21072.22 - PlanMER RES MRE
Tekst van het document
Sectorale toelichting - externe veiligheid De aanwezigheid van windturbines kan een verhoogd risico opleveren voor de omgeving. Mogelijke risico’s rond een windturbine zijn mastbreuk, het afbreken van de gondel en de afworp van een wiek. Deze risico’s zijn onder te verdelen in de deelthema’s
21 van den Berg en van Kamp, Health effects related to wind turbine sound, GGD Amsterdam, 2017. 22, Expert Panel on Wind Turbine Noise and Human Health, Understanding the Evidence: Wind Turbine
Noise, Council of Canadian Academies, 2015.
Omgevingseffecten wind
69 69
PlanMER RES MRE
➢ Risico’s met gevaarlijke stoffen (een deel van een windturbine raakt bijvoorbeeld een gastank of een buisleiding) ➢ (Beperkt) kwetsbare objecten (een deel van een windturbine raakt een persoon)24 ➢ Waterkeringen (een deel van een windturbine raakt een waterkering) ➢ Wegen, spoorwegen en vaarwegen (een deel van een windturbine komt erop terecht) ➢ Hoogspanning (een deel van een windturbine raakt een hoogspanningslijn) De hoogte van het risico hangt af van veel factoren (afstand tot de windturbine, faalkans van de windturbine, aantal mensen aanwezig, etc.). Doordat de eventuele effecten zo sterk gelokaliseerd zijn rond de windturbines, en er al een eerste schifting heeft plaatsgevonden bij het bepalen van de windparklocaties op basis van harde belemmeringen is een nadere beoordeling in dit planMER niet zinvol. De externe veiligheid van te plaatsen windturbines moet als onderdeel van de voorbereidingsprocedure op projectniveau plaatsvinden, op basis van individuele windturbineposities. Er is derhalve geen beoordelingscriterium voor het subthema externe veiligheid opgenomen. 6.4.6
Effectbeoordeling Leefomgeving De effectbeoordeling in dit MER wordt gegeven in de genoemde 5-punts schaal van ‘--‘ tot ‘++’. Voor het milieuthema Leefomgeving wordt elk beoordelingscriterium op deze vijfspuntsschaal als volgt gescoord. De effecten worden eerst per windparklocatie bepaald (er zijn 53 windparklocaties). De beoordeling van de alternatieven (die elk uit meerdere windlocaties bestaan) is een aggregatie van de individuele beoordelingen.
Tabel 15
Beoordeling thema Leefomgeving a.d.h.v. 5 beoordelingscriteria. Score Beoordeling van windparklocaties Aantal gevoelige objecten binnen 500m -≥ 30 gevoelige objecten 10 tot 30 gevoelige objecten 0 < 10 gevoelige objecten Aantal gevoelige objecten binnen 1000m -≥ 500 gevoelige objecten 100 tot 500 gevoelige objecten 0 < 100 gevoelige objecten Aantal gevoelige objecten binnen 500m, gedeeld door de jaarproductie -≥ 0,5 gevoelige objecten per GWh 0,1 tot 0,5 gevoelige objecten per GWh 0 <0,1 gevoelige objecten per GWh Aantal gevoelige objecten binnen 1000m, gedeeld door de jaarproductie -≥10 gevoelige objecten per GWh 1 tot 10 gevoelige objecten per GWh 0 <1 gevoelige objecten per GWh
24 Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld woningen en grote kantoorgebouwen (>1500 m2). Beperkt
70
kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld kleine kantoorgebouwen (≤1500 m2) en opslagloodsen.
Omgevingseffecten wind
70
PlanMER RES MRE
Cumulatie met andere geluidsbronnen -n.v.t. Andere geluidsbron binnen 1 km 0 Geen andere geluidsbron binnen 1 km
De relatieve waarden in bovenstaande tabellen zijn verkregen door het aantal woningen binnen de betreffende contour te delen door de verwachte jaarproductie in GWh/jr, zoals berekend in paragraaf 6.7. De effectbeoordeling conform bovenstaande tabel is opgenomen in Tabel 25 op pagina 101.
6.5
Effecten windparklocaties op landschap Bij het bepalen van de landschappelijke effecten van windenergie wordt een aantal beoordelingscriteria gehanteerd. Daarbij is in deze paragraaf aandacht voor de landschappelijke effecten van individuele windparklocaties. De beoordeling van meerdere windparklocaties in elkaars nabijheid komt aan bod bij de beoordeling van zoekgebieden (paragraaf 6.9.3) en de MER-alternatieven (Hoofdstuk 8) in de vorm van visuele interferentie.
6.5.1
Beoordelingscriteria De beoordeling van windparklocaties op het onderdeel ‘landschap’ vindt plaats aan de hand van een aantal beoordelingscriteria die zijn vastgelegd in de NRD en die gebaseerd zijn op de ‘ruimtelijke kwaliteit’ zoals bedoeld in de Interim omgevingsverordening van Noord-Brabant. Het gaat bij ruimtelijke kwaliteit om de volgende waarden: herkomstwaarde, gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde. De beoordelingscriteria zijn als volgt: ➢ Effect op gebruikswaarde: ligging t.o.v. gebieden waarvan de gebruikswaarde door windparken wordt aangetast. ➢ Effect op herkomstwaarde: ligging t.o.v. cultuurhistorisch waardevolle landschappen, gebieden en het effect daarvan op cultuurhistorische waarden. ➢ Effect op toekomstwaarde: De invloed van windparken op de toekomstwaarde van het landschap is gering: het betreft een tijdelijke ontwikkeling, waardoor dit thema geen onderscheidende rol speelt bij de beoordeling van windenergie. Het beoordelingscriterium ‘Effect op toekomstwaarde’ wordt derhalve niet meegenomen in de landschappelijke beoordeling van windenergie. ➢ Effect op belevingswaarde: Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek
71 Omgevingseffecten wind
71
PlanMER RES MRE
6.5.2
Beoordelingsschaal Het realiseren van windparken in het landschap hoeft niet per se negatief te zijn op alle beoordelingscriteria. Windturbines en windparken geven een nieuwe dynamiek aan het landschap en kunnen kwaliteiten toevoegen of versterken, maar zullen door hun omvang ook altijd bestaande kwaliteiten aantasten. Daarom worden binnen dit planMER de beoordelingscriteria nooit beoordeeld met de score ‘Positief’ (++). De beoordeling van de criteria vindt plaats aan de hand van een score uit de beoordelingsschaal. Deze schaal wordt weergegeven in Tabel 16:
Tabel 16
Beoordelingsschaal voor de landschappelijke beoordeling van windenergie. -0
Negatief Licht negatief Neutraal
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie
+ ++
Licht positief Positief
Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering n.v.t.
Onderstaande paragrafen geven per beoordelingscriterium een toelichting en gaan in op de beoordelingswijze. Bij de beoordelingswijze wordt tevens een vraag opgesteld die centraal staat bij de beoordeling van het betreffende criterium. Aan elk antwoord wordt een score uit de beoordelingsschaal gekoppeld. De scoreniveaus staan bij elk criterium als laatste beschreven in een overzicht. De beoordeling is gedaan aan de hand van GIS25-analyses, die in kaartvorm zijn weergeven. De manier waarop is beoordeeld en met welke uitgangspunten er rekening is gehouden, staat per beoordelingscriterium beschreven. De data waarop de GIS-analyses zijn gebaseerd zijn terug te lezen in de technische bijlage landschap (Bijlage C). 6.5.3
Effect op gebruikswaarde Bij gebruikswaarde speelt voornamelijk de ligging van windturbines ten opzichte van gebieden die veel worden ‘gebruikt’ een rol, bijvoorbeeld nabij stedelijke of recreatiegebieden Moderne windturbines van ca. 200 tot 225 meter hoog zijn al snel te zien vanaf enkele kilometers afstand. De afstand tussen waarnemer en de windturbines speelt daarbij mee, maar ook de mate waarin bestaande beplanting en bebouwing aanwezig is heeft voor de waarnemer invloed op de zichtbaarheid van windturbines (Figuur 26) Daarnaast zijn grote windturbines beter zichtbaar op langere afstanden dan kleine windturbines.
72
25 Geografisch Informatie Systeem
Omgevingseffecten wind
72
PlanMER RES MRE
Figuur 26
Illustratie van het effect van openheid van het landschap op de zichtbaarheid van windturbines. Bron: Handreiking waardering landschappelijke effecten van windenergie’, H+N+S Landschapsarchitecten, 2013.
Daarnaast kan ook het reliëf van het landschap effect hebben op de zichtbaarheid van de windturbines. Een windturbine op een heuvel is beter zichtbaar. Een windturbine achter een heuvel kan, afhankelijk van de afstand van de waarnemer ten opzichte van de heuvel, helemaal verscholen zijn. Voor de eigenschappen van windturbines zelf geldt dat de kleur en eventuele bestickering, verlichting en de bouwstijl een rol spelen bij de zichtbaarheid. In het planMER worden deze laatste genoemde aspecten niet meegenomen, omdat het niet past bij het detailniveau. Er wordt alleen gekeken naar de afstand van windturbines ten opzichte van de waarnemers (gebruikers). 6.5.3.1
Voorbeeldvisualisaties
Deze paragraaf bevat een aantal voorbeeldvisualisaties vanaf verschillende afstanden tot windturbines, om te laten zien hoe groot de visuele invloed van windturbines is ten opzichte van de afstand tot de waarnemer (zie Figuur 27, Figuur 28, Figuur 29, Figuur 30). Hiervoor zijn locaties van buiten het MRE gebied gebruikt26.
26 Bron: windpark Bijvanck, Landschappelijke beoordeling. N.B. de windturbines op deze visualisaties
hebben een tiphoogte van 185 meter. Omdat de afstand tot de waarnemer wordt uitgedrukt in tiphoogtes maakt dit voor de schijnbare grootte geen verschil.
Omgevingseffecten wind
73 73
PlanMER RES MRE
Figuur 27
Windpark op een afstand van ca. 23 keer de tiphoogte; de windturbines zijn nog wel zichtbaar, maar niet dominant aanwezig.
Figuur 28
Windpark op een afstand van ca. 17 keer de tiphoogte. De windturbines zijn zichtbaar, maar kunnen door begroeiing of bebouwing aan het zicht worden onttrokken.
74 Omgevingseffecten wind
74
PlanMER RES MRE
Figuur 29
Windpark op een afstand van ca. 10 keer de tiphoogte: de windturbines zijn goed zichtbaar.
Figuur 30
Windpark op een afstand van 5 keer de tiphoogte; de windturbines zijn beeldbepalend aanwezig.
6.5.3.2
Beoordeling gebruikswaarde
Het beoordelingscriterium ‘Effect op gebruikswaarde’ wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van een windpark ten opzichte van veel ‘gebruikte’ gebieden of van gebieden waar het zicht op een windpark niet gewenst is vanwege esthetische of recreatieve waarde. Het planMER beschouwt de volgende gebieden daartoe:
75 Omgevingseffecten wind
75
PlanMER RES MRE
➢ Heidegebieden Heidegebieden worden binnen de MRE beschouwd als een waardevol landschap. Tevens hebben deze gebieden over het algemeen een open karakter, waardoor er mogelijk meer zicht is op windturbines in de omgeving. Ook zijn deze gebieden vaak natuurrijk (ze bevinden zich meestal in een natuurpark) en worden ze veel voor recreatieve doeleinden gebruikt. Zicht op windturbines vanuit heidegebieden is daarom niet wenselijk. Onder andere ongerepte natuurpanorama’s worden als waardevol beschouwd. Natuurpanorama’s zijn gebieden van waaruit in alle richtingen (360 graden) natuur ‘beleefd’ kan worden Deze bevinden zich binnen de MRE meestal in of rondom heidegebieden. Mede hierdoor worden heidegebieden meegenomen bij deze beoordeling. ➢ Veenrestantgebieden Ook veenrestantgebieden zijn een waardevol landschap binnen de MRE. Net als heidegebieden hebben veenrestantgebieden over het algemeen een open karakter, waardoor er mogelijk meer zicht is op windturbines in de omgeving. Ook zijn de gebieden vaak natuurrijk. Ook hier is zicht op windturbines daarom niet wenselijk. Mede hierdoor worden veenrestantgebieden meegenomen bij deze beoordeling. ➢ Dichtbebouwde woongebieden Met dichtbebouwde woongebieden worden alle steden, dorpen en gehuchtkernen bedoeld waarbij een cluster van meerdere huizen (en/of andere bebouwing) bij elkaar staat.
In deze gebieden zullen zich de meeste waarnemers (gebruikers) bevinden waardoor het (negatieve) effect van de windturbines daar het grootst is. Wegens de relatief gesloten landschappen die in de MRE te vinden zijn, wordt er gemeten met een straal van 2 kilometer. Er wordt alleen maar een score ‘negatief’ en ‘licht negatief’ gegeven. Windparken zijn namelijk wegens hun omvang altijd zichtbaar in het landschap en daarmee tasten ze ook altijd de gebruikswaarde aan. De vraag die bij dit beoordelingscriterium kan worden gesteld, luidt: In hoeverre is het windpark zichtbaar vanuit gebieden waar dit vanwege de gebruikswaarde niet wenselijk is (woongebieden, heidegebieden en veenrestantgebieden)?
Het antwoord op deze vraag bepaalt de score van de windparklocaties op dit beoordelingscriterium. De antwoorden en scores die daaraan gekoppeld zijn staan hieronder in Tabel 17 weergegeven.
76 Omgevingseffecten wind
76
PlanMER RES MRE
Tabel 17
Beoordelingsschema voor het beoordelingscriterium ‘Effect op gebruikswaarde: ligging t.o.v. gebieden waarvan de gebruikswaarde door windparken wordt aangetast’. Negatief
Licht negatief
Het windpark is zichtbaar doordat het binnen een straal van 2 kilometer is gesitueerd ten opzichte van gebieden van waaruit dit niet is gewenst. Het gaat daarbij om de dichtbebouwde woongebieden en plaatsen van waaruit dit wegens esthetische of recreatieve waarden niet is gewenst zoals de heide- en veenrestantgebieden.
Het windpark is minimaal zichtbaar doordat het verder dan een straal van 2 kilometer is gesitueerd ten opzichte van gebieden van waaruit dit niet is gewenst. Het gaat daarbij om de dichtbebouwde woongebieden en plaatsen van waaruit dit wegens esthetische of recreatieve waarden niet is gewenst zoals de heide- en veenrestantgebieden.
Neutraal
Licht positief
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Figuur 31
Kaart met dichtbebouwde woongebieden en open gebieden (heide- en veenrestantgebieden) binnen de MRE. Mogelijke windturbine lijnopstellingen zijn in het groen aangegeven. De lichtblauwe kleur rondom de open- en dichtbebouwde woongebieden is de twee kilometer bufferzone.
6.5.4
Effect op herkomstwaarde (CHW) Bij het effect van windparken op cultuurhistorische waarden gaat het voornamelijk om het verstorende effect op de beleving. Deze waarden worden vaak gevormd door herkenbare structuren in het landschap die cultuurhistorische ontwikkelingen laten zien. Ook kunnen er waardevolle overgebleven relicten aanwezig zijn die de cultuurhistorische ontwikkeling laten zien. Windturbines die een landschapsoverstijgend karakter hebben, kunnen er voor zorgen dat de beleving van deze herken-
77 Omgevingseffecten wind
77
PlanMER RES MRE
bare structuren of relicten wordt aangetast. Kleinschalige dynamische vormen kunnen bijvoorbeeld karakter verliezen door naastgelegen grote rechtlijnige windturbineopstellingen. Het beoordelingscriterium ‘Effect op herkomstwaarde’ wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het windpark ten opzichte van cultuurhistorisch waardevolle complexen, landschappen en gebieden zoals gedefinieerd door de provincie Noord-Brabant. 6.5.4.1
Cultuurhistorisch waardevolle complexen
Voor de beoordeling van de cultuurhistorische waarde is er ook gekeken naar de Cultuurhistorische Waardevolle Complexen. De provincie wil in deze gebieden de cultuurhistorische waarden verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Om deze complexen en bijbehorende historische kwaliteiten te beschermen, is het belangrijk om nieuwe ontwikkelingen goed in te passen. Om passende maatregelen te treffen, zal per complex moeten worden bekeken wat de impact van windturbines is op het complex. Het past niet binnen het detailniveau van het planMER om hier richtlijnen voor op te stellen. Wel kan er in zekere zin rekening worden gehouden met landschappelijke bedreigingen die windparken met zich meebrengen. Met name als het gaat om het beschermen van het cultuurhistorische verleden en de toeristisch-recreatieve waarden van de complexen is het wenselijk dat er voorzichtig wordt omgegaan met het realiseren van windparken nabij de complexen. Bij de complexen gaat het om ensembles bestaande uit één gebouw of een verzameling van gebouwen waarbij een bepaalde samenhang is met de directe omgeving. Daarom is onderzocht of er windparken binnen een straal van 500 meter voorkomen rondom de Cultuurhistorisch Waardevolle Complexen. Dit is weergegeven op Figuur 32. Bij alle complexen geldt dat de windparken op een grotere afstand staan dan 500 meter.
De complexen hebben daarom geen invloed op de beoordeling van Het beoordelingscriterium ‘Effect op herkomstwaarde: ligging t.o.v. cultuurhistorisch waardevolle landschappen en effect op cultuurhistorische waarden’.
78 Omgevingseffecten wind
78
PlanMER RES MRE
Figuur 32
Kaart met de cultuurhistorisch waardevolle complexen binnen de MRE van de provincie Noord-Brabant. Mogelijke windparklocaties zijn aangegeven in het zwart. De blauwe cirkel rondom de CHWwindparken geeft de 500 meter bufferzone aan.
6.5.4.2
Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en gebieden27
Voor de beoordeling van de cultuurhistorische waarde is een inventarisatie gemaakt van de Cultuurhistorische Waardevolle Gebieden (CHW-gebieden). De provincie wil in deze gebieden de cultuurhistorische waarden verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Om deze gebieden en bijbehorende historische kwaliteiten te beschermen, is het belangrijk om voorzichtig te zijn met het inpassen van nieuwe ontwikkelingen zoals windenergie. Met name als het gaat om het beschermen van het cultuurhistorische kernwaarden. Daarom zijn de kernwaarden van de CHW-gebieden nader bekeken. Per kernwaarde is bekeken of de komst van een windpark(en) een bedreiging vormt. Uit deze analyse is gebleken dat bijna alle CHW-gebieden kernwaarden bevatten die bedreigd (kunnen) worden door de plaatsing van windpark(en) in deze CHW-gebieden of nabij de kernwaarden. Daarom zijn alle windturbines die binnen CHW-gebied liggen met een negatieve score (- -) beoordeeld. Een beschrijving van deze kernwaarden en de analyse is opgenomen in de technische bijlage landschap (Bijlage C).
27
De provincie Noord-Brabant onderscheidt diverse cultuurhistorisch waardevolle gebieden, die elk liggen binnen grotere cultuurhistorisch waardevolle landschappen. In de technische bijlage landschap (Bijlage C) wordt dit nader toegelicht. Voor windenergie en CHW-gebieden en landschappen zie Figuur 33.
Omgevingseffecten wind
79 79
PlanMER RES MRE
Moderne windturbines van ca. 200 – 225 meter hoog zijn al snel te zien vanaf enkele kilometers afstand. Windturbines kunnen daarom ook al een aantasting zijn voor de beleving van CHW-landschappen en CHW-gebieden in de omgeving. De afstand tussen waarnemer en de windturbines speelt daarbij mee, maar ook de mate waarin bestaande beplanting en bebouwing aanwezig is heeft voor de waarnemer invloed op de zichtbaarheid van windparken. Wegens het relatief gesloten karakter van de landschappen die in de MRE te vinden zijn, wordt er een effectafstand van 2 kilometer aangehouden. Windparklocaties die binnen 2 kilometer van CHW-landschappen en CHW-gebieden liggen zijn daarom met een ‘-‘ beoordeeld. Figuur 33
Kaart met de cultuurhistorisch waardevolle landschappen en cultuurhistorisch waardevolle gebieden binnen de MRE van de provincie Noord-Brabant. Mogelijke windparklocaties zijn aangegeven in het rood. De CHW-gebieden met een cyaan kleur zijn gelegen binnen 2 km van tenminste één windparklocatie.
De vraag die bij dit beoordelingscriterium kan worden gesteld, luidt: Is het windpark zichtbaar vanuit cultuurhistorisch waardevolle landschappen en/of cultuurhistorisch waardevolle gebieden van de provincie Noord-Brabant? Het antwoord op deze vraag bepaalt de score van de windparklocaties op dit beoordelingscriterium. De antwoorden en scores die daaraan gekoppeld zijn, staan hieronder in Tabel 18 weergegeven.
80 Omgevingseffecten wind
80
PlanMER RES MRE
Tabel 18
Beoordelingsschema voor het beoordelingscriterium ‘Effect op herkomstwaarde: ligging t.o.v. cultuurhistorisch waardevolle landschappen, gebieden en effect op cultuurhistorische waarden’. Negatief
Licht negatief
Wanneer een windpark binnen of grotendeels binnen één of meerdere cultuurhistorisch waardevolle landschappen en/of gebieden is gesitueerd.
Wanneer een windpark buiten de cultuurhistorisch waardevolle landschappen of gebieden is gesitueerd, maar binnen of grotendeels binnen een straal van 2 kilometer ligt ten opzichte van één of meerdere van deze gebieden.
Neutraal
Licht positief
Het windpark is minimaal zichtbaar vanuit de cultuurhistorisch waardevolle landschappen en gebieden omdat het (grotendeels) verder dan 2 kilometer is gesitueerd ten opzichte van deze gebieden.
Niet van toepassing.
Figuur 34
Kaart met de cultuurhistorisch waardevolle landschappen binnen de MRE van de provincie NoordBrabant. Mogelijke windparklocaties zijn aangegeven in het groen. De lichte kleur rondom de CHWgebieden geeft de twee kilometer bufferzone aan.
6.5.5
Effect op belevingswaarde Het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek’ wordt beoordeeld aan de hand van drie beoordelingsaspecten:
81 Omgevingseffecten wind
81
PlanMER RES MRE
➢ Aansluiting op de landschappelijke structuur ➢ Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek ➢ Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark 6.5.5.1
Aansluiting op de landschappelijke structuur
De structuren in het landschap zijn onder te verdelen in verschillende schaalniveaus. Met structuren worden de grote lijnen in het landschap bedoeld, zoals grote (hoofd)wegen, watergangen en spoorwegen. Sommige structuren kunnen gemakkelijk worden waargenomen wanneer men zich door het landschap beweegt, zoals…. Andere structuren zijn zo groot dat het moeilijk is om deze vanuit één waarnemingspunt in het landschap te overzien. Windparken zullen kleinschalige structuren vaak overtreffen. Enkel op macroniveau kan er verbinding gelegd worden tussen landschappelijke structuren en windparken. Deze aansluiting met landschappelijke structuren kan als positief ervaren worden, bijvoorbeeld wanneer een windpark parallel loopt aan een structuur en deze de beleving van de structuur versterkt (zie Figuur 35). Anderzijds kan een windpark negatieve landschappelijke effecten opleveren, wanneer de beleving van de structuur minder herkenbaar of verstoord wordt door een windpark. Vanuit de landschappelijke analyse (zie technische bijlage landschap in Bijlage C) is een aantal landschappelijke lijnen (structuren) naar voren gekomen. Het gaat daarbij om de landschappelijke lijnen op het macroniveau. Deze landschappelijke structuren worden bij de beoordeling van dit criterium gehanteerd. Figuur 35
Voorbeeldvisualisatie van een windpark langs een snelweg: WP de Pals, gemeente Bladel. Het windpark versterkt de beleving van de landschappelijke lijn (de snelweg) die in een bocht naar rechts loopt.
Het beoordelingscriterium ‘Aansluiting op de landschappelijke structuur’ wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het windpark ten opzichte van de landschappelijke structuren op macroniveau. Er wordt beoordeeld of het windpark ‘aansluit’ bij de landschappelijke structuren en in hoeverre het windpark de beleving van deze structuren beïnvloedt. (zie Figuur 36)
82 Omgevingseffecten wind
82
PlanMER RES MRE
Moderne windturbines van ca. 200 – 225 meter hoog zijn al snel te zien vanaf enkele kilometers afstand. De afstand tussen waarnemer en de windturbines speelt daarbij mee, maar ook de mate waarin bestaande beplanting en bebouwing aanwezig is, heeft voor de waarnemer invloed op de zichtbaarheid van windparken. De afstand van de waarnemer ten opzichte van het windpark speelt een belangrijke rol. Ook de mate waarin voornamelijk bestaande beplanting en bebouwing aanwezig is heeft invloed op de zichtbaarheid van de windparken. Wegens het relatief gesloten karakter van de landschappen die in de MRE te vinden zijn, wordt er gemeten met een straal van 2 kilometer (10x de tiphoogte van 200m). De vraag die bij dit beoordelingscriterium kan worden gesteld, luidt: Vindt er interventie plaats tussen het windpark en de landschappelijke structuren en hoe groot is de invloed van het windpark op deze structuren? Het antwoord op deze vraag bepaalt de score van de windparklocaties op dit beoordelingscriterium. De antwoorden en scores die daaraan gekoppeld zijn, staan hieronder in Tabel 19 weergegeven. Tabel 19
Beoordelingsschema voor het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke structuren’. Negatief
Licht negatief
Wanneer het windpark niet aansluit bij de landschappelijke structuren (lijnen) en daardoor kan zorgen voor een onduidelijk beeld. Dit geldt voor de windparken die, binnen een straal van twee kilometer, in een duidelijk andere vorm of lijnrichting zijn gesitueerd ten opzichte van de bestaande macrostructuren in het landschap. Hierdoor heeft het (grote) negatieve invloed op de beleving en leesbaarheid van de structuren.
Wanneer het windpark niet aansluit bij de landschappelijke structuren (lijnen) en daardoor kan zorgen voor een onduidelijk beeld. Dit geldt voor de windparken die, binnen een straal van twee kilometer, in een lichte andere vorm of lijnrichting zijn gesitueerd ten opzichte van de bestaande macrostructuren in het landschap. Hierdoor heeft het weinig tot geen negatieve invloed op de beleving en leesbaarheid van de structuren.
Neutraal
Licht positief
Wanneer het windpark aansluit bij de landschappelijke structuren (lijnen), maar deze niet van toegevoegde waarde is voor de beleving en leesbaarheid ervan. Dit geldt voor de windparken die, binnen een straal van twee kilometer, in een zelfde lijnrichting zijn gesitueerd ten opzichte van de bestaande macrostructuren in het landschap. De winparken hebben geen positieve of negatieve invloed op de beleving en leesbaarheid van de structuren.
Wanneer dankzij het windpark de structuren van het landschap worden verduidelijkt en deze het landschap leesbaarder maakt. Hierbij kan gedacht worden aan lijnen (zoals een dijk) tussen land en water waarin het windpark kan helpen met het ervaren van deze overgang.
83 Omgevingseffecten wind
83
PlanMER RES MRE
Figuur 36
Kaart met grote landschappelijke lijnen binnen de MRE. Mogelijke windparklocaties zijn in het groen aangegeven. De beige kleur rondom de lijnen is de twee kilometer bufferzone.
6.5.5.2
Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek
De karakteristieken van het landschap kunnen per landschapstype verschillen. Enkele karakteristieken zijn bijvoorbeeld de rust en openheid die het landschap kenmerkt, cultuurhistorische waarden die het landschap draagt of zichtlijnen en ruimtevormende elementen (de schaal) of macro- of mesostructuren die het landschap leesbaarder maken. Vaak worden deze karakteristieken ook als kernkwaliteiten van het landschapstype beschouwd. Belangrijk is om eerst de kernkwaliteiten van het landschap te onderzoeken waarin het windpark wordt geplaatst. Zie daarvoor de technische bijlage landschap (Bijlage C). De landschapstypen met bijbehorende kernkwaliteiten zijn weergegeven in Tabel 20. Hierbij zijn de provinciaal aangewezen cultuurhistorische waardevolle landschappen (CHW) niet meegenomen. Deze landschappen zijn namelijk gebaseerd op kleine onderscheidende kenmerken ten opzichte van de algemene gebiedsindeling van landschapstypen. Het gaat daarbij om landschappelijke eigenschappen op kleine schaal. De schaal van de windparken overstijgt deze in de meeste gevallen. Daarom worden de CHW gebieden niet meegenomen bij de beoordeling. Ook wordt het landschapstype ‘urbane gebieden’ niet meegenomen, omdat geen enkele windparklocatie in dit landschapstype is gelegen.
84 Omgevingseffecten wind
84
PlanMER RES MRE
Tabel 20
Grootschalige landschapstypen binnen de MRE en de bijbehorende kernkwaliteiten. Landschapstype Kernkwaliteiten Bos en Heide landschap Droge Bos en Heide Grote, rationele strokenverkaveling zonder een hoofdrichting Rechte waterwegen, boomrijen, boerenerven Natte Bos en Heide Open en rationeel verkaveling, afgewisseld door verspreid liggende kleinere bosgebieden, oude zandwegen, boom- en singelbeplanting en verspreid voorkomende bebouwing. Beekdalen Contrastvorming tussen hogere zandgronden Besloten door bos en boomsingels Langgerekte kavels met dichtbegroeide boomsingels Natuurwaarden Jonge zandontginningen Grote schaal Rationele strokenverkaveling Rechte waterwegen, boomrijen, en boerenerven. Veel openheid Oude zandontginningen Kleinschalig Grillige verkaveling deels omzoomd door houtwallen. Wegen veelal krom. Beek kronkelend door het landschap Gesloten landschap met coulissen Akkercomplexen met ‘open’ bolle akkers Peelkernontginningen Rationeel ingericht Rastervormige wegen- en waterlopenstructuur Intensieve veehouderijen en glastuinbouw Verkaveling bestaat uit regelmatig gevormde blokken of stroken Peelrandontginningen Gevarieerd zandlandschap Cultuurhistorisch waardevol Schaalvergroting in de landbouw van kleinschalig naar middelgroot
Er wordt per windpark bekeken in welk landschapstype deze is gesitueerd. De beoordeling is gedaan aan de hand van Figuur 37. De vraag die bij dit beoordelingscriterium kan worden gesteld, luidt: In welk landschapstype is het windpark gesitueerd en in hoeverre worden kernkwaliteiten van dat landschapstype daardoor aangetast? Het antwoord op deze vraag bepaalt de score van de windparklocaties op dit beoordelingscriterium. De antwoorden en scores die daaraan gekoppeld zijn staan hieronder in Tabel 21 weergegeven.
85 Omgevingseffecten wind
85
PlanMER RES MRE
Tabel 21
Figuur 37
Beoordelingsschema voor het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke karakteristiek’. Negatief
Licht negatief
De landschappelijke kernkwaliteiten worden aangetast door het windpark en verliezen hierdoor (grotendeels) waarde of beleef-/ herkenbaarheid. Hieronder vallen: Alle windparken die volledig of grotendeels in Bos, Heide & veenrestant zijn gesitueerd.
De invloed die het windpark heeft op de landschappelijke kernkwaliteiten zijn van kleine aard en verstoren in kleine mate de waarde of beleef-/ herkenbaarheid van deze kwaliteiten. Hieronder vallen: Alle windparken die volledig of grotendeels in het beekdalen landschap, oude zandontginningen landschap of peelrandontginninglandschap zijn gesitueerd.
Neutraal
Licht positief
Het windpark heeft weinig tot geen invloed op de landschappelijke kernkwaliteiten of de kernkwaliteiten worden juist versterkt. Hieronder vallen alle windparken die volledig of grotendeels in het jonge zandontginningen landschap of peelkernontginningslandschap zijn gesitueerd.
Niet van toepassing.
Kaart met de landschapstypen binnen de MRE. Aangeven in het groen zijn de windturbine lijnopstellingen.
86 Omgevingseffecten wind
86
PlanMER RES MRE
6.5.5.3
Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark
Met de herkenbaarheid van de opstelling wordt verstaan dat individueel geplaatste windturbines en het cluster (windpark) dat ze vormen herkenbaar zijn. Strakke en duidelijke geometrische lijnen zijn vaak eerder herkenbaar dan willekeurig geplaatste windturbines (in één windpark) met verschillende onderlinge afstanden. Het is belangrijk om hierin hierbij het perspectief van de waarnemer t.o.v. de windturbineopstelling mee te nemen. Door de hoogte en onderlinge afstand van windturbines (binnen één windpark) treedt er een vergroot perspectief beeld op t.o.v. andere elementen in het landschap. Hierdoor kan een lichte knik of vervorming in een lijn al een negatieve invloed hebben op de leesbaarheid en herkenbaarheid van een opstelling. Figuur 38
Voorbeeld van een lijnopstelling met een lichte knik die vanuit bepaalde hoeken niet als zodanig waarneembaar is (Windpark Autena Vianen, gemeente Vijfheerenlanden).
Het beoordelingscriterium ‘Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark’ wordt beoordeeld aan de hand van de specifieke eigenschappen van de individuele opstellingen van alle 65 windparklocaties. Er wordt per windpark bekeken of de cluster (de lijn) die gevormd wordt door individuele windturbines in het windpark herkenbaar en logisch is. De beoordeling is gedaan aan de hand van Figuur 39. De vraag die bij dit beoordelingscriterium kan worden gesteld, luidt: Vormen de windturbines binnen een windpark gezamenlijk een duidelijke lijn of cluster en is deze lijn of cluster ook herkenbaar vanuit verschillende waarnemingspunten?
87 Omgevingseffecten wind
87
PlanMER RES MRE
Het antwoord op deze vraag bepaalt de score van de windparklocaties op dit beoordelingscriterium. De antwoorden en scores die daaraan gekoppeld zijn, staan hieronder in Tabel 22 weergegeven. Tabel 22
Figuur 39
Beoordelingsschema voor het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: ‘Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark’. Negatief
Licht negatief
Wanneer de opstelling van de windturbines binnen een windpark niet herkenbaar zijn als één cluster en bijvoorbeeld niet als één duidelijke geometrische lijn kan worden ervaren. Hieronder vallen alle windparken waarbij de windturbines niet een duidelijke, strakke en rechte geometrische lijn vormen.
Wanneer de opstelling van de windturbines binnen een windpark grotendeels ervaren kunnen worden als een herkenbare lijn, maar dit vanuit bepaalde waarnemingspunten niet het geval hoeft te zijn. Hieronder vallen alle windparken waarbij, door een lichte knik, de herkenbaarheid als één cluster of één duidelijke geometrische lijn iets kan worden verstoord.
Neutraal
Licht positief
Wanneer vanuit alle verschillende hoeken de windturbines in een windpark een duidelijke stramien volgen en deze herkenbaar gesitueerd zijn als een cluster of rechte strakke lijn in het landschap.
Niet van toepassing.
Kaart met in het groen aangegeven de windparklocaties en in het blauwe de zoekgebieden uit de concept-RES van de MRE.
88 Omgevingseffecten wind
88
PlanMER RES MRE
6.5.6
Beoordeling De effectbeoordeling conform bovenstaande paragrafen is opgenomen in Tabel 25 op pagina 101.
6.5.7
Verdieping ten aanzien van cultuurhistorisch waardevol gebied Sommige kernwaarden van CHW-gebieden zijn zodanig onverenigbaar met realisatie van grootschalige zonne- en windparken in die gebieden dat er strijdigheid kan optreden met de provinciale (interim) omgevingsverordening. Om dergelijk knelpunten goed in beeld te brengen ten behoeve van het vervolgproces zijn deze ‘onverenigbare’ kernwaarden hieronder uitgelicht. Deze exercitie is niet meegenomen bij de effectbeoordeling of draagkrachtberekening, maar vormt een aanvullende aanbeveling voor het vervolgtraject. De provincie Noord-Brabant ziet realisatie van windturbines binnen CHW-gebieden als strijdig met de interim omgevingsverordening als die CHW-gebieden zijn aangemerkt voor onderstaande kernwaarden, die als ‘onverenigbaar’ met windenergie worden gezien. Kernwaarden onverenigbaar met windenergie Het open akkercomplex met bolle ligging en met het esdek De relatie tussen de terreingesteldheid en de inrichting en het bodemgebruik. Bosjes en strookvormige graslandpercelen liggen in de lagere delen, de akkercomplexen op de hogere.
De open heiderelicten De open akkers tussen Moorsel en Oeijenbraak met bolle ligging en met een esdek De (hout)wallen en gefixeerd stuifzand De heiderestanten De openheid De veenputjes Het (beboste) akkercomplex met de bolle ligging en met het esdek De samenhang tussen de inrichting en het bodemgebruik van het gebied met de terreingesteldheid De open akkers tussen Moorsel en Oeijenbraak met bolle ligging en met een esdek De bossen op rabatten De vennen
Deze kernwaarden zijn overgenomen van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant. Een volledige lijst van alle kernwaarden is opgenomen in de technische bijlage landschap (Bijlage C). Op Figuur 40 is in kaart gebracht welke windparklocaties gelegen zijn binnen CHWgebieden met bovenstaande ‘onverenigbare kernwaarden’.
89 Omgevingseffecten wind
89
PlanMER RES MRE
Figuur 40
Ligging van windparklocaties ten opzichte van de cultuurhistorisch waardevolle gebieden (CHWgebieden). Bij windparklocaties binnen de CHW-gebieden is bekeken of deze onverenigbaar of niet onverenigbaar zijn met de aldaar aangewezen kernwaarden.
6.6
Effecten windparklocaties op ecologie Voor de beoordeling windparklocaties is een specifieke beoordeling gehanteerd, die aansluit bij de gevolgen van windenergie op soorten- en gebiedsniveau. In onderstaande subparagrafen is dit per thema uiteengezet.
6.6.1
Effecten op Natura 2000-gebieden Binnen de Metropoolregio Eindhoven (MRE) liggen zeven Natura 2000-gebieden (deels). Daarnaast liggen er nog een aantal Natura 2000-gebieden tegen de grens van de MRE aan of in de buurt (<1km). Binnen de MRE liggen de volgende Natura 2000-gebieden: ‘Kempenland-West’, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’, ‘Weerter- en Budelerbergen & Ringselven’, ‘Strabrechtse Heide & Beuven’, ‘Groote Peel’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’. Daarnaast liggen een aantal Natura 2000-gebieden tegen de grens of op enkele meters afstand van één (of meerdere) MRE-gemeenten. Dit zijn de Natura 2000-gebieden: ‘Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen’ (BE), ‘Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden, de
Omgevingseffecten wind
90 90
PlanMER RES MRE
Zegge en de Ronde Put’ (BE) en ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout, Arendonk, Merksplas, Oud-Trune vennengebied’ (BE). Binnen 10 kilometer van de grens van één (of meerdere) MRE-gemeenten liggen tevens de volgende Natura 2000-gebieden: ‘Regte Heide & Riels Laag’, ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’, ‘Bocholt, Hechtel-Ekse, Meeuwen-Gruitrode en Peer’ (BE), ‘Vallei- en brongebieden van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden’ (BE), ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, Langdonken en Goor’ (BE), ‘Abeek met aangrenzende moerasgebieden’ (BE), ‘Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide en Bergerven’ (BE) en ‘Sarsven en De Banen’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op dermate grote afstand (>10km) dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Geen van de gebieden voor windenergie ligt binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Om deze reden kan er alleen sprake zijn van effecten door eventuele externe werking. Deze externe effecten kunnen worden onderverdeeld in effecten door stikstofdepositie, door verstoring, afname leefgebied en door aanvaringsslachtoffers (in het geval van windturbines). Van stikstofdepositie is alleen sprake bij de aanleg van de voorzieningen en incidenteel bij onderhoud.
Deze effecten blijken in de praktijk meestal mee te vallen, hoewel de ligging van de ontsluitingswegen wel invloed kan hebben op de stikstofdepositiewaarden. Er zal in het MER geen stikstofberekening per inrichting worden gemaakt; dit past beter bij het detailniveau van individuele projecten. Effecten van verstoring, afname leefgebied en van aanvaringsslachtoffers worden in het vervolg van voorliggend rapport wel per ‘inrichting’ nader besproken en beoordeeld.
91 Omgevingseffecten wind
91
PlanMER RES MRE
Figuur 41
Natura 2000-gebieden in en nabij de Metropoolregio Eindhoven.
De effecten op Natura 2000-gebieden verschillen per Natura 2000-gebied. Zo is de reikwijdte van externe werking van vogelrichtlijngebieden vaak groter dan die van habitatrichtlijngebieden. Derhalve onderscheiden we in de beoordeling Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn als vogelrichtlijngebied van de Natura 2000gebieden die zijn aangewezen als habitatrichtlijngebied. Een aantal vogelrichtlijngebieden, ‘Strabrechtse Heide & Beuven’, ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ‘Groote Peel’, binnen de Metropoolregio Eindhoven is aangewezen voor de ‘kraanvogel’. De kraanvogel is icoonsoort voor deze regio, waarvan de aantallen de afgelopen (tientallen) jaren toegenomen zijn. Hoewel sommige onderzoeken uitwijzen dat de kans op aanvaring van kraanvogels met windturbines laag is (Busse P. 2016 en Drachmann et al. 2020) zijn aanvaringen niet uit te sluiten. Gelet op de vlieghoogte, aantallen en foerageerafstanden is de kraanvogel als een risicosoort van windenergie te beschouwen. Ondanks de toenemende aantallen zijn deze nog relatief laag en kan sterfte van één of twee individuen al een behoorlijke impact op de populatie hebben. De maximale foerageerafstand van de kraanvogel ligt op circa 6 kilometer (Alonso & Alonso 1992). Dit is dan ook de effectafstand die gehanteerd wordt voor beoordeling op dit onderdeel. Voor de overige vogelrichtlijngebieden hanteren we een effectafstand van 500m.
Dit vanwege het feit dat geluid van windturbines een verstoringsafstand heeft van maximaal 450-500 meter (Hötker et al. 2006; Nolet et al. 2009; Steinborn et al. 2011; Langgemach & Dürr 2015), met name voor ganzen- en zwanensoorten. Ook sterfte van aangewezen doelsoorten (onder vogels) is binnen deze afstand niet uit te sluiten. Dit betekent niet dat windparken op meer dan 500 meter afstand tot Omgevingseffecten wind
92 92
PlanMER RES MRE
Natura 2000-gebieden geen significant negatieve effecten kunnen veroorzaken op de aangewezen doelsoorten. Zo is sterfte van aangewezen doelsoorten op meer dan 500 meter afstand van Natura 2000-gebieden niet uitgesloten. Hoewel van de meeste vogelsoorten de maximale foerageerafstanden bekend zijn, is dit sterk locatie gebonden (afhankelijk van voedselaanbod). Derhalve is een planMER-niveau niet het juiste detailniveau om dit aspect (volledig) mee te nemen, dit zal op projectniveau moeten worden onderzocht. Voor habitatrichtlijngebieden hanteren we een effectafstand van 75m. Dit is gelijk aan de overdraai van de windturbine. Habitatsoorten zijn over het algemeen minder gevoelig voor verstoring door geluid. Door een effectafstand van 75m te hanteren is er geen sprake van ruimtebeslag en vervalt de grootste geluidsbelasting. Mogelijke stikstofdepositie kan wel aan de orde zijn, maar dit zal op projectniveau in kaart moeten worden gebracht. Uitzondering op bovenstaande regels zijn de Belgische Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor vleermuissoorten. Aangezien vleermuizen mogelijk buiten het Natura 2000-gebied foerageren worden deze Natura 2000-gebieden hetzelfde behandeld als de vogelrichtlijngebieden. 6.6.2
Effecten op het Natuurnetwerk Brabant Binnen de Metropoolregio Eindhoven (MRE) liggen grote delen van het Natuurnetwerk Brabant. Deze gebieden zijn merendeels verbonden met elkaar, middels een directe verbinding of via de zogenoemde ‘stepping stones’. De onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant hebben specifieke beheertypen toegewezen gekregen. Echter hebben ze vaak geen specifieke instandhoudingsdoelstellingen, zoals we die bij bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden wel kennen. Waar mogelijk wordt er verschillend getoetst per beheertype. Bij het beoordelingscriterium Natuurnetwerk Brabant zal voornamelijk worden getoetst aan het ruimtebeslag en verstoring (door met name geluid). In het planMER wordt het Natuurnetwerk Brabant zelf uitgesloten van de plaatsing van wind- en zonne-energie.
93 Omgevingseffecten wind
93
PlanMER RES MRE
Figuur 42
Natuurnetwerk Brabant binnen de Metropoolregio Eindhoven
Het Natuurnetwerk Brabant kent verscheidene natuurbeheertypen. Voor dit detailniveau is het toch wenselijk om een effectafstand te formuleren. De gekozen effectafstand op NNB is vastgelegd op 200m. Dit vanwege het feit dat o.a. zang, roofen weidevogels een verstoringsafstand van 75m-200m hebben (Reichenbach 2003; Hötker 2006; Steinborn et al. 2011; Steinborn & Steinmann 2014; Pearce-Higgins et al. 2012). Voor vleermuizen is eveneens een verminderd effect bij een afstand van meer dan 200m waargenomen. De grootste geluidsbelasting komt eveneens bij deze afstand te vervallen, waardoor ook andere soortgroepen, naar verwachting, geen significant negatieve effecten meer ondervinden. Alleen NNB natuur- en landschapselementtypen waarbij geen, voor windenergie, kwetsbare kwalificerende soorten zijn ‘aangewezen’ geldt de 200m effectafstand niet. Dit zijn de NNB-delen met code: L01.01 (Poel en kleine historische wateren), L01.05 (Knip- of scheerheg), L02.02 (Historisch bouwwerk en erf), N03.01 (Beek en Bron), N04.02 (Zoete Plas), N06.01 (Veenmosrietland en moerasheide), N06.05 (Zwakgebufferd ven), N06.06 (Zuur ven en hoogveenven) en N11.01 (Droog schraalgrasland). Dit zijn voornamelijk natuur- en landschapselementtypen met kwalificerende soortgroepen als flora, libellen, amfibieën en vissen. Deze soorten zijn niet gevoelig voor windenergie.
Voor alle andere NNB-delen blijft de 200m effectafstand gehandhaafd. Voor de NNB-beoordeling van de indicatieve is niet strikt de lijn getoetst maar mogelijke stippen van windturbines op of direct aangrenzend aan de indicatieve lijn. Indien een kleine verschuiving (rekening houdend met de andere belemmeringen), mitigerende maatregelen (zoals iets kleinere rotordiameter) of het schrappen van
94 Omgevingseffecten wind
94
PlanMER RES MRE
een extra stip in een andere beoordeling resulteert dan is dit als zodanig doorgevoerd, met dien verstande dat windparklocaties altijd uit minimaal 3 windturbines moeten blijven bestaan. 6.6.3
Effecten op akker- en weidevogelgebieden (‘hotspots’) Er zijn gebieden binnen de MRE waar zich veel of vaak akker- en/of weidevogels bevinden, die verstoord kunnen worden door windturbines. Dergelijke gebieden ook wel ‘hotspots’ genoemd, hebben in het beleid van de provincie Noord-Brabant geen wettelijke status. Echter is Noord-Brabant wel een belangrijk weidevogel- en akkervogelgebied; zo broedt 20% van de ‘Nederlandse’ kieviten in Noord-Brabant28. Dit zijn geen ‘ruimtelijke’ begrensde gebieden, maar deze worden vormgegeven door verhoogde aanwezigheid van diverse vogelsoorten. Uit de literatuur blijkt dat weidevogels een verstoringsafstand van maximaal 200m hebben (Reichenbach 2003; Hötker 2006). Derhalve wordt de effectafstand voor de hotspots op 200m vastgelegd. De hotspots worden gedefinieerd door een verhoogd aantal waarnemingen (o.a. SOVON-tellingen en individuele waarnemingen) van akker- en weidevogels binnen een gebied. Hiervoor is gekeken naar een aantal maatgevende soorten: kievit, scholekster, grutto, wulp, patrijs, veldleeuwerik en gele kwikstaart over de afgelopen 10 jaar. Deze soorten geven een goed beeld welke gebieden veelvuldig gebruikt worden als leefgebied voor diverse akker- en weidevogels. Zodoende worden door de definiëring van de hotspots niet alleen voornoemde soorten ‘beschermd’, maar profiteren alle daar voorkomende akker- en weidevogels daarvan.
De soorten die in deze gebieden voorkomen zijn vaak kwetsbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen als zonne- en windenergie. Enerzijds omdat het over het algemeen vaak al slechter gesteld is met deze soorten (ongunstige staat van instandhouding bijvoorbeeld), waardoor afname van geschikt foerageergebied een versterkend negatief effect kan hebben. Anderzijds omdat sterfte door aanvaringen (bij windenergie) kan leiden tot een verdere afname van de soort(groep).
28 Brabants Landschap, 01-04-2018; https://www.brabantslandschap.nl/actueel/nieuws/natuurstre-
95
ken/?region=all&area=all
Omgevingseffecten wind
95
PlanMER RES MRE
Figuur 43
Ligging van gebieden waar veel akker- en weidevogels zijn waargenomen. Bron voor deze ‘hotspotkaart’ is Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Tevens zijn de windparklocaties in deze kaart opgenomen, om de herkomst van de effectbeoordeling op dit criterium inzichtelijk te maken.
6.6.4
Effecten op beschermde soorten Binnen de Metropoolregio Eindhoven (MRE) komen veel beschermde soorten flora en fauna voor, die vallen onder een aantal beschermingsregimes: vogelrichtlijn, habitatrichtlijn en overige soorten. Vogels en vleermuizen zijn wijdverspreid binnen de MRE. Dit zijn de soortgroepen die extra gevoelig zijn voor met name windenergie (en in mindere mate voor zonne-energie). Dit vanwege de kans op aanvaring met een draaiende windturbine. Binnen de MRE is geen sprake van gestuwde vogeltrek (macro stuwing), zoals deze aanwezig is in de kustgebieden van Nederland (LWVT/Sovon 2002). In het binnenland treedt gestuwde trek in beperktere mate op langs het Markermeer en IJsselmeer. Op kleinere schaal kan verdichting (micro- of mesostuwing) plaatsvinden langs grote rivieren en andere potentiële barrières, maar dat laat zich qua intensiteit niet vergelijken met gestuwde vogeltrek langs de kustgebieden. Bovendien ontbreken binnen de MRE ook dergelijke barrières, zoals grote rivieren. Binnen de MRE zal derhalve geen sprake zijn van stuwing van seizoenstrek. Voor vogels maakt de beoordeling gebruik van het beschikbare kaartmateriaal van SOVON. Onder leiding van SOVON hebben duizenden vrijwilligers iedere vierkante kilometer in Nederland geteld op vogels. Hierdoor is veel informatie beschikbaar over verspreiding van soorten en aantallen vogels in Nederland.
Voor de provincie Noord-Brabant heeft SOVON een kaart opgesteld met het aantal vogelsoorten per 250x250m cel. Dit is voor zowel broedvogels als wintervogels gedaan. Daarnaast
Omgevingseffecten wind
96 96
PlanMER RES MRE
worden vogels ook (in)direct via andere beleidsregels en/of beschermingsregimes beschermd. Zo zijn vogels die voornamelijk in bossen voorkomen worden binnen de MRE grotendeels ‘beschermd’ door het beschermingsregime beschermde gebieden. Dit vanwege het feit dat binnen de MRE de robuuste bosgebieden veelal zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant. Hiervoor geldt dat er, over het algemeen, geen wind- en zonneparken binnen de begrenzing gerealiseerd zullen worden. Desalniettemin dient bij realisatie van een concreet project een uitgebreide toetsing plaats te vinden op lokaal niveau. Voor vleermuizen zijn er geen recente, detailleerde en overzichtelijke kaarten beschikbaar. Wel is bekend dat vleermuizen gebruikmaken van lijnelementen als orientatie van en naar hun foerageergebieden. Binnen de MRE-gemeenten zijn dit met name robuuste bomenrijen of -randen. De vliegroutes bevinden zich voornamelijk binnen een afstand van 200 meter tot robuuste lijnelementen. Tot slot is het belangrijk dat er op alle soorten flora en fauna een zorgplicht van toepassing is. Dit betekent dat men moet voorkomen om handelingen uit te voeren die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten. Dit geldt voor iedere handeling en is derhalve niet onderscheidend.
Broedvogels Voor de beoordeling van dit criterium zal gekeken worden naar de hoeveelheid soorten per 250m-cel die de indicatieve windparklijn doorkruisen. Niet alleen naar de lijn zelf, maar ook de overdraai (75m) zal worden meegenomen. De scoring gebeurt op basis van onderscheidende categorieën. Figuur 44
Aantal broedvogelsoorten per 250x250m cel binnen de Metropoolregio Eindhoven
97 Omgevingseffecten wind
97