiaal een melding doen van de acceptatie van de afvalstoffen aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). De acceptant verstrekt aan de ontdoener van de afvalstoffen een afvalstroomnummer, dat tijdens transport op de begeleidingsbrief moet staan. Meer informatie over afvalstroomnummers en begeleidingsbrieven vindt u op de website van het LMA.
pagina 21 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
4
Bodembeleid (procedures wijzigen bij het ingaan van de Omgevingswet)
Bij de aanvraag van een wijziging van een bestemming en van een omgevingsvergunning (bouwen en/of milieu) is in veel gevallen bodemonderzoek vereist. Dit hoofdstuk beschrijft wanneer bodemonderzoek daadwerkelijk nodig is en hoe de gegevens worden getoetst.
4.1 Bestemmingsplannen Bij bestemmingsplannen, dan wel in het kader van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, dient volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, art. 3.1.6) [25] rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) [6]. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. De toelichting van een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Daarnaast dienen de kosten voor milieukundig bodemonderzoek en van bodemsanering meegenomen te worden in een exploitatieplan (Bro, art. 6.2.4). De gemeente toetst of de bodem milieuhygiënisch geschikt is (of kan worden gemaakt, inclusief financiële toets) voor de geplande vorm van bodemgebruik. Om te kunnen bepalen of de bodem milieuhygiënisch geschikt is voor de geplande vorm van bodemgebruik dient altijd minimaal een historisch bodemonderzoek volgens de NEN 5725 [23] uitgevoerd te worden. Het historisch bodemonderzoek moet betrekking hebben op het gehele plangebied.
Afhankelijk van de resultaten van het historisch bodemonderzoek kan aanvullend een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 [14] en/of NEN 5707 [26] of nader bodemonderzoek volgens de NTA 5755 [27] en/of NEN 5707 noodzakelijk zijn. Deze bodemonderzoeken kunnen zich beperken tot de voor bodemverontreiniging verdachte deellocaties en tot de verdachte stoffen. Locaties of deellocaties waarvan op basis van het historisch bodemonderzoek geen lokale verontreinigingen bekend zijn (op grond van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken) en waar ook geen (potentiële) bronnen van bodemverontreiniging aanwezig zijn (geweest), kunnen als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging worden beschouwd. Bij dergelijke (deel)locaties kan voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit worden uitgegaan van de diffuse bodemkwaliteit van de bijbehorende bodemkwaliteits-zone (conform ontgravingskaart in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart). Voor onverdachte (deel-)locaties wordt in het kader van het bestemmingsplan verder geen bodemonderzoek noodzakelijk geacht.
Als uit het historisch bodemonderzoek blijkt, dat er van een (deel)locatie wel lokale verontreinigingen bekend zijn of er zijn (potentiële) bronnen van bodemverontreiniging aanwezig (geweest), dan is er sprake van een voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locatie en dient er alsnog een gericht bodemonderzoek te worden uitgevoerd volgens de NEN 5740 (verkennend bodemonderzoek) en/of NEN 5707 (verkennend asbestonderzoek in grond) en zo nodig ook een nader bodemonderzoek volgens de NTA 5755 en/of NEN 5707 asbest. Na uitvoering van (historisch) bodemonderzoek kunnen er twee situaties worden onderscheiden:
Er is geen sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (Wbb) [28]. Daarnaast is de huidige diffuse bodemkwaliteit geschikt voor de geplande
pagina 22 van 35
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE BEST
vorm van bodemgebruik. Dit betekent dat er geen belemmering is voor de bestemmingswijziging. De uitkomsten worden beschreven in de bodemparagraaf van het bestemmingsplan.
Er is wel sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wbb of een diffuse bodemkwaliteit die niet geschikt is voor de geplande vorm van bodemgebruik. De aanwezigheid van een lokale verontreiniging kan bij de realisatie van het bestemmingsplan aanleiding zijn voor het uitvoeren van bodemsanering.
De kosten van het verwerken van de bij het voorgenomen bestemmingsplan vrijkomende (diffuus) verontreinigde grond (denk aan grondverzet bij aanleg/bouw van wegen en huizen) en de kosten voor het nemen van sanerende maatregelen bij aanwezigheid van lokale verontreiniging dienen in het exploitatieplan van het bestemmingsplan te worden opgenomen. Indien het voornamelijk gaat om diffuus verontreinigde grond is het vooral van belang om in de planfase rekening te houden met het streven naar een gesloten grondbalans. Indien grond moet worden afgevoerd moet rekening worden gehouden met de meerkosten voor het elders toepassen of afvoeren naar een erkende verwerker (o.a. grondbank). Het gaat om het identificeren en kwantificeren van de (financiële) risico’s. Voor een bestemmingsplan dat enkel wordt geactualiseerd en waar de bebouwing en inrichting gehandhaafd blijft (conserverend bestemmingsplan), is de uitvoering van een historisch bodemonderzoek voldoende. Het aantreffen van een (mogelijke) verontreiniging bij een bestemmingsplanprocedure leidt in dat geval niet tot aanvullend bodemonderzoek of sanering. Pas op het moment dat hier daadwerkelijk ontwikkeling plaatsvindt, zijn de vervolgstappen van belang.