22007.6 - Bijlage 4 - Toelichting en regels Bestemmingsplan J.P. Coenstraat ongenummerd
Tekst van het document
Bestemmingsplan J.P. Coenstraat ongenummerd Gemeente Best
BÜO Ruimte
Archiefexemplaar van BL21-20880
om in te leven
- P02077_5_BP JP Coenstraat ong_20211021 toelichting en regels ontwerpbestemmingsplan
Bestemmingsplan J.P. Coenstraat ongenummerd Gemeente Best
Rapportnummer:
P02077_5
Datum:
21 oktober 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Best
Projectteam BRO:
CV
Concept:
Augustus 2019 Z maart 2020
Concept ontwerp
Augustus 2021
Ontwerp:
Oktober 2021
Vastgesteld: Trefwoorden:
Huurwoningen, nieuwbouw, Best
Bron foto kaft:
BRO, Abstract 1
Beknopte inhoud:
„
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
BflO Ruimte
om in te leven
Toelichting
Inhoudsgave
pagina
1. INLEIDING
3
1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzingplangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 4 5 6
2. PLANBESCHRIJVING
7
2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling en beeldkwaliteit
7 7
3. BELEIDSKADER
9
3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
9 11 12
4. MILIEUASPECTEN
16
4.1 Inleiding 4.2 Bodem 4.3 Akoestiek 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Geurhinder 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 M.e.r.-plicht 4.8 Externe veiligheid 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Cultuurhistorie & Archeologie
16 16 17 17 19 19 20 21 24 25
4.10.1 Cultuurhistorie 4.10.2 Archeologie 4.11 Flora en fauna 4.12 Water 4.13 Luchtvaart
25 25 27 29 31
Inhoudsopgave
1
B il O
5. WIJZE VAN BESTEMMEN
36
5.1 Algemeen 5.2 Systematiek
36 36 36 37 37 38 39
5.2.1 Inleidende regels 5.2.2 Bestemmingsregels 5.2.3 Beschrijving van de bestemmingen 5.2.4 Algemene regels 5.2.5 Overgangs- en slotregels
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID 6.1 Exploitatie 6.2 Maatschappelijk uitvoerbaarheid
40 40 40 40 40 41 41 41 41
6.2.1 Inleiding 6.2.2 Overleg 6.2.3 Inspraak en omgevingsdialoog 6.2.4 Kennisgeving voorbereiding 6.2.5 Tervisielegging en zienswijzen 6.2.6 Vaststelling
BIJLAGEN Bijlage 1: Verantwoording groepsrisico Bijlage 2: Externe veiligheid Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Onderbouwing wateraspect Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Verkeersgeneratie en parkeren Bijlage 8: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 9: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Endoscopisch onderzoek Bijlage 12: Selectieadvies archeologie
Inhoudsopgave
2
BÜO
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding Aan het adres Jan Pieterszoon Coenstraat 40 heeft tot begin 2021 een gebouw met voormalige maatschappelijke-functie, muziekschool, gestaan. Recent is de bebouwing gesloopt. De gemeente is voor nemens hier maximaal 14 nieuwe woningen mogelijk te maken bestemd voor het middensegment huur. In het huidige bestemmingsplan is het plangebied bestemd voor maatschappelijke functies. Bin nen deze bestemming is het niet toegestaan om te bouwen ten behoeve van de bestemming ‘Wonen’. Tevens gelden er restricties wat betreft de bouwhoogte en het bebouwingspercentage waar in de be oogde situatie niet aan zal worden voldaan. Om het voorgenomen plan realiseerbaar te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Met deze herziening wordt de bestemming gewij zigd van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’ en komt er een aanduiding voor het maximaal toe te voegen aantal woningen. Ook zal de huidige goot- en bouwhoogte gewijzigd worden naar een maatvoering die acceptabel is voor woningen.
OIRSCI'O'4'
Figuur 1: Ligging plangebied
Voorliggend document voorziet in de toelichting, behorend bij het bestemmingsplan. Hierin wordt aan getoond dat het initiatief in lijn is met de vigerende beleidskaders en geen negatieve impact heeft op de omgeving en vice versa.
Hoofdstuk 1
3
B il O
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Jan Pieterszoon Coenstraat 40 in Best, kadastraal bekend als ge meente Best, sectie H, nummer 917. Het plangebied ligt in de woonwijk Naastenbest ten westen van het centrum van Best. In de omgeving zijn voornamelijk woningen te vinden. Op figuur 2 is de (globale) ligging van het plangebied weergegeven. De exacte ligging volgt uit de ver beelding. ĮDê.Vlēūtl
į-»*«StWfťĩl üaľöĽiBt BBS
Lt/ţi
ì
‘
.
\
sM
Figuur 2: (Globale) ligging plangebied
Hoofdstuk 1
4
B il O
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Naastenbest en Dijkstraten-Zuid’ (19-03 2012) en ‘Parkeernormen en Archeologie’ (06-02-2017) de geldende juridisch-planologische kaders. In deze bestemmingsplannen heeft het plangebied de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’. Tevens heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’, is er een bouwvlak aangeduid en geldt een maximum bebouwingspercentage van 700Zo en een maximum bouw- en goothoogte van 5 meter. - 4 4 4 4 4\ 4 4 4 V+z1 44 + 444 + 44 -44 + 44 4. -I- 4 4 4 + 44+4 + 4+ 4 4 H -44 + 4 + 4 4 4 4444444444 4 4 4 '44+444 4 \į- 4 + 4 44 44 4 4 4
4 4 4
-+444444 4\ — 4444444 4'4 r 4 4 4 4 4 4 - 4., 4 4 4
4 + 4 4 4 -4’
4
4 + 44
4
4 + 4.
4 4 + 44
■44444444
4 + 4 4 4
" -4, 4 4 4 4 4 4 4^
. . . . . Jr
4 + 4 + 44 4 4 4 4 4 4 4 -ì
44444444
4 4 4
4*^4 4 4 4 ŗfý
4 4 4 4 4 -K
4+4+4
4\4 4 4 + 4 4 4 4 + 4 ■\4 4 4 4*
4 + 4 4\l4 4 4 4
4 4
4+4
4 4
4 4 4 4
+ V4 4444+4
4 4
4
4 + 4
4 4^
- 4\4 4
4 4 4
■\4 4,
4 + 4 + 44
4 4 + 4+4
4 4 4 + 4 4
4 4 4 4 4 4 tI
4 + 4
4 + 4 4 4.-Ŷ 4 H 4 4 4.4 -
4
+V+
4 +V+
h 4.V+
4
4 4 4 4 4
4 + 4
4 4 4 4 4 4-4
4
4
ļ*\V4. \4 A
4
+
4
+
444
4 4 4 4 4 4 4\4
+V
4 4
įŕ"4 4 + 4+ 4 + 44
4 4 í 4 4
4 4444444444 4 +V4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4-:, 4 -k
‘4 + 44 ■444
4-"4 4 H 4 4 4+4
4 4 4 4 4 4\4
i4 4 4
4 4
4 4\H
4 + 4
4 4+4
4 4 4 4 4 4 4\4
4 4\4
4 4 -
4 + 44.
44+4 + 4 + 4 + bl
4 4+4
- 4 4
4 4 4 4,
4 4 4\A
4 4 + 4 + 4
4 4 4 4
4 + 4 4 + 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 + 4 4^4 4 4 4 + 4 4 4 4 + 44 ■\4 4 4 4 4 4, t
b 4 4
4 A
4 4 + 44 4 4 4 4 41
4 4 4 4 + 4 4 4 4 + 44 4
4
4
4-
Figuur 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Gronden met de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ zijn bestemd voor maatschappelijk voorzieningen met bijbehorende voorzieningen. Woonfuncties passen niet binnen deze bestemming. Gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ zijn naast de hier voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van mogelijke archeologische waarden van de gronden. Voorgenomen plan voorziet in het toevoegen van 14 woningen (woonfuncties). Dit is niet mogelijk bin nen de huidige maatschappelijke bestemming. Derhalve is een herziening van het bestemmingsplan gewenst. Hierbij zal de bestemming gewijzigd worden van ‘Maatschappelijk’ naar ‘Wonen’. Ook zal de gebruikte maatvoering hierbij aangepast worden. In het huidige bestemmingsplan geldt voor ‘Wonen’ dat aanvullend woningbouw slechts toegestaan is wanneer de aanduiding ‘maximum aantal toe te voegen wooneenheden’ geldt (14.2.1, lid c). Deze regel zal bij de herziening komen te vervallen. Deze aanduiding zal in het bestemmingsplan worden opgenomen voor het plangebied.
Hoofdstuk 1
5
B il O
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de ver beelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. In de toelichting worden onder andere de keuzes die in het be stemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerende beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk diende als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwik kelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vi gerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
6
B il O
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Jan Pieterszoon Coenstraat in de wijk Naastenbest in Best. Naas tenbest is een vrij groene wijk, enerzijds vanwege de ruimte die is gereserveerd voor openbaar groen; anderzijds vanwege de aanwezigheid van groen ingerichte voor- en zijtuinen bij de woningen. Het grootste deel van Naastenbest bestaat uit een structuur van rechthoekige woonblokken, die voorna melijk bestaan uit aaneengebouwde woningen. Op enkele locaties komen halfvrijstaande woningen voor. De woningen zijn georiënteerd op lange, rechte straten. Binnen het stratenpatroon is sprake van een aantal stedenbouwkundige stempels, die steeds terugkomen binnen de wijk. De woningen heb ben over het algemeen een hoogte van twee bouwlagen met kap. In de woonwijk Naastenbest over heerst de functie wonen, afgewisseld met maatschappelijke voorzieningen en een aantal andere nietwoonfuncties. Deze zijn met name te vinden in De Schakel, waar onder andere een medisch centrum en een cafetaria zijn gevestigd. Het plangebied is tot begin 2021 bebouwd geweest. Het voormalige gebouw had van oorsprong een maatschappelijke functie als muziekschool. Vanaf het moment dat de muziekschool niet meer aanwe zig was in het gebouw tijdelijk als anti-kraak bewoond geweest. Begin 2021 is de bebouwing gesloopt. Op dit moment ligt het terrein geheel braak.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling en beeldkwaliteit Met dit bestemmingsplan worden in totaal 14 woningen mogelijk gemaakt in het plangebied. De wo ningen worden gebouwd in 1 blok. Er wordt uitgegaan van 2 bouwlagen met kap. Gedacht wordt aan combinatie met senioren onder en starters boven. De maximale hoogte van de woningen zal 10 meter bedragen. Op de binnenplaats is plaats voor circa 10 eigen parkeerplaatsen Beeldkwaliteit In de omgeving van het plangebied in Naastenbest bevinden zich grondgebonden woningen met tuin in een groene setting. Meestal in de vorm van rijwoningen van twee lagen en een kap. Met name ten noorden van het plangebied zijn vrijstaande woningen met een lage goot. Ten zuiden van het plange bied zijn enkele tweekappers van eveneens twee lagen met kap. Naast het Kruispark zijn er diverse belangrijke groene lanen in Naastenbest. Het plan dient qua uitstraling te passen in deze stedenbouwkundige context. Bovenwoningen worden wel toegelaten om de mogelijkheid te bieden twee doelgroepen onderdak te bieden: op de begane grond senioren en op de 1e verdieping starters. Alhoewel de opties op het perceel tamelijk vrij worden gelaten is de context dit niet. De huidige voorgevelrooilijnen van de rijwoningen aan de Jan van Rie-
Hoofdstuk 2
7
B il O
beeckstraat en de Jan Pieterszoon Coenstraat mogen niet overschreden worden met bebouwing. Af stand van de achtertuinen tot aan de hoofdgebouwen dient tenminste 10 meter te bedragen. Het groen van het Kruispark loopt momenteel over in de Jan van Riebeeckstraat en de Prins Clauslaan. Dit groen mag niet aangetast worden, met de kanttekening dat er wel de volgende compensatie plaats kan vinden: De bebouwing mag tot aan de voorgevelrooilijn van de Jan van Riebeeckstraat komen, maar daarvoor wordt de brede groenstrook aan de Prins Clauslaan doorgetrokken ten koste van de bebouwing op de hoek Jan Pieterszoon Coenstraat-Prins Clauslaan. Verder mogen de bestaande par keerplaatsen van de oude muziekschool in de openbare ruimte gebruikt worden. De overige beno digde parkeerplaatsen dienen op eigen terrein plaats te vinden (het beleid van de vigerende parkeernota). Het meest vanzelfsprekend lijkt een situatie te zijn van rijwoningen (senioren beneden en starters bo ven) aan de groenstrook van de Prins Clauslaan, waarbij het parkeren is georganiseerd tussen de be staande woningen van de Jan van Riebeeckstraat Z Jan Pieterszoon Coenstraat en de nieuwbouw. Het meest waarschijnlijke aantal is 6 seniorenwoningen en 6 starterswoningen hierboven. Onderzocht kan worden of de beukmaten bij de bovenwoningen anders kunnen worden om het aantal te optimali seren.
Meer als 14 woningen is in ieder geval niet wenselijk en mogelijk gegeven de bovenstaande context. In bouwvolume is de bouwopgave vergelijkbaar met de bestaande woningen in de omgeving. De ma terialisatie van de bestaande woningen (vooral uit de jaren ’80 van vorige eeuw) is bijna overal bak steen en dakpannen. De bakstenen zijn meestal licht van kleur en de dakpannen antraciet. De hedendaagse transformatie naar duurzaamheid, circulariteit en klimaatadaptatie maakt dat er op nieuw nagedacht wordt over de materialisatie. Bovendien kan van nieuwbouw in een bestaande wijk een stimulerende uitstraling uitgaan. De locatie bevindt zich op een hoeklocatie dat in het oog springt vanuit meerdere straten. Met deze zaken in het achterhoofd is besloten om de materialisatie vrij te la ten om op deze wijze de meest gunstige condities te scheppen voor het maken van een duurzaam ge bouw, waarbij er maximaal gebruik gemaakt kan worden van materialen, die weinig CO2 vragen en/of materialen die opnieuw gebruikt worden en/of herbruikbaar zijn. Bij de uitvraag richting potentiële ont wikkelaars zal dus het plan, dat de stedenbouwkundige condities respecteert en dat het meest circu lair en duurzaam is een grote kans maken om tot uitvoering te komen
Hoofdstuk 2
8
B il O
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Eén van de 13 nationale belangen is ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwali teiten (nationaal belang 10). Doorwerking plangebied Het project behoort niet tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake het mogelijk maken van een ruimte-voor-ruimte woning wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestem mingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mo gelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmings plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met een van de nationale belangen. Onderhavige ontwikkeling is dus in overeenstemming met het Barro.
Hoofdstuk 3
9
B il O
Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2. Dit artikel luidt: “De toelichting bij een bestem mingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de be hoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied Het plan richt zich op de ontwikkeling van de voormalige muziekschool. Deze plek bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied en is een inbreidingslocatie. Het plan bestaat uit 14 woningen. Het gaat om huur appartementen voor starters en senioren.
Behoefte De negen gemeenten in het Stedelijk gebied Eindhoven (SGE) werken samen op het beleidsterrein Wonen. Hiervoor hanteren zij het Afsprakenkader Wonen (2017). Op grond van het Afsprakenkader hebben de negen gemeenten een Woonvisie Regio Eindhoven vastgesteld. Daarnaast heeft het SGE in een regionaal woonbehoefteonderzoek laten uitvoeren (2021). Kern van dit onderzoek is het in beeld brengen van de woningbehoefte op regionaal niveau tot 2040: zowel kwantitatief (hoeveel) als kwalitatief (wat voor soort woningen, voor welke doelgroep en in welke woonmilieus). De provinciale prognose vormt de basis voor het onderzoek, inclusief de inhaalvraag om het huidige tekort in te lo pen. Doorvertaald naar het niveau van de gemeente Best laat het onderzoek in hoofdlijnen het volgende zien: » »
» » »
de totale lokale behoefte voor de periode 2020-2040 bedraagt zo’n 2.400 woningen; gezien de huidige marktomstandigheden bedraagt het aandeel sociale huurwoningen waaraan behoefte is, zo’n 30oZo; vooral in de vorm van gelijkvloerse woningen en/of appartementen; de oor zaak hiervan ligt enerzijds in de woningmarkt en anderzijds in de demografische opbouw van onze gemeente (vergrijzing, huishoudensverdunning); er blijkt een afnemende behoefte aan grondgebonden sociale huurwoningen; er blijkt behoefte aan (vooral lage) middenhuur; de behoefte aan grondgebonden koopwoningen blijkt het meest elastisch, gebaseerd op de door stroming (weinig doorstroming » meer nodig Z meer doorstroming » minder nodig)); en wat op valt is dat er vooral aan duurdere koopwoningen behoefte is.
In de confrontatie van het plan met de uitkomsten van het woningbehoefteonderzoek blijkt dat het pan aansluit bij de behoefte aan gelijkvloerse woningen en/of appartementen voor starters en senioren en in de lokale behoeft in de periode 20202 - 2040 aan zo’n 2.400 woningen. Ook ter bevordering van de doorstroming van senioren. Doorwerking plangebied Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling past in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan levensloopbestendige woningen in Best. De Ladder voor duurzame verstedelijking is gericht op
Hoofdstuk 3
10
BüO
het intensiveren van bestaand stedelijk gebied. Het inbreiden van woningbouw in bestaand gebied be hoort tot de doelstellingen van dit beleid. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemme ring voor de voorgestane ontwikkeling en daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de ladder.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Bra bant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikke ling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omge vingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling van negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemme ring vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omge vingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Interim omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Deze is op 1 maart 2020 gecon solideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevings verordening. Het is een interim-omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsver ordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetge ving voldoen. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied De planlocatie is in de Interim omgevingsverordening aangeduid als ‘Stedelijk Gebied’. Een bestem mingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen en ligt binnen Stedelijk gebied bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwer ken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Hoofdstuk 3
11
B il O
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebie den; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Voorliggende document voorziet in de onderbouwing dat de ontwikkeling bijdraagt aan een goede om gevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving. Het betreft de realisatie van 14 woningen op een voormalig bebouwde locatie die in gebruik was als muziekschool. Een verouderd pand wordt hiermee omgezet naar woningen die gasloos en duurzaam worden gebouwd. Op basis van boven staande kan geconcludeerd worden dat onderhavig planvoornemen in lijn is met de Interim Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Best 2030 De gemeente Best heeft op 29 maart 2011 de structuurvisie ‘Best 2030’ opgesteld. Hiermee beoogt zij meerdere doelen te bereiken. Zo kan de structuurvisie gebruikt worden voor integrale visievorming voor de lange termijn, het bundelen van belangen, als toetsings- en inspiratiekader, basis voor be stemmingsplannen en als basis voor de uitvoering. Wat betreft wonen wil de gemeente inspelen op de veranderende woningvraag. Hierbij staat zorgvuldig ruimtegebruik centraal. Door inbreiding en uitbrei ding worden bestaande woongebieden in de toekomst intensiever ingevuld. De gemeente Best heeft in de regio afgesproken om een deel van de Eindhovense woningbehoefte op te vangen. Dit komt neer op de realisatie van circa 1.500 woningen tussen 2020 en 2030. Hiervoor zijn uitbreidingslocaties beschikbaar, maar er zijn ook kansen voor inbreiding in het bestaande woongebied. Doorwerking plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaand woongebied. Dit gebied is geschikt voor inbrei ding om in de woningbehoefte kunnen blijven voorzien. In principe zijn herstructurerings- en intensiveringsprocessen overal binnen het bestaand woongebied mogelijk. Uiteraard moet hierbij worden aan gesloten op de kwaliteiten en mogelijkheden van dat woongebied.
De duidelijke structuur en variatie van de verschillende buurten en wijken dient behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In hoofdstuk 2 is deze structuur en de manier hoe hierop aangesloten wordt reeds beschreven. Voorgenomen plan betreft herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied. Hierbij is sprake van een inbreidingslocatie. De nieuwbouwwoningen sluiten aan op de karakteristieken van de omgeving. Te vens is er vraag naar een grotere woningvoorraad, onder andere door het opvangen van de Eindho vense woningbehoefte door de gemeente Best.
Hoofdstuk 3
12
BÜO
Woonvisie Best Op 6 maart 2017 heeft de gemeente Best haar woonvisie ‘Wonen met visie’ vastgesteld. Deze visie is een doorkijk naar het wonen in Best voor de komende jaren. Tevens is het een belangrijke bouwsteen voor de omgevingsvisie. De gemeente heeft gesteld dat de woningvoorziening in lijn moet zijn met de mografische ontwikkeling en de marktvraag en dat deze afgestemd dient te zijn met de regio. Tevens dient er ook een evenwichtige verdeling te zijn van de verdeling huur en koop. Hierbij wordt speciale aandacht gevraagd voor wonen en zorg, woningen voor drie generaties, levensloopbestendige wonin gen, flexibiliteit van de woningen, betaalbaarheid voor lage inkomens en woningen voor de middenhuurgroep. Ook zal de woningvoorraad uitgebreid gaan worden. Er wordt bovendien gesteld dat er een grote behoefte is aan huurwoningen. Doorwerking plangebied Voorgenomen plan voorziet in de realisatie van zeven huurwoningen voor het middensegment. Op ba sis van de woonvisie kan gesteld worden dat er vraag is naar dergelijke woningen. De woningvoor raad zal sowieso uitgebreid moeten gaan worden, met extra aandacht voor onder andere de huurwo ningen voor de midden-huurgroep. Daarmee is het planvoornemen in lijn met de ‘Woonvisie Best’.
Luchtkwaliteitsbeleid Best Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zal afgewogen moeten worden of het aanvaard baar is om een project op een bepaalde locatie te realiseren. Daarbij spelen zowel de mate van bloot stelling als de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen een rol. Omdat de gemeente veel waarde hecht aan de gezondheid van de burgers, worden ruimtelijke plannen uitdrukkelijk getoetst aan de goede ruimtelijke ordening en dit komt dan ook tot uitdrukking in het gemeentelijke luchtkwaliteitsbe leid. Het luchtkwaliteitsbeleid van de gemeente Best is onder meer gestoeld op het landelijke Besluit Ge voelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en verankerd in de beleidsnota’s: » Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant (18 maart 2014); » Uitvoeringsprogramma Lucht 2015-2020 (vastgesteld door B&W d.d. 15 september 2015). De Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen is bedoeld voor de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor luchtvervuiling: kinderen, ouderen en zieken en geeft aan op welke afstand van de weg een gevoelige bestemming moet komen in geval van hoge concentraties vervuilde stoffen in de lucht.
In de handreiking is geformuleerd dat binnen een afstand van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg geen nieuwe gevoelige be stemmingen in de eerstelijnsbebouwing worden geprojecteerd. Dit is een aanvulling op het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) van 2009 in die zin dat deze randvoorwaarde geldt, los van de vraag of sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden.
Hoofdstuk 3
13
BÜO
Voor drukke gemeentelijke wegen (circa 10.000 motorvoertuigen/etmaal of meer) is in de handreiking opgenomen dat binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg, geen nieuwe ge voelige bestemmingen in de eerstelijnsbebouwing mogen worden geprojecteerd. Ook dit is een aan vulling op het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en geldt eveneens los van de vraag of sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden. In het ‘Uitvoeringsprogramma Lucht 2015-2020’ geeft de gemeente - als vervolg op het Inventarisatierapport Luchtkwaliteit 2008 en Luchtkwaliteitsplan 2009 - verder invulling aan haar beleidsdoelstellin gen. Daarnaast geeft het invulling aan het beleidsakkoord 2014-2018 en het Milieubeleidsplan dat de raad heeft vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma geeft een actueel beeld van regelgeving, beleid en getroffen maatregelen en geeft daarnaast een overzicht van de maatregelen voor de komende 5 jaar met een positieve bijdrage op de luchtkwaliteit en een gunstig effect op de gezondheid.
Met het uit voeringsprogramma wil de gemeente bereiken dat: » De concentratie (ultra)fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) onder de wittelijke norm blijft; » Luchtkwaliteit structureel wordt meegenomen in de besluitvorming omtrent ruimtelijke en infra structurele ontwikkelingen ten aanzien van wonen en werken; » Kwetsbare groepen niet worden gehuisvest op nieuwe locaties waar sprake is van hogere concen traties luchtverontreinigende stoffen (i.c. drukke (snel)wegen); » Door communicatie, voorlichting, acties en maatregelen de bijdrage van inwoners, bedrijven en gemeente aan een verbetering van de luchtkwaliteit toeneemt. Het huidige beleid vormt geen belemmering voor het plan omdat het plan uitsluitend in woningen en opslag bij een horecabedrijf voorziet en daarmee niet voorziet in luchtgevoelige bestemmingen. Naast de specifieke regels voor luchtkwaliteit geldt er voor ruimtelijke planvorming ook een algemeen juridisch kader voor het afwegen van ruimtelijke aspecten, aangeduid als ‘goede ruimtelijke ordening’. Het aspect luchtkwaliteit wordt verder verantwoord in paragraaf 4.4.
Beleidsplan energie- en materiaaltransitie 2012-2015 Dit beleidsplan beschrijft de kaders en ambities van de gemeente ten aanzien van duurzaamheid. De gemeente Best sluit aan bij de regionale ambitie om energieneutraal en afvalloos te worden. De ge meente richt zich hierbij op het jaar 2030. Er wordt gestreefd naar energieneutraliteit, dat wil zeggen dat er sprake is van een hogere ambitie dan de afspraak die door de VNG met het Rijk is gemaakt. De ambitie bestaat uit energiebesparing en duurzame opwekking: » 400Zo energiebesparing in 2030 ten opzichte van 2010; » 10007o van het energieverbruik in 2030 duurzaam opwekken. In het beleidsplan worden de volgende speerpunten genoemd: 1. Duurzaamheid in meerjarenonderhoudsplannen van gemeentelijke gebouwen; 2. Duurzame warmte uit biomassa voor de wijk Dijkstraten; 3. Prijsvraag energienulwoningen door lokale partijen; 4. Energiebesparing Openbare Verlichting;
Hoofdstuk 3
14
B il O
5. 6.
Duurzame revitalisering bedrijventerreinen; Infrastructuur Elektrisch vervoer.
Als concrete maatregelen om de doelstellingen te bewerkstelligen kunnen worden genoemd de rand voorwaarden voor woningbouw: A) voor nieuwbouw: » Realiseren van een EPL van 7,0 of hoger bij woningbouwprojecten met meer dan 200 woningen; » Score van GPR 7 op alle thema’s bij nieuwe woningen; » 10o0o EPC verscherping bij nieuwe woningen. B) Voor bestaande bouw: » 2o0o jaarlijkse energiebesparing in de bestaande bouw; » Duurzaam beheer en renovatie van erfgoed. Duurzaam gebruik van erfgoed wordt gestimuleerd. Door middel van het toepassen van onderzoeks methoden om hergebruik en herbestemming van leegstaande historische gebouwen te bevorderen wordt de intrinsieke waarde en de economische waarde van de gebouwen vergroot. Om tijdig tege moet te komen aan de doelstellingen die vanuit duurzaam bouwen aan de prestaties van bestaande gebouwen gesteld worden, zal de gemeente bij de herbestemming van historische gebouwen en com plexen, een zogenaamde DuMo-toets (Duurzame monumentenzorg) uitvoeren. De gemeente Best gaat eigenaren van historische gebouwen op verschillende manieren stimuleren om met gebruik van slimme toepassingen deze gebouwen energievriendelijker te maken.
Ook ten aanzien van verkeer en vervoer heeft de gemeente zich een aantal doelstellingen gesteld: » Stimuleren openbaar vervoer en fietsverkeer; » Faciliteren duurzame verkeersinfrastructuur; » Besparing en/of verduurzaming brandstoffen met 1o0o per jaar. Naast de verantwoordelijkheid voor keuzes in de eigen organisatie en maatregelen op het gebied van woningbouw en verkeer en vervoer is de gemeente beheerder van de Openbare Ruimte. Duurzaam beheer en onderhoud is belangrijk voor een goede kwaliteit van de openbare ruimte en schept moge lijkheden voor zowel energie- als materiaaltransitie. Een kenmerkend onderdeel van de openbare ruimte is het openbaar groen. Bij het onderhoud en beheer van parken, plantsoenen en bomen komt jaarlijks een grote hoeveelheid hout-, snoei- en bladafval vrij. Een deel hiervan is bijzonder geschikt voor energieopwekking en wordt daar momenteel ook voor gebruikt. Ook andere afvalstromen worden zo duurzaam mogelijk verwerkt. Als randvoorwaarden voor de openbare ruimte kunnen worden ge noemd: » 400 opwekking en/of inkoop duurzame energie; » 750 duurzaam inkopen; 1000 vanaf 2015; » Duurzaam beheer openbare ruimte; » Toepassing energiezuinige Openbare Verlichting; » Duurzame toepassing groenstromen.
Hoofdstuk 3
15
B il O
4.
MILIEUASPECTEN
4.1
Inleiding
Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als ge luid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische aspecten.
4.2 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodem kwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhy giënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig veront reinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebrui kers of het milieu. Doorwerking plangebied Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de be oogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Met de beoogde bestemmingswijziging van ‘Maatschappelijk’ naar ‘Wonen’ wordt een ‘gevoeligere’ functie gerealiseerd. Derhalve is een ver kennend bodemonderzoek (NEN5740) noodzakelijk om aan te tonen dat de bodem geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Er is door Aeres Milieu BV een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De gestelde hypothese dat de locatie als “onverdacht” beschouwd kan worden is juist gebleken.
De gemeten concentraties in het grondwater zijn in tegenspraak met de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie onverdacht is. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht verhoogd is met ba rium en naftaleen. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek is gelet op de aange troffen componenten en gemeten concentraties niet noodzakelijk.
Conclusie De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Hoofdstuk 4
16
BÜO
4.3 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zo als woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: » wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; » wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in een zone met 30 km/uur-wegen en een akoestisch onderzoek is derhalve niet per se noodzakelijk. Desondanks is een dergelijk onderzoek toch gewenst in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er is door Windmill Milieu Management en Advies een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Wet geluidhinder De berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Prins Bernhardlaan bedraagt ten hoogste 31 dB. De voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. Goede ruimtelijke ordening (30 km/uur-wegen) De geluidbelasting van alle beschouwde 30 km/uur-wegen voldoen aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Cumulatieve geluidbelasting Conform de methode Miedema is de berekende gecumuleerde geluidbelasting is te beoordelen als ‘redelijk’ tot ‘goed’, daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie Het aspect geluid vanwege de omliggende wegen vormt geen belemmering voor de realisatie van het woningbouwplan.
4.4 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aanneme lijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële
Hoofdstuk 4
17
BÜO
regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Toetsingskader In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouw locaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Ook dient bij de realisatie van woningen gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in de huidige situa tie. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van be lang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weerge geven.
De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 gg/irP
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 gg/irP
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 gg/irP
Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Toetsing voor het aspect lucht kwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk. Er kan op voorhand worden geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentra tie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Mi lieu - RIVM) bedraagt de concentratie PM2,5in minder dan Mgg/m3. De concentratie PM10 is minder dan 20 gg^ en de concentratie NO2 bedraagt maximaal 25 gg^. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwali teit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie.
Hoofdstuk 4
18
Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit en vice versa. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.5 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de mili euvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe be paalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelas ting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsings kader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aange geven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn er geen veehouderijen die een negatieve invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat wat betreft het aspect geur. Vice versa zijn er ook geen veehouderijen die in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de beoogde woningen.
Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.6 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspec ten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden ge hanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Wanneer aan de afstanden worden voldaan is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
19
BÜO
In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden. Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gela ten behandeld in paragraaf 4.5. Doorwerking plangebied Op basis van de vigerende bestemmingsplannen is te zien dat er in de omgeving van het plangebied weinig tot geen bedrijvigheid te vinden is. De bedrijvigheid die er te vinden is, is goed in te passen bin nen woongebied. De enige vorm van bedrijvigheid met een relatief hoge milieucategorie zijn de sport velden ten zuidwesten van het plangebied. Hiervoor geldt milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter. De sportvelden liggen op circa 300 meter van het plangebied. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan.
Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.7 M.e.r.-plicht In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffect rapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoor deeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies lei den: » belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzake lijk; » belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrappor tage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van zeven nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt.
Doorwerking plangebied De ontwikkeling van 14 woningen is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het
Hoofdstuk 4
20
BüO
Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwik keling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ont wikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet be oordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.
4.8 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het ge bruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water, spoor en door buisleidingen. Productie en bijvoorbeeld vervoer van gevaarlijke stoffen leggen beperkingen op aan de directe omge ving en dus de ruimtelijke ontwikkeling. Zo zijn tussen bijvoorbeeld LPG-tankstations en woningen veiligheidsafstanden nodig. Om de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk benutten, is het noodzakelijk het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid goed af te stemmen. In het beleid wordt onderscheid gemaakt in twee normeringen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de mil joen (10-6). Dat betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een gevaarlijke fabriek maximaal maar ééns per 1 miljoen jaar mag overlijden door een ongeluk in die fabriek. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk.
Het groepsrisico (GR) legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtof fers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. Verande ringen boven of onder deze waarde moeten worden verantwoord. Hierbij kan aandacht worden be steed aan de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Risicobronnen Mogelijke risicobronnen waarbij in ruimtelijke besluitvorming rekening moet worden gehouden zijn: » transport van gevaarlijke stoffen (per spoor, weg, water, buisleidingen); » bedrijvigheid (inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtin gen (Bevi)).
Hoofdstuk 4
21
B il O
Doorwerking plangebied Er is door Windmill Milieu Management en Advies een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele on derzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied zijn geen vormen van risicovolle bedrijvigheid te vinden. Transport van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd over de A2, de A50 en het spoor. Deze liggen op respectievelijk 1.6, 2 en 0,5 kilometer. Het plangebied ligt binnen de hiervoor geldende risicocontour van 4 kilometer. Derhalve dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Transport over de weg Het plangebied ligt op circa 2.300 meter van de rijksweg A58 en op circa 3.000 meter van de provinci ale weg N2 en rijksweg A2. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied geen belemmeringen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze wegen. De rijkswegen A2 en A50 vormen geen aandachtspunt voor het plangebied. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de rijksweg A58 en de provinciale weg N2 dienen meege nomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Transport over het spoor Het plangebied is op circa 580 meter afstand van de tunnelmond van de spoorlijn Boxtel - Eindhoven aansl. gelegen. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet. Gezien de ruimtelijke scheiding vormt het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied geen belemmeringen voor het plange bied. Wel blijkt het plan binnen het invloedsgebied van toxische gassen te liggen, waardoor de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn meegenomen moeten worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Buisleidingen Op circa 370 meter ten westen van het plangebied ligt een DPO-leiding. Gezien de grote afstand tot het plangebied is deze buisleiding niet relevant voor het aspect externe veiligheid.
Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risi covolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtin gen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
Hoofdstuk 4
22
BÜO
Speelheic
Naastenbe.'t
Figuur 4: Uitsnede risicokaart, plangebied binnen zwarte cirkel
Beperkte verantwoording groepsrisico Bestrijding en beperking van de omvang van de ramp Voor de bestrijdbaarheid is het van belang het (de) relevante scenario(’s) te onderscheiden. Gezien de afstand van het plangebied tot de A58 en het spoor is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel op treden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ont staan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de bloot stelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. In het geval van een ramp met gevaarlijke stoffen op de A2, A50 en/of het spoor, kunnen hulpdiensten relatief snel ter plaatse zijn. Derhalve kan de ramp snel bestreden en beperkt worden.
Hoofdstuk 4
23
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voor waarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. Voor het toxische scenario geldt schuilen als beste handelingsperspectief. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigen schappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaats vinden. De beoogde woningen bieden voldoende mogelijkheden om te schuilen. Tevens zullen de woningen voldoen aan de huidige kwaliteitsnormen. Daarmee wordt verwacht dat de woningen ook voldoende bescherming bieden tegen de ramp.
Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Uit het voor gaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering hoeft te zijn voor het plangebied, omdat de ramp voldoende bestreden en beperkt kan worden en de nieuwbouw goede bescherming biedt tegen een mogelijke ramp met toxische stoffen.
4.9 Verkeer en parkeren Om de effecten van een plan op de verkeerssituatie ter plaatse te bepalen wordt gekeken naar de verkeersgeneratie. Deze kan worden ingeschat op basis van kencijfers uit de meest recente CROW-publicatie (381). In de CROW is beschreven dat de maximale verkeersgeneratie van een huur, etage, midden /goedkoop (gelegen in ‘rest bebouwde kom’ van een ‘matig stedelijk gebied’) neerkomt op 4 motorvoertuigen (mvt) per etmaal per woning. In dit geval zal het plan dus zorgen voor maximaal 56 mvt/etmaal. De omliggende wegen kunnen het extra verkeer gemakkelijk verwerken. Het plan zorgt niet voor meer verkeersdruk of voor onveilige verkeerssituaties. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de nieuwe Nota parkeernormen, vastgesteld op 30 november 2015 door de gemeente Best en die is verwerkt in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren en Archeologie’. Doorwerking plangebied In het plan zijn 14 huurwoningen (appartementen < 70 m2) met een parkeernorm van 1,4. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van 19,6 parkeerplaatsen. De realisatie van het aantal parkeerplaatsen dient ten minste te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen. In de planregels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Er is voldoende ruimte beschikbaar om aan de minimale parkeereis te voldoen.
Op eigen terrein (binnenplaats) is plaats voor circa 10 eigen parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er 11 parkeerplaatsen aan de Jan Pieterszoon Coenstraat beschikbaar. Er ontstaan geen belemmeringen omtrent verkeer en parkeren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
24
BÜO
4.10 Cultuurhistorie ä Archeologie De kaders voor bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden wordt gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt be staande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Ne derland. In het Bro is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te ver wachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel be schermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het natio nale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
4.10.1 Cultuurhistorie Het plangebied ligt volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant in De Kempen. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar bui tengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland. Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast heeft het een re latief beperkte omvang. Hierdoor zal het geen negatieve invloed hebben op de cultuurhistorische waarden van De Kempen.
4.10.2 Archeologie Het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Best (2015) en volgens het bestemmingsplan Parkeernormen en archeologie (2017) grotendeels in een zone met de Catego rie 3: gebieden met hoge verwachting (historische kern). Een klein zuidwestelijk deel ligt binnen een zone met de Categorie 4: gebieden met hoge verwachting met esdek. De hoogste verwachtingszone is leidend. Voor de categorie 3 geldt een onderzoekplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte gro ter dan of gelijk aan 250 m2 en met een diepte vanaf 30 cm -mv.
Hoofdstuk 4
25
B il O
Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling betreft een ingreep groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm - mv. Derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Er is door Aeres Milieu BV een archeologisch onderzoek uit gevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het noord westelijk deel van het plangebied deels verrommeld en deels afgetopt is, waarbij de oorspronkelijke bodem niet meer is aangetroffen. De overgang van de Ap-horizont naar de C-horizont is in boring 3 scherp en is slechts 10 cm dik. Op basis hiervan wordt de archeologische verwachting voor alle perio den (laat-paleolithicum tot nieuwe tijd) bijgesteld naar laag. In het zuidoostelijk deel van het plange bied is de natuurlijke ondergrond ten dele nog intact. Er werd nog een B en BC-horizont aangetroffen. Een deel van de natuurlijke bodem is niet meer aanwezig (opgenomen in de bovengrond bij bewer king van het land) maar dieper ingegraven sporen kunnen zeker nog worden aangetroffen. De in het bureauonderzoek opgestelde (middel-) hoge archeologische verwachting blijft voor dit deel van het plangebied gehandhaafd.
Echter kan aan de hand van de beschikbare gegevens over de fun deringen van de huidige bebouwing worden gesteld dat deze een dusdanige verstoring tot gevolg hebben gehad dat er geen resten meer ter plaatse hoeven te worden verwacht. Hierdoor blijft er een zeer beperkte zone over (vermoedelijk rond de 150 m2) die op basis van ervaring, inhoudelijk weinig zal toevoegen aan het huidige kennis niveau. Ondanks het behouden van de archeologische verwach ting voor deze zone wordt geadviseerd geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Voor het noordwestelijk deel van het plangebied wordt om eerder genoemde redenen geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (ge meente Best) door middel van een selectieadvies. Het selectieadvies is opgenomen in de bijlagen. Uit het archeologisch vooronderzoek blijkt dat de kans op archeologische waardevolle resten grotendeels laag is; alleen voor het zuidwestelijke deel buiten de bestaande bebouwing, geldt nog een middelhoge archeologische verwachting. Hoewel niet volledig uitgesloten kan worden dat er archeologische resten verstoord gaan worden als gevolg van de geplande nieuwbouw, is de kans hierop erg klein. Derhalve adviseren wij om geen professioneel archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.