CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

21084.3 - Rekenkamerrapport MRE & SGE Regionale opgaven

Raadsvergadering 31 januari 2022, gemeente BestBij agendapunt: 21084 - RKC Rapport Gezamenlijk Onderzoek functioneren MRE/SGE25.332 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

14

MRE Werkprogramma 2021.

15

Er wordt aangegeven dat is gestart met een onderzoek naar de effectiviteit van het Stimuleringsfonds. De resultaten van dit onderzoek worden volgens de

jaarrekening 2019 in Q2 van 2020 verwacht. Ten tijde van het schrijven van dit rapport was de evaluatie nog niet verschenen.

13

geven op de koers van het RHCe en in december 2020 is dit vastgesteld door het AB. Met betrekking tot Gulbergen is een proces in gang gezet dat uiteindelijk moet leiden tot vervreemding van Gulbergen. Dit heeft geleid tot een besluit van het AB in december 2020. Gemeenteraden zijn hierover reeds geïnformeerd.

SGE Per actieprogramma zijn binnen SGE opgaven geformuleerd die zijn vertaald in doelen en acties. De insteek vanuit het Samenwerkingsakkoord is om deze zo concreet mogelijk te formuleren. De geformuleerde opgaven, doelen en acties worden in de jaarprogramma’s tekstueel toegelicht. De tekst omschrijft helder wanneer (in welk jaar) welke actie gepland staat en waaraan deze bijdraagt (koppeling opgaven uit Samenwerkingsagenda). De mate waarin doelstellingen concreet en meetbaar zijn, verschilt per thema. Met name op het vlak van economie en wonen zijn de ambities realistisch geformuleerd en sluiten de doelen en de acties daar goed op aan, ook ingegeven door de concrete taken die gemeenten hebben wat betreft het ontwikkelen van werklocaties, regionale programmering van bedrijvenlocaties alsook van woningbouw. De woondeal is een voorbeeld daarvan. Binnen het thema ‘wonen’ wordt daarnaast bijvoorbeeld de urgentieverordening in gesprekken genoemd als een voorbeeld van een concreet product. Binnen het thema ‘economie’ geldt dat voor het 1-Loket. Hierbinnen werken de gemeenten samen bij de intake van bedrijven met een bovenlokale huisvestingsvraag. Minder concrete of meetbare doelstellingen zijn ook te vinden in de jaarprogramma’s van SGE.

Bij voorzieningen en evenementen lijkt de focus nog vooral te liggen op inventarisatie en moet de stap naar feitelijke strategiebepaling en uitvoering nog komen. Daardoor is de ‘afstand’ tussen acties en ambitie (“Als waren we één gemeente, realiseren we gezamenlijk een blijvend en kwalitatief hoogstaand regionaal voorzieningen- en evenementenaanbod op sport, cultuur en recreatie.”) groot. Zo gaat het bij voorzieningen en evenementen bijvoorbeeld om het ‘realiseren van een regionale profilering voorzieningen en evenementen’. Hiertoe wordt als actie toegezegd om ‘gezamenlijk uit te dragen welke regionale en topvoorzieningen en evenementen de negen gemeenten hebben.’ Inmiddels is de gedeelde strategie op dit gebied, sinds de zomer 2021, vastgesteld. Het ruimtelijke spoor wordt vooral gezien als faciliterend aan de andere actieprogramma’s, bijvoorbeeld door aan te haken en invloed uit te oefenen op de ruimtelijke plannen van Rijk en provincie. Bijvoorbeeld ten aanzien van de verstedelijkingsafspraken met het Rijk in het kader van de Nationale Omgevingsvisie. Bij ruimte gaat het bijvoorbeeld om het ‘afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen en beleid’ en ‘samenwerking met de provincie’. Hiermee zijn de doelen wat betreft ruimte meer procesmatig en minder concreet. In de gesprekken wordt ruimte door respondenten veelal ook niet als zelfstandig onderwerp genoemd.

Daarbij wordt in enkele gesprekken aangegeven dat SGE nog zoekt naar de precieze invulling/focus van het ruimtelijke spoor. Met name woningbouw en de verstedelijkingsafspraken zijn urgente, actuele ontwikkelingen die de komende jaren veel aandacht vergen. Daarbij spelen ook duurzaamheid en energie, waarbij de RES op MRE-niveau wordt opgepakt. Wel zoeken SGE-gemeenten elkaar informeel op rondom de energietransitie om deze op subregionaal niveau op te pakken. De implementatie van de Omgevingswet speelt indirect ook voor de gemeenten, gekoppeld aan de opgaven economie, wonen en ruimte.

2.3.2. Aansluiten gemeentelijke kaders MRE Over het algemeen hebben respondenten het gevoel dat de opgaven die MRE oppakt minder goed aansluiten bij de gemeentelijke kaders en de lokale praktijk. Dit komt deels doordat de opgaven van MRE vaak meer strategisch van aard, abstracter en procesmatig zijn. De tweede reden voor de beperkte aansluiting bij gemeentelijke kaders, is dat

14

MRE divers van samenstelling is en veel deelnemende gemeenten heeft. Daardoor kunnen de belangen meer uiteen lopen en is het moeilijker om tot concrete afspraken te komen. Het karakter en de identiteit van de gemeenten binnen MRE verschillen zodanig, zo wordt aangegeven, dat dit een slagvaardig handelen op thema’s bemoeilijkt. Respondenten hebben het gevoel dat MRE wat verder van hen afstaat. Bovendien ervaren de deelnemers minder directe relaties met MRE, zeker op ambtelijk niveau, ondanks dat een aantal momenten zijn ingeregeld om afstemming te bevorderen. Zo heeft elk thema een ambtelijk voorportaal waarvan uit de inhoudelijke bijdragen van de gemeenten ingebracht zouden moeten worden en is ook op het niveau van de bestuursambtenaren en griffies een structureel overleg ingebracht. De ervaren afstand zorgt er mede voor dat er bij de geïnterviewde gemeenten niet altijd het gevoel bestaat dat er wordt aangesloten bij wat er lokaal speelt en dat daardoor ook niet altijd voor elk vraagstuk de optimale schaal wordt gekozen.

SGE SGE ziet zichzelf als een informeel samenwerkingsverband op tactisch en operationeel niveau. De opgaven sluiten daardoor goed aan op de gemeentelijke beleidskaders. SGE richt zich op onderwerpen die concreet zijn en waar de deelnemende gemeenten dagelijks mee bezig zijn. Uit gesprekken met bestuurders en ambtenaren van de geïnterviewde gemeenten blijkt ook dat het gevoel heerst dat SGE écht van de gemeenten is. Er is volgens betrokkenen veel ruimte om input te leveren in de programma’s die SGE jaarlijks opstelt. Daarnaast is volgens betrokkenen de inhoudelijke diversiteit onderling in de gemeenten binnen het stedelijk gebied relatief klein in vergelijking met de MRE. Om die reden is het opstellen van een gedeelde agenda makkelijker omdat er meer gedeelde thema’s en onderwerpen zijn. De betrokkenheid van gemeenten is als gevolg van de gekozen structuur (daarover meer in hoofdstuk 3) groot, wat bijdraagt aan het gevoel van eigenaarschap en sturing en daarmee aan de aansluiting bij de lokale ambities en praktijk.

2.4. Samenvattend (toetsing op de normen) In deze paragraaf worden de bevindingen per hoofdstuk en per samenwerkingsverband getoetst aan de normen die zijn vastgesteld. Per norm wordt toegelicht of aan de vastgestelde norm geheel, gedeeltelijk of niet is voldaan. Aspect

Normen

Doelen van de

Voor het desbetreffende samenwerkingsverband zijn duidelijke maatschappelijke opgaven geformuleerd die

samenwerking

gedragen worden door de deelnemende gemeenten (toetsend bij de betrokken gemeenten in het onderzoek). De afgesproken opgaven sluiten aan op de eigen gemeentelijke beleidskaders. De afgesproken opgaven zijn volledig vertaald in concrete en realistische doelen. De afgesproken doelen zijn volledig vertaald in projecten en acties. Er is oog voor ontwikkelingen die de afgesproken opgaven, doelen, projecten en acties kunnen beïnvloeden op basis waarvan zo nodig tot bijstelling van de afspraken wordt overgegaan. De afgesproken opgaven geven inzicht in de te bereiken output/outcome.

15

Norm 1. Voor het desbetreffende samenwerkingsverband zijn duidelijke maatschappelijke opgaven geformuleerd die gedragen worden door de deelnemende gemeenten (toetsend bij de betrokken gemeenten in het onderzoek). Voor MRE zijn - veelal op strategisch niveau - duidelijke opgaven geformuleerd. Naar aanleiding van de evaluatie uit 2017 is gekomen tot meer focus in de thema’s waar MRE zich mee bezighoudt. De gemeenten erkennen dat het van meerwaarde is dat een samenwerkingsverband als MRE bestaat om grensoverschrijdende opgaven zoals mobiliteit, in goede banen te leiden. In navolging van de vorige evaluatie is met de vier thema’s meer focus aangebracht. De mate waarin alle opgaven gedragen worden, verschilt echter per gemeente. Niet alle gemeente hebben het gevoel dat hun input, zowel voorafgaand als tussentijds, volledig tot uiting komt in de uiteindelijk opgaven en agenda. Ook geven sommige gemeenten aan dat zij meer afstand ervaren ten opzichte van de MRE-opgaven en dat zij relatief minder eigenaarschap voelen van MRE dan van SGE. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. SGE profileert zich als een ‘city of villages’ en benadrukt het eigenaarschap van de deelnemende gemeenten binnen het Stedelijk Gebied. Over het algemeen sluit deze visie aan bij het beeld onder de betrokken gemeenten en zijn de opgaven duidelijk geformuleerd.

Gemeenten voelen zich eigenaar van SGE en de opgaven die binnen SGE worden geformuleerd. Daarmee wordt aan deze norm voldaan. Norm 2. De afgesproken opgaven sluiten aan op de eigen gemeentelijke beleidskaders. De huidige thema’s van MRE zijn gekozen in onderling overleg, na de Berenschot-evaluatie uit 2017. Gemeenten zijn van mening dat MRE zich bezighoudt met relevante thema’s die regionaal spelen, maar niet elk thema speelt in elke gemeente evenzeer. De mate waarin de opgaven aansluiten bij de gemeentelijke beleidskaders, verschilt per thema en per gemeente. Gezien de grote diversiteit aan deelnemende gemeenten, het schaalniveau en het abstractieniveau waarop MRE acteert, is het dan ook niet verassend dat niet elke opgave evenzeer aansluit bij ieders lokale ambities en opgaven. Vooruitlopend op het volgende hoofdstuk, heeft MRE minder directe relaties met de gemeenten, zeker op ambtelijk niveau. Dit zorgt ervoor dat niet altijd het gevoel bestaat dat er goed wordt aangesloten bij wat er lokaal speelt en dat daardoor ook niet altijd voor elk vraagstuk de optimale schaal wordt gekozen. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. De mate waarin de opgaven van SGE aansluiten op de eigen gemeentelijke beleidskaders verschilt. Over het algemeen zijn de respondenten positief over de keuze van thema’s en acties.

Als gevolg van het schaalniveau hebben de deelnemende gemeenten meer te maken met dezelfde opgaven en ontwikkelingen, waardoor SGE hierop kan aansluiten. Bovendien is er sprake van hele directe betrokkenheid van bestuurders en medewerkers en zijn zij over het algemeen tevreden over de invloed die zij kunnen uitoefenen op de SGE-agenda. Met de Samenwerkingsagenda en de uitwerking daarvan in jaarprogramma’s, is uitvoering gegeven aan de aanbeveling uit de Berenschot-evaluatie uit 2017. Daarmee wordt aan deze norm voldaan. Norm 3. De afgesproken opgaven zijn volledig vertaald in concrete en realistische doelen. De afgesproken opgaven van MRE zijn conform de norm vertaald in doelen. De doelen zijn echter vaak procesmatig van aard en minder concreet of meetbaar. Tevens is er sprake van een mismatch tussen het willen bereiken van maatschappelijke impact enerzijds en de procesmatige activiteiten die worden ontplooid anderzijds. Hierdoor kan MRE, bijna per definitie, niet de opgaven realiseren die zijn vastgesteld. Dit is veeleer een weeffout in het formuleren van de opgaven en de uitwerking daarvan in activiteiten. Daarmee wordt aan deze norm niet voldaan. De afgesproken opgaven van SGE zijn conform de norm overwegend vertaald in concrete en realistische doelen. Dit geldt vooral voor economie en wonen.

De concreetheid van de doelen, met name wat betreft voorzieningen en evenementen alsook ruimte, is beperkter. Op het vlak van voorzieningen en evenementen worden nu stappen gezet. Ruimte wordt vooral als een faciliterend spoor gezien. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan.

16

Norm 4. De afgesproken doelen zijn volledig vertaald in projecten en acties. Veel van de afgesproken doelen zijn door MRE in de werkprogramma’s vertaald in projecten en acties waarbij ook goed inzichtelijk wordt gemaakt wie betrokken is en wanneer de acties en projecten afgerond dienen te worden. Echter, bij de meer procesmatige doelstellingen zijn geen heldere projecten of acties gedefinieerd; er is meer sprake van een doorlopende ambitie zoals het opzoeken van verbinding of het agenderen van een specifiek item. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. SGE opereert op tactisch en operationeel niveau en het werk wat binnen SGE plaatsvindt bestaat grotendeels uit het uitvoeren van projecten en acties door de gemeenten. Deze zijn jaarlijks vastgelegd in een jaarprogramma, waarin ook de benodigde inzet vanuit de deelnemende gemeenten wordt vastgelegd. Daarmee wordt aan deze norm voldaan. Norm 5. Er is oog voor ontwikkelingen die de afgesproken opgaven, doelen, projecten en acties kunnen beïnvloeden op basis waarvan zo nodig tot bijstelling van de afspraken wordt overgegaan. MRE heeft oog voor actuele ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het vlak van de energietransitie, corona en het oppakken van het concept brede welvaart. Dit leidt echter niet altijd tot een bijstelling van de doelen, projecten en/of acties.

Dit heeft ermee te maken dat de doelen, projecten en acties veelal procesmatig van aard zijn en niet altijd direct waarneembaar impact hebben op de samenleving. Doordat MRE een formele gemeenschappelijke regeling betreft (hoofdstuk 3), is deze minder wendbaar en is besluitvorming nodig om tot aanpassingen te komen. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. Binnen SGE wordt gewerkt met jaarprogramma’s, waarbij rekening wordt gehouden met actuele ontwikkelingen zoals de verstedelijkingsafspraken en woningbouw- en bedrijventerreinenprogrammering. De lijnen met de deelnemende gemeenten, zowel ambtelijk als bestuurlijk, zijn kort. SGE beschikt enkel over een secretariaat; de overige capaciteit wordt geleverd door de deelnemers. Daarmee wordt aan deze norm voldaan. Norm 6. De afgesproken opgaven geven inzicht in de te bereiken output/outcome. MRE omschrijft in haar visie en missie helder wat zij wil realiseren. Daarmee zijn de gewenste impact en outcome duidelijk. MRE duidt echter in veel mindere mate in hoeverre (outcome) en op welke wijze (output) de doelen, projecten en acties daaraan bijdragen. Nogmaals, deze zijn veelal procesmatig van aard, waardoor zij in zichzelf al minder tot concrete resultaten leiden. Er is een discrepantie tussen het willen realiseren van maatschappelijke impact enerzijds en de procesmatige rol en activiteiten anderzijds.

Daarmee wordt aan deze norm niet voldaan. SGE omschrijft in haar jaarprogramma’s helder wat zij wenst te bereiken met welke opgaven. Ook de inzet per deelnemer wordt inzichtelijk gemaakt. De output is daarmee duidelijk. Niet altijd wordt aangegeven wat de daadwerkelijke of potentiële outcome is. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan.

17

Wijze van (samen)werken 3.1. Beschrijving MRE 3.1.1. MRE - governance MRE kent de vorm van een Gemeenschappelijke Regeling, ingesteld door colleges en raden, namelijk een openbaar lichaam. Het algemeen bestuur (AB) treedt op als bestuurlijk opdrachtgever voor het dagelijks bestuur (DB) via de vaststelling van het Samenwerkingsakkoord 2019-2022 en de jaarlijkse werkprogramma’s. Het AB bestaat volgens de gemeenschappelijke regeling uit 24 leden (21 x gemeenten + formeel 3 DB-leden). Het stemgewicht is gelijk verdeeld over 21 gemeenten (totaal 42 stemmen). Het AB vergadert in principe vier keer peer jaar.16 Het DB bestaat uit drie leden: voorzitter (burgemeester van Eindhoven), vicevoorzitter (burgemeester van Helmond) en een lid uit het AB (door het AB aangewezen). De leden (burgemeester, wethouder of raadslid) zijn door de gemeenteraad benoemd. Het AB besluit op basis van voorstellen, voorbereid door het DB. Het AB is ook de strategisch gesprekspartner en bestuurlijk opdrachtgever van het DB als het gaat over nieuwe thema’s en binnen bestaande thema’s nieuw op te pakken opgaven en de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de realisatie van gestelde doelen is primair belegd bij het DB17. Het DB is aldus bestuurlijk opdrachtnemer en verantwoordelijk voor de uitvoering van het Samenwerkingsakkoord 2019-2022. Het DB komt ongeveer acht keer per jaar bijeen.

Per inhoudelijke opgave wordt een portefeuillehoudersoverleg (poho) ingesteld. Vanuit de poho’s wordt de meeste input geleverd voor de jaarprogramma’s. In de poho’s vinden tevens de belangrijkste inhoudelijke besprekingen plaats. Voor mobiliteit, economie, energie transitie en landelijk gebied zijn de voorzitter en de vicevoorzitter de bestuurlijk trekkers. Zij worden ondersteund door ambtelijke werkgroepen met MRE-staf en waarin (in ieder geval) de subregio’s zijn vertegenwoordigd. Voor energie is tevens een stuurgroep RES ingesteld, verantwoordelijk voor de aansturing van het RES-proces. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de drie overheden die de RES moeten vaststellen: gemeenten (drie vertegenwoordigers vanuit het poho), waterschappen en provincie alsook een vertegenwoordiger van Enexis. De stuurgroep wordt ondersteund door het ambtelijke programmateam RES, bestaande uit de ambtelijk vertegenwoordigers van gemeenten, provincie, waterschappen en Enexis. Afstemming en overleg met en tussen gemeenten is vormgegeven door diverse overlegvormen. Er zijn overleggen op het niveau van de bestuursadviseurs en de griffiers. Ook vindt overleg plaats tussen de hoofden financiën. Daarnaar kent elk thema een ambtelijke werkgroep met de 21 gemeenten dan wel diverse ambtelijke werkgroepen bestaande uit subregionale vertegenwoordiging voor specifieke onderwerpen.

De gemeenten bepalen zelf de afvaardiging in de werkgroepen. Bijvoorbeeld: voor het opstellen van het werkprogramma MRE worden 21 inhoudelijke medewerkers én de bestuursadviseurs gevraagd via werkbijeenkomsten input te geven en mede het werkprogramma op te stellen. Raadsleden worden structureel betrokken via de Raadstafel21. Raadstafel21 is het overlegplatform van raadsleden in MRE-verband met als belangrijkste functies: informatie-uitwisseling, kennisdeling en het vervullen van de ambassadeursrol naar de eigen gemeenteraad. Tweemaal per jaar wordt de Metropoolconferentie georganiseerd voor raadsen collegeleden. Deze is gericht op terugblikken (jaarverslag) en vooruitblikken (werkprogramma) en is daarnaast

16

https://metropoolregioeindhoven.nl/netwerk/algemeen-bestuur.

17

Bijlage vergaderschema 2021 metropoolregio Eindhoven, 9 juni 2020.

18

bedoeld voor ontmoeting en kennisdeling. Daarnaast is afgesproken dat de wethouders vanuit de poho's zorgdragen voor terugkoppeling en inbreng vanuit de eigen gemeente(raad).

3.1.2. MRE - organisatie MRE heeft een eigen staf en brengt die capaciteit in ten behoeve van de realisatie van de doelen van MRE binnen de randvoorwaarden van de begroting. Volgens de begroting 2022 gaat het om 20,3 fte (exclusief RHCe). De primaire taken van de MRE-werkorganisatie zijn: - Het samenwerkingsproces organiseren - Het ondersteunen van de portefeuillehoudersoverleggen, de bestuurlijke koplopersgroepen en het DB en het AB bij het realiseren van de opgaven - Het verkennen van nieuwe strategische ontwikkelingen en deze vertalen naar kansen voor de regio en agenderen - Het uitwerken en bewaken van de regionale visie, strategie en bestuurlijke positionering MRE hanteert bij de uitvoering van haar taken de volgende werkwijzen: - De capaciteit volgt de inhoud van de opgave - De gemeenten leveren de benodigde capaciteit aan de inhoudelijke opgaven om daarmee het werkprogramma te kunnen realiseren. Als er problemen zijn met betrekking tot de ambtelijke inzet vanuit gemeenten wordt geëscaleerd richting de gemeentesecretarissen - De gemeenten worden ingezet op inhoudelijke expertise en de interne gemeentelijke besluitvorming en advisering. De MRE-medewerkers worden ingezet op de procesrol zoals beschreven in het Samenwerkingsakkoord en het werkprogramma 2019 - Aan elke opdracht is een bestuurlijk trekker gekoppeld (zie bovenstaand).

Indien dit niet het geval is, dan wordt deze opdracht niet opgepakt.

3.1.3. MRE – begroting en kosten De inwonerbijdrage in de begroting van MRE varieert van € 9,841 in 2018 tot € 10,017 in 2022. Deze bedragen zijn exclusief de RHCe, zijnde € 3,865 in 2018 en € 4,153 in 2022. Uitgaande van de begroting 2022 zijn de kosten voor de verschillende onderdelen van MRE als volgt (in afgeronde bedragen): -

Stimuleringsfonds Overhead Brainport RHCe Overhead RHCe Economie Bestuurlijke Samenwerking Mobiliteit Energietransitie Transitie landelijke gebied Gulbergen Totaal

€ 3 miljoen € 1,1 miljoen € 4,7 miljoen € 2,2 miljoen € 1 miljoen € 0,3 miljoen € 0,5 miljoen € 0,4 miljoen € 0,3 miljoen € 0,4 miljoen € 0,6 miljoen € 14,2 miljoen

Gemeenten die deel uitmaken van dit onderzoek Best Eindhoven

Totale bijdrage (exclusief RHCe) € 302.612 € 2.360.991

Geldrop-Mierlo

€ 401.256

Nuenen

€ 237.404

19

Son en Breugel

€ 175.822

Veldhoven

€ 455.757

Waalre

€ 175.732

MRE werkt met begrotingen, werkprogramma’s en jaarplannen waarin de activiteiten en resultaten overzichtelijk worden weergegeven. Ook wijzigingen en overschrijdingen zijn inzichtelijk. MRE volgt de planning- & control cyclus van een gemeenschappelijke regeling, waarbij de deelnemende raden jaarlijks aan de hand van een ontwerpbegroting een zienswijze kunnen indienen, op zowel de begroting als op het werkprogramma.

DB MRE

Raden

DB MRE

• Toezenden financiële en beleidsmatige kaders • Toezenden ontwerpbegroting • Toezenden voorlopige jaarrekening • Toezenden werkprogramma en samenwerkingsakkoord

• Indienen zienswijzen bij ontwerpbegroting werkprogramma en samenwerkingsak koord

• Vaststellen conceptbegroting • Vaststellen conceptjaarrekening • Vaststellen werkprogramma en samenwerkingsakkooord • Vaststellen Kadernota

Algemeen Bestuur MRE • Vaststellen begroting • Vaststellen jaarrekening • Vaststellen werkprgramma en samenwerkingsakkoord • Vaststellen Kadernota

Raden • Ontvangen vastgestelde begroting • Ontvangen vastgestelde jaarrekening • Ontvangen werkprogramma en samenwerkingsak koord • Ontvangen Kadernota

Figuur 2. P&C-cyclus gemeenschappelijke regeling

3.2. Beschrijving SGE 3.2.1. SGE – governance Het SGE is een informeel (niet geformaliseerd) samenwerkingsverband op basis van een convenant. Er is een bestuurlijk platform dat sturing geeft aan de samenwerking tussen de gemeenten. In het bestuurlijk platform is elke gemeente bestuurlijk vertegenwoordigd. Het platform bewaakt en ontwikkelt de gezamenlijke visie en borgt de integraliteit van de processen binnen de samenwerking. Het bestuurlijk platform heeft de volgende taken: - Het faciliteren van de portefeuillehoudersoverleggen en het bouwen aan vertrouwen - Het onderhouden en in de tijd aanscherpen en actualiseren van de Samenwerkingsagenda - Het bewaken van de integraliteit (over de thema’s heen) binnen de samenwerking - De monitoring van de totstandkoming van besluiten en na besluitvorming de uitvoering en de follow-up (voortgang, uitvoering van de genomen besluiten) - Het vaststellen van het jaarprogramma met concrete acties die het komend jaar worden ondernomen - Het agenderen van initiatieven voor de optimalisatie, inrichting en slagvaardigheid van de besluitvormingsprocessen binnen de samenwerking - Zorgdragen voor een eenduidige informatievoorziening en communicatie naar de raden van de deelnemende gemeenten, inclusief de organisatie van de Regioconferentie - Het zorgen voor het gezamenlijke deel van het inwerkprogramma voor raadsleden

20

-

Het verkennen van de manier waarop de betrokkenheid van de raden van de deelnemende gemeenten bij de samenwerking in SGE-regio verder vorm wordt gegeven.

De gemeentesecretarissen vormen het ambtelijk platform. Het ambtelijk platform heeft de volgende taken: - Het organiseren van voldoende menskracht en kwaliteit voor alle taken die ten behoeve van de samenwerking binnen de SGE-regio geleverd moeten worden, zoals voor het Coördinatoren Overleg en de Ambtelijk Overleggen - Het opstellen van voorstellen met betrekking tot het functioneren van het SGE-secretariaat en de inrichting en verbetering van de algemene bedrijfsvoering binnen de samenwerking - Het signaleren van politiek-bestuurlijke en ambtelijke aandachtspunten in het bereiken van resultaten Het coördinatorenoverleg treedt coördinerend op voor alle ambtelijke activiteiten binnen de samenwerking in de SGE-regio.

Het coördinatorenoverleg heeft de volgende taken: - Het SGE-secretariaat adviseren en ondersteunen bij alle activiteiten, waaronder de voorbereiding van het bestuurlijk platform en het ambtelijk platform - Het verbinden van de programmaactiviteiten binnen de samenwerking in de SGE-regio met de lokale activiteiten van de gemeenten Per actieprogramma functioneert een poho, welke wordt ondersteund door een ambtelijk overleg, met als taken: - De integrale realisatie en aansturing van het gelijknamige actieprogramma, zoals vastgesteld in de Samenwerkingsagenda - Het periodiek informeren van het bestuurlijk platform en gemeenteraden over de voortgang van de realisatie van de actieprogramma’s - Het voorbereiden van het jaarprogramma van het betreffende thema met daarin de concrete acties die het komend jaar worden ondernomen. Schematisch zien de financiële stromen er als volgt uit.

21

De primaire verantwoordelijkheid voor het betrekken van de raden ligt bij de collegeleden (bestuurlijk platform en poho’s). Jaarlijks wordt voor de raden een Regioconferentie georganiseerd. Verder blijven de raden betrokken bij de activiteiten van SGE doordat zij de door SGE gedane voorstellen vaststellen. Daarnaast benadrukt de organisatie dat de SGE-Samenwerkingsagenda ruim een jaar vóór de MRE samenwerkingsagenda is vastgesteld. Dit heeft gevolgen voor de aansluiting en verbinding tussen de samenwerkingen in de teksten van de agenda van het SGE bij de MRE.

3.2.2. SGE – organisatie SGE beschikt over een beperkt secretariaat, een secretaris en een adviseur (2 fte) die worden betaald door de deelnemende gemeenten en in dienst zijn van de gemeente Eindhoven. De taken van het secretariaat omvatten: - Het verzorgen van de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuurlijk platform, het ambtelijk platform en het coördinatorenoverleg - Het maken van de voortgangsrapportages over de actieprogramma’s - Het bewaken van de integraliteit binnen de samenwerking en hierover adviseren aan het bestuurlijk platform - Het voorbereiden van de algemene externe communicatie over de samenwerking - Het voorbereiden van de algemene communicatie naar raden en colleges van de deelnemende gemeenten - Het voorbereiden van voorstellen met betrekking tot het SGE-secretariaat en de inrichting en verbetering van de algemene bedrijfsvoering binnen de samenwerking.

3.2.3. SGE – begroting en kosten SGE is ‘van en door’ de gemeenten en heeft een beperkt eigen budget. Het werkbudget kent een plafond van € 100.000. De bekostiging van activiteiten verloopt via de afzonderlijke, eigen begrotingen. Als er iets gezamenlijks moet worden bekostigd, is instemming van elke afzonderlijke gemeente nodig. De personeelslasten van het secretariaat en het werkbudget worden door de negen gemeenten gedragen. Dit geschiedt naar rato van de omvang van de gemeenten (inwonersaantallen). Het personeel staat op de loonlijst van en budgetten zijn gealloceerd bij de gemeente Eindhoven, die de kosten naar rato doorbelast aan de negen gemeenten. Alle overige ambtelijke ondersteuning wordt geleverd door de individuele gemeenten. Dit geschiedt met gesloten beurs. Er vinden geen verrekeningen plaats. Elke gemeente verwerkt dit binnen de eigen begroting en vervolgens de jaarrekening. Wel wordt gevolgd of de inspanning van elke gemeente recht doet aan het beginsel dat elke gemeente naar draagkracht bijdraagt aan de samenwerking binnen SGE. Zo nodig vindt hierover afstemming plaats tussen de gemeentesecretarissen. SGE werkt met een jaarprogramma en jaarverslagen, waarin activiteiten en resultaten worden vastgelegd.

Colleges afzonderlijke gemeenten

Raden afzonderlijke gemeenten

•Vaststellen conceptbegroting met daarin SGEkosten •Vaststellen conceptjaarrekeningmet daarin SGEkosten

•Vaststellen begroting met daarin SGE-kosten •Vaststellen jaarrekening met daarin SGE-kosten

Figuur 3. P&C-cyclus SGE

22

3.3. Beschrijving samenwerkingslandschap In het samenwerkingslandschap binnen de context van deze evaluatie zijn drie samenwerkingsorganisatie relevant: MRE, SGE en Brainport. MRE en SGE hebben we in eerdere paragrafen toegelicht. Via de MRE zijn de 21 gemeenten aandeelhouder van Stichting Brainport. Daarnaast zijn de 4 campusgemeenten (Eindhoven, Helmond, Best en Veldhoven) ook zelfstandig aandeelhouder van Brainport. “Binnen Stichting Brainport bundelen vooraanstaande bedrijven, kennisinstellingen en overheden hun kennis, krachten en visie. Zo bepalen zij samen de koers om onze sterke economische en concurrerende positie te behouden en versterken.18” Brainport Development NV ontwikkelt de regionale economische strategie en is de regionale ontwikkelingsmaatschappij en uitvoeringsorganisatie van de Stichting Brainport. “De Brainport-regio bestaat uit eenentwintig gemeenten en telt vele campussen, fieldlabs en innovatiehubs. Iedere dag werken bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen en overheden binnen dit ecosysteem samen, waardoor ketensamenwerking, open innovatie en allianties succesvol vorm krijgen. Stichting Brainport en de economische ontwikkelingsmaatschappij Brainport Development versterken deze samenwerking.

Zij ondersteunen de gedeelde belangen19.” Via MRE wordt de inhoudelijke verbinding gelegd tussen de eenentwintig gemeenten en de Stichting Brainport en Brainport Development. MRE fungeert als ‘de overheid’ binnen de triple helix en de gemeenten Eindhoven, Helmond, Best en Veldhoven maken samen met de MRE vertegenwoordiging deel uit van het bestuur van Stichting Brainport. In zowel de Samenwerkingsagenda 2018-2025 van SGE als het Samenwerkingsakkoord 2019-2022 van MRE wordt gesproken over de relatie met Brainport. Zo is afgesproken dat de direct in de Stichting Brainport/Brainport Development deelnemende gemeenten (Eindhoven, Helmond, Veldhoven, Best) de informatievoorziening aan de overige gemeenten in SGE op zich nemen. In de Samenwerkingsagenda van SGE is verder afgesproken dat de voortgang van de Brainportstrategie een vast onderwerp van gesprek wordt in het portefeuillehoudersoverleg Economie. Zo worden in de Poho economie de agenda en het werkprogramma van Brainport structureel besproken en wordt ook de gezamenlijke input geleverd voor het werkprogramma van Brainport. In het conceptSamenwerkingsakkoord 2019-2022 van MRE is vastgelegd dat het portefeuillehoudersoverleg Economie van MRE de (bovenlokale) schakel vormt tussen de gemeenten en de Stichting Brainport/Brainport Development.

Daar waar het gaat om de samenwerking en de samenhang tussen MRE en SGE, zijn er ook afspraken gemaakt in het Samenwerkingsakkoord en de Samenwerkingsagenda. Zo wordt in het Samenwerkingsakkoord van MRE gesteld: “De samenwerking van onze eenentwintig gemeenten in de Metropoolregio Eindhoven maakt deel uit van een dicht samenwerkingslandschap binnen Zuidoost-Brabant. Dat geeft ons de verantwoordelijkheid opgaven op de meest gepaste schaal, met en door de juiste partners op te pakken. Oftewel, opgaven en taken worden eenduidig belegd. We voorkomen dubbel werk.” In de Samenwerkingsagenda van SGE staat een soortgelijke passage: “Dit dichte en complexe samenwerkingslandschap vraagt om voortdurende alertheid en afstemming om er voor te zorgen dat zaken op het juiste niveau en niet op meerdere tafels tegelijk besproken worden.” In de Samenwerkingsagenda van SGE wordt verder, waar van toepassing, expliciet verwezen naar de rol van MRE als het gaat om onderwerpen of activiteiten waar SGE zich mee bezighoudt. Als voorbeelden noemen we de adviezen van de MRE-werkplaats Bedrijventerreinen en Detailhandel, ontwikkelingen op de woningmarkt en Brainport City. Uit de documenten blijkt niet dat er sprake is van gestructureerde en systematische afstemming tussen MRE en SGE.

18

www.Brainporteindhoven.com

19

www.Brainporteindhoven.com

23

3.4. Betrokkenheid raden Het onderzoek richt zich in de eerste plaats niet op de rol en de betrokkenheid van de raden bij MRE en SGE. Wel hebben we de griffiers enkele vragen daarover voorgelegd om daarvan een beeld te krijgen. We hebben hen onder andere bevraagd over: de momenten waarop MRE en SGE gespreksonderwerp zijn in de raad en/of commissie eventuele agendapunten waarbij inhoudelijk wordt stilgestaan de wijze waarop de raden hun beelden/aandachtspunten communiceren (o.a. via zienswijzen) de algehele betrokkenheid van de raden bij de MRE en SGE Uit de reacties blijkt dat de opzet van MRE en SGE zich vertaalt in de wijze waarop de betrokkenheid van raden vorm krijgt. Omdat MRE een gemeenschappelijke regeling is, krijgen de raden vanuit de P&C-cyclus formele documenten zoals de conceptbegroting voorgelegd. De reacties vanuit de raden zijn dan ook veelal gericht op financiële aspecten. Inhoudelijke bespreking vindt volgens beantwoording van de vragen weinig plaats en beperkt zich over het algemeen tot het bespreking van het (concept)werkprogramma. Zo wordt in de zienswijze van de gemeente Geldrop Mierlo gevraagd om duiding voor stijgende bijdragen vanuit de MRE voor Brainport en wordt in de zienswijze van Waalre gevraagd om een daling van de inwonerbijdrage aan het MRE20. Daarnaast worden in verschillende zienswijzen een aantal aandachtspunten benoemd.

Zo wordt in de zienswijze begroting 2021 van Geldrop Mierlo gevraagd om duidelijkheid met betrekking tot Gulbergen21. In de zienswijze begroting 2022 wordt door de gemeente Son en Breugel gevraagd om meer concrete, meetbare resultaten en wordt aandacht gevraagd voor de Monitor Brede Welvaart. Met name wordt verzocht om de opgave Brede Welvaart concreet te maken voor regio en gemeenten22. Ook worden de zienswijzen gebruikt om de samenwerking te complimenteren. Zo wordt in de zienswijze van de gemeente Waalre aangegeven dat zij zich, door de interactieve wijze waarop het werkprogramma 2020 tot stand is gekomen, medeeigenaar voelen van het werkprogramma23. Hoewel inhoudelijke discussies volgens de reacties over het algemeen weinig plaatsvinden, wordt door een aantal griffiers de RES als voorbeeld genoemd van een inhoudelijk onderwerp dat in de raden wordt besproken. Uiteraard is er ook verschil in de mate van betrokkenheid van de raden van de betrokken gemeenten. Zo is de MRE bij een kritische gemeente als Best regelmatiger onderwerp van gesprek dan bij andere gemeenten. Dit vertaalt zich ook in meer kritisch opgestelde zienswijzen. Bij SGE is er geen sprake van afzonderlijke financiële documenten. Daarmee komt het SGE, anders dan de MRE, niet structureel aan bod bij het bespreken van de jaarstukken en jaarprogramma’s.

Aangegeven wordt dat uit de SGEsamenwerking wel meer afzonderlijke inhoudelijke stukken voortvloeien die in de raden worden besproken, zoals de strategie op voorzieningen en evenementen, visie op wonen en de programmering bedrijventerreinen. Daarnaast zijn er uiteraard verschillende inhoudelijke onderwerpen die bij bepaalde gemeenten meer spelen waardoor er op deze thema’s structureel meer discussie plaatsvindt. Zo wordt bij de gemeente Veldhoven met name inhoudelijke gediscussieerd over de thema’s woningbouw en bedrijventerreinen. Hierbij wordt door enkele griffiers ook het onderscheid gemaakt tussen de relatieve ‘nabijheid’ van de thema’s van SGE en de afstand met de thema’s van MRE.

20

Zienswijze MRE begroting 2021, Geldrop Mierlo.

21

Zienswijze MRE begroting 2021, Geldrop Mierlo.

22

Zienswijze MRE begroting 2022, Son en Breugel.

23

Zienswijze MRE werkprogramma 2020, Waalre.

24

3.5. Analyse 3.5.1. Governance en organisatie Zowel MRE als SGE beschikt over een governance, waarbinnen afspraken zijn gemaakt over ieders rol en bevoegdheden. De governance van beide samenwerkingsorganisaties verschilt wel aanzienlijk van elkaar.

MRE MRE is georganiseerd in een gemeenschappelijke regeling, als een openbaar lichaam met een dubbele bestuurslaag. Het voordeel van een dergelijk construct is dat er een formele beslisbevoegdheid bij de samenwerkingsorganisatie ligt. Ook beschikt de MRE over formatie voor de uitvoering van taken. Desondanks ervaart de meerderheid van de respondenten de structuur als stroperig en de organisatie als ‘te ver weg’; de afstand tussen MRE en de gemeenten wordt als te groot ervaren. De invloed van een individuele gemeente wordt als gering gezien en de betrokkenheid aan de voorkant, bij de totstandkoming van speerpunten en doelen, is beperkt. Het merendeel van de respondenten heeft niet het gevoel dat MRE ‘van hen’ is. Dit terwijl ze er (formeel) wel ‘van zijn’; de gemeenten zijn gezamenlijk ‘eigenaar’ van MRE. Verklaringen hiervoor kunnen worden gezocht in de omvang van MRE (21 gemeenten), de schaal (grote onderlinge fysieke afstanden) en de verschillen in karakter en kenmerken (zoals stedelijke en landelijke gebieden). Ontegenzeggelijk maakt de omvang van MRE het moeilijker om te investeren in persoonlijke relaties tussen de gemeenten en tussen gemeenten en MRE. Het is nu eenmaal moeilijker om met eenentwintig gemeenten op politiek, bestuurlijk en ambtelijk niveau goede persoonlijke relaties op te bouwen en te houden dan met negen gemeenten.

Uit de gevoerde gesprekken blijkt dat de beeldvorming en een stukje historie ook een rol kunnen spelen; MRE functioneert in die zin nog steeds in de schaduw van SRE. Ervaringen met MRE worden geduid in eerdere ervaringen met SRE. Aanvullend geven veel respondenten aan dat het hen niet duidelijk wie precies waarover gaat binnen MRE. In die zin lijkt er slechts beperkt verbetering te zijn opgetreden sinds het rapport van Berenschot in 2017 waarin zij schrijven: “Bij vrijwel alle betrokken actoren bestaat veel onduidelijkheid over de rol- en taakverdeling binnen en tussen bestuur, gremia, overleggen en uitvoeringsorganisatie van de Metropoolregio.” Net zoals Berenschot in 2017, zien wij in 2021 bij het AB een beperkt gevoel van eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor de doelstellingen en de resultaten van MRE. Voorbeelden hiervan zijn Landgoed Gulbergen en het RHCe. Ondanks dat iedereen dat lijkt te willen, zijn beide onderdelen nog steeds niet elders of helder ondergebracht. Ook lijkt de werkorganisatie een grote mate van zelfstandigheid te hebben. Hierbij valt de term institutionalisering, waarbij de organisatie van MRE niet wordt beschouwd als ‘des gemeentes’. SGE SGE SGE is een informele samenwerkingsorganisatie, gebaseerd op een convenant. SGE heeft geen eigen uitvoeringsorganisatie, maar beschikt enkel over een secretariaat (2 fte).

Dit betekent dat besluiten steeds door de individuele colleges en raden genomen moeten worden. Dit heeft als voordeel dat de gemeenten nauw betrokken zijn bij SGE. Het heeft als nadeel dat besluitvorming soms langer kan duren en er eerst geld verzameld moet worden bij de deelnemende gemeenten om iets collectief op te pakken (minder slagkracht). De respondenten zijn over het algemeen erg lovend over het functioneren van SGE. Met name de werkwijze dat de inzet wordt geleverd door (medewerkers van) de deelnemende gemeenten, maakt dat het erg dichtbij staat; ook vergroot dit het gevoel van eigenaarschap. Aangegeven wordt ook dat de samenwerking is gericht op het realiseren van concrete resultaten waarbij de een de ander veelal ook wat gunt. In gesprekken wordt bijvoorbeeld genoemd dat ze inzien dat Nuenen op dit moment problemen heeft wat betreft een bedrijventerrein, waarbij wordt aangegeven dat ze elkaar willen helpen om dat op te lossen. De keerzijde is dat het succes van SGE sterk afhankelijk is van de inzet van individuele gemeenten en dat niet

25

alle gemeenten altijd de volledige toegezegde capaciteit leveren. Dit wordt echter wel bijgehouden en gemeenten spreken elkaar hierop aan. Het beeld is dat dit geen onwil is van de deelnemers, maar dat dit samenhangt met de capaciteitsproblemen die gemeenten in brede zin hebben. Kwetsbaarheden binnen de afzonderlijke ambtelijke organisaties vertalen zich direct door in kwetsbaarheden in de SGE-samenwerking. De schaal van SGE en de gemeenschappelijke opgaven binnen het stedelijk gebied dragen bij aan de samenhang en de samenwerking binnen SGE.

3.5.2. Kosten, baten en begroting MRE Met betrekking tot de uitgaven worden in de jaarverslagen en de jaarrekeningen de gemaakte kosten per thema uiteengezet, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen ‘personele kosten’ en ‘programmakosten’. Bij het thema ‘economie’ wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen de uitgaven voor het Stimuleringsfonds, ‘economie’ en de bijdrage aan Brainport Development NL. In bijlage 3 wordt een voorbeeld gegeven van de wijze waarop de kosten en baten in de jaarrekening uiteen worden gezet. In de paragraaf ‘toelichting op verschillen overzicht baten en lasten’ worden de financiële resultaten per thema toegelicht, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de oorzaak voor afwijkingen. Een aanzienlijk deel van de middelen van MRE gaat naar Brainport, Stimuleringsfonds en RHCe. De doelmatigheid van Brainport maakt geen deel uit van dit onderzoek. Het RHCe is een op zichzelf staand onderdeel van MRE met een eigen wettelijke taak. Het Stimuleringsfonds is een wezenlijk onderdeel van MRE, waarin op expliciete wijze een impuls wordt gegeven aan innovatie. De aanname is dat dit daadwerkelijk een bijdrage levert aan innovatie. Er bestaat echter onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke opbrengsten of resultaten om conclusies te kunnen trekken of de kosten opwegen tegen de opbrengsten.

Een ander belangrijk onderdeel van de kosten van MRE, zijn de kosten voor het bureau. Voor een aanzienlijke samenwerkingsorganisatie lijkt het bureau niet te groot. Het gaat immers om eenentwintig gemeenten en zeker op dit moment om een vrij divers pakket.

SGE De begroting van SGE bestaat voor het merendeel uit de bekostiging van concrete projecten en activiteiten. De uitvoering van de SGE-agenda is volledig belegd bij de gemeente en daarvoor is per gemeente apart capaciteit gereserveerd, binnen de eigen begroting. Aanvullend hierop vinden geen verrekeningen plaats. Elke gemeente lost dit binnen de eigen begroting op. Wel is er beperkt budget voor het betalen van de secretaris van SGE en een (breed ingezette) (communicatie)adviseur. In de jaarverslagen worden de uitgaven hiervan niet specifiek toegelicht. Inzake deze kosten wordt echter wel een (summier) financieel verslag opgesteld welke wordt voorgelegd aan het bestuurlijk platform ter accordering. SGE is ook wat betreft financiën nauw verweven met de afzonderlijke gemeenten. Dit zorgt voor samenhang en nauwe samenwerking. De keerzijde is dat minder inzichtelijk is wat SGE aan kosten met zich meebrengt. In gesprekken wordt dit niet als negatief ervaren, vooral omdat het werk dat in SGE-verband wordt uitgevoerd, primaire dagelijkse werkzaamheden zijn die gemeenten sowieso uitvoeren, en ze gaan zelf direct over wat wel en niet wordt gedaan.

3.5.3. Samenwerking en versterking De intentie is om geen inhoudelijke dubbelingen te hebben tussen de agenda’s van MRE en SGE. Wel is er nadrukkelijk sprake van dwarsverbanden en samenhang en in sommige gevallen van overlap. Voorbeelden hiervan zijn economie, werken en het daarmee samenhangende wonen, wat in feite in beide gremia actueel is. Als het gaat om mobiliteit is de samenhang groot. Waar MRE zich bezighoudt met mobiliteitsoplossingen, houdt SGE zich bezig met aanverwante thema’s als werklocaties, voorzieningen en evenementen en wonen. Ook de energietransitie raakt de woningbouw. Het

26

ontwikkelen van werklocaties en het programmeren van bedrijventerreinen vinden steeds vaker thematisch plaats. Dat is van belang, gelet op de economische profilering en structuurversterking. Passende en voldoende woningbouw beïnvloedt tevens in sterke mate het vestigingsklimaat. Aangegeven wordt dat er ambtelijk contact is over deze onderwerpen, maar dat lijkt sterk afhankelijk van het onderwerp en de personen. Op sommige thema’s vindt meer samenwerking plaats dan op andere; dit heeft met name te maken met zaken als het schaalniveau waarop opgaven uiteindelijk opgepakt en uitgevoerd kunnen worden en de inherente raakvlakken die bestaan binnen opgaven (zoals de energietransitie en woningbouw). “Als je bijvoorbeeld bezig bent met regionale energiestrategie, is het handig om ook bij bedrijventerreinenprogrammering na te denken over hoe je bestaande bedrijven energieneutraal (of liever nog energieopwekkend) kunt maken.” Bij aanvang van de MRE zijn de opgaven inhoudelijk verdeeld. Daarbij is ook gekeken naar het meest passende schaalniveau om verschillende opgaven op te pakken. Echter, in de praktijk komen ook de opgaven die elders belegd zijn weer in beeld bij de subregio door snelle economische ontwikkeling en regionale interactie. Voor het thema RES verantwoordelijkheid van MRE - wordt bijvoorbeeld ook gewerkt met subregio’s..

Dwarsverbanden tussen opgaven van MRE en SGE zijn niet gestructureerd georganiseerd en agenda’s en werk of jaarprogramma’s worden niet systematisch op elkaar afgestemd. Er wordt van uitgegaan dat gemeenten (ambtelijk en bestuurlijk) dat zelf doen, aangezien zij eigenaar zijn van zowel MRE als SGE. Ook als het gaat om rollen, zien wij beperkte afstemming, bijvoorbeeld door onderscheid te maken tussen strategie en uitvoering/realisatie, zoals RES in MRE-verband en het uitvoeringsprogramma in SGE-verband. De verantwoordelijkheid om regionaal stevig te acteren, ligt - net zoals de verantwoordelijkheid voor afstemming - vooral bij de gemeenten zelf. Hoewel er sprake is van overlap in de onderwerpen die binnen MRE en SGE aan de orde zijn, is er - voor zover wij hebben kunnen constateren - nauwelijks sprake van zogenaamde ‘dubbelingen’. De afspraken over wat op welke tafel wordt besproken zijn vrij helder, en omdat er op sleutelposities vaak sprake is van personele unies, worden dubbelingen verder voorkomen. Aan de andere kant constateren wij dat er beperkt gezocht wordt naar de onderlinge versterking tussen MRE en SGE. Op onderdelen is dit wel het geval, maar dit lijkt eerder het gevolg van de genoemde personele unies dan dat hier actief op wordt gestuurd of dat dit in de structuren en werkwijzen is verankerd.

Daar waar het gaat om samenwerking, is het relevant dat MRE bestaat uit 21 gemeenten en dat veel van die gemeenten sterk van elkaar verschillen qua karakter en kenmerken. Dit is ook van invloed op de opgaven waar individuele gemeenten of subregio’s voor staan. Binnen MRE is geen vaste structuur of vorm om de kracht van en samenhang binnen de subregio’s (SGE, Peel, A2, Kempen) te benutten ten behoeve van MRE. Subregio's zijn in de governance (bewust) niet geïnstitutionaliseerd, niet elke subregio heeft zich (bestuurlijk) georganiseerd. Wel wordt bij de bestuurlijke vertegenwoordiging in stuurgroepen en werkgroepen gewerkt volgens representatie van de sub regio's. In de praktijk zien we dat SGE naar tevredenheid van de respondenten functioneert, concrete resultaten levert en dat de samenhang binnen SGE groot is. Een aantal respondenten spreekt de voorkeur uit om meer in SGE-verband te doen en minder in MRE-verband. Het beeld bestaat dat je in een kleiner verband sneller afspraken kunt maken. Anderzijds is het beeld dat veel opgaven, zoals de woningbouwopgave en de RES, ook op een hoger schaalniveau moeten worden opgepakt. Voor het kunnen voorzien in de toekomstige woonbehoefte is, gelet op de economische groei binnen Brainport, de hele regio nodig. Met betrekking tot Brainport doet zich de bijzonderheid voor dat MRE zich sterk vereenzelvigt met Brainport.

Zo luidt de eerste zin op de website van MRE: “Onze Brainportregio is een technologische topregio en een van de belangrijkste pijlers van de Nederlandse economie.” Dit leidt ertoe dat, in ieder geval voor veel van de gemeenten die wij hebben gesproken, niet volledig duidelijk is wat Brainport is en hoe deze zich precies verhoudt tot MRE. Terwijl Brainport in

27

feite een aparte stichting is, met een eigen werkorganisatie. MRE is een van de partners daarbinnen, de overheid. Daarnaast verzorgt MRE een meer administratieve en financiële functie als het gaat om de financiering van Brainport.

3.6. Samenvattend (toetsing op de normen) Aspect

Normen

Wijze van

De uitvoering is conform de daarover gemaakte afspraken.

samenwerken

De gemeenten hebben de uitvoering van de afspraken in de eigen ambtelijke organisaties geborgd. Er vindt afstemming plaats tussen gemeenten, MRE en SGE die leidt tot het voorkomen van ongewenste overlap De kosten van MRE en SGE zijn duidelijk begroot en de uitvoering vindt binnen de begroting plaats. De begrotingen van SGE en MRE zijn transparant en herleidbaar tot de afgesproken doelen.

In deze paragraaf worden de bevindingen per hoofdstuk en per samenwerkingsverband getoetst aan de normen die zijn vastgesteld. Per norm wordt toegelicht of aan de vastgestelde norm geheel, gedeeltelijk of niet is voldaan. Norm 1. Er zijn duidelijke schriftelijke afspraken vastgelegd over de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en werkwijzen. Er zijn binnen MRE duidelijke schriftelijke afspraken vastgelegd over de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en werkwijzen. Desondanks is het voor de respondenten niet duidelijk wie binnen MRE waarover gaat. Ook is er onvoldoende gevoel van eigenaarschap: de respondenten hebben niet het gevoel dat MRE van henzelf is. Iets waarvoor gemeenten overigens zelf vooral voor aan de lat staan. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. Er zijn binnen SGE duidelijke schriftelijke afspraken vastgelegd over de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en werkwijzen in de vorm van het uitvoeringsarrangement (convenant) en de uitwerking daarvan. Daarmee is uitvoering gegeven aan de aanbevelingen uit de eerdere evaluatie uit 2017. De afspraken zijn voor respondenten duidelijk en leiden niet tot vragen of onduidelijkheden. Daarmee wordt aan deze norm voldaan. Norm 2. De gemeenten hebben de uitvoering van de afspraken in de eigen ambtelijke organisaties geborgd.

MRE beschikt over een eigen ambtelijk apparaat, waardoor de praktische belasting maar ook betrokkenheid van de deelnemers op ambtelijk niveau beperkt is. Wel spelen bestuurders een rol in het trekken van projecten en het deelnemen aan het AB en het DB en financieren zij het bureau van MRE. Keerzijde van het hebben van een eigen bureau voor het samenwerkingsverband is dat de eigen ambtelijke organisaties minder snel actief zijn/worden ten behoeve van de thema’s van de samenwerking. Dat horen we ook terug in de gesprekken en hangt nauw samen met het gebrek aan gevoel van betrokkenheid en eigenaarschap. Strikt genomen zou voldaan kunnen worden aan deze norm, maar gelet op deze kritische kanttekening wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. SGE is afhankelijk van de inzet van capaciteit vanuit de deelnemende gemeenten. De respondenten voelen zich betrokken bij SGE en ervaren de meerwaarde om op deze schaal en rondom deze thema’s samen te werken. De ervaren nabijheid van SGE motiveert gemeenten over het algemeen om hun bijdrage te leveren. Desondanks lukt het niet alle gemeenten altijd om de afgesproken capaciteit te leveren. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. Norm 3. Er vindt afstemming plaats tussen gemeenten, MRE en SGE die leidt tot het voorkomen van ongewenste overlap. Er vindt afstemming plaats tussen gemeenten, MRE en SGE.

Dit gebeurt echter niet gestructureerd en consistent, maar is veelal afhankelijk van onderlinge relaties en personele unies. De onderlinge dwarsverbanden worden niet systematisch afgestemd waardoor kansen worden gemist om elkaar te versterken. Daarmee wordt aan deze norm niet voldaan.

28

Norm 4. De kosten van MRE en SGE zijn duidelijk begroot en de uitvoering vindt binnen de begroting plaats. SGE en MRE werken met heldere begrotingen/jaarprogramma’s en jaarrekeningen waarin kosten, resultaten, wijzigingen en overschrijdingen zichtbaar zijn; zie ook paragraaf 4.1. Daarmee wordt in beide organisaties aan deze norm voldaan. Hierbij moet met betrekking tot SGE worden opgemerkt dat het overgrote deel van de uitvoering plaatsvindt door de eigen ambtelijke organisatie; de daarmee samenhangende kosten maken deel uit van de eigen, afzonderlijke begroting en jaarstukken. Norm 5. De begrotingen van SGE en MRE zijn transparant en herleidbaar tot de afgesproken doelen. Aansluitend op norm 4 is er sprake van een transparante begroting en zijn de begrote bedragen bij zowel MRE als SGE gekoppeld aan doelen en opgaven. Daarmee wordt in beide organisaties aan deze norm voldaan.

29

Doelrealisatie Aspect

Normen

Doelrealisatie

De uitvoering van de acties en projecten en de realisatie van de doelen en maatschappelijke opgaven worden op een navolgbare wijze gemonitord en periodiek besproken. Zo nodig vindt bijsturing op de samenwerking plaats. De vastgestelde acties en projecten worden uitgevoerd. Aantoonbaar is gemaakt dat met de acties en de projecten de doelen en de maatschappelijke opgaven worden gerealiseerd. Het is voor de betrokken gemeente helder wat MRE en SGE voor hen verrichten in temen van te behalen doelen en de relatie naar het budget dat door de gemeente is ingezet is helder. De gerealiseerde kosten zijn evenredig met de doelrealisatie. Afwijkingen hiervan worden geëxpliciteerd en onderbouwd.

4.1. Beschrijving MRE De uitvoering van de acties en de projecten en de realisatie van de doelen en de opgaven van MRE worden periodiek besproken binnen de relevante portefeuillehoudersoverleggen. Zo wordt het portefeuillehoudersoverleg Economie bijvoorbeeld periodiek geïnformeerd over de resultaten van het Stimuleringsfonds en geeft de stuurgroep RES een terugkoppeling in het portefeuillehoudersoverleg Energietransitie24. Ook wordt de stand van zaken binnen de reguliere cyclus, inclusief AB-/DB-overleggen gemonitord. Deze monitoring ziet er als volgt uit: -

In het werkprogramma worden de concrete activiteiten jaarlijks beschreven. Hierin worden de doelstellingen gekoppeld aan verschillende acties en resultaten. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen doorlopende acties, zonder eind- of begindatum, en zaken waarbij gerefereerd wordt aan een planning (Q1, 2, 3, 4 en jaartal) per wanneer de actie of het resultaat bereikt moet zijn Het werkprogramma wordt voor zienswijzen voorgelegd aan de gemeenteraden en jaarlijks in februari vastgesteld door het AB Met de eerste bestuursrapportage rapporteert het DB in juni aan het AB over de beleidsmatige uitvoering van het werkprogramma over de periode januari tot en met mei Met de tweede bestuursrapportage rapporteert het DB over de financiële uitvoering van het werkprogramma over de periode januari tot en met september. Het AB stelt deze rapportage in december vast

-

24

MRE jaarrekening 2019.

30

-

Met het jaarverslag rapporteert het DB in juni van het jaar erna aan het AB over de beleidsmatige en financiële uitvoering van het werkprogramma. In de jaarverslagen wordt uiteindelijk een terugkoppeling gegeven over de mate waarin de gestelde doelen in het betreffende jaar gerealiseerd zijn en welke mensen en middelen daartoe zijn ingezet. Aan de hand van de opgaven wordt ook per thema en per doelstelling tekstueel omschreven in hoeverre en op welke wijze doelen zijn gerealiseerd. Het jaaroverzicht biedt daarnaast een overzichtelijke weergave van het jaarverslag. In dit overzicht zijn de in dat jaar bereikte resultaten beschreven. De financiële gegevens zijn opgenomen in de jaarrekening

In jaarrekeningen (ook wel ‘programmajaarverslag’) wordt per thema een terugkoppeling gegeven over de ingezette acties en de resultaten die in het voorgaande jaar behaald zijn. In de paragraaf ‘acties en resultaten’ wordt per thema de koppeling gemaakt tussen de kernopgaven van dat thema en de acties en de projecten die zouden worden ingezet. In de paragraaf ‘resultaten’ wordt toegelicht welke activiteiten dat jaar werkelijk hebben plaatsgevonden en wat daarvan de concrete resultaten zijn. Om te illustreren in hoeverre in twee opeenvolgende jaren de gestelde doelen worden gerealiseerd, is gekeken naar de jaarrekeningen van 2019 en 2020, en de aansluiting tussen beide documenten. Thema economie Binnen het thema ‘economie’ staan in de jaarrekening 2019 de volgende drie concrete opgaven benoemd: 1. verbinden van gemeentelijke/subregionale economische agenda’s met de Brainport-agenda; 2. bevorderen kennis en innovatie; versterken basiseconomie; 3. signaleren en verkennen van opkomende opgaven en kansen. In de paragraaf ‘resultaten 2019’ worden per opgave de resultaten omschreven. Zo wordt in de jaarrekening 2019 als resultaat genoemd dat er op 21 november een bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met de koplopers uit de subregio. Daaruit is gebleken dat er goede aanknopingspunten liggen voor het benoemen van de propositie/casussen.

De inzet van Brainport Development en MRE zal zijn om, vanuit aanhaking op subregionale overleggen, te helpen in de verdere uitwerking. Ook wordt de toelichting die Brainport Development heeft gegeven in het poho Economie op het meerjarenplan Brainport Development 2021-2024 hier als resultaat benoemd. Bij de invulling van deze agenda wordt ook de koppeling gemaakt met de agenda’s van andere poho's Metropoolregio-verband. Het Stimuleringsfonds valt ook onder het thema ‘economie’. Het doel dat MRE hiermee tracht te bereiken is het bevorderen van kennis en innovatie. In de jaarrekening 2019 wordt per tender toegelicht hoeveel aanvragen er zijn ingediend (45), hoeveel daarvan gehonoreerd zijn (30) en wat het totale investeringsbedrag is dat hiermee is uitgekocht (ruwweg € 5 miljoen).25 Thema transitie landelijke gebied Een doestelling voor 2019 binnen het thema ‘transitie landelijk gebied’ is het realiseren van een gemeenschappelijk streefbeeld. In de paragraaf ‘resultaten’ binnen deze opgave, conform de jaarrekening 2019, worden onder andere de volgende zaken benoemd: “Op ambtelijk en bestuurlijk niveau is door gemeenten, gemeenteraadsleden en maatschappelijke partners input geleverd voor het streefbeeld.” Vaststelling van het streefbeeld door de eenentwintig gemeenteraden is volgens de jaarrekening voorzien in Q2 van 2020.

Uit de jaarrekening 2020 blijkt dat het streefbeeld landelijk gebied conform planning is besproken in alle 21 colleges van burgemeester en wethouders, en is besproken in en vastgesteld door de eenentwintig gemeenteraden van de Metropoolregio Eindhoven26. Thema energietransitie Binnen het thema ‘energietransitie’ is een concrete opgave voor 2019 en 2020 het formuleren en opstellen van een Regionale Energiestrategie (RES). In 2019 worden in dit kader onder andere de volgende resultaten benoemd: “Er is een ambtelijke intensieve samenwerking ontstaan op het thema Regionale Energiestrategie in de regio; de stuurgroep Regionale Energiestrategie (RES) heeft in het afgelopen voorjaar een Startnotitie opgeleverd.” Daarnaast heeft 2019 vooral 25

MRE jaarrekening 2019.

26

MRE jaarrekening 2020.

31

in het teken gestaan van ‘het verzamelen en inzichtelijk maken van de benodigde data en het aanhaken van de verschillende stakeholders.’ Zo zijn alle gegevensbronnen beschikbaar gemaakt in de GIS-omgeving. Ook is er in 2019 gewerkt aan een landschapstypenkaart van de regio en zijn er meerdere raadsavonden georganiseerd27. In 2020 wordt de doelstelling om te komen tot een RES conform planning (werkprogramma 2020) behaald. In de jaarrekening 2020 wordt in de paragraaf ‘resultaten’ toegelicht dat de colleges van de eenentwintig gemeenten de concept-RES in de zomer hebben vastgesteld, nadat elke gemeente het gesprek hierover heeft gevoerd met de eigen gemeenteraad. De concept-RES is ook vastgesteld door Gedeputeerde Staten en de DB’s van beide waterschappen. Op 30 september 2020 is de concept-RES ingediend bij het Rijk, samen met een overzicht van de reacties die zijn ontvangen van de gemeenten en de provincie. Thema mobiliteit Voor het thema ‘mobiliteit’ zijn de opgaven ten opzichte van de RES en het streefbeeld minder gericht op concrete resultaten. Een van de kernopgaven is het verbeteren van de verbinding van MRE met andere economische centra.

In de paragraaf ‘resultaten’ worden de activiteiten in dit kader over het jaar 2019 toegelicht: “We gebruiken de structurele overleggen, portefeuillehoudersoverleg (poho mobiliteit) en het voorbereidend ambtelijk overleg (TOVER), om afspraken te maken over het uitdragen van een regionaal beleid tijdens overleggen met partners”28. Ook voor de overige opgaven binnen dit thema zijn de activiteiten gericht op het agenderen van items als SmartwayZ.NL en het volgen en bespreken van ontwikkelingen. In de jaarrekening 2020 wordt specifiek benoemd dat het thema ‘mobiliteit’ opgaven betreft voor de ‘lange termijn’. De activiteiten die worden genoemd in de paragraaf ‘resultaten’ komen overeen met de activiteiten van het voorgaande jaar. Zo zijn overlegstructuren gebruikt om regionale doelen te bereiken (met name poho Mobiliteit en ambtelijk TOVER-overleg). Een concreet resultaat binnen dit thema is dat (in het kader van de doelstelling om het regionale mobiliteitssysteem door te ontwikkelen), een gezamenlijke regionale mobiliteitsagenda (RMA) is opgesteld met de provincie Noord-Brabant29.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10968631/1