21072.22 - PlanMER RES MRE
Tekst van het document
2.8
Leeswijzer
30 Inleiding
30
PlanMER RES MRE
Hoofdstuk 3 Context
31 Context
31
PlanMER RES MRE
3.1
Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de positionering van het MER binnen het proces van de RES. Tevens komen andere ruimtelijke ontwikkelingen kort aan bod die mogelijk concurrerend zijn met de opgave voor grootschalige opwek.
3.2
Procesgeschiedenis RES MRE Hieronder beschrijven we hoe de Metropoolregio Eindhoven tot de globale zoekgebieden, voor grootschalige opwek met wind en zon, in de concept-RES zijn gekomen. Die zoekgebieden en bijbehorende onderzoeken en analyses dienen als uitgangspunt voor het milieueffectrapport.
3.2.1
De verschillende stappen We hebben drie hoofdstappen doorlopen om te komen tot de globale zoekgebieden in de concept-RES. Voor de eerste twee stappen hebben we bovendien input opgehaald tijdens verschillende werkateliers met een brede groep stakeholders: Landschappelijke analyse met regionale landschapstypen en energiebouwstenen De energietransitie landt in de fysieke leefomgeving. De Metropoolregio Eindhoven is daarom gestart met een analyse van het landschap van de regio om de ruimtelijke kwaliteiten in beeld te krijgen. Ook is een verkenning gedaan naar de ruimtelijke inpassing van energieopwek binnen de verschillende landschapstypen van de regio. Het resultaat van de analyse is een overzicht van de meest kenmerkende landschapstypen van de Metropoolregio Eindhoven binnen de grotere context van Noord-Brabant en een energiebouwstenenmatrix. In de matrix staat per landschapstype beschreven of zij zich lenen voor inpassing, aanpassing en/of transformatie van het landschap ten behoeve van energieopwekking. Daarnaast is samen met de stakeholders gekeken in hoeverre de verschillende landschapstypen geschikt zijn om ruimte te bieden voor grootschalige opwekking van zon en/of windenergie. En hoe intensief dit kan zonder de landschappelijke kwaliteiten te schaden.
Kansen voor energieopwekking door verbinding met andere opgaven De regio wil zorgvuldige keuzes maken over de ruimtelijke inpassing van grootschalige opwek van duurzame elektriciteit. Hierbij willen zij oog hebben voor andere relevante, soms urgente, en vaak ook complexe maatschappelijk vraagstukken. Intuïtief maakt men complexe vraagstukken vaak kleiner door ze op te knippen, maar in het geval van de RES is het juist verstandig om te onderzoeken of de energieprojecten een (deel van de) oplossing van andere opgaven kunnen zijn. Denk aan andere gebiedsopgaven zoals het tegengaan van verdroging (klimaatadaptatie), het versterken of herstellen van het landschap (beekdalherstel, aanleg bossen), natuurontwikkeling en de landbouwtransitie. De energiebouwstenenmatrix bevat daarom naast bouwstenen gericht op energieopwekking ook mogelijke bouwstenen gericht op gebiedsopgaven in combinatie met energieopwekking. De landschapsanalyse, energiebouwstenen en koppelkansen leverden samen de eerste kansenkaart met op gebieden waar energieopwekking wenselijk en mogelijk zou kunnen zijn.
Context
32 32
PlanMER RES MRE
De technische en wettelijke mogelijkheden voor zonnevelden en windparken De technische potentie van windturbines wordt in belangrijke mate bepaald door enkele harde restricties. Zo leggen verschillende luchthavens in en rondom de regio bouwhoogtebeperkingen op vanwege de veiligheid voor het vliegverkeer. Ook kunnen er beperkingen zijn in verband met verstoring van de radar. Een andere restrictie is de afstand die aangehouden moet worden tot gevoelige objecten (zoals woningen, ziekenhuizen of onderwijsgebouwen) of de afstand in relatie tot veiligheid rondom bijvoorbeeld wegen of hoogspanningslijnen. Bovendien gelden er restricties voor de ontwikkeling van zon en wind in natuurgebieden. Door confrontatie van de belemmeringenkaart, waarop de restricties zijn aangegeven, met de ruimtelijke kansen (kansenkaart) heeft de regio een eerste beeld verkregen van de kansrijke zoekgebieden. 3.2.2
Het resultaat van die stappen De Metropoolregio Eindhoven heeft in de concept-RES een zonneladder opgenomen die zij in de zoektocht naar zoekgebieden voor zon gehanteerd hebben. Een uitgangspunt bij de zonneladder is zo veel mogelijk meervoudig ruimtegebruik. Voor een nadere uitwerking van de zonneladder uit de concept-RES verwijzen we naar het hoofdstuk grootschalige opwek in de RES 1.0. Het gaat hierbij om een voorkeursvolgorde, waarbij de regio zich ervan bewust is dat ze gezien de enorme opgave ook de laatste treden moeten benutten. De keuze voor die gebieden moet zorgvuldig gemaakt worden. Bovendien vindt de regio het belangrijk om energie in te zetten ter versterking van de regio. Dit kan bijvoorbeeld door de energie te combineren met andere opgaven en functies. De regio heeft in de RES enkele brede thema’s geformuleerd die kenmerkend zijn voor de regio. Voor invulling van een specifieke locatie is het van belang dat ook de verbinding wordt gezocht met de lokale opgaven die zijn opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisies.
De brede thema’s uit de RES zijn: • Een vitale agrarische economie • Een veerkrachtig natuurlijk systeem • Een duurzame en innovatieve economie • Een veerkrachtig watersysteem en klimaatadaptatie De informatie die in het voorgenoemde proces is opgehaald is getoetst, samengebracht en vervolgens vertaald naar de wijze waarop de Metropoolregio Eindhoven energie duurzaam gaat opwekken. Op basis daarvan zijn de volgende drie categorieën bepaald: 1. Via no-regret maatregelen; 2. In zoekgebieden voor grootschalige opwek; 3. Via energie-opwek ten dienste van andere opgaven en doelen. Het planMER houdt zich enkel bezig met categorie 2: zoekgebieden voor grootschalige opwek.
3.2.3
De opbouw van het RES bod Met de resultaten van de voorgenoemde stappen heeft de Metropoolregio Eindhoven een inschatting gegeven van hun bijdrage aan de landelijke doelstelling van 35 TWh.
Context
33 33
PlanMER RES MRE
“We willen in totaal 2 TWh bijdragen aan grootschalige duurzameenergie initiatieven in 2030.” Het bod voor grootschalige opwek is gelaagd opgebouwd. ➢ Het eerste deel van het bod voor grootschalige opwek zijn de gerealiseerde grootschalige hernieuwbare elektriciteitsprojecten (groter dan 15 kWh). Gezamenlijk zijn deze projecten goed voor 0,51 TWh aan duurzame opwek per jaar. ➢ Het tweede deel van het bod bestaat uit de projecten die in de pijplijn zitten, dit zijn windturbineparken, grootschalige zonnedaken en zonnevelden waarvoor een SDE+ subsidie is beschikt. Hiervoor is in de RES een inschatting gemaakt van 0,64 TWh. ➢ Het realiseren van no-regret maatregelen heeft vervolgens prioriteit. En wel in de volgorde die de zonneladder in de RES 1.0 voorschrijft. Een deel daarvan is al gerealiseerd of zit in de pijplijn. Het resterende deel aan no-regret maatregelen is jaarlijks goed voor 0,28 TWh. ➢ Tot slot gaat de regio een deel van de potentie van de zoekgebieden die in de concept-RES en de RES 1.0 zijn opgenomen benutten. Het planMER geeft hierbij een nadere onderbouwing van de zoekgebieden met een significante bijdrage en helpt bij het maken van vervolgkeuzes. Dit gaat om totaal nog 0,57 TWh. Dit is het doelbereik van het MER.
3.2.4
Van concept-RES naar RES 1.0 In de concept-RES zijn al veel stappen doorlopen om te komen tot de globale zoekgebieden en het bijbehorende bod, maar de regio was nog niet klaar. Met de resultaten hebben zij een inschatting kunnen geven van hun bijdrage van 2 TWh aan de landelijke doelstelling van 35 TWh en in welke zoekgebieden de projecten in potentie kunnen landen. Voordat de regio nadere keuzes kan maken voor (delen van) zoekgebieden was echter aanvullend onderzoek nodig. De Metropoolregio Eindhoven heeft ervoor gekozen om dit onder meer te doen met behulp van het milieueffectrapport.
Context
34 34
PlanMER RES MRE
Tevens is inmiddels beter zicht op de wijze waarop de 2,0 TWh wordt ingevuld; in de concept-RES was het gedeelte dat met grootschalige opwek binnen de zoekgebieden moet worden gerealiseerd een stuk hoger dan ten tijde van de RES 1.0: 1,1 TWh in plaats van 0,57. Het MER geen uitsluitsel biedt over de gebieden waar de grootschalige opwek het beste kan plaatsvinden; dat is een belangenafweging waarbij ook de stem van de individuele gemeenteraden gehoord moet worden. Wel zijn de milieueffecten in beeld gebracht en volgt uit het MER dat het behalen van het doelbereik van 0,57 TWh binnen de zoekgebieden goed mogelijk is, en dat er zelfs ruimte is voor overdimensionering, optimalisatie of potentie die kan worden ingezet in de periode na 2030.
3.3
Reikwijdte en Detailniveau van het MER De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) benoemt welke milieutechnische aspecten in het MER worden onderzocht en vormt samen met de daarop ontvangen zienswijzen het uitgangspunt van het MER. Zowel de NRD als de nota van beantwoording van zienswijzen hierop zijn te raadplegen via de website van de MRE. Hieronder staat een korte samenvatting van wijzigingen in de aanpak die zijn voortgekomen uit de zienswijzen en adviesreacties. ➢ Zoekgebieden voor duurzame energie in omliggende RES-regio’s (nabij de regiogrens) worden benoemd bij de beschrijving ‘referentiesituatie en autonome ontwikkeling’. Zoekgebieden kunnen echter niet gekwalificeerd worden als autonome ontwikkeling, en worden daarom ook niet als zodanig meegenomen in de milieueffectbeoordeling. ➢ Er zal in het MER een alternatief worden onderzocht waarbij korte ligging nabij netinpassing een ontwerpcriterium is. ➢ Cumulatieve effecten op vogels en vleermuizen worden waar mogelijk en passend bij het detailniveau van het MER beschreven. ➢ Het planMER zal een gespecificeerd overzicht en kaartbeeld bevatten van de belemmeringen die zijn meegenomen in de analyse. ➢ Het planMER zal een duidelijke toelichting bevatten waarom de aanpak met richtafstanden voldoende inzicht biedt in de effecten van windturbines op de leefomgeving om ter onderbouwing te dienen van de RES 1.0.
➢ De ligging van een zoekgebied voor windparken binnen een radarvlak waar een beperking geldt wordt als beoordelingscriterium opgenomen in het planMER. ➢ De ligging van windparklocaties ten opzichte van recreatiebestemmingen zal worden betrokken in de beoordeling van het bredere thema Economie. ➢ Het aantal recreatieondernemingen wordt per zoekgebied bepaald en betrokken in de effectbeoordeling voor zon. ➢ De aanpak voor het PlanMER beperkt gewijzigd t.o.v. hoe deze is beschreven in de Concept NRD: er worden in fase 1 (MRE-breed) geen alternatieven onderzocht. Dit gebeurt pas nadat de milieueffecten binnen de zoekgebieden bekend zijn.
35 Context
35
PlanMER RES MRE
3.4
Totstandkoming zoekgebieden
3.4.1
Zoekgebieden concept-RES De zoekgebieden zijn voornamelijk tot stand gekomen door middel van ontwerpend onderzoek waarbij meekoppelkansen met natuur, landbouw en infrastructuur bepalend waren. Zie paragraaf 3.2 voor een uitgebreide toelichting op de totstandkoming van de zoekgebieden. De zoekgebieden hebben in de concept-RES ook een categorie toegewezen gekregen, die iets zegt over de aard van het gebied en de daar spelende factoren: Energie langs infrastructuur, Energie voor de versterking van de agrarische economie, Energie voor natuurontwikkeling. Deze categorieën zijn in het MER buiten beschouwing gelaten: alle zoekgebieden zijn op dezelfde manier beoordeeld. Wel zijn de potentie voor versterking van de agrarische economie en de potentie voor natuurontwikkeling opgenomen als aanvullende beoordelingscriteria (voor alle zoekgebieden).
3.4.2
Zoekgebieden Kempengemeenten Belangrijk verschil tussen de het planMER voor de Kempengemeenten en het planMER voor de Metropoolregio is de rol van zoekgebieden. In het planMER Kempengemeenten zijn geen zoekgebieden aangewezen: het MER doet enkel uitspraken over de geschiktheid van de verschillende landschapstypen (met name de jonge en oude zandontginningsgebieden) en windparklocaties. In het daaropvolgende proces zijn door de verschillende Kempengemeenten zoekgebieden aangewezen. In drie van de gemeenten (Bergeijk, Oirschot en Reusel – De Mierden) is het beleidskader, samen met deze zoekgebieden, vastgesteld. In de andere twee gemeenten (Bladel en Eersel) zijn wel zoekgebieden bepaald, maar is het beleidskader niet vastgesteld.
3.5
Overige uitgangspunten Windenergie ➢ Alleen opstellingen van tenminste 3 windturbines worden in dit MER beschouwd, om aan te sluiten bij de Interim omgevingsverordening van de provincie.
Context
36 36
PlanMER RES MRE
➢ Plaatsing binnen Natuurnetwerk Brabant en Natura 2000-gebieden wordt op voorhand uitgesloten. Daaronder valt ook overdraai boven deze gebieden. Dat betekent dat in de belemmeringenkaart een minimumafstand ter grootte van de wieklengte van de referentiewindturbines wordt aangehouden tot alle NNBen Natura 2000-gebieden. Beschermde natuurgebieden buiten de provincie Noord-Brabant (in Limburg en België) worden op dezelfde manier behandeld. ➢ Uitzondering op bovenstaande is de mogelijkheid voor wind in NNB-gebieden langs grootschalige infrastructuur. Hiertoe is in de Interim omgevingsverordening een uitzondering mogelijk gemaakt (artikel 3.38). Uitgangspunt in dit planMER is daarbij dat deze uitzondering bedoeld is om een windpark (van tenminste 3 windturbines) toch mogelijk maken als de ligging van 1 windturbine binnen NNB langs grootschalige infrastructuur daarbij de kritische factor is en het windpark zonder die betreffende windturbine dus niet mogelijk zou zijn. Onder grootschalige infrastructuur wordt in dezen verstaan: rijks- en provinciale wegen, doorgaande vaarwegen en spoorwegen. Zonne-energie ➢ Plaatsing binnen Natuurnetwerk Brabant en Natura 2000-gebieden wordt op voorhand uitgesloten. Algemeen ➢ Tijdshorizon is 2030.
Oplossingen en locaties die realistisch gezien niet leiden tot grootschalige opwek in 2030 blijven in dit planMER buiten beschouwing, tenzij expliciet anders vermeld.
3.6
Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen De milieueffecten van de onderzochte alternatieven worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie: dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als het project niet wordt gerealiseerd. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie plus relevante autonome ontwikkelingen.
3.6.1
Autonome ontwikkelingen Onder autonome ontwikkelingen worden in een MER verstaan: die ontwikkelingen waarvan reeds een ontwerp is gepubliceerd. Het betreft dus redelijk concrete plannen, met een grote kans van doorgang. Algemene ontwikkelingen, zoals de landbouwtransitie of infrastructurele projecten in de vooronderzoeksfase, vallen niet onder de definitie van autonome ontwikkeling en worden dus niet beschouwd. Onderstaande lijst geeft een overzicht van dergelijke autonome ontwikkelingen.
Tabel 6
Autonome ontwikkelingen Gemeente Locatie Deurne Funnel/restrictievlak vliegbasis De Peel Ontwikkeling nieuw bedrijventerrein Kranenmortel-Zuid Geldrop-Mierlo
Context
37
MIRT-verkenning A67
37
PlanMER RES MRE
Gemert-Bakel Laarbeek Nuenen
3.6.2
Ontwikkeling zonnepark Verhoeven (buiten zoekgebied) Mogelijke nieuwe waterbergingslocaties in het Hemelwaterstructuurplan. Zonneparken in ontwikkeling Aanpassingen aan de N279 Veghel - Asten Bedrijventerrein Eeneind-West Uitbreidingsplan Nuenen-West
Stedelijke ontwikkeling Naast de in de vorige paragraaf beschreven autonome ontwikkelingen is het tevens mogelijk dat het stedelijk gebied wordt uitgebreid. Onderstaande kaart uit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant illustreert dit. Omdat deze uitbreidingsgebieden op dit moment niet concreet in ontwikkeling zijn worden zij niet als autonome ontwikkeling beschouwd, maar dient hun opname in het MER als ‘geheugensteun’ voor het vervolgtraject.
Figuur 8
Stedelijke ontwikkeling in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Hetzelfde geldt voor het toekomstige regionale bedrijventerrein in de Peel waarvoor op dit moment nog geen locatie bekend is.
38 Context
38
PlanMER RES MRE
Hoofdstuk 4 Belemmeringen
39 Belemmeringen
39
PlanMER RES MRE
4.1
Inleiding Belangrijk uitgangspunt van een planMER is een belemmeringenkaart voor zonneen windenergie. Het heeft immers alleen zin om de potentiële effecten te onderzoeken van realiseerbare zonne- en windparken. In dit planMER maken wij onderscheid tussen harde belemmeringen en zachte belemmeringen. Het verschil bestaat eruit dat harde belemmeringen op voorhand de ontwikkeling van zonne- en windparken verhinderen, terwijl dat voor zachte belemmeringen nog niet met zekerheid te zeggen is. Omdat de belemmeringen voor zonne- en windparken niet hetzelfde zijn worden beide opwekvormen in dit hoofdstuk apart behandeld. N.B. ten behoeve van de concept-RES is reeds ruimtelijk onderzoek verricht. Hiernaar wordt in dit planMER verwezen als ‘Vooronderzoek’. De concept-RES en bijlagen zijn te vinden op www.energieregiomre.nl.
4.2
Windenergie Voor windenergie geldt dat de omvang van de belemmeringen in veel gevallen afhangt van de afmetingen van de windturbines. Zo geldt bijvoorbeeld als afstandseis voor hoogspanningsverbindingen dat windturbines minimaal de tiphoogte afstand moeten aanhouden11. Dit MER gaat uit van een referentiewindturbinetype met een ashoogte en rotordiameter van 150 meter (en dus een tiphoogte van 225 meter). Dit is hetzelfde type als werd aangehouden bij het planMER Kempengemeenten. Eventuele gevolgen van het toepassen van grotere (of kleinere) windturbines valt buiten het detailniveau van dit planMER en is onderdeel van de voorbereiding van concrete projecten. Bij de totstandkoming van de concept-RES is gerekend met een groter windturbinetype (tiphoogte 240 i.p.v. 225 meter). De keuze om daar in dit planMER van af te wijken is tweeledig: 1) Aansluiten bij aanpak planMER Kempengemeenten 2) Niet op voorhand te veel ruimte uitsluiten; de precieze afmetingen zijn onderwerp van het lokale ontwerpproces. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de manier waarop verschillende belemmeringen in de belemmeringenkaart van het planMER zijn opgenomen. Indien deze aanpak verschilt met het voortraject t.b.v. de concept-RES is daarover een toelichting toegevoegd.
40
11 tiphoogte = hoogte van de mast + de lengte van een wiek.
Belemmeringen
40
PlanMER RES MRE
Tabel 7 Belemmeringen windenergie Belemmering Minimale afstand Harde belemmeringen Buisleidingen 225 meter (tiphoogte) Hoogspanning 225 meter (tiphoogte)
Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant (NNB)
75 meter (wieklengte)
Panden
75 meter (wieklengte) 86 meter (wieklengte + 11m) 105 meter (wieklengte + 30m) n.v.t
Spoorwegen
Vaarwegen
Vliegverkeer en radar
Wegen – rijkswegen
75 meter (wieklengte)
Wegen – overige wegen
20 meter (fundering)
Windturbines Woningen
600 meter 400 meter
Opmerking
In het Vooronderzoek werd 240m aangehouden i.v.m. andere referentie-afmetingen. De hoogspanningsbuffer van BvR omvat twee trajecten die niet aanwezig zijn in het Vooronderzoek, te weten een traject ten noordwesten van Oirschot en een traject gelegen tussen Eindhoven en Veldhoven. In het Vooronderzoek werd 240m aangehouden i.v.m. andere referentie-afmetingen. In het Vooronderzoek werd geen wieklengte afstand tot beschermde natuurgebieden aangehouden. Deze buffer zorgt ervoor dat het planMER beter aansluit bij het provinciaal beleid dat ook overdraai geldt als ‘plaatsing in’. Dit is tevens een verschil met de methode in het planMER voor de Kempen. Een tweede verschil t.o.v. dat eerdere planMER is dat nog-te-realiseren NNB nu eveneens als harde belemmering is opgenomen. Niet meegenomen in het Vooronderzoek. Deze minimumafstand voorkomt overdraai boven gebouwen. Afstandseis Prorail. Er is een verschil van enkele meters met het Vooronderzoek i.v.m. andere referentie-afmetingen.
In dit planMER wordt de Beleidslijn Rijkswaterstaat gevolgd. Het Vooronderzoek gaat uit van een bufferafstand van 50 meter.
De invliegfunnels (meer specifiek de 300-voetszone) worden zowel in het Vooronderzoek als in het planMER als harde belemmering gezien voor windenergie. Zie ook Figuur 9. In het Vooronderzoek werd ook tot provinciale wegen de adviesafstand van Rijkswaterstaat aangehouden. Het planMER hanteert deze afstand alleen voor rijkswegen, aangezien de beleidsregel niet gaat over provinciale wegen. In de praktijk zal dit verschil slechts in zeer uitzonderlijke gevallen tot andere uitkomsten leiden. Niet meegenomen in het Vooronderzoek. Deze minimumafstand tot wegen is opgenomen, omdat de fundering van de windturbine vrij van de verharding moet liggen. Vuistregel ter voorkoming van windafvang: 4 x rotordiameter N.B. de 400 meter is geen harde afstandseis, maar een vuistregel ter voorkoming van normoverschrijding geluid en slagschaduw. De daadwerkelijk minimaal aan te houden afstand kan verschillen van project tot project en is daarom op het detailniveau van een planMER niet te bepalen. Verschil met het Vooronderzoek is dat de woningen op de Ruyter van Steveninckkazerne in de belemmeringenkaart van het planMER wel opgenomen zijn als geluidsgevoelige objecten.
Zachte belemmeringen Vliegverkeer en radar
In het Vooronderzoek zijn de CNS-vlakken rond militaire bases aangeduid als belemmering. Dit planMER beschouwt daarnaast ook de 500-voetszone als zachte belemmering: binnen dit (grotere) gebied gelden zeer strenge regels ten aanzien van radarverstoring. Hoewel de kansrijkheid van windturbines binnen deze
41 Belemmeringen
41
PlanMER RES MRE
zone niet groot wordt geacht (door TNO), is realisatie op voorhand niet uit te sluiten, daarom is de 500-voetszone als zachte belemmering meegenomen. NNB langs grootschalige infra
Niet meegenomen Stedelijke ontwikkeling
Inrichtingen BRZO
Figuur 9
Een strook van 400m aan weerszijden van grootschalige infrastructuur wordt gezien als zachte belemmering als het gaat om het intekenen van windparklocaties, om recht te doen aan artikel 3.38 Interim omgevingsverordening NoordBrabant. 300 meter is als afstand gekozen om enerzijds de koppeling met de grootschalige infrastructuur niet te verliezen en anderzijds nog enige schuifruimte te hebben voor individuele windturbines. Windparklocaties mogen niet geheel binnen deze zone vallen. Onder grootschalige infrastructuur wordt in dezen gezien: rijks- en provinciale wegen, doorgaande vaarwegen en spoorwegen. Wel beschouwd in de ruimtelijke analyse van de MRE, maar niet meegenomen in het planMER. Alleen ‘echte’ autonome ontwikkelingen, waarvan een ontwerp is gepubliceerd worden als belemmering beschouwd. Eventuele ‘vagere’ plannen en voornemens leiden niet tot uitsluiting van gebieden, maar kunnen in een later stadium altijd nog aanleiding zijn om een bepaalde locatie niet in te zetten voor grootschalige opwek. Niet meegenomen in de belemmeringenkaart van BvR (valt buiten detailniveau). Niet meegenomen in de belemmeringenkaart van BvR (valt buiten detailniveau).
Verschillende belemmeringsvlakken radar en luchtvaart. Het planMER beschouwt de invliegfunnels (zwart) als harde belemmering en de 500-voetszone (blauw gearceerd) als zachte belemmering. De paarse (toetsings)vlakken zijn niet op voorhand als (zachte) belemmering meegenomen, omdat juridische grondslag daarvoor ontbreekt.
42 Belemmeringen
42
Figuur 10
Alle harde belemmeringen voor windenergie zoals beschreven in Tabel 7.
43 43
Figuur 11
De ‘Kansenkaart windenergie’ voor de MRE ontstaat door alleen die gebieden te tonen waar geen harde belemmeringen optreden.
44 44
PlanMER RES MRE
4.3
Zonne-energie Ook voor zonne-energie is een overzicht gemaakt van harde belemmeringen. Doordat de aan te houden minimumafstanden voor zon veel kleiner zijn dan voor wind is er minder belemmerd oppervlak.
Tabel 8 Overzicht van belemmeringen voor grootschalige zonneparken. Belemmering Omschrijving Bos (20m) Deze belemmering is uit de top10NL terrein kaart gehaald. Ook hier is een buffer van 20 meter gehanteerd om schaduwwerping te voorkomen. NNB (20m) NNB wordt met een buffer van 20 meter als belemmering meegenomen. Natura 2000 (20m) Natura 2000 wordt met een buffer van 20 meter als belemmering meegenomen. Militair oefenterrein Ten noorden van Eindhoven Airport ligt een militair oefenterrein dat in deze analyse als geheel is uitgesloten voor de ontwikkeling van zonneparken. Panden op bedrijventerreinen Om de mogelijkheden op bedrijventerreinen te onderzoeken, maar wel rekening te houden met de belemmeringen die daar spelen is voor de bedrijventerreinen een buffer aangehouden van 20 meter rondom aldaar gelegen panden. Recreatiebestemmingen In de belemmeringenkaart zijn gebieden met enkelbestemming recreatie meegenomen als belemmering. Wegen (8m) Wegen worden met een buffer van 8 meter vanuit de hartlijn als belemmering meegenomen. Woonkernen In de belemmeringenkaart zijn alle woonkernen meegenomen als belemmering.
45 Belemmeringen
45
Figuur 12
Harde belemmeringen zonne-energie.
46 46
Figuur 13
Onbelemmerde gebieden voor zon, inclusief het landschapstype.
47 47
PlanMER RES MRE
Hoofdstuk 5 Afbakening
48 Afbakening
48
PlanMER RES MRE
5.1
Inleiding Het planMER dient ter onderbouwing voor de keuze van de locaties waar grootschalige opwek van duurzame elektriciteit door middel van wind- en zonneparken wordt mogelijk gemaakt. Ten dienste van datzelfde doel is in de voorbereiding van de concept-RES (begin 2020) reeds een eerste ‘zeef’ toegepast: een uitgebreid ontwerpend onderzoek heeft geresulteerd in een aantal zoekgebieden voor grootschalige opwek, die zijn vastgesteld door de stuurgroep en vervolgens voorgelegd aan de portefeuillehouders van de MRE-gemeenten. De concept-RES is vervolgens bestuurlijk vastgesteld door gemeenten, waterschappen en provincie. Zie voor toelichting ook paragraaf 3.4. Aan de zoekgebieden is, op basis van de tekst van paragraaf 4.2 onder kop 2 van de concept-RES, een extra zoekgebied toegevoegd: een strook van 300 meter aan weerszijden van de snelwegen A2, A50, A58 en A67, voor zover deze gebieden niet reeds aan een ander zoekgebied toegewezen zijn. Dit aanvullende zoekgebied is als nummer 38 bestempeld. In het planMER ligt de focus op de effectbeoordeling van zonne- en windenergie binnen deze zoekgebieden, weergegeven in Figuur 14.
Figuur 14
Zoekgebieden.
49 Afbakening
49
PlanMER RES MRE
Om te voorkomen dat geschikte locaties die niet in deze zoekgebieden liggen ten onrechte buiten beschouwing blijven wordt wel een check gedaan: ➢ alle windparklocaties die op basis van de belemmeringenanalyse naar voren komen zijn beoordeeld op hun milieueffecten. Deze effectbeoordeling kunnen de gemeenten gebruiken om eventuele ‘gemiste kansen’ alsnog in overweging te nemen. ➢ voor zonneparken geldt dat niet het gehele grondgebied van de metropoolregio wordt onderzocht; dat gaat de onderzoeksopgave van dit planMER te buiten. Wel is een uitgebreide landschappelijke beoordeling uitgevoerd van zowel de verschillende landschapstypen als het effect van zonneparken daarop. Op basis hiervan is het voor gemeenten of andere belanghebbenden mogelijk om potentiële alternatieve locaties voor zonneparken aan dezelfde beoordeling te onderwerpen als in dit planMER voor de zoekgebieden gebeurd is.
5.2
Beschrijving windparklocaties
5.2.1
Niet-belemmerde gebieden en windparklocaties Op basis van bovenstaande harde belemmeringen zijn in de niet-belemmerde gebieden individuele windparklocaties ingetekend: dit zijn indicatieve (lijn)opstellingen waar tenminste 3 windturbines passen. In sommige gevallen liggen lijnen zo dicht bij elkaar dat ook gesproken zou kunnen worden van een cluster. De geaggregeerde (cluster)beoordeling komt aan bod wanneer dergelijke lijnen samen in een zoekgebied liggen, of in hetzelfde alternatief zijn opgenomen (zie Hoofdstuk 8). Onderstaande figuur toont de indicatieve windparklocaties in de Metropoolregio Eindhoven.
Figuur 15
Indicatieve windparklocaties, op basis van de harde belemmeringen binnen de MRE.
50 Afbakening
50
PlanMER RES MRE
Van de 65 windparklocaties zijn er: > 33 gelegen binnen de zoekgebieden uit de concept-RES. Deze windparklocaties hebben een aanduiding gekregen waaruit direct afleidbaar is binnen welk zoekgebied zij liggen. Zo zijn bijvoorbeeld de drie windparklocaties binnen zoekgebied 17 aangeduid als 17-1, 17-2 en 17-3. 24 gelegen buiten de zoekgebieden, maar binnen de Kempengemeenten. Deze windparklocaties hebben een aanduiding gekregen die aansluit bij de benaming die deze windparklocatie ontving in het planMER voor de Kempengemeenten. In dat MER waren de windparklocaties genummerd van 1 t/m 53. In voorliggend planMER beginnen deze locatienamen met een ‘K’, zodat in een oogopslag duidelijk is dat deze locaties ook in het planMER Kempengemeenten zijn beschouwd. Als er kleine verschillen optreden tussen de windparklocaties in beide MERren als gevolg van de gewijzigde is dit aangeduid met een ‘b’. Zo is Kempen-windparklocatie 24 omgedoopt tot K24 en Kempen-windparklocatie 23 tot K23b. Aanleiding voor deze verschillen en een kaart waarop beide versie worden getoont staat in paragraaf 5.2.2. 8 gelegen buiten de zoekgebieden, buiten de Kempengemeenten. Deze windparklocaties zijn genummerd van B1 t/m B8. Elk van deze windparklocaties wordt eerst individueel beoordeeld op de milieuthema’s uit het planMER.
Vervolgens worden de windparklocaties binnen de zoekgebieden ook nog in verschillende combinaties beschouwd: per zoekgebied (zie paragraaf 6.9) en per alternatief (zie Hoofdstuk 8). 5.2.2
Verschil met aanpak Kempen Het planMER voor de Kempen was in sommige opzichten anders van opzet dan het planMER voor de RES van de Metropoolregio Eindhoven. Belangrijkste verschil in de belemmeringenanalyse t.o.v. het planMER voor de Kempengemeenten is dat voor de MRE overdraai boven NNB op voorhand wordt uitgesloten. Deze aanpassing komt deels voort uit lessen die geleerd zijn bij het planMER voor de Kempengemeenten: het is niet zinvol om dergelijke gebieden te beschouwen als potentiële windlocaties. Dit leidt er ook toe dat meerdere windparklocaties zoals die eerder geformuleerd waren niet langer mogelijk zijn of net anders komen te liggen. Onderstaand figuur laat de verschillen zien tussen de beide aanpakken.
51 Afbakening
51
PlanMER RES MRE
Figuur 16
Windparklocaties uit het planMER Kempengemeenten wijken af doordat 1) nog te realiseren NNB in het planMER voor de MRE als harde belemmering wordt gezien, conform de provinciale omgevingsverordening en 2) omdat in het planMER voor de MRE overdraai boven beschermde natuurgebieden op voorhand wordt uitgesloten, waardoor meerdere windparklocaties uit het planMER voor de Kempengemeenten niet uit de belemmeringen-/kansenkaart naar voren komen.
5.3
Beschrijving zonneparken Een zonnepark is een installatie voor de grootschalige opwek van duurzame elektriciteit. Onder een ‘grootschalig zonnepark’ wordt verstaan: alle initiatieven van op de grond geplaatste zonnepanelen in een aaneengesloten veld, inclusief de landschappelijke rand. Binnen een zonnepark zijn verschillende delen te onderscheiden. Het panelenveld, het functionele deel van het zonnepark waar de zon-installaties staan. Dit wordt ook wel de opstelling genoemd. In principe worden er twee opstellingen onderscheiden: oost-west gerichte en zuidgerichte opstellingen. In het MER wordt geen onderscheid gemaakt tussen een zuid-gerichte en oostwest opstelling. Dit past niet bij het detailniveau.
52 Afbakening
52
PlanMER RES MRE
Afhankelijk van de vorm en oriëntatie van een perceel kan worden afgeweken van deze oriëntaties, maar vaak probeert men altijd zo nauwkeurig mogelijk één van deze twee oriëntaties te behouden. Bij afwijking kan een verlies in efficiëntie ontstaan. Over het algemeen worden dezelfde bandbreedtes qua indeling en dimensies van een opstelling gehandhaafd, maar deze kunnen ook afwijken wegens locatiespecifieke omstandigheden, soorten panelen of andere afwegingen. De panelenopstellingen kunnen een hoogte hebben tot circa één meter, maar gebruikelijker is een hoogte tussen de twee tot drie meter. Naast bovenstaande opstellingen zijn er vaak ook eisen voor het ontwerp van het gehele zonnepark die impact hebben op het ruimtebeslag. De meest voorkomende eisen zijn een hekwerk (i.v.m. diefstal – verzekeringstechnisch), toegangsweg en onderhoudspaden om onderhoud uit te kunnen voeren. Daarnaast is er vaak sprake van landschappelijke inpassing. Ook het landschappelijke inpassen van een opstelling heeft impact op het ruimtebeslag van het gehele zonnepark. Het is projectafhankelijk hoe hiermee wordt omgegaan. Als vuistregel kunnen de dimensies en ontwerpprincipes aangehouden worden zoals beschreven in Tabel 9: Tabel 9
Beschrijving van veel voorkomende eisen bij het ontwerp van een zonnepark. Hekwerk Vaak wordt deze om de gehele zonnepanelenopstelling heen toegepast, met 2,5 meter afstand aan de buitenzijde van het hekwerk voor onderhoud (een grasmaaier moet er kunnen rijden). Toegangsweg/onderhoudspaden
Vaak wordt deze om de gehele zonnepanelenopstelling heen toegepast. Bij grotere projecten liggen deze ook tussen de opstellingen. Vaak wordt voor wegen/paden 3,5 tot 4 meter breedte aangehouden.
Landschappelijke inpassing
Vaak een eis vanuit het bevoegd gezag. Er kunnen geen vuistregels aan verbonden worden. Wel bestaat er een ‘Gedragscode Zon op Land’12 welke veel gehandhaafd wordt. De code beschrijft dat minimaal 25 procent (van bovenaf gezien) van het grondoppervlak van een zonnepark onbedekt moet blijven. Dit moet o.a. waarborgen dat de bodem voldoende water en zonlicht krijgt. Vaak aanwezig rondom de kavelgrenzen. Minimaal 2,5 meter afstand voor onderhoud (grasmaaier/baggermachine moet er kunnen rijden). Meestal worden grotere afstanden aangehouden i.v.m. eisen vanuit het desbetreffende waterschap.
Sloten/watergangen
In Figuur 17 is een voorbeeld weergegeven. Het betreft een indicatief zijaanzicht van een zonnepark met landschappelijke inpassing. Het gaat hierbij om een zuidgerichte opstelling.
12 Gedragscode Zon op Land, Code voor de fysieke en procesmatige wijze van ontwikkeling, inpassing,
vormgeving en beheer van zon op land projecten, Holland Solar, NLVOW, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur & Milieu, de Natuur en Milieufederaties, Natuurmonumenten, de Vogelbescherming en Energie Samen (november 2019).
Afbakening
53 53
PlanMER RES MRE
Figuur 17
Zijaanzicht voorbeeld indeling zonnepark incl. landschappelijke inpassing. Paneelopstellingen zuidgericht. Matenzijn indicatief en kunnen verschillen per project.
Figuur 18
Hoe ziet een zonnepark er uit?
54 Afbakening
54
PlanMER RES MRE
5.3.1
Landschappelijke randen zijn onderdeel van een zonnepark Grootschalige zonneparken bestaan uit meer dan alleen de zonnepanelenopstelling(en). Om verlies van ruimtelijke kwaliteit zoveel mogelijk tegen te gaan, wordt vaak gebruik gemaakt van mitigerende maatregelen. Binnen het planMER is ruimtelijke kwaliteit een belangrijk onderwerp. Bij de bruto draagkrachtberekening en de landschappelijke effectbeoordeling wordt daarom het volgende uitgangspunt aangehouden: Het planMER beschouwt een ‘grootschalig zonnepark’ als de combinatie van paneelopstellingen en ‘landschappelijke randen’. Het planMER gaat verder niet in op welke specifieke randen bij de inpassing van grootschalige zonneparken worden toegepast. Dat past niet binnen het detailniveau van het planMER. Er wordt alleen vanuit gegaan dat er een gebiedseigen landschappelijke rand wordt toegepast. Bovenstaand gegeven is belangrijk voor de landschappelijke beoordeling van zonneparken. Dit wordt toegelicht aan de hand van twee voorbeelden. Voorbeeld I: Wanneer ‘een groene en natuurlijke uitstraling’ een ruimtelijke kwaliteit is van een landschapstype, dan gaat het planMER er niet vanuit dat deze direct wordt aangetast door de komst van een zonnepark. Door de mitigerende maatregel ‘landschappelijke randen’ toe te passen ontstaat er een nieuwe gebiedseigen groene en natuurlijke rand.
Het zonnepark heeft daardoor in kleine mate invloed op de beleefbaarheid van deze ruimtelijke kwaliteit. Zoals eerder benoemd, duurt het enkele jaren om beplanting te laten groeien, waardoor grootschalige zonneparken in de beginfase wel deels zichtbaar zijn en deze de ruimtelijke kwaliteit kunnen aantasten. Er wordt tijdens de beoordeling geen rekening gehouden met deze te overbruggen tijdsspanne. Voorbeeld II: Wanneer ‘openheid of herkenbare structuren’ een ruimtelijke kwaliteit is van een landschapstype, dan gaat het planMER er wel vanuit dat deze direct kan worden aangetast door de komst van een zonnepark. Een zonnepark inclusief landschappelijke randen kunnen namelijk de openheid en het zicht op en beleving van de herkenbare structuren aantasten.
55 Afbakening
55
PlanMER RES MRE
5.3.2
Voorbeeldvisualisaties Onderstaande foto’s geven een indruk van verschillende wijzen waarop een zonnepark omrand kan zijn. Welke omranding gekozen wordt is onderdeel van de projectinrichting. In het hoofdstuk met mitigerende maatregelen wordt een voorzet gedaan voor een aantal gebiedseigen randen binnen de metropoolregio Eindhoven. Zie paragraaf 9.3.
Figuur 19
Visualisatie van een zonnepark, afgesloten met een hekwerk.
56 Afbakening
56
PlanMER RES MRE
Figuur 20
Visualisatie van zonnepark, deels aan het zicht onttrokken door een lage grondwal met struweel.
Figuur 21
Visualisatie van zonnepark, waarbij een open zone is aangehouden tot de weg.
57 Afbakening
57
PlanMER RES MRE
Hoofdstuk 6 Omgevingseffecten wind
58 Omgevingseffecten wind
58
PlanMER RES MRE
6.1
Inleiding effectbeoordeling wind
6.1.1
Beoordeling per windparklocatie In dit hoofdstuk van het planMER zijn de te verwachten milieueffecten van windenergie beschreven. De beoordeling van de milieuthema’s is eerst per individuele windparklocatie uitgevoerd, waarbij de windparklocaties worden beoordeeld op: ➢ Energieopbrengst (paragraaf 6.3) ➢ Leefomgeving (paragraaf 6.4) ➢ Landschap (paragraaf 6.5) ➢ Ecologie (paragraaf 6.5.6) ➢ Netinpassing (paragraaf (6.7) Een samenvattende tabel met de effectbeoordeling van alle 65 windparklocaties wordt gegeven in paragraaf 6.8.
6.1.2
Beoordeling per zoekgebied Vervolgens zijn de zoekgebieden uit de concept-RES beoordeeld. Wanneer een zoekgebied ruimte biedt aan 1 windparklocatie is de effectbeoordeling van de milieuthema’s gelijk aan die van de betreffende windparklocatie. Als binnen een zoekgebied meerdere locaties mogelijk zijn is de effectbeoordeling van het totale zoekgebied een aggregatie van de individuele scores van de windparklocaties. In sommige gevallen worden hier nog beoordelingscriteria aan toegevoegd die enkel voortkomen uit de samenhang van meerdere windparklocaties (zoals eventuele landschappelijke interferentie van nabij elkaar gelegen windparken). Naast de hierboven genoemde thema’s is bij de beoordeling van de zoekgebieden ook een aantal bredere thema’s meegenomen, te weten: Landbouw (paragraaf 6.10.1), Natuurontwikkeling (paragraaf 6.10.2), Economie (paragraaf 6.10.3), Water (paragraaf 6.10.4) en Radar (paragraaf 6.10.5) Een samenvattende tabel met de effectbeoordeling windenergie van alle 38 zoekgebieden wordt gegeven in paragraaf 6.11.
6.2
Beoordelingsmethodiek Voor de beoordeling van de effecten wordt gewerkt met een vijfpuntsschaal13.
Tabel 10
Effectbeoordeling Effect Beoordeling Positief effect ++ Beperkt positief effect + Neutraal effect 0 Beperkt negatief effect Negatief effect -13
Uitzondering is het milieuthema ‘Netinpassing’, waar voor een specifiek geval gebruik is gemaakt van de beoordeling ‘- - -‘. Zie paragraaf 6.7 voor een toelichting.
Omgevingseffecten wind
59 59
PlanMER RES MRE
Hoewel voor alle milieuthema’s een vijfpuntsschaal is gehanteerd, hebben alleen de milieuthema’s ‘Landschap’ en ‘Energieopbrengst’ een mogelijk positief effect (0, +, ++). De overige thema’s worden neutraal of negatief gescoord (0, -, --). Dit gaat voorbij aan eventuele positieve effecten op bijvoorbeeld ecologie door compensatiemaatregelen voor ecologie of een omgevingsfonds voor omwonenden, aangezien deze aspecten niet direct door de windparken worden veroorzaakt en de windparklocaties voor deze afgeleide effecten slechts in geringe mate onderscheidend zijn. Dat deze nadere invulling van de beoordelingscriteria pas wordt uitgevoerd na het bepalen van de milieueffecten is gedaan om ervoor te zorgen dat er voldoende onderscheid tussen de windparklocaties optreedt: het doel van planMER is immers niet alleen om de milieueffecten in beeld te brengen, maar ook om een zinnige vergelijking tussen locaties mogelijk te maken.
6.3
Energieopbrengst windparklocaties
6.3.1
Beoordelingskader Wanneer windturbines elektriciteit produceren wordt op dat moment minder ‘grijze’ stroom door kolen- en (vooral) gascentrales geproduceerd, met bijbehorende vermindering van CO2-, fijnstof en emissies van verzurende stoffen. Per windparklocatie wordt een inschatting gemaakt van de energieopbrengst. In Nederland wordt per opgewekte GWh gemiddeld 480 ton CO2 uitgestoten14. Deze uitstoot wordt met de opwekking van wind- en zonne-energie verlaagd. De vermindering van deze emissies is een direct gevolg van de energieopbrengst. Het MER gebruikt de hoeveelheid opgewekte elektriciteit als beoordelingscriterium voor dit thema.
Tabel 11
Beoordelingscriteria energieopbrengst en vermeden emissies windenergie Thema Beoordelingscriterium Energieopbrengst en Elektriciteitsproductie (MWh/jaar) vermeden emissies
6.3.2
Methode Kwantitatief
Verduidelijking vermogen en productie Het vermogen van windturbines wordt uitgedrukt in MW (megawatt). 1 MW = 1.000.000 Watt. De elektriciteitsproductie van windturbines wordt uitgedrukt in MWh (megawattuur). Een windturbine met een vermogen van 4,2 MW die een uur lang op vol vermogen draait produceert in die tijd 4,2 MWh. Ter vergelijking: een gemiddeld Nederlands huishouden verbruikt ca. 3,2 MWh per jaar.
14
60
Wielders en Nusselder, Emissiekentallen elektriciteit, CE Delft, januari 2020.
Omgevingseffecten wind
60
PlanMER RES MRE
In de concept-RES van de Metropoolregio Eindhoven is een doelstelling opwek van hernieuwbare elektriciteit opgenomen van 2,0 TWh per jaar. 1 TWh (terawattuur) = 1.000.000 MWh. 6.3.3
Onderzoek Eerst is een inschatting gemaakt van de jaarlijkse energieproductie van 1 windturbine. Vervolgens is deze productie vermenigvuldigd met het aantal windturbines, en is er indien van toepassing een afslag voor parkeffecten opgenomen. Voor de berekening van de verwachte jaarlijkse energieproductie zijn de volgende invoergegevens nodig: ➢ Windsnelheidsverdeling op ashoogte – het KNMI heeft in november 2018 een database gepubliceerd met de gemiddelde windsnelheidsverdeling op ashoogte in heel Nederland, gebaseerd op het HARMONIE meteorologisch model15. ➢ Vermogen (power curve) van de windturbines – Om een inschatting te maken van de energieproductie van een windturbine gaan we uit van de gegevens van een concreet type, te weten de Vestas V150 4,2 MW. De power curve van deze windturbine geeft aan welk vermogen deze windturbine levert bij welke windsnelheid. De power curve is aangeleverd door de fabrikant. Bovengenoemde aspecten zijn in Figuur 22 grafisch weergegeven.
Figuur 22
Windsnelheidsverdeling op ashoogte (linkeras) en power curve van de onderzochte windturbines (rechteras).
Door voor elke windsnelheid het aantal verwachte uren in een jaar te vermenigvuldigen met het bij die windsnelheid horende vermogen is de bruto jaarproductie van een windturbinetype te berekenen. Vervolgens wordt hierop 15% in mindering gebracht. Deze afslag is een schatting die termen bevat voor parkverliezen, onderhoud, storing en transportverliezen.
61
15 Ditzelfde model wordt gebruikt in de ‘Windviewer’ van RVO.
Omgevingseffecten wind
61
PlanMER RES MRE
De berekening per alternatief bestaat uit het vermenigvuldigen van de nettoproductie per windturbine met het aantal windturbines in het betreffende alternatief. Tabel 12
Productiegegevens van de referentiewindturbine die in het MER wordt doorgerekend Type Gem. windsnelheid (m/s) Vermogen (MW) Bruto productie per windturbine (MWh/jaar) Netto productie per windturbine (MWh/jr)
Vestas V150 7,3 4,2 18.000 15.300
Op basis van bovenstaande berekening produceert elke windturbine ca. 15.000 MWh oftewel 15 GWh per jaar aan duurzame elektriciteit. Per windparklocatie is de opwekpotentie berekend door deze jaarproductie te vermenigvuldigen met het aantal windturbines. De jaarproductie zoals hierboven beschreven wordt ook gebruikt bij het bepalen van de relatieve effectbeoordeling van de milieuthema’s geluid en slagschaduw. Opbrengst per windturbine is uiteraard sterk afhankelijk van het precieze type en afmetingen. Dit betreft echter projectspecifieke eigenschappen die het detailniveau van dit MER te boven gaan. Het gekozen referentietype is representatief en biedt voldoende inzicht in de opwekpotentie binnen de MRE. 6.3.4
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling In het kader van het MER zijn de windparklocaties met elkaar vergeleken op verwachte energieproductie. Aangezien alle windparklocaties bestaan uit 3 of 4 windturbines is het onderscheid duidelijk. Enige aanpassing hierop is dat windparklocaties die gelegen zijn in het verzorgingsgebied van hoofdstation Hapert een neutrale beoordeling (‘0’) hebben gekregen, omdat uit correspondentie met de netbeheerder Enexis is gebleken dat hier een gerede kans is dat nieuwe grootschalige opwek pas na 2030 gerealiseerd kan worden, aangezien eerst de netinfrastructuur moet worden verzwaard en/of uitgebreid.
Tabel 13
Beoordelingscriterium energieproductie Beoordeling 0 Locaties binnen het verzorgingsgebied van hoofdstation Hapert + 3 windturbines / 45 GWh/jr ++ 4 windturbines / 60 GWh/jr
De effectbeoordeling conform bovenstaande tabel is opgenomen in Tabel 25 op pagina 101.
62 Omgevingseffecten wind
62
PlanMER RES MRE
Figuur 23
Ligging van het verzorgingsgebied van station Hapert.
6.4
Effecten windparklocaties op leefomgeving De effecten van windturbines op de leefomgeving zijn onder te verdelen in ➢ Geluid ➢ Slagschaduw ➢ Gezondheid ➢ Externe veiligheid (Het effect op het uitzicht wordt behandeld bij het milieuthema ‘Landschap’).
6.4.1
Beoordelingscriteria In dit planMER worden geen berekeningen gemaakt voor geluid, slagschaduw en veiligheid. In plaats daarvan wordt gerekend met afstandsvuistregels: de beoordeling van de mogelijke opstellingen gebeurt op basis van het aantal woningen16 binnen 500 meter en binnen 1000 meter van voorbeeldlijnopstellingen. Dit sluit beter aan bij het detailniveau van een planMER. In deze paragraaf zullen wel de toetsingskaders voor geluid, slagschaduw en veiligheid worden beschreven (voor gezondheid geldt geen aanvullend toetsingskader).
16
Feitelijk zijn alle objecten meegenomen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder als ‘geluidsgevoelig’ zijn aangemerkt. Het betreft dus naast woningen ook ziekenhuizen, scholen etc., maar voor de leesbaarheid van de tekst hanteren wij hiervoor de term ‘woningen’.
Omgevingseffecten wind
63 63
PlanMER RES MRE
Uit de sectorale toelichting in de hieropvolgende paragrafen blijkt dat de genoemde vuistregelafstanden een goed beeld geven van de invloed die windturbines op de leefomgeving hebben, zowel als gevolg van geluid als slagschaduw. Tabel 14
Beoordelingscriteria Leefomgeving Beoordelingscriterium - aantal gevoelige objecten binnen 500m - aantal gevoelige objecten binnen 1000m - aantal gevoelige objecten binnen 500m gedeeld door de verwachte energieproductie - aantal gevoelige objecten binnen 1000m gedeeld door de verwachte energieproductie - Aanwezigheid van belangrijke andere geluidsbronnen
Door de aantallen woningen te delen door de verwachte energieproductie wordt ook een relatieve beoordeling toegepast, die zorgt dat locaties die meer energie opwekken beter scoren dan locaties die minder energie opwekken bij een gelijke hoeveelheid nabijgelegen woningen. 6.4.2
Sectorale toelichting - geluid Windturbines produceren geluid, dat meestal wordt omschreven als suizend of zoevend. Er is veel onderzoek gedaan naar windturbinegeluid en de effecten van blootstelling aan dit geluid. Op basis van deze onderzoeken zijn relaties bepaald tussen de hinderbeleving en de blootstelling aan geluidniveaus. Dit zijn zogeheten dosiseffectrelaties, waarbij met de mate van blootstelling een bepaalde mate van effect gepaard gaat. Deze relaties vormen de basis van de geluidwetgeving in Nederland.
6.4.2.1
Toetsingskader geluid
Windturbines vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens dit besluit is de maximaal toegestane waarde ter plaatse van geluidsgevoelige objecten17 47 dB Lden en 41 dB Lnight. De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat om de geluidsbelasting door omgevingslawaai uit te drukken. Hierbij wordt de geluidsbelasting die optreedt gedurende de nacht en de avond zwaarder meegewogen dan geluid overdag. Met de norm wordt recht gedaan aan het feit dat geluid ’s nachts en ’s avonds als storender ervaren kan worden dan overdag. Het geluid wordt berekend als een gemiddelde, waarbij ’s avonds en ’s nachts respectievelijk 5 en 10 dB bij de berekende geluidsbelasting moet worden opgeteld. De norm staat beschreven in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel staat ook vermeld dat het bevoegd gezag bij ‘bijzondere lokale omstandigheden’ normen met een andere waarde vast mag stellen. Voor moderne windturbines geldt dat op een afstand van ca. 400 meter aan de norm wordt voldaan. Dat wil echter niet zeggen dat de windturbines op grotere afstand niet langer hoorbaar zijn.
17
Onder geluidsgevoelige objecten worden verstaan: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen. Bron: Wet geluidhinder.
Omgevingseffecten wind
64 64
PlanMER RES MRE
6.4.2.2
Voorbeeldberekening geluid
Ter illustratie is van een denkbeeldige opstelling van 3 windturbines met onderlinge afstand 600 meter en een rotordiameter en ashoogte van 150 meter (en dus een tiphoogte van 225 meter) berekend hoeveel geluid deze produceert18. Onderstaande figuur toont de 47 dB Lden-contour (de normgrens) alsmede de 42 dB Ldencontour, omdat voldoen aan de norm niet betekent dat de windturbines niet hoorbaar zijn. Tevens zijn de vuistregelafstanden weergegeven. Figuur 24
Geluidsberekening van een voorbeeldopstelling. Zoals blijkt komen de vuistregelafstanden (500 en 1000 meter) redelijk overeen met de 47 en 42 dB Lden-contouren.
6.4.2.3
Cumulatie met andere geluidsbronnen
Het geluid van windturbines komt bovenop de reeds bestaande geluidsbelasting voor woningen. De zoekgebieden kennen slechts op enkele locaties zware geluidsbelasters (zoals gebieden met zware industrie of drukke snelwegen), waardoor cumulatie van het geluid van windturbines met andere bronnen niet overal aan de orde is. Om het aspect cumulatie een plaats te geven in het planMER die aansluit bij het detailniveau, is per windparklocatie gekeken naar de aanwezigheid van significante geluidsbronnen, te weten: ➢ Rijkswegen ➢ Provinciale wegen ➢ Luchtvaartgeluid Deze aan- of afwezigheid vertaalt zich in een aanvullend beoordelingscriterium. 18
Voor deze berekening is uitgegaan van de Vestas V150 4,2 MW. Dit type is qua geluidsproductie representatief voor windturbines met dergelijke afmetingen.
Omgevingseffecten wind
65 65
PlanMER RES MRE
Voor concrete windprojecten zal cumulatie met andere geluidsbronnen onderdeel zijn van de ruimtelijke onderbouwing of (indien van toepassing) van het projectMER. 6.4.2.4
Laagfrequent geluid
Een gedeelte van het geluid dat windturbines produceren heeft een frequentie van 4-125 Hz en wordt daarom geclassificeerd als laagfrequent geluid. Uit zienswijzen op eerdere windprojecten is gebleken dat de vrees bestaat dat laagfrequent geluid mensen ziek maakt en dat de Nederlandse geluidsnorm onvoldoende bescherming biedt, omdat bij de vaststelling van de voor windturbinegeluid geldende norm van 47 dB op basis van Lden met deze informatie geen rekening zou zijn gehouden. Om deze reden heeft de Staatssecretaris van I&M een brief aan de Tweede Kamer gestuurd19 met twee onderzoeken van het Rijksinstituut voor Volksgezond en Milieu (RIVM) en een literatuurstudie naar laagfrequent geluid door Bureau LBP|Sight. Op grond van inzichten uit deze onderzoeken concludeert de Staatssecretaris dat de huidige norm voor geluidhinder van windturbines (47 dB-Lden en 41 dB-Lnight) en het bijbehorende reken- en meetvoorschrift voldoen en geen wijzigingen behoeven. Citaat uit de kamerbrief: “Laagfrequent geluid draagt inderdaad voor een klein deel bij aan de hinderervaring van windturbinegeluid. Echter, deze hinder is op een verantwoorde manier voldoende beperkt door de huidige norm. De Staatssecretaris erkent dat gemiddeld 9 procent van de bewoners van woningen die op de normgrens belast zijn met windturbinegeluid zal zijn gehinderd.
Dat is ook in lijn met de toelichting in 2009 van de toenmalige minister van VROM op de ontwerp-norm voor windturbinegeluid. Zoals al eerder is betoogd, is dat een beleidskeuze geweest waarbij de verschillende belangen zijn afgewogen.”
De 47 dB Lden-norm is gebaseerd op de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren. Hierbij is gebruik gemaakt van empirisch onderzoek, waarbij ook rekening is gehouden met laagfrequent geluid (met een frequentie van 125 Hz of minder), wat een onderdeel van het geluidsspectrum van windturbinegeluid is. In dit MER wordt laagfrequent geluid niet apart beschouwd, omdat het een integraal onderdeel uitmaakt van de beoordeling van de Lden-normering en het planMER qua vuistregels bij die normering aansluit. Het geluid van moderne windturbines heeft een groter aandeel laagfrequent geluid dan oudere, kleinere windturbines. Dit kan zorgen voor enige toename van laagfrequent geluid ter plaatse van geluidsgevoelige objecten. De hoeveelheid laagfrequent geluid die windturbines produceren is echter nog steeds gering. De conclusie die in de brief van de Staatssecretaris wordt getrokken: dat de huidige Lden-normering voor windturbinegeluid ook voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid, blijft onveranderd. Deze conclusie is recent bevestigd in een publicatie van de Duitse federale milieudienst van november 2016: “In terugblik op de akoestische effecten kan voor het laagfrequente geluid door windturbines met de huidige stand
19
66
Kenmerk brief: IENM/BSK-2014/44564.
Omgevingseffecten wind
66
PlanMER RES MRE
van onderzoek ervan uitgegaan worden dat deze in vergelijk met andere (natuurlijke en menselijke) bronnen zeer gering is, waardoor er geen negatieve effecten op de gezondheid optreden.” 20 6.4.3
Sectorale toelichting - slagschaduw
6.4.3.1
Toetsingskader slagschaduw
Windturbines veroorzaken als gevolg van de draaiende rotor een bewegende schaduw, de zogenoemde slagschaduw. Voor slagschaduw die valt op ramen van woningen is een landelijke norm gesteld in de Activiteitenregeling milieubeheer. De norm schrijft voor dat op gevels van woningen die ramen bevatten niet meer dan 17 keer per jaar meer dan 20 minuten slagschaduw mag optreden. Een strenge uitleg van deze norm is stellen dat de maximale slagschaduw die een woning mag ondervinden gelijk is aan 17 x 20 minuten, oftewel 340 minuten, oftewel 5:40 uur per jaar. Hoe meer woningen er dichtbij het windpark gelegen zijn, des te vaker zullen de windturbines moeten worden stilgezet (‘stilstandvoorziening’) om aan de slagschaduwnorm te voldoen. Op afstanden vanaf ca. 400 meter kan met zekerheid worden gezegd dat de rentabiliteit van het project niet in gevaar komt als gevolg van de opgelegde stilstand die volgt uit de norm. 6.4.3.2
Voorbeeldberekening slagschaduw
Ter illustratie is van een denkbeeldige opstelling van 3 windturbines met onderlinge afstand 600 meter en een rotordiameter en ashoogte van 150 meter (en dus een tiphoogte van 225 meter) berekend hoeveel slagschaduw deze produceert. Onderstaande figuur toont de slagschaduwcontour waarbinnen de windturbines af en toe moeten worden stilgezet om aan de norm te kunnen voldoen.
20
Mögliche gesundheitliche Effekte von Windenergieanlagen, Umwelt Bundesamt, november 2016. Vertaling: Bosch & van Rijn.
Omgevingseffecten wind
67 67
PlanMER RES MRE
Figuur 25
Slagschaduwberekening van een voorbeeldopstelling. Binnen het blauwe vlak is de verwachte slagschaduw meer dan 5:40 uur per jaar en zou er dus een stilstandvoorziening moeten worden getroffen voor binnen het vlak liggende woningen.
De onregelmatige vorm van de bovenstaande slagschaduwcontour wordt veroorzaakt door de stand van de zon door het jaar heen: ➢ In de zomer komt de zon in het noordoosten op (lange schaduw naar het zuidwesten) en gaat in het noordwesten onder (lange schaduw naar het zuidoosten. ➢ In de winter komt de zon in het zuidoosten op (lange schaduw naar het noordwesten), blijft relatief laag (de schaduw blijft gedurende de hele dag lang) en gaat in het zuidwesten onder (lange schaduw naar het noordoosten). 6.4.4
Sectorale toelichting - gezondheid Om het MER objectief te houden behandelt deze paragraaf enkel gezondheidseffecten van windenergie die wetenschappelijk zijn aangetoond. Energie is voor de in Nederland wonende bevolking een onmisbare nutsvoorziening. Bij de overweging van mogelijke gezondheidsrisico’s van windturbines in vergelijk met conventionele energiewinningen (zoals het verbranden van fossiele brandstoffen) is het belangrijk te realiseren dat er naast een kleine hoeveelheid broeikasuitstoot bij de bouw geen verdere schadelijke emissie van stoffen optreedt. Dat leidt tot een direct positief effect op zowel gezondheid als milieu in vergelijking met bijvoorbeeld bruin- of steenkoolcentrales, die door de veroorzaakte emissies aantoonbare gezondheidsgevaren met zich meebrengen (Bron: Umwelt Bundesamt, 2016). De laatste jaren zijn diverse windprojecten bij de Raad van State terechtgekomen, die zich daarbij ook heeft gebogen over het onderwerp gezondheid. Het uitgangspunt van de Raad van State is dat er geen sprake is van ontoelaatbare gezondheidseffecten als aan de wettelijke normen wordt voldaan. Hierbij baseert de Raad zich onder meer op het rapport van het RIVM en de GGD getiteld "Health effects related
68 Omgevingseffecten wind
68
PlanMER RES MRE
to wind turbine sound" uit 201721. Dit rapport bevat een overzicht van de conclusies van recente wetenschappelijke onderzoeken met betrekking tot de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. Ook blijkt uit divers wetenschappelijk onderzoek (zie bijvoorbeeld de recente overzichtsstudie22 geen direct verband tussen windturbines en gezondheidsklachten. Op gebied van gezondheid speelt met name het onderwerp geluid (zowel hoorbaar als laagfrequent). Dit volgt ook uit een recent onderzoek van het RIVM en GGD Amsterdam, waarin wordt geconcludeerd: “Sleep disturbance is found to be related to annoyance, but there is no clear relation with the level of wind turbine sound. From knowledge about transportation sound, sleep disturbance can be expected at high levels of wind turbine sound. There is no evidence for other direct health effects.”23 Vertaling: “Uit het onderzoek blijkt een verband tussen slaapverstoring en hinder, maar er is geen duidelijke relatie met het geluidsniveau a.g.v. windturbines. Naar aanleiding van eerdere onderzoeken naar verkeerslawaai is de verwachting dat slaapverstoring optreedt bij hoge windturbine-geluidsniveaus. Er is geen bewijs voor andere directe gezondheidseffecten.”
Voor het hoorbare en laagfrequente geluid wordt verwezen naar paragraaf 6.4.1. Uit eerder onderzoek door het RIVM is gebleken dat de Nederlandse geluidsnormen voldoende bescherming bieden tegen de effecten van laagfrequent geluid. Omdat gezondheid met name te maken heeft met de hoeveelheid geluid die woningen ondervinden van windturbines kan gesteld worden dat de beoordeling voor het thema ‘Leefomgeving’ ook voor wat betreft het onderwerp ‘Gezondheid’ een goede vergelijking van de alternatieven mogelijk maakt. Er is aangetoond dat bij slechte informatievoorziening angsten en bedenkingen kunnen ontstaan onder omwonenden van een windpark. Dit kan tot stress leiden, wat gezondheidsrisico’s met zich meebrengt (Bron: Umwelt Bundesamt, 2016). Daarom worden omwonenden, in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de beperking van gezondheidsrisico’s, al in een vroeg stadium geïnformeerd over de plannen en potentiële effecten van de beoogde windturbines. Omdat dit afhangt van persoonlijke ervaring en niet te meten is als milieueffect wordt dit onderdeel van gezondheid niet meegenomen in de effectbeoordeling van dit MER. 6.4.5