21090.3 - Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
Tekst van het document
Meer dan 95% van de bezoekers komt naar de Nieuwe Heide om er te wandelen, ruim een derde van de bezoekers neemt de hond mee. Een deel van de wandelaars loopt een GPS route of doet aan geo caching. Daarnaast wordt er veel gesport: hardlopen (gemiddeld 36% van de respondenten), fietsen en mountainbiken (resp. 39,5% en 20,5%), en paardrijden (19%) zijn belangrijke activiteiten van bezoekers. Daarnaast wordt er gemotorcrossd in het gebied, wat door veel andere bezoekers van het
gebied
als
ongewenst
wordt
ervaren.
Slechts weinigen
bezoeken
het
gebied
georganiseerde tochten of activiteiten.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
61
voor
Nooit
1-2 keer per jaar
3-4 keer per jaar
Maandelijks
Wekelijks
Dagelijks 0
5
10
15
20
25
30
35
40
% Antwoorden M Son en Breugel
M Best
Figuur 29 Frequentie bezoek Nieuwe en Sonse heide. Aantal respondenten: Best: 741, Son en Breugel: 437
weekend
doordeweeks
8056
i Te druk
B Druk
Niet druk of rustig
B Rustig
B Heel rustig
9056
10056
Weet ik niet
Figuur 30 Ervaren drukte in het weekend en op weekdagen in de Nieuwe en Sonse heide. Gecombineerde resultaten van de enquetes uit Best en Son en Breugel. De natuurgebieden worden met name in de weekenden druk bezocht; meer dan 65% van de bezoekers vindt het in het weekend druk of zelfs te druk (Figuur 30). Door de week is er van die drukte weinig te merken. Daarbij moet worden opgemerkt dat de drukte niet homogeen verspreid is over het gebied. Drukke delen zijn de delen rondom de Beste en Sonse weg centraal in het gebied en rondom de parkeerplaats bij het Openluchttheater Joe Mann. Rondom de Langvennen wordt veel gewandeld. In het Sonse gedeelte lopen veel mensen het gebied aan de noordkant vanuit de Gentiaan in, om van daaruit een rondje rondom het Oud Meer te lopen. Het noordwestelijk en zuidoostelijk deel van het gebied zijn veel rustiger, in die zin dat er veel minder mensen komen. Sinds het begin van de Corona-crisis wordt het gebied aanmerkelijk drukker bezocht, o.a. door wandelaars en mountainbikers.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
62
Faciliteiten: horeca, routes en georganiseerde activiteiten De horeca-faciliteiten zijn geconcentreerd in het Bestse deel: aan de Sonseweg ligt Brasserie ’t Boshuys en Hotel Bed&Bos, aan de Joe Mannweg het Joe Mann Paviljoen, met het naastgelegen natuurtheater. ’t Boshuys en het Joe Mannpaviljoen zijn startpunt voor verschillende activiteiten (wandelen, fietsen, e-scootertochten etc.). Op het terrein van ’t Boshuys is het Museum Bevrijdende Vleugels gevestigd, gewijd aan de bevrijding van Zuid Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In het Sonse deel is scouting Dutmella gevestigd aan het Dutmellapad. Dertig tot vijftig procent van de bezoekers komt met de auto; zij parkeren voornamelijk bij ’t Boshuys, Joe Mann Paviljoen of op de carpoolplaats langs de A50.
Figuur 31 Schaatsen op het Oud Meer. In het gebied zijn verschillende wandelroutes uitgezet; ook maken zowel de Nieuwe Heide als het Oud Meer deel uit van het wandelknooppunten-netwerk. Voor minder validen is er een (half) verharde rondwandeling uitgezet. Trimfaciliteiten zijn te vinden bij hindernisbaan Ekkersrijt en er is een parcours uitgezet in de omgeving van het Joe Mann Paviljoen. Er is ook een MTB-route uitgezet in het gebied (zie Figuur 32) en zijn verschillende ruiterpaden aangelegd. Overigens zijn niet alle routes even duidelijk gemarkeerd (mn MTB-routes) en onderhouden. In de winter wordt er op het Oud Meer geschaatst. In het gebied worden activiteiten georganiseerd voor grotere en kleinere groepen. Vanuit ’t Boshuys worden door het bedrijf voor grotere en kleinere groepen activiteiten georganiseerd, variërend van bolderkarwandelingen voor een gezin tot groepsactiviteiten. In januari wordt jaarlijks de Joe Mann Bosloop georganiseerd, waaraan in 2020 ca. 400 lopers deelnamen. Motorcross is niet toegestaan, maar vindt wel plaats. Knelpunten
Het kan niet anders dan dat er ook ergernissen zijn in een dermate druk bezocht gebied. Motorcross wordt door bijna 50% van de ondervraagden als bron van ergernis genoemd en staat daarmee bovenaan de lijst. Daarnaast zijn veel genoemde bronnen van ergernis rondslingerend afval, mountainbikers en loslopende honden. Veel routes kruisen de Sonse en Bestseweg: dit wordt door velen als gevaarlijk ervaren.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
63
/A.LJįJj
ļŞoņsęwS ífSlsnwņ Nieuwe [Heide
•Helmond
ö|į ■CM««í5rm
Houtens; I Science - - | :--Park Eindhoven
Ekkeīşŗ/jt
ŗ^-ļgŕtteŕsfiļt1
Krtůûppurtt-fWŕrttvŕŗ/ŕř' Knooppunt ĩkkerTweijer, Ekkersŕíj^
^SiMk WiļuaţteşH
v \HnaoppJmtĩĩīhmţjtŕ 'ľ 'İ V
LvisvnverJ
Leaflet ļ © OpenStreetMap contributors | © mtbroutes.nl
___
■Ÿ~ Vrľ"
Legenda:
M Route
B Verbindingsroute
Figuur 32 Wandelroutes (links) en MTB-routes
4.9
Beleid
Er zijn diverse andere overheden die beleid hebben dat invloed heeft op het gebied en ook binnen beide gemeente zijn er beleidstukken die invloed hebben.
4.9.1
Provinciaal natuurbeleid
Sinds 2012 wordt het provinciaal natuurbeleid vorm gegeven middels de Nota Brabant uitnodigend groen (BrUG). Met het vaststellen van BrUG was er geen radicale breuk met het verleden omdat wederom een robuust natuurnetwerk en behouden van biodiversiteit centraal staan. De vier pijlers onder de BrUG zijn: 1. Realiseren netwerk van natuurgebieden, vormgegeven in het natuurbeheerplan (zie 4.5.2 voor natuurnetwerk van plangebied) 2. Behoud van biodiversiteit Brabant-breed, van stad tot land. Dit is vormgegeven in het biodiversiteits- en leefgebieden beleid. 3. Karakteristiek landschap 4. Verankering in de samenleving Op dit moment wordt de BrUG geëvalueerd en de verwachting is dat in de loop van 2022 er een nieuwe nota zal worden opgesteld ter vervanging van de huidige nota. 4.9.2 De
Wet natuurbescherming Wet
natuurbescherming
bestaat
uit
3
onderdelen
namelijk
de
gebiedsbescherming,
soortbescherming en het onderdeel houtopstanden. Het onderdeel gebiedsbescherming is niet van toepassing op het op het plangebied, omdat het geen deel uit maakt van een Natura 2000 gebied. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent drie bescherming regimes voor soorten. Binnen deze regimes worden in het totaal ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
64
beschermd. Voor bestendig beheer wordt in bos- en natuurterreinen meestal gewerkt volgens gedragscodes. Als de gedragscodes en de algemene zorgplicht worden gevolg is er vaak sprake van een vrijstelling voor de activiteit. Bij grootschalige herstelmaatregelen en overige niet periodieke herstelmaatregelen zal er altijd een afweging moeten worden gemaakt volgens het stappenplan soortenbescherming van het ministerie. Houtopstanden In het vierde hoofdstuk van de Wet Natuurbescherming is de bescherming van houtopstanden vastgelegd. In de wet is een meldingsverplichting opgenomen als er meer dan tien are of een rijbeplanting van 20 bomen of meer wordt gekapt. Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk wordt gekapt is de eigenaar verplicht om binnen 3 jaar dit deel te herplanten. Dunning ten behoeve van beheer en onderhoud valt niet onder de meldings- of herplantverplichting. 4.9.3
Gemeentelijke structuurvisies
De gemeentelijke structuurvisie van de gemeente Best beschrijft het volgende toekomstbeeld voor de Nieuwe heide:
Het productiebos van de Nieuwe Heide wordt verder getransformeerd naar een afwisselend bos en heidegebied, met vennen en open plekken. In het gebied is ruimte voor de ontwikkeling van (nieuwe) recreatieve functies die bijdragen aan de beleving van dit natuurgebied zonder afbreuk te doen aan de aanwezige natuurwaarden. De huidige recreatieve druk is vrij hoog. Gewaakt moet worden voor overdruk. Passende rustplaatsen, eventueel met educatieen informatievoorzieningen, zijn hier mogelijk. De Nieuwe Heide is goed bereikbaar voor bewoners en bezoekers vanuit Best en omgeving.” Structuurvisie Buitengebied De gemeentelijke structuurvisie van de gemeente Son en Breugel beschrijft het volgende toekomstbeeld voor de natuur en bosgebieden:
De natuur- en Bosgebieden vormen een belangrijk uitloopgebied voor de aanliggende en dichtbij gelegen woonwijken. De natuur- en bosgebieden hebben daarmee een gemengde functie die toeziet op bos, natuur, productiebos en recreatief uitloopgebied. De recreatieve betekenis van de natuur- en bosgebieden dient aandacht tekrijg------------------------- en, waarbij de recreatieve voorzieningen op een kwalitatief hoog peil worden gehouden. Voor de recreatie is afwisseling tussen open en dicht, markante bomen en plekken van belang. De aanwezige natuurwaarden, voornamelijk aanwezig in het ven Oud Meer en de randzone rond dit ven. In deze randzone zijn veel gradiëntsituaties aanwezig. Veelzijdige functievervulling van het natuurgebied is gewenst. De natuurbehoudsfunctie dient versterkt te worden. De houtproductiefunctie ziet toe op productie van kwalitatief goed hout. Een deel van het bosgebied kan geleidelijk worden omgevormd naar een natuurlijk loofbos. Ook een geleidelijke overgang van bos naar heide wordt nagestreefd. 4.9.4
Waterschap de Dommel
Op dit is het waterbeheerprogramma 2022-2027 in ontwerp met de titel Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het plan gaat uit van drie richtinggevende principes: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan 3. Wat schoon is moet schoon blijven Voor de natuurgebieden wordt voornamelijk ingezet op de sponswerking zodat deze kunnen functioneren als klimaatbuffer in tijden van droogte. Het waterschap zet er op in dat geen druppel meer de natuurterreinen verlaat via oppervlaktewater.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
65
5
In
Milieudruk en effecten op de Nieuwe en Sonse heide
dit
hoofdstuk wordt
een
theoretisch
kader
gegeven
klimaatverandering, verdroging, vermesting, verzuring
van
belangrijke
processen
als
en versnippering. Vervolgens wordt
aangegeven hoe dit in de Nieuwe Heide & Oud Meer doorwerkt.
5.1
Klimaatverandering
De opwarming van de aarde als gevolg van broeikasemissies is inmiddels een feit. In het in 2021 verschenen IPCC rapport wordt aangegeven dat dit ‘onbetwistbaar’ de invloed is van de mens. De opwarming gaat sneller dan de afgelopen 2000 jaar is waargenomen; de kritische grens van 1,5 "C (gemiddeld) wordt waarschijnlijk over 10 jaar al bereikt (IPCC 2021). De effecten zijn nu al overal op aarde merkbaar, ook in Nederland. In ons land manifesteert de klimaatverandering zich door een stijging van de gemiddelde temperatuur, een grilliger patroon in de zomerneerslag, we kunnen zowel extremere neerslag als droogte verwachten (zie Figuur 34Figuur 34 en Figuur 33). De winters zullen natter worden. Als gevolg van de klimaatverandering zal ook de zeespiegel stijgen. JanuaryFebruaryMarch-
JunejulyAugust ieptemberOctober NovemberDecember-
FV-. .11. Seasonal stripes (anomalies rel. to a baseline).:
Rows; Ensemble mean monthly value
Columns: Years
Figuur 33 Verwachte verandering van de gemiddelde maandelijkse neerslag bij 1,5 C temperatuurstijging in West en Centraal Europa. Ceel: droger dan gemiddeld, groen: natter dan gemiddeld. IPCC interactive atlas, 2021
JanuaryFebruaryMarchAprilMayJuneJulyAugustleptemberOctoberNovemberDecember-
Seasonal stripes (anomalies rel. to a baseline).:
Rows: Ensemble mean monthly value
Columns: Years
Figuur 34 Verwachte verandering van de gemiddelde maandelijkse temperatuur bij 1,5 C temperatuurstijging in West en Centraal Europa. Blauw: lager dan gemiddeld (-4 "C - 0 "C), rood hoger dan gemiddeld (0->6 "C). IPCC interactive atlas, 2021
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
66
5.1.1
Effecten van klimaatverandering in de Nieuwe Heide ã Oud Meer
Bossen Klimaatverandering heeft legio effecten op bossen; een compleet overzicht van die effecten is weergegeven in bijlage 3. In deze paragraaf bespreken we de belangrijkste effecten in relatie tot de bossen in het plangebied. Zoals in paragraaf 4.5 is aangegeven, is er sprake van een vrij beperkte boomsoortensamenstelling. De bossen bestaan voor een belangrijk deel uit naaldhout, waarbij grove den de belangrijkste boomsoort is. Onder invloed van klimaatverandering zal er ook een verschuiving van de groeiplaatsen van
boomsoorten
gaan
optreden.
Een voorbeeld van
de verschuivingen
is
weergegeven in Figuur 35. In dit kader is het van belang om een brede boomsoortensamenstelling te hebben zodat, als er bepaalde soorten gaan uitvallen, er voldoende soorten over blijven om hun plaats in te nemen.
Current
RCP2.6
RCP4.5
RCP8.5
Ruwe bei
Douglas. v *'sşäį
* J-
(m)
Grove den
Figuur 35 Huidig (a, e, i, m) en toekomstig potentieel verspreidingsgebied van boomsoorten in Europa afhankelijk van klimaatscenarío's van een optimistisch (b, f j, n), matig (c,g,k,o) en extreem (d, h, , p) volgens Dderski et al 2018. Groen is de huidige verspreiding, rood is gebied waar de soort nu voorkomt, maar wat ongeschikt wordt en paars is nieuw gebied waar de soort zich kan verspreiden. De effecten van de extreem droge zomers van 2018-2020 zijn al zichtbaar in het afsterven van fijnspar en in vitaliteitsproblemen van Japanse larix en Douglas. Het effect van de droogte op de boom is niet altijd een direct effect: droge zomers en natte zachte winters leiden tot verminderde vitaliteit van bomen. Daardoor worden ze extra kwetsbaar voor infectie door plaaginsecten. Vlaksgewijze opstanden zijn kwetsbaarder voor plagen dan gemengde opstanden. Daarbij komt Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
67
dat gemengde opstanden
productiever zijn
(Lu
2017), waarschijnlijk doordat er minder
concurrentie plaatsvindt tussen soortgenoten, soorten een eigen niche vinden en doordat er minder plaagdruk is. Werken met gemengde opstanden met minimaal drie belangrijke boomsoorten kan catastrofale gevolgen door bijvoorbeeld plagen voorkomen. Veerkracht kan ook vergroot worden door binnen een soort verschillende herkomsten in het bos te introduceren (Mijnsbrugge et al., 2017) en door het specifiek bijmengen van herkomsten waarvan een hogere droogtetolerantie verwacht wordt. Doordat klimaatverandering leidt tot een toename van droge en warme zomers, stijgt het risico op bos- en natuurbranden. De droogte leidt tot een toename van brandbaar materiaal in de bossen en natuurgebieden. Gebieden op droge zandgronden (haarpodzolen en stuifzandbodems) en een lage grondwaterstand in de zomer, zijn extra kwetsbaar, evenals gebieden met een hoge recreatiedruk. Een natuurbrand ontstaat namelijk meestal door onvoorzichtigheid van mensen. In de Klimaat Impact Monitor is een inschatting gemaakt van de gevoeligheid voor brand: in de huidige situatie wordt de gevoeligheid in de Nieuwe Heide & Oud Meer ingeschat als matig tot hoog. Als gevolg van klimaatverandering stijgt het risico op natuurbrand (Figuur 36).
Rnr.ü ŗi^
Figuur 36 Gevoeligheid voor het ontstaan van een natuurbrand. Links: huidig klimaat, rechts: 2050, oiv klimaatverandering. Groen: laag, geel: matig, rood: hoog. Bron: Klimaateffectatlas.nl Heide, vennen en graslanden Aan de heide, vennen en graslanden van de Nieuwe Heide en het Oud Meer zal klimaatverandering evenmin ongemerkt voorbij gaan. In deze ecosystemen zullen de effecten zich echter wat anders manifesteren dan in de bossen. Veel plant- en diersoorten zullen het tempo van verschuiving van klimaatgrenzen niet kunnen bijbenen via migratie (Wamelink et al., 2020). Onderzoekers van de WUR hebben gemodelleerd wat het effect is van een stijging van de gemiddelde jaartemperatuur van iets meer dan 10 ^ naar 14 ^ op plantensoorten van verschillende SNL-beheertypen, waaronder heide en vennen (zie Tabel 10). Duidelijk wordt dat een groot percentage van de plantensoorten van heide en vennen bedreigd wordt door de temperatuurstijging. Het zijn met name de koude minnende soorten die onder druk staan. Daarnaast hebben diersoorten het moeilijk doordat hun levenscyclus niet meer synchroon loopt met de omringende natuur. Temperatuurverhoging leidt immers niet alleen tot het warmer worden, ook wordt het vroeger in het jaar warmer. Daardoor treedt er soms een mismatch op:
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
68
bijvoorbeeld rupsen die uitkomen voor- of nadat het blad aan de boom staat. Ook (trek-)vogels ondervinden veel problemen van asynchroniteit.
Tabel 10 Het aantal onder druk staande doelsoorten per SNL beheertype bij een gemiddelde jaartemperatuurstijging naar 140C (bron: Wamelink et al., 2020). Aantal Totaal SNL Beheertype
aantal
bedreigde
doelsoorten als gevolg van
Percentage bedreigde
doelsoorten
temperatuurstijging
doel soorten
Droge heide
N07.01
44
10
23%
Vochtige heide
N03.04
44
15
34%
Zuur ven en hoogveenven
N06.06
12
9
75%
Zwakgebufferd ven
N06.05
26
4
N1 5.02
35
18
Dennen-,
eiken-
en
beukenbos
56%
Temperatuurstijging heeft niet alleen negatieve gevolgen. Warmte minnende soorten kunnen er bijvoorbeeld ook van profiteren: zo zijn veldkrekel en blauwvleugelsprinkhaan door vernietiging en versnippering van leefgebieden in het verleden zo sterk achteruitgegaan dat ze op de rode lijst beland zijn. Nu weten populaties zich weer te herstellen door warme en droge zomers van afgelopen jaren. Soorten waarvoor Nederland ooit te koud was, kunnen hun leefgebied naar hier uitbreiden.
Bekende
sprinkhaansoorten
en
nieuwkomers
in
Nederland
broedvogels
als
de
zijn
bijeneter.
wespenspin,
sommige
De wespenspin
libellen-
en
kwam tot de jaren
tachtig/negentig alleen voor in het zuiden van ons land. Ondertussen hebben de spinnen zich over ons hele land weten te verspreiden. Klimaatverandering biedt dus kansen voor de ene soort, maar is juist weer een bedreiging voor de andere. Het zijn wel hoofdzakelijk mobiele soorten die kunnen profiteren. Meer honkvaste warmteminnende soorten kunnen de verandering niet bijbenen. Droogte, zoals in de afgelopen zomers optrad, leidt er toe dat grondwaterstanden dalen en vennen eerder droogvallen, zoals in de Langvennen gebeurde. Soorten die niet zijn aangepast aan het vroeg,
of helemaal
droogvallen van vennen
leiden
hieronder.
Bekende voorbeelden
zijn
bijvoorbeeld veenmossen en verschillende libellen; de sterke achteruitgang van de toch al zeldzame speerwaterjuffer wordt mede veroorzaakt door de droogte. In vochtige heide leidt droogte tot een toename van de afbraak van organisch materiaal in de bodem, waardoor er meer voedsel beschikbaar komt. Snel groeiende soorten als pijpenstrootje kunnen hiervan profiteren en minder snel groeiende heidesoorten wegconcurreren. De effecten van droogte zijn ook zichtbaar in droge heide, een systeem dat aangepast is aan droge zomers. Desondanks leidde de extreme droogte en hitte van 2018 in veel heides tot het afsterven van struikheide. Doordat de vegetatie versneld open werd, nam de instraling van de zon op de bodem toe, met als gevolg een verschuiving in de loopkeverpopulaties. Warmte minnende soorten namen toe (Jansen et al 2020). Het onvoorspelbare karakter van het klimaat kan grote gevolgen hebben voor de natuur. Als gevolg van de droogte hebben veel vochtminnende soorten zich teruggetrokken in de laagste delen van het landschap. Echter, wanneer deze droogte wordt gevolgd door sterke neerslag, lopen de laagtes onder. Dit mechanisme draagt bij aan de achteruitgang van het gentiaanblauwtje, een zeldzame vlinder van vochtige heide (Wallis de Vries et al 2020).
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
69
Door de veelheid van processen die in werking worden gezet door klimaatverandering, is moeilijk op voorhand aan te geven wat de resultante zal zijn in de Nieuwe Heide en rond het Oud Meer. Duidelijk is wel dat het leefgebied van een aantal soorten onder druk staat.
5.2
Verdroging
Verdroging is een verzamelterm voor de achteruitgang van kwaliteit van de groeiplaats door daling van grondwaterstanden. Het is een gevolg van ingrepen in ons landschap voor ontwatering en ontginning. Zo’n 40!^ van de voor Nederland karakteristieke planten van natte en vochtige standplaatsen dreigen daardoor te verdwijnen of zijn al verdwenen. Ook dieren, bijvoorbeeld insecten
die voor hun
voortplanting
zijn
aangewezen
op
specifieke
grondwater- en/of
kwelafhankelijke plantensoorten, worden in hun voortbestaan bedreigd. Deze planten en dieren zijn afhankelijk van vochtige of natte omstandigheden en/of van specifieke kwelmilieus (CBS et al., 2020). Daling van de grondwaterstand heeft niet alleen gevolgen voor de vochtvoorziening, maar beïnvloedt indirect ook belangrijke bodemprocessen waardoor bodems verzuren, er vermesting en een sterke accumulatie van strooisel optreedt. De waterhuishouding is van oudsher sterk door de mens beïnvloed. Tijdens ontginningen in de 1 9de en begin 20ste eeuw zijn natte en vochtige bodems geschikt gemaakt voor houtteelt door deze te ontwateren en op rabatten te zetten. Gedurende de laatste halve eeuw zijn het vooral ingrepen buiten bosgebieden die voor verdroging zorgen. Het verbeteren van de waterafvoer, door dieper maken van sloten en rechttrekken van beken voor de landbouw en grondwateronttrekkingen voor de landbouw, drinkwaterproductie en industrie heeft geleid tot daling van de grondwaterstanden over grote oppervlakten. Dit beïnvloedt ook de waterstanden in bossen en natuurgebieden. In sommige bossen is sprake van een daling van een halve meter of meer.
Gevolgen van verdroging Een direct effect van verdroging is een tekort aan water in de wortelzone. Vochtminnende soorten verdwijnen hierdoor en worden vervangen door soorten met grotere tolerantie ten aanzien van de vochtvoorziening. Kruidachtige planten hebben een minder diepe beworteling en zijn daardoor gevoeliger dan bomen en struiken. Zo zal in een verdroogd broekbos gewone dotterbloem snel verdwijnen maar kan zwarte els lang stand houden, al blijft verjonging dan wel uit. Door verdroging worden bosgemeenschappen van natte groeiplaatsen vervangen door bosgemeenschappen van vochtige bodems en bij verdere verdroging door soorten van droge groeiplaatsen.
Verdroging versterkt het effect van stikstofdeposite Verdroging versterkt ook de effecten van stikstofdepositie, vermesting en verzuring. Diepere grondwaterstanden leiden tot een sterkere neerwaartse grondwaterstroming (wegzijging). Door een sterkere wegzijging spoelen ook mineralen en zuurbufferende stoffen makkelijker weg waardoor bodems onder invloed van stikstofdepositie verder verzuren. Daarnaast ontstaan afbraakprocessen in de voorraad humus die in vochtige en natte bodems is opgeslagen. Hierbij komen meststoffen vrij die, in combinatie met de nog steeds hoge stikstofdepositie, zorgen voor verruiging en vergrassing van de ondergroei. In beekdalen bereikt in veel gevallen kwelwater niet meer het maaiveld.
Met dit kwelwater werden belangrijke bufferstoffen aan zoals calcium en
ijzer
aangevoerd. Door het wegvallen van deze aanvoer kunnen bodems eveneens meer gaan verzuren. Verdroging heeft daardoor gewoonlijk een verzurend en voedselverrijkend effect. Dit uit zich in een toename van
stikstofminnende soorten
zoals
bijvoorbeeld
grote
brandnetel,
stekelvarens,
pijpenstrootje en bramen.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
70
Verdroging versterkt de gevolgen van droogte Door verdroging worden de effecten van droogte versterkt. Regenwater wordt sneller afgevoerd waardoor in de winter een kleinere grondwatervoorraad opgebouwd kan worden. Hierdoor worden in de zomer de perioden waarin vochttekorten optreden langer, drogen kwelstromen eerder op en vallen beken en vennen eerder droog.
En zorgt voor verlies aan landschappelijke heterogeniteit Veel sloten en greppels zijn aangelegd om houtteelt mogelijkheden te verbeteren door laagten en beekdalen beter te ontwateren. Door deze ontwatering zijn natte terreinen droger geworden en is de oorspronkelijke diversiteit in natte- en droge en zure- en basenrijke groeiplaatsen verdwenen.
Verschillen in verdroging bij verschillende vegetaties Een van de oorzaken van de verdroging, naast een generieke verlaging in grote delen van Brabant, is de aanplant van bos, en dan met name van naaldhout in het verleden. Bomen vangen met hun kroon meer neerslag in (interceptie) dan heidevegetatie, waardoor er minder water de bodem bereikt. Daarnaast is de verdamping van bomen groter dan die van lage vegetaties als heide, waarbij de verdamping van naaldbos hoger is dan van loofbos, doordat naaldbomen jaarrond blad houden. Als gevolg van deze processen is de grondwateraanvulling in volledig naaldbos, loofbos en heide resp. 165, 270 en 309 mm per jaar (gemiddelde waarden uit de Niet et al 2018). Omvorming van naaldbos naar loofbos of lokaal naar heide zal de grondwateraanvulling doen toenemen en de verdroging verminderen.
5.2.1
Effecten van verdroging in de Nieuwe Heide ã Oud Meer
Ontegenzeggelijk heeft er verdroging plaatsgevonden op de Nieuwe Heide en het Oud Meer (zie ook paragraaf 4.3 ) en bereikt het grondwater niet meer het oorspronkelijke peil. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk
geleid
tot
een
achteruitgang
van
de
ecosystemen
van
vochtige
omstandigheden, zoals de Langvennen, het Oud Meer, de vochtige heides en de bossen in de laagtes. In de Klimaat Impact Monitor is modelmatig bepaald hoe de laagste grondwaterstanden zich in een extreem droog jaar zullen ontwikkelen onder invloed van klimaatverandering. Voor de bossen ten noorden van de Sonseweg/Bestse weg wordt een lichte stijging van de grondwaterstanden verwacht (10-25 cm), in het landbouwgebied van de Sonniuswijk kan dit oplopen tot 100 cm (modellering). Dit zou betekenen dat de verdroging in het noordelijke bosgedeelte wordt verminderd. Echter, voor grote delen van het gebied wordt geen verandering voorspeld en zal de verdroging niet worden opgeheven zonder aanvullende maatregelen (Figuur 37).
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
71
ôulkl.
t)esfc«»cQ fĤīiō]
B«oi.-jfilxin»
•jrt 'Aeo [4rij|.60Û0-
,onJ*
Figuur 37 Verwachte verandering in de grondwaterstanden als gevolg van klimaatverandering in 2050. Grijs: 10-25 cm stijging, blauw: 25-100 cm stijging. Bron: klimaateffectatlas.nl
5.3
Stikstofdepositie
Stikstofdepositie huishoudens
wordt veroorzaakt
te veel
doordat
stikstof uitstoten,
o.a.
landbouw,
die vervolgens weer
(lucht-)verkeer, neerdaalt
in
industrie o.a.
bos-
en en
natuurgebieden. Op de voedselarme zandgronden is verhoogde stikstofdepositie een van de belangrijkste oorzaken van achteruitgang van de karakteristieke planten en dieren van deze levensgemeenschappen. De stikstofdepositie beïnvloedt het ecosysteem namelijk op meerdere manieren. Ten eerste wordt door de verhoogde stikstofdepositie meer voedingsstoffen aan het systeem toegevoegd dan oorspronkelijk het geval was. Planten reageren hierop door dit overschot aan stikstof op te nemen; echter niet alle soorten zijn even efficiënt in het gebruik van dit stikstof. Zo zetten grassen als pijpenstrootje en bochtige smele de extra nutriënten sneller om in groei dan bijvoorbeeld heideplanten. Uiteindelijk worden de heidestruiken weggeconcurreerd en vergrast de heide. Dit proces noemen we vermesting of eutrofiëring. Eutrofiëring treedt ook op in vennen en in bossen. Hier zien we bijvoorbeeld opslag van bramen en mossen. Als gevolg van de vergrassing kan het microklimaat in de grasmat veranderen: het wordt vochtiger en minder warm. Dit heeft gevolgen voor de fauna die op de bodem leeft. Het tweede effect van stikstofdepositie is dat het verzurend werkt op de bodem. Door opname van ammonium (een belangrijke stikstofbron voor planten), of door omzettingen in de bodem, komt er zuur vrij.
Dit leidt ertoe dat belangrijke voedingsstoffen als kalium, calcium en magnesium uitspoelen naar diepere bodemlagen en onbereikbaar worden voor plantenwortels. Daarentegen neemt het aluminiumgehalte in de bodem toe wanneer de bodem-pH daalt onder pH=4,2. In het plangebied is dit waarschijnlijk overal het geval. Aluminium is giftig voor veel planten en dieren, Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
72
en daarnaast bindt het sterk aan fosfor (P). De beschikbaarheid van dit nutriënt neemt eveneens af. De beschikbare voorraad nutriënten in de bodem verandert dus door stikstofdepositie: er is meer stikstof en aluminium beschikbaar en minder van calcium, kalium en magnesium. Kwetsbare planten als bijvoorbeeld klokjesgentiaan worden hierdoor minder vitaal en verdwijnen. Andere soorten, zoals struik- en dopheide en de genoemde grassen, overleven deze nutriënten onbalans wel. Echter, de onbalans wordt weerspiegeld in de mineralengehalten in het blad. Herbivore insecten, bijvoorbeeld de veldkrekel, eten hiervan en krijgen daardoor een te veel aan stikstof maar onvoldoende andere essentiële voedingsstoffen binnen. Deze veranderingen hebben ook hoger in de voedselketen ernstig negatieve gevolgen. Zo worden lage broedsuccessen van vogels zoals sperwer via de voedselketen gekoppeld aan de nutriëntenonbalans in de bodem en de geringe biomassa eetbare bodemfauna (van den Burg 2014). In de bodem maken bacteriën als gevolg van verzuring plaats voor schimmels, waardoor o.a. de afbraak van strooisel veel trager verloopt en strooisel zich op hoopt in de bodem. Verzuring vond in het verleden ook plaats door een te hoge zwavel en zuur depositie. Dit is inmiddels verleden tijd.
Door de daling van de directe zuurinput, vindt verzuring van vennen als gevolg van directe zuurdepositie uit de lucht nauwelijks meer plaats. Er treedt nog wel verzuring op van vennen door verminderde toestroom van grondwater, of door toestroom van zuur grondwater.
De relatie tussen stikstof en klimaatverandering Planten reageren op een hogere beschikbaarheid van stikstof door minder wortels aan te maken. Hierdoor worden planten gevoeliger voor droogte, vorst en hitte. Onder invloed van de hogere temperaturen en verlenging van het groeiseizoen, kan de afbraak van het organisch materiaal in de bodem worden gestimuleerd. Voor oude heide is dit aangetoond (Bobbink et al 2019). Hierdoor komen meer voedingsstoffen vrij en kan eutrofiëring optreden. Op dit moment is niet duidelijk in welke mate dit proces gaat optreden.
5.3.1 Effecten van stikstofdepositie in de Nieuwe Heide ã Oud Meer
De huidige stikstofdepositie in de Nieuwe Heide en het Oud Meer bedraagt meer dan 1500 mol/ha/jaar; Figuur 38); dit zal tot 2030 weinig veranderen (https://geodata.rivm.nl/gcn/). Dit ligt ruim boven de zogeheten kritische depositiewaarden (KDW) van heide, vennen en droge bossen zoals in het plangebied worden aangetroffen. Kritische depositiewaarden zijn de hoeveelheden stikstof die langdurig op een ecosysteem kunnen neerdalen, zonder dat er negatieve effecten als gevolg van verzuring of eutrofiëring in dat ecosysteem optreden. De kritische depositiewaarden van vennen bedragen 410 mol/ha/jaar, voor droge en vochtige heide resp. 1100 en 1300 mol N/ha/jaar (Van Dobben & Hinsberg 2008). Voor droge bossen is alleen een KDW vastgesteld voor oude eikenbossen; deze bedraagt 1100 mol N/ha/jaar. Dit type bossen komt nu nog niet voor in het studiegebied, maar is wel het bostype dat verwacht wordt op de stuifduinen bij doorgaande succsessie. Jarenlange overschrijding van de
kritische depositiewaarde
heeft geleid tot verzuring en
eutrofiëring van het gebied. Dit is in het gebied waar te nemen door het ontbreken van kenmerkende maar kritische soorten van minder verzuurde heide en vennen, en door het feit dat er regelmatig beheerd moet worden in de heide om de vergrassing tegen te gaan. In de bossen
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
73
worden regelmatig bramen en pijpenstrootje in hogere bedekking aangetroffen dan in een goed ontwikkelde situatie verwacht mag worden. Ook dat zijn tekenen van eutrofiëring. Totaal stikstof (Ntot)
Bernhéā©
[mol/ha/jr] < 1000
Uden
líchlelsgesttel
1000 - 1500
Boekpl
1500 - 2000 'LIL' - JbL U J L L ij
Meierljstad
J'ji. 'J
Boxtel
3000 - 3500 3 500 Detail informatie
Gemert-BakeJ Laar beek
Son en Breugel
Gebruik van de kaart
- Openen: selecteer een kaartlaag en
d ■-•-rnnr
Verschuiven: gebruik de pijltjes, of Nuenen c.a.
Helmond
- Zoomen
Deurne - Waarde opvragen: klik in de kaart
Eindhoven Geldrop-Mīerlo
Eersel
Someren
Veldhoven Bid del
leezeleende
Waal re
Figuur 38 Totale stikstofdepositie (in moi/ha/jr) in 2020. Bron: https://geodata.rivm.nl/gcn/
5.4
Versnippering
Door de sterke versnippering van natuurgebieden in Nederland liggen veel populaties van soorten geïsoleerd.
Populaties
zijn
daarbij
ook vaak
klein
en
door verdroging
en
vermesting
teruggedrongen naar kleine deelgebiedjes (vaak met nog slechts suboptimaal habitat) binnen een natuurgebied. Er zijn veel aanwijzingen gevonden dat kleine populaties een hogere uitsterfkans hebben dan grote populaties (Vergeer & Ouborg 2011, Angeloni et al., 2014). Door de versnippering is uitwisseling van genetisch materiaal niet of nauwelijks aanwezig. Veel soorten zijn namelijk weinig mobiel en overbruggen niet makkelijk de grote afstanden tussen natuurgebieden. Zo is bekend dat oud-bossoorten zoals Slanke Sleutelbloem of Gewone salomonszegel zich maar zeer langzaam verspreiden. Uitwisseling van genen is echter essentieel in een veranderend klimaat omdat het de basis is voor de capaciteit van soorten om zich aan te passen aan de huidige, zeer snel verlopende veranderingen. Versnippering is daarom een zeer urgent wordend knelpunt in het huidige veranderende klimaat wat kan leiden tot versnelde afname van soorten.
5.4.1
Effecten van versnippering in de Nieuwe Heide ã Oud Meer
Versnippering speelt een rol voor alle soorten van heide en vennen, maar wordt het meest tastbaar voor de amfibieën en reptielenpopulaties die rondom de Langvennen en het Oud Meer aanwezig zijn (zie ook paragraaf 4.6.1 ). Waarschijnlijk zijn de populaties van de levendbarende hagedis gescheiden, doordat het tussenliggend bosgebied ongeschikt habitat is en te groot om te overbruggen. Tussen de amfibieënpopulatie vindt waarschijnlijk wel enige uitwisseling plaats.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
74
Gescheiden populaties zijn kwetsbaar; als er een ecologische ‘ramp’ gebeurd, bijvoorbeeld aanhoudende droogte, dan sterft een populatie uit. De vennen zullen dan opnieuw gekoloniseerd moeten worden vanuit een nabijgelegen populatie, maar dit kan alleen wanneer de afstand tussen beide populaties overbrugbaar is en er geen onoverkoombare obstakels aanwezig zijn.
5.5
Verstoring
Recreanten, verkeer en luchtvaart kunnen op veel manieren dieren verstoren; denk aan geluid, trillingen (door stappen), of de aanwezigheid van honden. Dieren reageren op verstoring door hun ‘normale’ gedrag tijdelijk te veranderen: vogels vliegen op van hun nest, reptielen trekken zich terug van hun zonplaats. De aard en frequentie van de verstoring, de voorspelbaarheid van de verstoring, de afstand tot de bron van verstoring tezamen met de gevoeligheid van de soort, bepalen de mate van verstoring voor een dier. Daarbij speelt ook de levensfase van het dier een rol. Verstoring kan zowel de fysiologie als het gedrag van een dier beïnvloeden. Veranderingen hierin kunnen doorwerken in energiehuishouding, reproductie en overleving (Krijgsveld et al 2008).
5.5.1 Effecten van verstoring in de Nieuwe Heide ã Oud Meer
In een druk bezocht gebied als de Nieuwe Heide & Oud Meer, zullen gevoelige soorten niet alle beschikbare plaatsen bezetten die er zijn. In het algemeen geldt dat soorten afstand zullen houden van regelmatige verstoringsbronnen, in dit geval vooral paden en horecagelegenheden. Naarmate verstoring als groter wordt ervaren, zal de afstand groter zijn. In het algemeen geldt dat soorten van open landschappen als heide, vennen en graslanden gevoeliger zijn voor verstoring dan bosvogels (Krijgsveld et al 2008). Uit een uitgebreide literatuurstudie van Krijgsveld et al uit 2008, blijkt dat de impact van honden op vogels het grootst is, gevolgd door de impact van vogelaars (beiden zijn zeer onvoorspelbaar), en auto’s. Wandelaars, ruiters en fietsers hebben veel minder impact op vogels. Loslopende honden kunnen ook wild terugdringen naar rustigere delen van het gebied. Dit heeft gevolgen voor de spontane bosverjonging: in de delen waar veel wild zit, treedt door vraat veel minder bosverjonging op dan in bossen met weinig wild. Het geluid van laag overvliegende vliegtuigen is een bron van verstoring voor met name vogels.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
75
6
Oplossingsrichtingen
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal welke mogelijkheden de gemeenten ter beschikking staan om de veerkracht van de bossen en natuurterreinen te verbeteren, zodat het gebied meer weerstand kan bieden aan de heersende en toekomstige milieudruk. Een biodivers ecosysteem vormt hiervoor de basis; in een biodivers ecosysteem kunnen, mocht er een plant- of diersoort verdwijnen, andere soorten de functie van de verdwenen soort overnemen, zodat het systeem blijft functioneren en ecosysteemdiensten
blijft
vervullen.
Voorbeelden
hiervan
zijn
bieden
van
voedsel
of
schuilgelegenheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet iedere soort vervangbaar is. In de huidige situatie staat de biodiversiteit onder druk (zie hoofdstuk 5 ) en zijn zowel individuele planten, dieren en ecosystemen minder vitaal dan gewenst. Verbetering van de kwaliteit van de Nieuwe Heide & Oud Meer en van de biodiversiteit is mogelijk door basiskenmerken van het gebied beter te gebruiken bij de inrichting en beheer. Hierbij doelen we op de bestaande hoogteverschillen en de gradiënten daartussen en de aanwezigheid van ondiepe minder verzuurde leemlaag. Met een optimaal bos- en natuurbeheer kan vervolgens het systeem gefinetuned worden. In deze ontwikkelingsvisie groeperen we de oplossingsrichtingen rondom vier onderwerpen, die ieder aansluiten bij een van de knelpunten in het gebied: o
Een robuust watersysteem is het antwoord op verdroging en droogte; er wordt
o
Veerkrachtige bossen; om de veranderingen in het klimaat op te vangen zijn
ingezet op het zoveel mogelijk vasthouden van water in het gebied. veranderingen in de structuur en soortensamenstelling in het bos nodig. o
Ecologische verbindingen en vergroten van de heideterreinen zijn het antwoord op versnippering van populaties van planten en dieren van heide en vennen.
o
Recreatie: de natuur en rust in de bos- en heidegebieden zijn de reden voor veel recreanten om het gebied te bezoeken. In deze oplossingsrichting worden mogelijkheden toegelicht om recreatie, bos en natuur naast elkaar te laten bestaan.
Hoewel stikstofdepositie een aantoonbaar negatief effect heeft op de biodiversiteit, wordt hier geen aparte oplossingsrichting voor gepresenteerd omdat de oorzaken buiten het plangebied liggen. De oplossingsrichtingen die worden besproken ter verbetering van het watersysteem (verminderen van de verdroging) en als klimaatadaptatie (aanplant van rijk strooisel soorten), dragen bij aan de bestrijding van de verzuring. Het reguliere heidebeheer bestrijdt de effecten van vermesting.
6.1
Robuust watersysteem
In
een
natuurlijk
watersysteem
wordt
in
perioden
van
een
neerslagoverschot
de
grondwatervoorraad aangevuld en wordt water geborgen in vennen en sloten. In perioden van een neerslagtekort is de grondwatervoorraad letterlijk de voorraad waaruit door de vegetatie wordt geput om vitaal te blijven. Doordat het grondwater langere tijd in de bodem verblijft, neemt het mineralen als calcium, kalium en magnesium op uit de bodem (het aanrijken van het grondwater). Deze mineralen zijn belangrijke voedingsstoffen voor de vegetatie. Dit is met name relevant voor de vegetatie op plaatsen in het systeem waar grondwater in de wortelzone komt of als kwel uittreedt. Om bos aan te kunnen planten zijn in het verleden in de lage delen van het gebied greppels en sloten aangelegd die nu nog deels functioneren. Hierdoor wordt het gebied ontwaterd in tijden van neerslagoverschot (zie paragraaf 4.3 ). Het gevolg hiervan is verdroging; de gevolgen hiervan zijn
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
76
zichtbaar in de vorm van droogte, vermesting en verzuring (zie paragraaf 5.2 ). Naar verwachting zal het neerslagtekort, en daarmee droogte, als gevolg van de klimaatverandering toenemen. Echter, onder invloed van klimaatverandering zullen ook extreme neerslagpieken vaker voorkomen. Een robuust watersysteem vangt beide extremen op: de grondwatervoorraad wordt aangevuld door infiltratie van water (vasthouden van water), waardoor perioden van droogte kunnen worden overbrugd. In perioden van extreme neerslag wordt het water vertraagd afgevoerd via bodem en een
zeer
beperkt
slotenstelsel,
waardoor
piekafvoeren
in
het
benedenstroomse
oppervlaktewaterstelsel worden vermeden.
6.1.1 Kansen voor de Nieuwe Heide ã Oud Meer
De Nieuwe Heide - Oud Meer kent door zijn hoogteverschillen in combinatie met een leemlaag in de ondiepe ondergrond van oorsprong zowel droge als nattere plaatsen. In de huidige situatie wordt het gebied gekenmerkt door overwegend lage grondwaterstanden, ook in perioden van neerslagoverschot. Om tot een klimaat robuust watersysteem te komen door water vast te houden kunnen in het plangebied de volgende methoden toegepast worden waar dat mogelijk is (vrij vertaald naar Staes & Meire 2020): 1.
De eerste stap is het verbeteren van de directe infiltratie van neerslagwater. Bodemverbetering in bossen kan hierbij helpen, bijvoorbeeld door bevorderen van menging en verhogen aandeel rijkstrooiselsoorten. Hierdoor wordt het humusgehalte in de bodem verhoogd en kan de bodem meer water vasthouden (sponswerking van de bodem).
2.
De tweede stap is het vasthouden van water in afvoerloze laagten in het landschap (zie Figuur 20), waar het vertraagd kan infiltreren. Hierdoor is herstel van de afvoerloze laagten nodig omdat deze niet meer afvoerloos zijn door aanleg van rabatten en sloten. Hierdoor hebben deze laagten hun bufferende werking op de afvoer van regenwater verloren; het water wordt versneld via de sloten en greppels afgevoerd, hetgeen onwenselijk is.
3.
Daarnaast kan de voorraad van grondwater in het systeem worden verhoogd door de verdamping te beperken. Naaldbomen kennen een grotere verdamping dan loofbomen, die op hun beurt weer sterker verdampen dan heide. Door bosomvorming van naald- naar loofhout wordt dan ook de grondwaterreserve verder opgebouwd. Grootschalige omvormingen van bos naar heide zijn om diverse redenen niet gewenst.
6.2
Veerkrachtig bos
Klimaatverandering
en
bosbeheer zijn
verweven via twee
processen:
klimaatmitigatie
en
klimaatadaptatie. Onder klimaatmitigatie verstaan we hier het vastleggen van CO2 of het verminderen van de uitstoot hiervan. Binnen het bos- en natuurbeheer zijn hiervoor verschillende mogelijkheden. ondergrondse
Het vastleggen van biomassa
koolstof in
inclusief veenvorming
bovengrondse
zijn
biomassa (hout
goede voorbeelden van
en
gras),
mitigatie.
De
hoeveelheid CO2 die we extra kunnen vastleggen hangt af van de uitgangssituatie maar ook van de maatregelen die genomen worden en het beheer dat wordt toegepast. Inmiddels zijn de veranderingen in het klimaat zo aanwezig, dat we aanpassingen in het bos- en natuurbeheer moeten doen om de bossen en natuurterreinen vitaal te houden in een veranderend klimaat. Dit noemen we klimaatadaptatie. In deze visie beperken we ons tot klimaatadaptatie. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
77
Bij klimaatadaptatie worden de negatieve effecten van klimaatverandering zo veel mogelijk opgevangen. Dat kan in een vroeg stadium, ook het voorsorteren op het voorkomen van schade door klimaatverandering wordt gerekend onder klimaatadaptatie. Een robuust watersysteem en het op peil houden van de biodiversiteit kunnen beschouwd worden als vormen van klimaatadaptatie. Omdat zij echter meerdere doelen dienen dan alleen aanpassing aan een veranderend klimaat, worden zij apart behandeld in paragraaf 6.1 (robuust watersysteem) en paragraaf 6.3 . In deze visie omschrijven we aan een veranderend klimaat aangepaste bossen als vitale bossen die nu én in de toekomst duurzaam de door ons gewenste ecosysteemdiensten kunnen leveren. Dergelijke bossen bezitten een grote veerkracht en zijn minder kwetsbaar voor calamiteiten. Dit betekent dat de bossen: -
weerbaar zijn tegen extreme omstandigheden (zoals droogte, storm, nieuwe boomziekten of massaal voorkomen van plaaginsecten);
-
in staat zijn te herstellen na het plaatsvinden van catastrofes (bijvoorbeeld uitvallen van
-
zich aan kunnen passen aan onzekere toekomstige omstandigheden (bijvoorbeeld minder
boomsoorten, bosbrand of (lokaal) verdwijnen van soorten); neerslag en hogere temperatuur, vestiging van nieuwe soorten, toename van ziektes en plagen, of een veranderende houtmarkt). In de praktijk zijn dit vaak gemengde bossen, waarin verschillende soorten, van verschillende herkomsten en leeftijden voorkomen. Menging met minimaal drie belangrijk boomsoorten maakt de bossen veel minder gevoelig voor bijvoorbeeld droogte of plagen. Specifiek bijmengen van herkomsten of soorten die zijn aangepast aan het toekomstige klimaat (o.a droogteresistent) valt eveneens onder klimaatadaptief werken. In het bos heerst een zogeheten bosklimaat: er zijn minder grote verschillen in temperatuur, het is minder licht en er heerst minder wind dan buiten het bos. Behoud en verbetering van het bosklimaat is belangrijk; het ecosysteem bos is hierdoor minder gevoelig voor opwarming, waardoor planten en dieren minder lijden onder hittestress. Om het bosklimaat te behouden moet bosbeheer kleinschalig worden uitgevoerd. Daarnaast zijn tijdelijke of permanente open plekken een belangrijk onderdeel van
het
boslandschap waar verschillende
soorten
hun
plek vinden
(Vandekerkhove, 2019; Wijdeven, 2020). Om een robuust en veerkrachtig bos te ontwikkelen, heeft de bosbeheerder verschillende beheersvormen tot zijn beschikking: -
De
bosstructuur versterken,
zowel
horizontaal
als
verticaal.
Hierdoor vermindert
de
gevoeligheid voor stormen, droogte en plagen. -
Bosverjonging: in een vitaal bos vindt verjonging plaats. Mocht het bos lijden onder bijvoorbeeld storm, dan herstelt het bos sneller doordat jonge bomen al gevestigd zijn en snel door kunnen groeien
-
Behoud van nutriënten: bij oogst uit het bos worden nutriënten verwijderd in de vorm van takken en stammen. In Son en Breugel en Best liggen de bossen op (zeer) voedselarme bodems, die door verzuring en stikstofdepositie verder zijn uitgeloogd. Hierdoor bestaat een tekort aan belangrijke nutriënten in het bosecosysteem; oogst van hout uit het bos dient dan ook beperkt te worden tot stamhout en te zijn afgestemd op de draagkracht van het bos (Bonten et al., 2015). Niet alleen vanwege nutriëntentekorten, maar ook voor de aanwezigheid van dood hout. Dunning en oogst kan het ontstaan van dood hout voorkomen, waardoor hier bij actief beheer bewust op gestuurd moet worden, door minder hout uit het bos te halen dan de bijgroei en bijvoorbeeld door de aanleg van een ecologisch netwerk.
-
Aanvullen van mineralen en nutriënten: door het toedienen van steenmeel kunnen belangrijke mineralen en nutriënten als calcium, magnesium, kalium en diverse spore-elementen die zijn
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
78
uitgespoeld weer worden aangevuld. Doordat de verzurende processen nog niet gestopt zijn, zullen
de
ingebrachte
mineralen
weer
langzaam
uitspoelen.
Door
aanplant
van
rijkstrooiselsoorten kunnen mineralen ook weer uit diepere bodemlagen omhoog worden gebracht en langer in het systeem blijven circuleren. Bodembescherming: als gevolg van het werken met zwaar materieel in het bos, kan de bodem verdicht
en
vervormd
worden.
Dit
heeft
gevolgen
voor
het
functioneren
van
het
bodemecosysteem; een zorgvuldige werkwijze verdient dan ook de aanbeveling.
6.2.1 Kansen voor de Nieuwe Heide ã Oud Meer
Klimaatmitigatie en klimaatadaptatie gaan hand in hand in de bossen van de Nieuwe Heide en rondom het Oud Meer, doordat maatregelen die het bos veerkrachtiger en robuuster maken tegelijkertijd zorgen voor een bosecosysteem waarin, op termijn, meer koolstof wordt opgeslagen. De volgende beheer - en inrichtingsmaatregelen zijn relevant voor de Nieuwe Heide - Oud Meer: -
Vergroten van de horizontale en verticale bosstructuur
-
Verjonging van het bos
-
Aanplanten van rijk strooiselsoorten: deze maatregel is met name relevant op de delen in het gebied waar de Brabantse leemlaag ondiep in de ondergrond zit; verwacht wordt dat kritischer soorten als esdoorn en winterlinde zich hier beter kunnen vestigen en overleven dan op de voormalige stuifduinen, doordat zij nutriënten uit de leemlaag kunnen halen. Dit draagt tevens bij aan het weer in omloop brengen van nutriënten, waardoor effecten van verzuring en stikstofdepositie eveneens worden gemitigeerd. Omdat de toplaag van de bodem is verzuurd, neemt de overlevingskans van de rijkstrooiselsoorten en daarmee de slagingskans van de aanplant toe door het eenmalig toedienen van steenmeel .
-
Vernatten van het bos en heide: met name in de laagtes kan vernatting van het leiden tot extra opslag van koolstof en verhoging van de biodiversiteit
-
sparen van oude
heidebodems:
aansturen op
meer ondergrondse opslag
door oude
structuurrijke heide te vormen en humuslagen in de bodem te behouden. Dat betekent zo min mogelijk plaggen en chopperen, maar begrazing met schapen of kleinschalig maaien. -
In het kader van de klimaatadaptatie is het van belang om de droog-nat gradiënten in het gebied te herstellen.
6.3
Ecologische verbindingen
Natuurtypen die zich uitstrekken over grote oppervlakte zijn resistenter tegen ecologische rampen en milieudruk dan die een kleiner oppervlak innemen. Immers, op een groter oppervlak is de kans dat er een deel van het terrein gespaard blijft van de ramp groter dan in een klein gebied. Vanuit het perspectief van soorten is het niet per se noodzakelijk dat het leefgebied van de populatie aaneengesloten is; zolang deelpopulaties elkaar kunnen bereiken en genen kunnen uitwisselen is er sprake van een functioneel leefgebied. Met andere woorden, heidegebieden hoeven niet aaneengesloten te zijn, zolang de afstand tussen de deelgebieden met eenzelfde heidetype maar overbrugbaar is voor soorten. Op die manier is herkolonisatie steeds mogelijk. Daarnaast versterkt regelmatige uitwisseling tussen populaties de genetische diversiteit, waardoor inteelt en genetic drift (genetische verarming) wordt voorkomen.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
79
6.3.1 Kansen voor de Nieuwe Heide ã Oud Meer
De Nieuwe Heide tk Oud Meer kunnen worden beschouwd als een aaneengesloten bosgebied met daarbinnen enkele grotere (Langvennen, Oud Meer) en kleinere heide- en vennencomplexen. Om het ecologisch functioneren in een meta-community-structuur5 te verbeteren, kunnen diverse sporen worden bewandeld: -
Vergroten van de kleine heidegebieden, bijvoorbeeld langs de Sonseweg en aan weerszijden van het kanaal
-
Verbinden van de gebieden door Nieuwe Heide- en vennen te creëren (bijvoorbeeld in de laagte van het voormalige Lisseven en Hartven)
-
Verbinden van heidegebieden door ecologische corridors te creëren, bijvoorbeeld in langs paden.
-
In het verleden speelden trekkende schaapskuddes een rol in de verspreiding van zaden; deze werden verspreid doordat ze aan de vacht bleven hangen of via de uitwerpselen. Een gescheperde kudde die achtereenvolgens de verschillende heidegebieden bezoekt kan dan ook een bijdrage leveren aan verbinding van de heidegebieden.
6.4
Recreatie
Recreatie kan de biodiversiteit beïnvloeden via verstoring, versnippering en directe vernietiging van soorten door bijvoorbeeld betreding. Echter, er zijn vele voorbeelden waarbij recreatie en biodiversiteit samengaan; zonering is hierbij cruciaal. Door zonering worden recreanten en vormen van recreatie toegelaten op bepaalde plaatsen in het gebied, terwijl elders rust wordt gecreëerd voor de fauna. Zonering kan plaats vinden in ruimte en tijd; in deze laatste vorm worden (vormen van) recreatie tijdelijk geweerd. In een enkel geval kan een enige mate van recreatie positief uitpakken voor de biodiversiteit. Een bekend voorbeeld is betreding van stuifzanden door recreanten, waardoor het stuifzand open blijft en dichtgroeien met grijs kronkelsteeltje wordt voorkomen.
6.4.1 Kansen voor de Nieuwe Heide ā Oud Meer
Veel recreatievisies voor natuurgebieden gaan uit van een recreatiezonering, waarbij druk bezochte delen aan de randen van de natuurgebieden liggen en er plaats is voor een rustig centraal gebied. Door de ligging van de Bestse en Sonseweg is dat in dit gebied niet mogelijk. Op de Nieuwe Heide & Oud Meer liggen er wel kansen voor een ‘omgekeerde zonering’, waarbij de randen van het gebied
recreatieluw worden gehouden, en centraal intensievere recreatie kan plaatsvinden. Slechts weinig recreanten arriveren immers in het gebied vanaf de zuidzijde van het kanaal, of vanuit de landbouwgebieden aan de noordzijde. Aan de noordoost kant komen wel veel wandelaars vanuit de wijk Gentiaan het gebied binnen.
5 Meta-community-structuur: een netwerk van verschillende levensgemeenschappen (communities, bijvoorbeeld levensgemeenschappen van vennen en heide of van natte bossen), waarbij de levensgemeenschappen met elkaar in verbinding staan door de uitwisseling van meerdere soorten. In deze benadering wordt niet alleen naar soorten en hun relaties gekeken, maar ook naar lokale factoren als abiotiek, aanwezigheid van voortplantings- en schuilplaatsen etc. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
80
Bij de zonering hanteren we daarnaast als leidraad: -
In open gebieden is de reikwijdte van verstoring via geluid, zicht of trillingen veel groter dan in het bos. Daardoor zijn in de heides en rond het Oud Meer alleen extensieve vormen van recreatie als wandelen gewenst.
-
Natte bodems zijn gevoeliger voor betreding dan droge bodems, en daarmee voor recreatie. Grenzend aan de Sonse en Bestse weg liggen vooral hogere droge gronden, waardoor intensievere recreatie hier mogelijk is. In natte gebieden zoals de Langvennen en Oud Meer, alsmede in de natte laagtes van het Hartven en Lisseven wordt directe betreding vermeden; recreanten
worden
langs
de
natte
gebieden
geleid
of
kunnen
middels
verhoogde
paden/bruggen door natte gebieden worden geleid. -
In het stuifzand is betreding toegestaan.
-
Duidelijke padenstructuren en routing; communicatie daarover structureert de zonering.
-
Paden voor verschillende vormen van recreatie zoveel mogelijk scheiden vanwege de veiligheid van de gebruikers.
-
Kalkhoudende halfverharding en verharding met schelpen dragen bij aan het verminderen van de bodemverzuring door uitspoeling van kalk en mineralen.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
81
7
Literatuur
Bobbink, R., R. Loeb, R.J. Bijlsma en B. van Delft 201 9. Doet extreme droogte stikstofbom in droge heide barsten? Vakblad Natuur bos landschap. Bonten, L.T.C., R. J. Bijlsma, S.P.J. van Delft, J.J. de Jong, J.H. Spijker en W. de Vries 2015. Houtoogst en bodemvruchtbaarheid, Een modelstudie naar duurzaamheid van houtoogst op Nederlandse bosgroeiplaatsen. Alterra-rapport 261 8, Wageningen. Burg, A. van der, A. Dees, T. Huigens, R.J. Bijlsma en R. de Waal 2014. Voedselkwaliteit en biodiversiteit in bossen van de hogere zandgronden. Directie Agrokennis, Ministerie van EZ. Rapport 2014/OBN186-DZ, Den Haag. Dderski et al 2018 PM Den Ouden, J & G.M.J. Mohren, 2020. De ecologische aspecten van vlaktekap in het Nederlandse bos. Rapport voor het ministerie van LNV in het kader van de Bossenstrategie. Rapport Wageningen University, Wageningen Dinoloket.nl Dobben, A. van & A. van Hinsberg 2008. Overzicht van de kritische depositoewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1654. IPCC 2021. Climate Change 2021: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change [Masson-Delmotte, V., P. Zhai, A. Pirani, S.L. Connors, C. Péan, S. Berger, N. Caud, Y. Chen, L. Goldfarb, M.I. Gomis, M. Huang, K. Leitzell, E. Lonnoy, J.B.R. Matthews, T.K.
Maycock, T. Waterfield, O. Yelekçi, R. Yu, and B. Zhou (eds.)]. Cambridge University Press. In Press. IPCC interactive atlas, 2021 https://interactive-atlas.ipcc.ch/ Jalink, M.H. 2003. Kalkrijke leem en kanaalkwel: kansen voor de EHS in Noord-Brabant. De Levende natuur 104(6), pp 286-290. Jansen, A. J. Bouma, T. de Meij, U. Vegter en M. Wallis de Vries (red.) 2020. Droogte ingrijpend voor natuur in hoog Nederland. OBN Deskundigenteams Nat zandlandschap en Beekdalen. KNNV Publishing, Zeist. OBN/VBNE, Driebergen. Kennisdocument Levendbarende hagedis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Klimaateffectatlas, 2021. https://www.klimaateffectatlas.nl/ Kort, N. de, en R. van der Burg 2019. Vooronderzoek herstel Hartven en Lisseven in Best. Bosgroep Zuid Nederland.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
82
Krijgsveld, K.L., R.R. Smits en J. van der Winden 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Bureau Waardenburg. Lapperre, R., N. Arts, J.W. Brugmans en W. de Groot. (2010). Hydrologisch onderzoek Langven Best. Staro Natuur en Buitengebied/Landslide milieu-adviesbureau, Gemert/Best. Lu, H. (2017). Species mixing effects on forest productivity in the Netherlands [University]. https://doi.org/10.18174/419957 Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2020. Bos voor de toekomst. Uitwerking ambities en doelen landelijke Bossenstrategie en beleidsagenda 2030. Niet, de, J., L. van der Toorn , E. Beije, J. Heijkers (HDSR) en J. Hoekstra, 2018. Hydrologische effecten studie van het vervangen van naaldbos op de Utrechtse Heuvelrug door loofbos. H20online. Raaijmakers, A. (2012). Haalbaarheidsonderzoek venherstel Langven Best. SRE Milieudienst, Eindhoven. Staes, J. & P. Meire, 2020. Methodologie voor de opmaak van de Watersysteemkaarten voor Vlaanderen. Universiteit van Antwerpen, onderzoeksgroep Ecosysteembeheer. Thomassen, E., W. Buysse, S. Wijdeven, M. Winnock, J. Seynaeve, P. Sauren, H. van Lommel, P. Schmitz en B. Nyssen, 2020. Boomgericht bosbeheer in de praktijk. Publicatie project Eco2Eco. Vandekerkhove, K., 2019.
Boomgericht bosbeheer en biodiversiteit: Meer winners dan losers? Vakblad Natuur bos landschap Wallis de Vries, M.F. & J. Limpens, 2020. Effecten van klimaatextremen op de habitatkwaliteit voor het gentiaanblauwtje. Rapport VS2020.018, De Vlinderstichting & WUR - Plantenecologie en Natuurbeheer, Wageningen. Wamelink, G.W.W., M. van Adrichem, K. Kurvers, S. Hennekes, 2020. Veertig procent van de Nederlandse plantensoorten komt onder druk door opwarming. Vakblad Natuur bos landschap. Waterschap de Dommel, 2021. Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Ontwerp-Waterbeheerprogramma 2022-2027. Wijdeven, S., 2020. Niet alleen inzetten op uitkap. Vakblad Natuur bos landschap
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
83
Bijlage 1 Proces tot standkoming ontwikkelingsvisie
Overzicht activiteiten datum
gemeente
groep
type bijeenkomst
doel bijeenkomst
4-1-2021
Best
gemeenteraad, wethouders en geïnteresseerden
Themasessie Groene Projecten met presentatie BgZN
Start project met eerste informatie over gebiedsanalyse
Mei 2021
Son en Breugel
Stakeholders
Gesprekken
Informeren en informatie verzamelen over wensen en knelpunten
5-7-2021
Son en Breugel en Best
stakeholders
digitale presentatie BgZN met discussie
informeren en raadplegen over gebiedsanalyse en aanzet visie
16-9-2021
Son en Breugel en Best
gemeenteraden en wethouders
presentatie BgZN met discussie
informeren eerste opzet visie
25-9-2021
Son en Breugel en Best
gemeenteraden en wethouders
excursie olv BgZN
excursie, informeren gebiedsanalyse en visie
16-11-2021
Son en Breugel
college B&W
overleg
beeldvormingsnotitie en conceptontwikkelingsvisie
18-11-201
Son en Breugel en Best
Stakeholders
presentatie BgZN met discussie
Presentatie concept-ontwikkelingsvisie
9-12-2021
Son en Breugel
gemeenteraad en wethouders
raadsvergadering met presentatie BgZN
beeldvormende vergadering
14-12-2021
Best
college B&W
overleg
beeldvormingsnotitie en conceptontwikkelingsvisie
28-12-2021
Son en Breugel
college B&W
schriftelijk
raadsvoorstel met ontwikkelingsvisie
20-12-2021
Son en Breugel
gemeenteraden en wethouders
raadsvergadering
oordeelsvormende vergadering
10-1-2022
Best
gemeenteraad en wethouders
raadsvergadering
beeldvormende vergadering
17-1-2022
Best
gemeenteraad
raadsvergadering
oordeelsvormende vergadering
31-1-2022
Best
gemeenteraad
raadsvergadering
besluitvormende vergadering
3-2-2022
Son en Breugel
gemeenteraad
raadsvergadering
besluitvormende vergadering
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide
Oud Meer
84
Bijlage 2 Overzicht van projecten
Wordt apart opgestuurd
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
85
Bijlage 3 Effecten van klimaatverandering Effecten klimaatverandering op de abiotiek en biotiek van Nederlandse bossen (Thomassen et ai., 2020) Gevolgen klimaatverandering