21090.3 - Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
Tekst van het document
Figuur 13 Boorprofieien in de Nieuwe heide. Rood-roze arcering geeft leem aan (hoe breder het vlak, hoe meer leem). Crijs-groen: klei, geel: zand. Het linker profiel is afkomstig van het noordoosten van de Langvennen, het rechter profiel Hgt oostelijker. De profielen zjn gestoken in het kader van het hydrologisch onderzoek voor herstel van het Hartven en Lisseven ).
300
350
4-00
d.SO
SOO
SSO
600
■
laan
i .no-rv
wolfswinkel
't Eigen
Vefrenfce
QjįğBt,
Sakfcres
‘e B-eeakker San en B'IOgef
Spee heide
Hervetten
Naasten best
Breugel
Vloed
Driehoek
Hetrvetemd
Batadorp
Figuur 14 Dikte van de Brabantse leemlaag ter plaatse van de Nieuwe heide en het Oude Meer. Rood: 8 m, blauw 0 m. Bron: DINO/oket, BRO RECİSII
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
32
Bodemvorming Als gevolg van verwering, veenvorming en biologische processen, vormt zich in de bovenste dunne laag van de bodem een bodemprofiel. Deze bodemprofielen zijn kenmerkend voor de verschillende bodemtypen. Het voorkomen van de verschillende bodemtypes vertelt iets over de omstandigheden in het recente verleden en over de ontwikkelingskansen van het gebied voor de toekomst. Voor het bepalen van het voorkomen van deze bodemtypes en de grondwatertrappen van het plangebied is gebruik gemaakt van de digitale bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka). In Figuur 15 is de bodemkaart opgenomen; de oppervlakten van de verschillende bodemtypen zijn vermeld in Tabel 3. De bovenste bodemlagen van het plangebied bestaan zoals gezegd uit zandbodems, die over het algemeen leemarm en zwak lemig zijn. Zij zijn tijdens de laatste ijstijd onder invloed van wind afgezet. De bodemtypes binnen het plangebied bestaan voor iets meer dan de helft uit veldpodzolgronden. Veldpodzolgronden zijn in het verleden ontstaan onder permanent of periodiek natte omstandigheden en geven aan dat grote delen van het gebied vroeger natter zijn geweest. 36% van de oppervlakte bestaat uit duinvaaggronden, dit zijn droge schrale bodems die in de middeleeuwen onder invloed van herhaald plaggen zijn gevormd. Onder invloed van wind zijn deze bodems gaan verstuiven waardoor er stuifduinen zijn gevormd.
Dit is op de bodemkaart en hoogtekaart zichtbaar als een hogere rug van stuifzanden die van west naar oost loopt. 1^ van de oppervlakte bestaat uit haardpodzolgronden, dit zijn ook zandgronden maar in tegenstelling tot veldpodzolgronden, gevormd onder droge omstandigheden. Haarpodzolgronden zijn over het algemeen onder heide en soms onder bos gevormd. Het zijn kalkloze leemarme zandgronden. Een klein deel in het zuiden, ongeveer ^, bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden. Deze humeuze zandgronden zijn in het verleden ontstaan onder menselijk invloed door het gebruik van heideplaggen binnen het potstalsysteem. Door het voormalige gebruik zijn deze bodems over het algemeen wat rijker en bieden, vooral op het gebied van bosontwikkeling, wat meer mogelijkheden. Net buiten het plangebied, gooreerdgronden aangetroffen, een bodemtype dat is gevormd onder nattere omstandigheden.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
33
VI/VII
mwiï
Legenda Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Duinvaaggranden; leemarm en zwak lemig fijn zand Haarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand ļ
Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Water
Figuur 15 Bodemkaart. De grondwatertrappen zijn aangeduid met Romeinse cijfers; zie Tabel 3 voor de bijbehorende grondwaterstanden. Tabel 3 Oppervlakte van de verschillende bodemtypen en grondwatertrappen in het plangebied. De ligging hiervan is weergegeven in Figuur 15 Bodem
Omschrijving
Oppervlakte aandeel
|g WATER Open water
1/
zEZ21
Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand
r/o
Hd21
Haarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand
11/
Zd21
Duinvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand
36/
Hn21
Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand
51/
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
34
Grondwatertrap GHG(cm-mv) GLH(cm-mv) Oppervlakte aandeel Geen
-
-
1/
V*
25-40
^20
^/o
VI
40-80
^20
15/
VI/VII*
40^140
^20
19/
VII
80-140
^20
30/
VII*
^40
^20
35/
4.3
Hydrologie
In deze paragraaf wordt eerste het grondwatersysteem (geohydrologie) beschreven, waarna er vervolgens wordt ingegaan op het opervlaktewatersysteem.
Geohydrologie Het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt van zuidwest naar noordoost, en volgt daarmee op hoofdlijnen het maaiveld. Op de hogere delen van het gebied (stuifzanden) zakken de grondwaterstanden in zomer en winter diep weg; zelfs in de winters blijven de grondwaterstanden meer dan 1 m beneden maaiveld. In de zomers zakken de grondwaterstanden in grote delen van het gebied tot meer dan 2,5 m onder maaiveld weg (Figuur 16). In de lagere delen van het gebied, zoals in de Langvennen, het voormalige Lisse- en Hartven en de laagtes in het zuidelijke Sonse deel, stijgen de grondwaterstanden in de winter tot gemiddeld 40 50 cm onder maaiveld (Figuur 16, GHG). Maar ook hier lijken de standen in de zomer diep weg te zakken. Om meer inzicht te krijgen in het verloop van de grondwaterstanden in de laagten zijn in augustus 2020 in het kader van het project ‘Vooronderzoek herstel Hartven en Lisseven in Best’, enkele ondiepe peilbuizen geplaatst in het gebied. Deze geven een gedetailleerder inzicht in de hydrologie van het gebied dan de GHG en GLG-kaarten. Doordat 2020 een droog jaar was, gevolgd door het natte jaar 2021, wordt een goed beeld gekregen van de variatie in de grondwaterstanden.
Zo zakte de grondwaterstand in september 2020 in de laagte van het Lisseven weg tot ruim 2 m onder maaiveld, terwijl eind augustus 2021 de laagste grondwaterstand ‘slechts’, 1,3 m onder maaiveld wegzakte. Een verschil van zo’n 70 cm. In de laagte van het Lisseven lijkt er in de winter kwel op te treden: hier stijgt het grondwater uit de diepere bodemlagen uit boven het ondiepere grondwater (Figuur 17). Het is echter waarschijnlijk dat het diepere grondwater onder de slecht doorlatende leemlagen blijft en er geen kwel optreedt.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
35
' rw/
rAvf
ŕ
A Legenda | Plangebted Geen waarden
30-40
í C- '
Legenda | Plangebied Geen
| 10-20 | 20-30 30-40 | 40-50 | 50-75 75-100
Figuur 16 Gemiddelde grondwaterstanden in de winter (GHG), voorjaar (GVG) en zomer (GLG) ín en rondom de Nieuwe Heide
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
36
Maaiveld
leemlaag aug-20
sep-2ū
nov-2D
jan-21
feb-21
NIHEOOē 1 G
apr-21
jun-21
ju 1-21
sep-21
okt-21
NIHE006 2 G
Figuur 17 verloop van de stijghoogten van het grondwater in de laagte van het Lisseven; het filter NİHE006- i (blauw) staat boven de leemlaag, NIHE006-2 (rood) er onder. Opvallend is dat zowel de Langvennen als het Oud Meer liggen in een deel van het gebied waar de grondwaterstanden laag blijven. Dit wijst er op dat de vennen voornamelijk door regenwater gevoed worden en het water op de slecht doorlatende leemlaag stagneert. In 2015 zijn in de Langvennen een aantal peilbuizen geplaatst, die sindsdien continu worden gemeten. Deze metingen maken duidelijk dat de grondwaterstanden in dit gebied voornamelijk zijn van de neerslag; als gevolg van de droge jaren 2018-2020 zakken de grondwaterstanden steeds dieper weg (Figuur 18), met name in het noordwesten van het gebied.
Langvennen noord west 16,50 maaiveld OG3 maaiveld DG3
ra 14,50 ra 14,00
12,00
14-8-2013
27-12-2014
10-5-2016
22-9-2017
4-2-2019
18-6-2020
------- OG3 ------- DG3
Figuur 18 Grondwaterstanden in de Langvennen in de periode 2015-2020. Donkerblauwe lijn: ondiep filter, lichtblauwe lijn: diep filter Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
37
Oppervlaktewater Van oorsprong was de Nieuwe Heide & Oud Meer een veel natter gebied. Ten behoeve van de drainage van de bossen en de afvoer van water is een uitgebreid greppel en slotenstelsel aangelegd (Figuur 19). Op de hoogtekaart zijn deze nog goed herkenbaar; een vuistregel is dat naarmate de sloten en greppels dichter bij elkaar liggen, het gebied natter is geweest (Figuur 20). Door de drainerende werking van de sloten kan water in droge perioden niet meer boven in de bodem komen en kan zich geen grondwatervoorraad opbouwen. In Figuur 20 is tevens te zien dat de sloten door de oorspronkelijke hogere ruggen zijn gegraven. Dit maakte het mogelijk dat de laagtes bij hogere grondwaterstanden als het ware leeg liepen. Een groot deel van deze greppels staan ten minste gedurende een deel van het jaar droog. In natte tijden voeren de sloten water af naar het noorden - noordoosten. De Sonse heideloop, de west-oost georiënteerde hoofdwatergang in het midden van het gebied, heeft een belangrijke afvoerfunctie voor water van de Rendac. Vanwege de slechte waterkwaliteit wordt deze sloot in de volksmond de Stinksloot genoemd. Waterschap de Dommel onderzoekt de mogelijkheden om de waterhuishouding rondom de Rendac aan te passen, waarbij het water niet meer via de Sonse heideloop af wordt gevoerd.
In het zuidoosten van het gebied wordt water in het gebied ingelaten ten behoeve van de achterliggende landbouwgebieden in de Sonniuswijk. Het water wordt vanaf de Bestseweg via een tijdelijke leiding geleid, om te voorkomen dat het water gemengd wordt met de water van de Sonse heideloop. Dit heeft een slechte waterkwaliteit.
i*.
Legenda B-Water A-Wate r (Afwijkend eAfvoe r) A-Water
Figuur 19 Hoofd- en B-watergangen. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
38
roe?'
,r ' ' ąg V g]
- '' ŗC
:ļ.'
V. iJ-r,-
rţ re
. ' V.. r'. 'CĹCrcr.-
:
Figuur 20 Detail van de hoogtekaart in het zuidoosten van de Nieuwe heide (zie Figuur Ì9 voor ligging). De pijlen geven een voorbeeld van de locaties aan waar de sloten door de oorspronkelijke zandruggen zijn gegraven. Waterkwaliteit In maart 2021 is op een groot aantal vennen en sloten in het gebied de pH (zuurgraad) en de EGV (elektrisch geleidend vermogen) gemeten. Gezamenlijk geven zij een indruk van de kwaliteit van het oppervlaktewater in het gebied. Figuur 21 en Figuur 22 geven een overzicht van deze metingen. Daarnaast zijn in april 2021 grond- en oppervlaktewatermonsters genomen in de Langvennen, Oud Meer, laagten van het voormalig Lisseven en Hartven en in de laagte grenzend aan de Stinksloot. Deze watermonsters zijn chemisch geanalyseerd teneinde een beter inzicht te krijgen in de waterkwaliteit en de mogelijke invloed van grondwater tot in maaiveld. Zowel in de Langvennen als in het Oud Meer worden lage EGV-waarden gemeten (k 55 uS/cm) en gecombineerd met pH-waarden (3.6-4.3). Dit water lijkt sterk op regenwater (Tabel 4). De iets lagere pH en de wat hogere EGV worden veroorzaakt door afbraak van organisch materiaal op de venbodem en mogelijk ook wat opname van voedingsstoffen.
De sloten in de Nieuwe Heide, in de laagten van het voormalig Hartven en Lisseven en de laagte ten oosten van de Rendac hebben een wat hogere EGV: deze wordt waarschijnlijk voornamelijk veroorzaakt door afbraak van in de sloten gevallen blad en ander organisch materiaal. Deze processen zijn hier prominenter zichtbaar dan in de vennen, omdat de sloten een kleiner watervolume hebben. In het voormalig Lisseven steeg het grondwater in de winter van 2021 tot ca. 50 cm onder maaiveld. Kenmerkend aan grondwater is dat het o.a. hogere gehalten aan calcium, magnesium, ijzer en bicarbonaat heeft, omdat het water langere tijd in contact heeft gestaan met de bodem en deze elementen en ionen opneemt. In het studiegebied gebeurt dat o.a. vanuit de Brabantse leemlaaag die 2-4 m onder het gebied ligt. Dit is met name goed terug te zien in het grondwater in het Lisseven: hier zijn deze concentraties van deze mineralen veel hoger dan in het venwater. De waterkwaliteit in de sloten in het voormalig Lisseven neemt ten opzichte van het venwater en grondwater een intermediaire positie in; dit duidt er op dat het grondwater tot in de sloten komt. In de laagte van het voormalig Hartven is het grondwater minder aangereikt (lagere concentraties calcium, bicarbonaat etc.) en stonden de sloten droog. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
39
De invloed van de lozingen van de Rendac is duidelijk zichtbaar in de EGV-kaart (Figuur 22): in de Sonsche heideloop werden tot 1000 maal hogere EGV-waarden gemeten dan in de vennen. Deze hoge EGV-waarden worden veroorzaakt door hoge concentraties sulfaat en chloride in de lozingen. Daarnaast zijn ook de stikstof- en fosfaatwaarden in het water in de Sonse heideloop ernstig verhoogd en bereiken ze waarden die veel te hoog zijn voor de ontwikkeling van een gezond ecosysteem. Als gevolg van calamiteiten stroomt het water in de Sonse heideloop incidenteel over in aangrenzende laagtes en sloten. Op de EGV-kaart is duidelijk zichtbaar tot hoe ver de invloed van de Sonse heideloop reikt. Rondom de graslanden in de zuidoosthoek van het gebied heeft het slootwater een hogere pH en EGV als gevolg van uitspoeling van nutriënten en kalk. Dit is een erfenis van het agrarische gebruik. Daarnaast heeft het ingelaten kanaalwater een hogere EGV en pH; dit is zichtbaar in de bermsloot langs de A50. De verhoogde EGV in de bermsloot langs de Besteweg wordt waarschijnlijk mede veroorzaakt door afspoeling van zout vanaf de weg.
Legenda Molenheide,
4.66 - 5,57
hervBreugG.
O
Z Meer 3.81
'
Hoberg
Openliťchttheater -3,94
Nieuwe
_3.0J.gfl
LíwiR
Figuur 21 pH in het oppervlaktewater in maart 2021
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
40
Legenda Molenheide.
VitANhW MMO
exi ğjgì
/A
Boshu'
49
Ì0 . iJud Ma 9ll1
41
Hoberg
9UŴÔ
llokhut
2 ĮT I9qr
mm
'es
1B
ķ
VIH »r ,h •■'•.9
Figuur 22 EGV (in ĮiS/cm) in het oppervlaktewater in maart 2021
Tabel 4 Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit in april 2021. EGV in pS/cm, concentraties ionen in pmol/l. Locatie
type water
pH
EGV
HCO3-
NH4+
NO3-
ortho-P
Cl
SO42-
Ca2+
Fe
K+
ME2+
Langven
Venwater
5,2
23
66
< 7,14
< 3,57
< 0,32
144
0,02
29,94
5,01
25
18
4,8
140
< 49
< 7,14
7,14
0,32
790
0,39
92,32
1,97
31
99
6
140
934
114,29
25,71
0,32
338
0,33
182,14
4,12
49
144
5,7
310
492
192,86
< 3,57
0,32
818
1,35
449,12
23,28
194
165
Peilbuis Hartven
ondiep Peilbuis
Hartven
diep Peilbuis
Lisseven
ondiep Peilbuis
Lisseven
diep
5,9
295
705
64,29
< 3,57
0,65
1495
1,04
598,83
39,39
138
243
Lisseven
sloot
5,1
50
148
< 7,14
< 3,57
0,32
< 388
< 0,01
139,73
5,01
187
66
laagte Sonse
Peilbuis
heideloop
ondiep
4,3
530
< 49
< 7,14
4357,14
0,32
1326
0,62
162,18
3,76
16
193
Oud Meer
Venwater
4,6
70
< 49
< 7,14
< 3,57
< 0,32
338
0,16
84,83
7,70
< 13
45
Referentie
regenwater
5,1
30
96,43
207,14
0,03
90
0,04
8,98
5,37
5
1
Referentie
lithotroof
7,3
650
310
0,14
2869,40
51
329
4.4
6605
Cultuurhistorische en aardkundige waarden
In deze paragraven worden de cultuurhistorie en aardkunde waarden behandeld. De cultuurhistorie van het gebied wordt beschreven op basis van een aantal historische kaarten en de archeologische monumenten kaart van de Provincie Noord-Brabant. De aardkundige waarden worden beschreven op basis van de Aardkundige waardenkaart van de provincie. Hierop zijn bijvoorbeeld o.a.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
41
historische natte terreinen weergegeven, die iets vertellen over hoe het gebied er in het verleden heeft uitgezien. 4.4.1
Cultuurhistorie en historische waarden landschap
In Figuur 23 op de volgende pagina zijn een aantal kaarten weergegeven die de ontwikkeling en verandering van het landschap weergeven in de periode vanaf 1850 tot en met 2019. De periode 1920 - 1955 lijkt niet geheel gekarteerd te zijn. Op de kaart van 1850 is zichtbaar dat het gebied in die tijd deel uitmaakt van een groot heide gebied, op dat moment volgens de kaart de "Breugelsche heide” op deze kaart zijn ook de vennen Hartven en Lisseven ingetekend, het Langven is ook zichtbaar. De aanwezigheid van deze vennen duidt er op dat het in die tijd waarschijnlijk een vrij nat gebied is geweest. Van het Oud Meer in Son en Breugel wordt op deze kaart nog geen melding gemaakt. Op de kaart van 1900 lijkt in het landschap niet veel veranderd te zijn, wel is de naam van het heidegebied veranderd in "Sonsche Heide” als er meer wordt ingezoomd op de kaart worden ook natte
terrein
delen
rondom
de
vennen
zichtbaar.
Er
zijn
op
deze
kaart
nog
geen
ontwateringsstructuren zichtbaar. Op de kaart van 1930 wordt voor het eerst melding gemaakt van het gebied "Nieuwe Heide” ook is het "Oud Meer” zichtbaar, weliswaar klein ingetekend. Dit is waarschijnlijk omdat op dat moment net is gestart met de ontging van het veen op deze locatie. Verder is op deze kaart wat meer detail ingetekend zoals stuifzandterreinen. Ook is het Wilhelminakanaal hier voor het eerst op aangegeven. De kaarten tussen 1930 en 1 955 geven een onvolledig beeld, waarschijnlijk omdat ze niet meer zijn geactualiseerd. Op de kaart van 1 955 is zichtbaar dat vrijwel het gehele plangebied is bebost, uit de beschikbare opstandsgegevens is te herleiden dat een groot deel van de opstanden al vanaf 1930 aanwezig zou moeten zijn. Verder valt op dat vrijwel de gehele Sonsche Heide is ontgonnen en in cultuur is gebracht. Ook is zichtbaar dat het Hartven en Lisseven inmiddels door ontginning zijn verdwenen. Een klein restant van deze vennen is nog aanwezig ter hoogte van de RENDAC. Het Oud Meer lijkt op de kaart van 1 955 ook zijn huidige vorm te hebben, wat betekent dat de ontvening van dit ven heeft plaats gevonden in de periode 1930 - 1955. In het noorden van het plangebied is nog een klein heide restant aanwezig. Op de kaart van 1975 is de Molenheide inmiddels ook in cultuur gebracht, deels aangeplant met bos en deels omgevormd tot agrarische grond.
Op de kaart van 1975 is ook de hoogspanning aanwezig en zijn de voorgenomen tracés van de rijkswegen A58 en A50 ingetekend. Op basis van de topografische kaart van 1975 lijkt het alsof de Langvennen deels zijn begroeid met bos. De laatste kaart betreft de actuele situatie, de rijkswegen zijn inmiddels aangelegd. Ook is er rondom de Langvennen minder bos en houtachtige opslag aanwezig, wat het gevolg is van het uitgevoerde natuur- en herstelbeheer van de afgelopen jaren.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
42
'Į ī^rX-Jir- k.Uhļ^D
MtjĮŕitĵp'ii
’ïţ?jr'
tfr/UmĄ
^ĒšrjļÑëdeŗJahdfXíaďäŞīŅ'V' V"- yi ■Gejņeerjfeįąa rt 6 8^)p,) jĵ
ÍÊįtf Nederland; Ka'd stêr; Herziening 1 Hff Kaart Nedenļffíì (t/mM'-192,000),
ErwTR Ĩ8ŞQjmįmi
r i fi e
1SPS
v
PÂBT
E'áű.’Nedëtìáńd; Kadaster; L /"Cf-: fefflffiäí'sKaártJM 1 76Ś:fl0O);-T.k2OO(ťm-J :İ92.000)'TOPŞfe ítïnVvi :48,000r
Esri Nederland; Käda'ster;
Ē^Ŵľeńfëfcíäarl
■•TKŽOÍ
(t/in 1:192 000). TOP50 (1/111 .Boňiņe bìàŴŕí Ä/rfTírŴOoit1'
í
'to P2 h/ńìfe' :6- ĠWJR* ítkít«
' -’Gem. Son sonniuswiik
De Vleut
ęn Breugel
,
j
(De Gentia;
in en B»eti| iriMJSflg
NieuweHeide Houtens \
.lūìaiwř^
Heuv
Ekkersi
K' "m ;i ī Esri Nederland; Kadaster; i . V Gemeente ka art MņJAfBwìimŢ \à (t/m 1:192 000) 'OP5Ü :t'ŕ 1:48.00
TOP7Í rt/m i.ĥ.noŕi,uJLk.:\I^ : .
r ' ĩm Esri Nederlai
ŵvravliřñlrtíīs nl
Jan Wllļei
Figuur 23 ontwikkeling van het gebied op basis van historische kaarten (v.i.n.r. 1850, 1900, 1930, 1955, 1975, 2019)
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
43
In Figuur 24 is de Cultuurhistorische Waardekaart van de provincie Noord-Brabant weergegeven. Op deze kaart worden de historische geografie, historische groen, archeologische landschappen en de indicatieve archeologische waarden weergegeven. Op de kaart is een stippellijn te zien, deze vormt de grens tussen twee historische regio’s. Zuidelijk van de lijn is regio de Kempen gelegen. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Noordelijk van de stippellijn is de historische regio "Meierij” gelegen. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. Binnen het plangebied zijn historische geografische lijnen van hoge en redelijk hoge waarde aanwezig.
De lijnen van hoge historische waarde (oranje lijnen op kaart) betreffen twee watergangen,
waaronder
de
Sonsche
Heideloop
die
onderdeel
uitmaakt
van
een
jong
heidebebossingslandschap. De historische geografische lijnen van redelijk hoge waarde betreffen de ontginningswegen van het landschap, die karakteristiek zijn voor heidebebossingen (gele lijnen op kaart). Binnen het plangebied zijn vier locaties aangewezen als historische groenelementen. Zuidelijk is dit de beplanting langs het Wilhelminakanaal. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, wilde lijsterbes, gewone vlier, sporkehout en wilde kamperfoelie. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1910-1940. De
tweede
locatie
betreft
beplanting
langs
de
Sonsche
Heideloop
in
een
jonge
heidebebossingsgebied. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, Amerikaanse eik, spar, lariks, wilde lijsterbes, ruwe berk en beuk. Het geheel dateert overwegend van omstreeks 1934, toen de watergang werd gegraven. Ter hoogte van de provinciale weg N620 is een laanbeplanting van zomereik, langs de weg tussen twee oude dorpskernen. Het geheel dateert overwegend van omstreeks 1930. In de noordelijkste punt van het plangebied, oostelijk van de snelweg is een historische groenelement aangewezen dat bestaat uit laanbeplanting met zomereiken. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1900-1930. Het zuidoosten van het gebied is voor een deel gelegen in het archeologische landschap Dommeldal Nuenen-Gestel. Dit landschap omvat het rivierdal van de Dommel tussen Sint-Michielsgestel en Nuenen, alsmede de hierin uitwaterende beken de Groote Beek bij Son, de Grote Waterloop bij Liempde en de Kleine Aa/Smalwater onder Boxtel. Langs beide zijden van de rivier- en beekdalen, op de overgang naar het hoger gelegen dekzandlandschap, ligt een aaneenschakeling van oude bouwland-complexen. Deze landschappen worden gerekend tot het Landschap 22, één van de archeologisch rijkste landschappen van Noord-Brabant. Verder is een groot deel van het plangebied aangewezen op de kaart Indicatieve Archeologische Waarden als gebied met middelhoge trefkans.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
44
j sw ijk
De Meierij
De kem
Legenda
rn
Plangebied Zeer hoog Hoog Redelijk hoog
Kapelbeemd
Historisch groen Indicatieve Archeologische waarden
i__
Regio Archeologische landschappen Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl
Figuur 24 Cultuurhistorische en archeologische waarden
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
45
4.4.2 Aardkundige waarden Aardkundige waarden zijn over het algemeen onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van het landschap. Over het algemeen zijn dit verschijnselen die zijn ontstaan door wind, water, ijs of tektoniek. Aardkundige waarden hebben betrekking op niet levende natuur. De provincie Noord-Brabant heeft een aardkundige waardenkaart opgesteld (zie Figuur 25. Op deze kaart zijn aardkundige waarden opgenomen, die door menselijk handelen op dit moment niet altijd meer goed zichtbaar zijn in het landschap. Binnen het plangebied betreffen deze aardkundig waarden voornamelijk uit historische natte locaties, zie op de volgende pagina. Hierop is zichtbaar dat in het gebied "Nieuwe Heide” in het verleden een natte heide gebied aanwezig was. Verder zijn de oude vennen op de kaart weergegeven die in het verleden zijn ontwaterd en ontgonnen. De belangrijkste van deze vennen zijn het Hartven en Lisseven, welke in de periode 1930 - 1955 zijn ontgonnen en beplant met bos. De historische kaarten en de kaart aardkundige waarden laten zien dat met name het gebied Nieuwe Heide in het verleden een nat gebied is geweest met natte heideterreinen, vennen en natte laagtes. Het deelgebied Oud Meer lijkt in het verleden een droger gebied geweest te zijn.
Op de historische kaarten en de aardkundige waardenkaart zijn, met uitzondering van het Oud Meer zelf, geen natte gebieden ingetekend. Op basis van de AHN is wel zichtbaar dat er in het noordelijk deel van het Oud
Meer in
het verleden enkele
nattere
laagten aanwezig zijn geweest,
hier zijn ook
ontwateringssloten aangelegd.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
46
C?
J Legenda Plangebied Moeras Broekbos Natte heide Hoogveen Uiterwaarden Graslanden met sloten, hooigraslanden Boekweitpercelen Schorren en gorzen Wadden, slikken en platen Open water
Figuur 25 Historische natte gebieden (bron: aardkundige waardenkaart, provincie Noord Brabant).
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
47
4.5
Bos, heide en vennen
In deze paragraaf wordt, ietwat arbitrair, onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen natuur in
de
Nieuwe
Heide
&
Oud
Meer.
De
reden
hiervoor
is
dat
ze
een
verschillende
ontstaansgeschiedenis kennen; de hand van de mens is duidelijker aanwezig in de aanleg en het beheer van de bossen en graslanden dan in heide en vennen. Na een korte beschrijving per type, worden vervolgens de flora en fauna van het gehele gebied beschreven.
4.5.1
BOS
Het merendeel van het plangebied bestaat uit droog opgaand bos, waarvan een groot deel in de periode 1920 - 1950 is aangeplant (zie Figuur 26 en Figuur 27). In de periode is er veel bos in het zuiden van Nederland aangeplant met het oog op houtproductie, voornamelijk in het kader van de mijnbouw in Limburg. Over het algemeen werden er in die tijd naaldhoutsoorten aangeplant, die op de arme zandgronden het beste groeide. Dit heeft er ook tot geresulteerd dat 86% van de hoofdboomsoorten binnen het plangebied op dit moment uit naaldbomen bestaat. Grove den is de meest voorkomende boomsoort, met een aandeel van 60% van het totaal. In de voormalige laagten van het Hartven en het Lisseven wordt een natter bostype aangetroffen met o.a. zwarte els en zachte berk in de boomlaag. De bossen die zijn gelegen in de Gemeente Son en Breugel zijn het armst van structuur, dit heeft o.a. te maken met de zeer lage beheerintensiteit. Hier is sprake van een hoog aandeel aan gesloten opstanden waardoor er geen of nauwelijks andere boom- en of struiksoorten voorkomen in de opstanden. De bossen in de gemeente Best worden al langer beheerd met het oog op bosstructuur en biodiversiteit. Dit heeft tot gevolg dat er een hoger aandeel open bos aanwezig is. Hierdoor is er meer afwisseling in licht en donker waardoor er meer variatie is ontstaan in de ondergroei.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
48
Legenda __ j^| Abies grandis
Fijnspar
| Amerikaanse eik
ļ
Grove den
| Oostenrijkse den | Paardenkastanje
| Berk
|
| lep
ļ Beuk
Į
| Inl. eik
Sitkaspar
| Japanse lariks ļ
| Wilg
į Gors. den | Douglas
V/A Esdoorn
|
Populier
CD Kapvlakte Natuurterrein
Figuur 26 Dominante boomsoorten Figuur 26 geeft de boomsoortensamenstelling weer, hier is direct het grote aandeel grove den zichtbaar. De relatief beperkte soortensamenstelling en de beperkte bosstructuur kan, onder invloed van klimaatverandering, op termijn voor problemen zorgen. Op basis van de leeftijd van een bos kan iets worden gezegd over de ontwikkelingsfase waarin het zicht bevindt. De ontwikkelingsfase is gebaseerd op de leeftijd van een bos en geeft een beeld van de opbouw van een bos of opstand. Een groot deel van het bos (44%) is ouder dan 80 jaar en bevindt zich in de boomfase (zie Figuur 27 en de kadertekst over de ontwikkelingsfasen in bossen). 35% van de opstanden bevinden zich in de opgaande fase en ongeveer 2^ bevindt zich in de dichte fase. Een klein deel <1% bevindt zich in de dynamische fase, dit betreffen enkele kapvlakten. De vervalfase, kenmerkend voor oude bossen, is op dit moment afwezig, echter zijn er opstanden die er qua leeftijd naar toe gaan. Hier zullen op termijn bomen gaan afsterven en in de vervalfase komen. In deze opstanden zijn wellicht kansen gelegen voor een netwerk van Oude, Aftakelende en Dode bomen (OAD). De aanwezigheid van dood hout is een van de belangrijkste voorwaarden in een stabiel bosecosysteem.
Ruim een derde van alle biodiversiteit en naar schatting 50% van de totale bosfauna is in meer of mindere mate afhankelijk van dood hout. Dood hout vormt een nestplaats, schuilplek en een bron van voedsel voor vogels, vleermuizen en andere zoogdieren, en is van groot belang voor insecten en paddenstoelen. In Nederland komen 2.500 soorten geleedpotigen voor die in bossen leven, ongeveer 50% hiervan is afhankelijk van dood hout. Vrijwel alle stadia van deze soorten komen voor in staand of liggend dood hout. Deze vormen op hun beurt weer een belangrijke voedingsbron voor andere soorten zoals; vogels, vleermuizen en spitsmuizen.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
49
Voor de gemeente Son en Breugel zijn gegevens van dood hout uit de SNL monitoring voorhanden. In deze monitoring zijn het aantal dode bomen per hectare met een dbh3 van ^0 cm opgenomen. Hieruit kan worden opgemaakt dat over ongeveer de helft van de oppervlakte geen dood hout aanwezig is. Op ongeveer 22% van de oppervlakte zijn 1 tot 3 dode bomen per hectare aanwezig en over 23% van de oppervlakte zijn 4-9 bomen per hectare aanwezig. Over maar 9% van de oppervlakte zijn meer dan 9 dode bomen per hectare aanwezig. Van de gemeente Best zijn deze gegevens niet voorhanden. In het beheerplan uit 2016 is hierover opgenomen dat het aandeel dood hout in de oudere opstanden van de gemeente Best relatief laag is.
Legenda 1941 - 1950
1981 - 1990
1911 -1920
__ 1951 - 1960
] 1991 -2000
1921 - 1930
1961 - 1970
2001 -2010
1931 - 1940
1971 - 1980
2011 -2020
c-1911
Figuur 27 Kiemjaren Periode van aanplant van dominante boomsoorten
3 Dbh: diameter op borsthoogte, een veelgebruikte maat om de dikte van bomen te bepalen Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
50
Ontwikkelingsfasen in bossen Dynamische fase
^10 jaar)
Deze fase wordt gekenmerkt door de hoge ecologische waarde door de aanwezigheid van open ruimte voor kruiden en dicht struweel. Economische waarden zijn nog niet aanwezig. Dichte fase
(10 tot 40 jaar)
Na ongeveer 10 jaar gaat het bos de dichte fase in. In deze fase sluit het kronendak en beginnen de bomen elkaar omhoog ‘te duwen’. De fase wordt gekenmerkt doordat er vrijwel geen ecologische of economische waarden aanwezig zijn in de opstanden. Wel is dit de bepalende fase waarin de latere economische waarden worden bepaald. Dit is dan ook het moment om te sturen op de beste exemplaren middels de QD-methode bij waardevolle boomsoorten. Opgaande fase
(40 tot 80 jaar)
Dit is het moment waarop de dunningen gaan beginnen. De dunningen zijn erop gericht om de beste bomen meer groeiruimte te geven. Het vrijkomende hout bestaat vooral uit bulk hout met een lagere waarde. Ecologische waarden zijn nog beperkt door het ontbreken van dikke bomen. Doormiddel van ingrepen kunnen de ecologische waarden wel worden vergroot. Boomfase
(80 tot 120 jaar)
Het bos heeft de volwassen leeftijd bereikt. De bijgroei neemt af en de beheerintensiteit gaat omlaag. Plaatselijk worden maatregelen t.b.v. kleinschalige bosverjonging uitgevoerd. De beste en mooiste exemplaren blijven nog doorgroeien en dienen als zaadbron. De ecologische waarden zijn hoog door de aanwezigheid van dikke bomen, een ontwikkelde struiklaag en doodhout. Vervalfase
^120 jaar)
Deze fase is vaak niet vlakdekkend binnen een bosgebied aanwezig maar bijvoorbeeld in de vorm van
overstaanders
binnen
verjongingsgaten,
overhoekjes
of
recreatieve
hotspots.
De
natuurwaarden van deze fase zijn op zijn hoogst. Daarom is dit vaak het referentiebeeld voor de natuurbossen, en werkt het bosbeheer hiernaar toe. De bomen die deze fase hebben gehaald waren vaak van de beste kwaliteit en zijn daarom een uitstekende zaadbron voor de volgende generatie bos.
4.5.2
Heide, vennen en graslanden
Ofschoon het merendeel van de Nieuwe Heide & Oud Meer al sinds het begin van de vorige eeuw zijn omgevormd tot bossen, zijn in het gebied de restanten van het oorspronkelijke heidelandschap nog zichtbaar. De Langvennen bestaan uit zure vennen (N06.06; zie Figuur 28), die via vochtige heide (N06.04) overgaan in droge heide (N07.01) op de hogere delen. Het Oud Meer is minder zuur en wordt in het provinciale natuurbeheerplan aangeduid als zwakgebufferd ven (N06.05). Ook hier vinden we een overgang via vochtige heide naar droge heide op de drogere delen. Het westelijk deel van het heidegebied rondom het Oud Meer is zo droog dat er sprake is van een zandverstuiving (N07.02; op deze manier herkenbaar op de provinciale ambitiekaart). Droge heide wordt verder aangetroffen ten zuiden van
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
het Boshuys; er zijn daarnaast nog enkele kleine vochtige 51
heideterreintjes in de omgeving van het Wilhelminakanaal, met daarbinnen ook kleine, zure vennen (N06.06). Centraal in het gebied ligt een klein ven (Bosven), dat een overblijfsel is van het beboste Hartven. In het zuidoosten van het Sons deel van het gebied liggen enkele graslanden. Het provinciaal natuurbeheerplan en de provinciale ambitiekaart lijken in het verleden aangepast te zijn maar daarbij zijn er afwijkingen ontstaan. Zo is de ambitie voor bos lager op de ambitiekaart dan in het huidige natuurbeheerplan en is het huidige stuifzand in het Oud Meer niet apart opgenomen in het natuurbeheerplan. Aanbevolen wordt om na vaststelling van de visie de kaart aan te passen in overleg met de provincie.
Figuur 28 Huidige natuurtypen volgens het natuurbeheerplan (links) en volgens de provinciale ambitiekaart (rechts). Beige: droog bos met productie (NÌ6.03), donker groen: Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02). zie tekst voor verdere uitleg. Beheer Het beheer van de heide, vennen en graslanden is gericht op het in stand houden van deze levensgemeenschappen en hun karakteristieke soorten. De heide rondom de Langvennen wordt begraasd met schapen, de heide rondom het Oud Meer werd tot voor kort begraasd met runderen. In 2021 is ook hier gestart met schapenbegrazing. Ook in het zuidoosten van het gebied vond runderbegrazing plaats om de graslanden open te houden. In aanvulling op de begrazing worden de heidegebieden kleinschalig gechopperd (hierbij wordt de toplaag verwijderd) en in het verleden ook geplagd.
4.6
Flora en fauna
Om inzicht te krijgen in het voorkomen van beschermde planten en dieren, en van soorten die karakteristiek zijn voor heide, bossen en vennen, is de Nationale Databank Flora en Fauna geraadpleegd. In deze databank zijn ruim 150 miljoen waarnemingen aan soorten in Nederland verzameld. In de volgende paragraven worden de belangrijkste soorten besproken, met nadruk op beschermde soorten en soorten die karakteristiek zijn voor een bepaald habitat.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
52
4.6.1
In
Amfibieën en reptielen
het gebied
komen acht soorten amfibieën voor, waaronder de alpenwatersalamander,
rugstreeppad en heikikker. In het verleden kwamen ook de kamsalamander en de boomkikker voor, maar deze zijn sinds 2003, resp. 1975 niet meer waargenomen. De levendbarende hagedis komt ook in het gebied voor (Tabel 5).
Tabel 5 Amfibieën en reptielen in het plangebied (bron: NDFF).
soort
Beschermingsstatus
Alpenwatersalamander
Wet natuurbescherming
Rode lijst
Bastaardkikker
meest recente waarneming
Locatie
2020
Hartven
2020
Hartven, Langvennen
1975
Onbekend
Bruine kikker
2020
Wilhelminakanaal
Gewone pad
2017
Ten zuiden Wilhelminakanaal
Boomkikker
Habitatrichtlijn
bedreigd
Oud Meer en ten zuiden
Langvennen, Lissenven, Hartven, Oud Meer en ten zuiden
Groene kikker
2020
Wilhelminakanaal Langvennen, Hartven, Oud Meer en ven ten zuidoosten van de
Heikikker
Habitatrichtlijn
Kamsalamander
Habitatrichtlijn
kwetsbaar
Kleine watersalamander Poelkikker
Habitatrichtlijn
2020
Langvennen
2017
Onbekend
2020
Hartven, Langvennen
2020
Hartven, Langvennen
Rugstreeppad
Habitatrichtlijn
gevoelig
2017
Langvennen, Oud Meer
Levendbarende hagedis
Wet natuurbescherming
gevoelig
2020
Langvennen, Oud Meer
Op basis van de verspreidingsgegevens (NDFF 2015-2020) lijken er twee grote populaties amfibieën en reptielen in het gebied voor te komen: rondom de Langvennen en rondom het Oud Meer. Ter hoogte van het voormalig Lisseven zijn in 2020 alpenwatersalamander en poelkikker waargenomen. Het is de vraag in hoeverre de twee populaties met elkaar in verbinding staan, of dat er sprake is van gescheiden populaties. In principe zijn de vennen geïsoleerd; de afstand tussen de Langvennen en het Oud Meer bedraagt hemelsbreed ca. 2150 m, tussen de Langvennen en de stuifzanden ten westen van het Oude meer ca. 1900 m. Dat is ongeveer de maximale afstand die een levendbarende hagedis aflegt (Kennisdocument Levendbarende hagedis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017). Aangezien het tussenliggend gebied vooral uit bos bestaat, hetgeen geen geschikt habitat vormt voor reptielen vanwege het gebrek aan zon en omdat de N620 de gebieden doorsnijdt, is het waarschijnlijk dat de populaties zijn gescheiden. De amfibieën kunnen de afstand tussen beide vencomplexen makkelijker overbruggen. Echter, het is onduidelijk in hoeverre er sprake is van uitwisseling tussen beide populaties, omdat waarnemingen van amfibieën uit het tussengebied ontbreken in de datasets. Gescheiden populaties zijn kwetsbaar; als er een ecologische ‘ramp’ gebeurt, bijvoorbeeld aanhoudende droogte, dan sterft een populatie uit.
De vennen zullen dan opnieuw gekoloniseerd moeten worden vanuit een nabijgelegen populatie, maar dit kan alleen wanneer de afstand tussen beide populaties overbrugbaar is en er geen onoverkoombare obstakels aanwezig zijn.
Conclusie reptielen en amfibieën Een aantal soorten die binnen het plangebied voorkomen is relatief algemeen in de regio. Daarnaast komen er enkele habitattichtlijnsoorten voor die nog recent in het plangebied of de omgeving zijn
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
53
waargenomen. Een opmerkelijk gegeven is de aanwezigheid van boomkikker in 1975, het is niet bekend waar deze soort toentertijd is waargenomen. Een groot knelpunt voor de reptielen en amfibieën zit in de geïsoleerde ligging van de leefgebieden. Het zal waarschijnlijk gaan om een metapopulatiestructuur4 met twee grote populaties. Dit betekent dat het vrij kwetsbare populaties zijn. In het geval van een "ecologische ramp” is het de vraag of deze populaties in staat zijn om zich te herstellen. Het is aan te bevelen deze structuur te versterken, hiervoor zijn mogelijk kansen gelegen in een eventueel herstel van het Hartven en/of Lisseven.
4.6.2
Sprinkhanen, libellen en vlinders
In 2014 is er rondom het Oud Meer een inventarisatie uitgevoerd naar insecten in het kader van de SNL. Binnen deze inventarisatie zijn ook sprinkhanen meegenomen. De enige waarneming van sprinkhanen in de periode 201 5-2020 uit de NDFF betreft de veldkrekel, een karakteristieke soort van droge heide die wordt aangetroffen rondom de Langvennen en het Oud Meer. Tabel 6 geeft de soorten weer die tijdens de inventarisatie rondom het Oud Meer in 2014 zijn waargenomen.
Tabel 6: waargenomen insecten rondom het Oud Meer (2015-2020) en in de gemeente Best (2009 - 2020) soort
Beschermingsstatus
Rode lijst
Locatie
Boomsprinkhaan
gemeente Best, Oud Meer
Bruine sprinkhaan
gemeente Best, Oud Meer
Gewoon doorntje
gemeente Best
Gewoon spitskopje
gemeente Best
Grote groene sabelsprinkhaan
gemeente Best
Heidesabelsprinkhaan
gemeente Best, Oud Meer
Knopsprietje
gemeente Best, Oud Meer
Moerassprinkhaan
Kwetsbaar
gemeente Best, Oud Meer
Negertje
Zeldzaam
gemeente Best, Oud Meer
Ratelaar Si kkelspri nkhaan
gemeente Best, Oud Meer Gevoelig
Snortikker
gemeente Best
Struiksprinkhaan Veldkrekel
gemeente Best, Oud Meer
gemeente Best, Oud Meer Zeldzaam
gemeente Best
Zanddoorntje
gemeente Best
Zuidelijke boomsprinkhaan
gemeente Best
Zwart wekkertje
gemeente Best
De heidesabelsprinkhaan, het knopsprietje, de moerassprinkhaan, het negertje en de veldkrekel zijn typische heidesoorten, zowel van natte, als droge heideterrein. De overige soorten hebben een relatief brede ecologische amplitude en komen in een verscheidenheid van biotopen voor. Met name de veldkrekel is een soort van goed ontwikkelde heidegebieden; dat de veldkrekel voorkomt rondom de Langvennen en het Oud Meer duidt op een goede ontwikkeling. Echter, de veldkrekel heeft het de laatste jaren moeilijk onder invloed van versnippering en eutrofiëring, waardoor geschikt leefgebied verdwijnt. Een knelpunt voor deze soort is dat hij, in tegenstelling tot andere soorten, geen mechanisme heeft om inteelt te voorkomen. Dat maakt hem extra kwetsbaar voor versnippering van zijn leefgebied.
4 Metapopulatie: een groep van ruimtelijk gescheiden populaties van een soort, die min of meer met elkaar in contact staan Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
54
De enige waarnemingen van
libellen
uit de
NDFF in de
periode 2015-2020 betreft de
venwitsnuitlibel. Deze is waargenomen rondom de Langvennen. De enige beschikbare gegevens voor het Oud Meer betreft een inventarisatie die in 2014 in het kader van de SNL monitoring is uitgevoerd (Tabel 7).
Tabel 7: Libellen rondom het Oud Meer, SNL-inventarisatie 2014, en in de gemeente Best (vanaf 2009, vnl Langvennen) soort
Beschermingsstatus
Azuurwaterjuffer Bandheidelibel Bloedrode heidelibel Bruine winterjuffer Gevlekte witsnuitlibel Gewone oeverlibel Gewone pantserjuffer Glassnijder Grote keizerlibel Grote roodoogjuffer Houtpantserjuffer Kleine roodoogjuffer Koraaljuffer Lantaarntje Noordse witsnuitlibel Paardenbijter Smaragdlibel Steenrode heidelibel Tangpantserjuffer Tengere pantserjuffer Variabele waterjuffer Venwitsnuitlibel Viervlek Vuurjuffer Vuurlibel Watersnuffel Weidebeekjuffer Zwarte heidelibel Zwervende heidelibel
Rode lijst
Locatie gemeente Best, Oud Meer gemeente Best gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer
kwetsbaar
Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer Oud Meer gemeente Best gemeente Best gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best
kwetsbaar
gemeente Best gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best, Oud Meer gemeente Best
De aanwezigheid van venwitsnuitlibel in de Langvennen duidt op wateren met veenmos wat nodig is voor ei-afzet en voor larven. Dit geldt ook voor een soort als koraalwaterjuffer, die is waargenomen in het Oud Meer en voorkomt in wateren met een veenmosvegetatie en pitrus of pijpenstrootje. Soorten als; azuurwaterjuffer, bloedrode heidelibel, bruine winterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, glassnijder, grote roodoogjuffer, paardenbijter en vuurjuffers zijn soorten die voorkomen in wateren met een rijke oever en/of watervegetatie. Echter zijn deze soorten in aantallen relatief weinig waargenomen rondom het Oud Meer. In totaal zijn er in 2014 1.417 waarnemingen van libellen gedaan. 80% van deze waarnemingen bestaat uit gewone pantserjuffer, viervlek, watersnuffel en zwarte heidelibel. Dit zijn over het algemeen soorten die voorkomen en hoge dichtheden bereiden in en rondom zuur water. Op basis hiervan lijkt het dat het Oud Meer een zuur ven is, met plaatselijk goed ontwikkelde over- en watervegetaties.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
55
Opvallend zijn de waarnemingen van de weidebeekjuffer, die vrijwel alleen voorkomt in stromend water. Deze soort is niet waargenomen in het ven, maar aan de zuidzijde in een waterloop en aan noordzijde in de bosrand.
4.6.3
Vlinders
Er zijn geen recente waarnemingen beschikbaar van vlinders uit het gebied rondom de Langvennen. Tijdens de inventarisatie in het kader van de SNL monitoring die in 2014 is uitgevoerd rondom het Oud Meer zijn ook de vlinders meegenomen (Tabel 8).
Tabel 8: Vlinders rondom het Oud Meer (SNL inventarisatie 20 Ì4) en in Best (2009-2020). Bron: NDFF soort
Beschermingsstatus
Rode lijst
Atalanta Bont dikkopje
Locatie gemeente Best, Oud Meer
kwetsbaar
Boomblauwtje
gemeente Best gemeente Best, Oud Meer
Bruin zandoogje
Oud Meer
Citroenvlinder
gemeente Best, Oud Meer
Distelvlinder
gemeente Best, Oud Meer
Gehakkelde aurelia
Gemeente Best
Groentje
gemeente Best, Oud Meer
Groot dikkopje
kwetsbaar
gemeente Best, Oud Meer
Groot koolwitje
gemeente Best, Oud Meer
Hooibeestje
gemeente Best, Oud Meer
Icarusblauwtje
gemeente Best, Oud Meer
Klein geaderd witje
gemeente Best, Oud Meer
Klein koolwitje
gemeente Best, Oud Meer
Kleine vos
Gemeente Best
Kleine vuurvlinder
gemeente Best, Oud Meer
Landkaartje
gemeente Best, Oud Meer
Oranje zandoogje
gemeente Best, Oud Meer
Oranjetipje
gemeente Best, Oud Meer
Het merendeel van de voorkomende soorten betreft algemene standvlinders van bosrijke omgeving en half natuurlijk landschappen met struwelen en lage begroeiingen. In totaal zijn er 83 waarnemingen gedaan van vlinder, waarvan 25 het groot dikkopje betreffen en 20 het groot koolwitje. Het groot dikkopje komt voornamelijk voor in de directe omgeving van het ven Oud Meer, het is een soort van vochtige biotopen zoals vochtige ruigtes en vochtige heideterreinen. Het groot koolwitje is een soort van vooral bosranden en ruigten. De kleine vuurvlinder is een typische soort van droge schrale gebieden op zandgronden, zoals droge heideterreinen.
Conclusie sprinkhanen, libellen en vlinders Het merendeel van de waargenomen sprinkhanen, libellen en vlinders betreffen relatief algemene soorten die geen hele hoge eisen stellen aan hun leefomgeving. De meest kritische soorten zijn de veldkrekel, venwitsnuitlibel en gevlekte witsnuitlibel. Het grote aandeel gewone pantserjuffer, viervlek, watersnuffel en zwarte heidelibel duidt op een duidelijk zuur karakter van het Oud Meer. De aanwezigheid van een aantal andere soorten duidt wel op lokaal goed ontwikkelde water en oevervegetaties en plaatselijke verlandingsvegetaties. Voor de Langvennen en omgeving zijn maar Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
56
een beperkt aantal waarnemingen voorhanden, waardoor het moeilijk is om hier uitspraken over te kunnen doen.
4.6.4
Broedvogels
Voor gegevens over broedvogels is gebruik gemaakt van de NDFF en gegevens die uit het uitwerkingsplan Oud Meer van Staatbosbeheer komen. Op basis van deze gegevens kan een beeld worden geschetst van de soorten die in het terrein voorkomen of in het verleden voorkwamen. Er komen binnen het plangebied een groot aantal soorten voor, waarvan een deel zeer algemene broedvogels. Er is voor gekozen in deze paragraaf de aandacht te vestigen op typische heide- en struweelsoorten. In het Uitwerkingsplan van Staatsbosbeheer is opgenomen dat op de droge heideterreinen rondom het Oud Meer boomleeuwerik, boompieper, en roodborsttapuit als broedvogel voorkomen. Ook was er omstreeks 2013
nog een broedgeval van de boomleeuwerik aanwezig. Daarnaast
overwinteren er op de heideterreinen rondom het Oud Meer jaarlijks klapeksters. Daarnaast komen o.a. roodborsttapuit en boompieper voor. Broedvogels die op en rondom het Oud Meer voorkomen zijn; geoorde fuut, dodaars, blauwborst en rietgors. De waarnemingen uit het uitwerkingsplan dateren uit omstreeks 2010 en zijn dus verouderd. Daarom is in de NDFF gekeken welke typische heidesoorten broedend voorkomen binnen het plangebied. De boomleeuwerik, boompieper, fitis, nachtzwaluw en roodborsttapuit zijn allemaal vastgesteld als broedvogel in de periode 2015 - 2020. Deze soorten komen zowel voor op de heideterreinen van het Oud Meer alsook die van de Langvennen.
Conclusie broedvogels Over het algemeen komen er op de heideterreinen soorten voor die verwacht kunnen en mogen worden. Het is moeilijk om uitspraken te doen over trends en ontwikkelingen van soorten omdat gegevens hiervan ontbreken. In het uitwerkingsplan Oud Meer van 2013 wordt wel al melding gemaakt van een afname broedgevallen van de boomleeuwerik, dit lijkt in lijn te zijn met de landelijke ontwikkelingen. Over het algemeen zijn vogels, doordat ze een stuk mobieler zijn dan andere soorten, minder gevoelig voor isolatie. Van groter belang is de kwaliteit van de gebieden waar ze in leven. Voor de typische heidesoorten is het vooral van belang dat er een diverse landschap aanwezig is, waarbij op de heide ook boomgroepen en lage struiken aanwezig zijn. Daarnaast zijn geleidelijke overgangen van open natuurterreinen naar bos van groot belang. Hier zijn binnen dit plan ook kansen gelegen.
4.6.5
Vaatplanten, mossen en korstmossen
Beschermde planten en soorten van de Rode lijst In het gebied zijn sinds 2010 negen plantensoorten van de Rode lijst aangetroffen. Dit zijn, met uitzondering van de bosaardbei, allemaal soorten van heide en vennen en het is dan ook niet verwonderlijk dat zij alleen zijn waargenomen rondom de Langvennen, ten zuiden van het Boshuys en rondom het Oud Meer (Tabel 9Tabel 9 Beschermde en zeldzame planten). Met name in de omgeving van het Oud Meer komen veel soorten van de Rode lijst voor. Soorten die beschermd zijn onder de Wet Natuurbescherming worden niet aangetroffen in het gebied.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
57
Tabel 9 Beschermde en zeldzame planten. Bron NDFF.
Soort
Rode lijst
meest recente waarneming
ecosysteem
locatie
Borstelgras
gevoelig
2015
heischraal grasland
Oud Meer, Langvennen
Bosaardbei
gevoelig
2016
bos
bos uiterste westzijde
Bruine snavelbies
gevoelig
2018
vochtige heide
Langvennen
Draadzegge
kwetsbaar
2012
zuur ven
Oud Meer
Klein blaasjeskruid
kwetsbaar
2012
zuur ven
Oud Meer
Kleine zonnedauw
gevoelig
2021
vochtige heide
Langvennen
2016
nat bos
Koningsvaren
Best Oud Meer, Langvennen en
Kruipbrem
kwetsbaar
2020
droge heide
Boshuijs
Moeraswolfsklauw
kwetsbaar
2014
vochtige heide
Langvennen
Stekelbrem
gevoelig
2020
droge heide
Oud Meer, Boshuijs
Veenbies
kwetsbaar
2012
vochtige heide
Oud Meer
Vlottende bies
kwetsbaar
2020
zwak gebufferd ven
Oud Meer
Welriekende agrimonie
kwetsbaar
2020
grasland
Best
2015
grasland
Best
2015
vochtige heide
Oud Meer, Langvennen
Wilde marjolein Witte snavelbies
kwetsbaar
Voorkomen van karakteristieke soorten van heide, vennen en bos Naast het voorkomen van beschermde en bedreigde soorten in een gebied, is het ook raadzaam te kijken naar planten die karakteristiek zijn voor een bepaald natuurtype en een indicatie geven over de kwaliteit daarvan. De meeste vennen zijn arm aan waterplanten; de soorten die er voorkomen, zoals veelstengelige waterbies, draad- en snavelzegge, knolrus en duizendknoopfonteinkruid zijn karakteristiek voor zure en en zwak gebufferde wateren. Behalve in de Langvennen en in het Oud Meer worden ook in de laagtes van het voormalig Lisseven en in verschillende kleine vennen in het gebied nog vensoorten aangetroffen. Langs het kanaal, tussen de Langvennen en de Rendac, ligt een relatief soortenrijk ven; dit is de enige vindplaats van duizendknoopfonteinkruid. Aan de noordzijde van het Oud Meer groeit veldrus, een soort die er op duidt dat er jong grondwater uit de stuifzandruggen naar het Oud Meer stroomt. Ook langs het Wilhelminakanaal ter hoogte van de Langvennen werd veldrus gevonden, evenals bosbies. Dit indiceert dat kwel vanuit het kanaal naar de naastgelegen vennen stroomt. Rondom de Langvennen, het Oud Meer en het ven langs het kanaal ligt natte heide, waar behalve gewone dopheide en pijpenstrootje soorten als kleine zonnedauw, witte en bruine snavelbies en moeraswolfsklauw worden aangetroffen.
Dit zijn de typische pioniers van de open stukken, zoals venoevers, plagstroken en paden. Recent is ook klokjesgentiaan weer aangetroffen in de Langvennen. Droge heide vinden we eveneens rondom de Langvennen en het Oud Meer, maar ook onder de hoogspanningsleidingen en centraal in het gebied ten zuiden van de Sonseweg ter hoogte van het Boshuys. Op deze laatste heide worden naast de kenmerkende struikheideplanten, ook kruipbrem en stekelbrem aangetroffen. Gewone salomonszegel en valse salie zijn karakteristieke soorten van oudere bossen. Dit type soorten wordt in het gebied maar mondjesmaat aangetroffen. Alleen in het westelijk deel van de Nieuwe Heide treffen we deze soorten aan; op de nattere plaatsen zien we hier ook koningsvaren. Ten noordwesten van het gebied, in de overgang naar het agrarisch gebied, wordt veelvuldig gewone
salamonszegel
aangetroffen
in
de
houtwallen
en
bossages.
Sporadisch
zijn
er
waarnemingen bekend van gewone salomonszegel in het zuid-oostelijk deel van de Sonsche bossen.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
58
In het gebied worden op enkele plaatsen invasieve exoten als reuzenbalsemien, Japanse duizendknoop en grote waternavel (watergangen langs de A50) aangetroffen. Deze lijken vooral voor te komen aan de randen van het gebied.
Ontwikkeling vegetatie In het verleden, was het gebied veel soortenrijker, met een grotere diversiteit aan heide en vensoorten. Niet verwonderlijk, omdat tot in de jaren 50 een veel groter deel van het gebied uit heide en vennen bestond en destijds de druk op het gebied in de vorm van verzuring, vermesting en verdroging veel minder groot was. Het is daardoor mogelijk dat soorten van vennen nog in de zaadbank aanwezig zijn. Van vensoorten is bekend dat hun zaad nog heel lang kiemkrachtig blijft, tot meer dan 50 jaar. Wanneer de omstandigheden weer gunstig worden, kunnen deze soorten vanuit de zaadbank opnieuw gaan groeien. Dat is veel minder het geval bij soorten van droge heide en heischrale graslanden, zoals bijvoorbeeld klokjesgentiaan, blauwe knoop en liggende vleugeltjesbloem, soorten die tot in begin jaren 80 in het gebied voorkwamen. Na een aantal jaren in de bodem is het zaad niet meer kiemkrachtig en zullen ze het gebied opnieuw moeten koloniseren.
4.7
Analyse bos en natuur
De beschrijving van de huidige situatie geeft inzicht in de sterke en zwakke punten van de Nieuwe Heide & Oud Meer. In deze paragraaf worden ze opgesomd. Ze vormen de basis voor de ontwikkelingsvisie (Hoofdstuk 2 ).
4.7.1
^
Zwakke punten bos
Er is
sprake van een vrij
beperkte
boomsoortensamenstelling.
De
laatst
beschikbare
inventarisatie geeft aan dat 86% van alle bomen naaldbomen betreffen, waarbij het merendeel grove den. Onder invloed van klimaatverandering zal er ook een verschuiving van de groeiplaatsen van boomsoorten gaan optreden. In dit kader is het van belang om een brede boomsoortensamenstelling te hebben zodat, als er bepaalde soorten gaan uitvallen, er voldoende soorten over blijven om hun plaats in te nemen. •
Het merendeel van de aanwezige boomsoorten heeft slecht afbreekbaar strooisel, zoals grove den, of zomereik. Hierdoor accumuleert het vallende bladmateriaal en ontstaat er een dikke zure strooisellaag. Dit is o.a. in combinatie met de stikstofdepositie een groot probleem: het leidt tot verdere verzuring van het bos. Door de lage zuurgraad, is het strooisel weinig geschikt voor bodemleven en wordt de afbraak van strooisel vertraagd. Dit heeft tot gevolg dat de strooisellaag dikker wordt en er minder voedingsstoffen voor bomen beschikbaar komen. Als gevolg hiervan treedt er een onbalans op in de nutriëntensamenstelling in bomen en worden individuen kwetsbaar voor plagen en droogte. Daarnaast kunnen planten amper kiemen in de dikke strooisellaag, waardoor er geen natuurlijke verjonging optreedt.
•
De laatste jaren zijn er een aantal extreem droge zomers geweest, hierdoor zijn er op grote schaal vitaliteitsproblemen ontstaan zoals het op grote schaal afsterven van fijnspar. Bij andere soorten zoals Japanse lariks en Douglas zijn ook al vitaliteitsproblemen zichtbaar. Om bomen meer kansen te geven tijdens lange periodes van droogte is het van belang om, waar mogelijk, het systeem hydrologisch te herstellen.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
59
^
Het aandeel dood hout in opstanden is relatief laag, voor een gezond bosecosysteem is het van
^
Een deel van het bos heeft een vrij beperkte bosstructuur, dat wil zeggen er is weinig
belang dat dood hout in ruime mate aanwezig is. horizontale en verticale variatie. Hierdoor is een vrij monotoon bosbeeld aanwezig, waardoor er ook op het gebied van fauna weinig variatie is. Zwakke punten heide en vennen ^
Verdroging van het gebied, die tot uiting komt in verzuring en droogval van de vennen. De droogte van de afgelopen jaren maakt dit probleem extra zichtbaar. Daardoor zijn soorten van zwak gebufferde wateren als oeverkruid uit het gebied verdwenen.
^
De stikstofdepositie, met als gevolg verzuring en vermesting, heeft tot een achteruitgang van de biodiversiteit geleid. Met name soorten van iets minder zure bodems (pH^,5) zoals klokjesgentiaan en liggende vleugeltjesbloem zijn sinds de jaren 80 uit het gebied verdwenen.
^
Het gehele gebied ligt geïsoleerd doordat het wordt begrensd door landbouw en stedelijk gebied. De omringende wegen en het Wilhelminakanaal accentueren de isolatie. Hierdoor is vestiging van soorten vanuit andere bossen, heide en vennen moeilijk, mede doordat deze op grote afstand liggen.
•
De heidegebieden en de vennencomplexen liggen geïsoleerd in het gebied. Versnippering wordt niet alleen veroorzaakt door wegen en het Wilhelminakanaal, vooral de aaneengesloten bossen vormen een barrière voor amfibieën, libellen en planten die zich via wind en water verspreiden.
^
Kenmerkende soorten van droge heide en heischrale graslanden hebben veelal een kort levende zaadbank. Hierdoor kunnen ze zich niet herstellen vanuit de zaadbank, maar moeten veel soorten van elders komen en het gebied opnieuw koloniseren.
Sterke punten bos ^
Een klein aantal opstanden gaat qua leeftijd richting de vervalfase. Hier gaan de bomen op termijn kwijnen en afsterven waardoor delen van deze opstanden in de vervalfase kunnen komen. In deze opstanden zijn kansen gelegen om delen aan te wijzen als OAD-netwerk, wat betekent dat er in deze delen van de opstand ook geen beheer meer wordt uitgevoerd. Binnen deze opstanden worden bosrefugia en habitatboomgroepen aangewezen. Bosrefugia zijn donkere delen bos met oude en aftakelende bomen waar geen beheer meer plaatsvindt. In een habitatboomgroep staat één boom centraal, bijvoorbeeld een grote oude beschadigde boom met holten, een boom met een vogelhorst of een boom met uitzonderlijk grote diameter. In het zuiden van de bossen in eigendom van Son en Breugel is een deel met populieren gelegen. Deze zijn op dit moment aan het kwijnen en grotendeels in verval. Dit is een opstand die geschikt zou zijn om in zijn geheel als OAD aan te wijzen.
^
Een aantal terreindelen laten goede groei zien van meer-eisende soorten zoals Douglas. In het beheer van de gemeente Son en Breugel is zelfs een vitale fijnspar opstand, met verjonging aanwezig. Dit laat zien dat er op deze plekken in de droge periodes nog voldoende vochtlevering is geweest en dat de bodems relatief goed zijn. Op deze groeiplaatsen zijn kansen gelegen voor een brede introductie van strooiselrijke soorten zoals; winterlinde, zoete kers, iep en gewone esdoorn.
^
In delen van het bos zijn er al mengboomsoorten spontaan gevestigd. Door deze vrij te stellen kan er relatief eenvoudig worden gestuurd op een meer divers bos met minder verzurende soorten.
Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide - Oud Meer
60
Sterke punten heide en vennen ^
Op verschillende plaatsen in het gebied zijn nog gradiënten van hoog naar laag (van droog naar nat) aanwezig. Dit maakt systemen robuuster tegen veranderingen, met name tegen droogte. Soorten kunnen in natte en droge jaren namelijk meebewegen in de gradiënten en een geschikte leefgebied opzoeken. Mede door deze gradiënten zijn het Oud Meer en omgeving en de Langvennen waardevol.
^
De hoogste natuurwaarden zitten in de vennen en de omringende natte heide; van deze ecosystemen
worden
de
meeste
beschermde,
bedreigde
en
karakteristieke
soorten
aangetroffen. ^
In de oude laagtes van het Hartven en Lisseven zijn nog relictpopulaties van vensoorten aanwezig.
^
Veel plantensoorten van natte heide en van vennen hebben een langlevende zaadbank, waardoor zij zich makkelijk vestigen op plaatsen waar bijvoorbeeld vennen worden hersteld.
4.8
Recreatie
Mede ter onderbouwing van de ontwikkelingsvisie voor het plangebied, hebben de gemeenten Best en Son en Breugel beiden in 2020/2021 een online enquête gehouden onder hun inwoners. De respons was hoog: in Best vulden 741 inwoners de enquête in, in Son en Breugel 437. Dit gegeven alleen al toont een grote betrokkenheid bij het gebied. In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek kort besproken. Algemeen De Nieuwe Heide & Oud Meer worden druk bezocht door recreanten. Het gebied wordt zeer gewaardeerd: gemiddeld geven de inwoners het gebied een 7.9. In online enquêtes gehouden door de beide gemeenten, gaf 50% van de respondenten uit Son en Breugel aan het gebied wekelijks te bezoeken. In Best lag dat percentage iets lager, maar ook Bestenaren bezoeken het gebied (zeer) regelmatig (zie Figuur 29). Daarnaast wordt het gebied ook regelmatig bezocht door mensen uit de wijdere omgeving, bijvoorbeeld uit Eindhoven. Ca. een derde tot de helft van de bezoekers komt met de auto, 18 tot 33% te voet en 25-30% per fiets. Vanuit Son en Breugel bezoekt 10% van de bezoekers het gebied per paard; waarschijnlijk zijn dit ruiters vanuit de maneges en paardenstallen aan de Sonniuswijk. Belangrijke redenen om het gebied te bezoeken zijn natuurbeleving (73%, gemeente Best), ontspanning en onthaasten (60%) en meer specifiek het ervaren van rust en stilte (47%).