CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning Bernheze

Commissie Maatschappelijke Zaken 28 november 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning 202421.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, ziet alleen toe op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening. Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 2 en 3 van dit artikel 35). Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten.

Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken.

De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Het college moet de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet).

39

Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3 van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig.

Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs houdt het college rekening met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Vierde lid Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Vijfde lid Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

40

Artikel 36 Klachtregeling aanbieders De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Daar waar een klacht betrekking heeft op de geleverde voorzieningen door aanbieders is in het eerste lid een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De gemeente heeft hierbij bepaald dat in geval van alle maatwerkvoorzieningen een klachtenregeling is vereist. De aanbieder is verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de inkoopcontracten zoals de gemeente die sluit met aanbieders is het overigens ook gewoon om met aanbieders afspraken te maken over het hebben van een klachtenregeling waaronder begrepen het verstrekken van informatie aan de gemeente over ingediende klachten en de wijze van afhandeling. Zie in artikel 1.1.

wat onder een klacht wordt verstaan door de gemeente: iedere uiting van ontevredenheid over een geleverde maatwerkvoorziening door een aanbieder; Artikel 37 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 37 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 38

Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders van diensten (niet zijnde hulpmiddelen of woningaanpassingen waaronder mede begrepen eventuele diensten gekoppeld aan hulpmiddelen of woningaanpassingen (bijv. plegen van onderhoud aan een traplift)) een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Deze aanbieders zijn verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 39 Fraudepreventie Fraudebestrijding begint al bij het allereerste contact dat cliënten hebben met de overheid: goede voorlichting over rechten en plichten. Het is van belang om duidelijk te communiceren over wie onder welke voorwaarden in aanmerking komt voor een regeling en wie niet.

Voor cliënten (zowel zin als pgb) moet duidelijk te zijn wat van hen verwacht wordt (zorginhoudelijk, administratief-financieel technisch). Vervolgens moet duidelijk zijn wat de gevolgen zullen zijn wanneer ten onrechte een beroep wordt gedaan op een regeling dan wel gemaakte afspraken niet worden nageleefd.

41

Artikel 40 Onderzoek recht- en doelmatigheid Lid 1: De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht op de rechtmatige en doelmatige (kwalitatief goede) verstrekking van de Wmo. Dit ligt vast in art. 6.1, lid 1 Wmo 2015. Het toezicht op de Wmo omvat bij en krachtens de Wmo 2015 gestelde regels. Het gaat hierbij om regels uit de wet zelf, regels zoals vastgelegd in of krachtens de verordening en regels zoals bepaald in de contracten met de aanbieders (ter uitvoering zorg in natura). Personen die zijn belast met het houden van toezicht worden Wmo-toezichthouders genoemd. De Wmo 2015 laat gemeenten vrij in de keuze van de inrichting van het toezicht. Dit maakt dat gemeenten ervoor kunnen kiezen het toezicht zelf te organiseren of (deels) uit te besteden. De gemeente Bernheze heeft het toezicht op calamiteiten en geweldsincidenten belegd bij de GGD Hart van Brabant. Het kwaliteits- en rechtmatigheidstoezicht heeft de gemeente Bernheze belegd bij de gemeente Oss. De gemeente Oss heeft ambtenaren aangesteld die zowel toezicht houden op zorg in natura als op pgb’s. Zij werken zowel signaal gestuurd (reactief) als risico-gestuurd (pro-actief). Het is niet vanzelfsprekend om ook de kwaliteit van pgb-zorgverlening te laten toetsen door de Wmo-toezichthouder. De kwaliteitseisen zoals bepaald in hoofdstuk 3 van de Wmo zijn immers niet rechtstreeks van toepassing op pgb-zorgverlening.

Daarmee lijkt het in eerste instantie alsof de kwaliteit van pgb-zorgverlening iets is tussen de cliënt en de door hem gecontracteerde zorgverlener. Maar dat is zeker niet het geval. Ook in geval van het pgb heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om toezicht te houden op de kwaliteit van de zorgverlening. Dit blijkt uit diverse artikelen in de Wmo 2015. Zie bijvoorbeeld art. 2.1.1, lid 3, Wmo 2015: ‘2. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen’ en art. 2.3.6 Wmo 2015. Om daadwerkelijk toezicht uit te kunnen oefenen op pgb- zorgverlening moeten de gemeenten expliciet in hun verordening kwaliteitsbepalingen hebben opgenomen voor pgb- zorgverlening. Zie de kwaliteitseisen in artikel 34 van deze verordening. Lid 2: Net als artikel 39 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen.

Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 Wmo 2015 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 40 toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Artikel 41 Nadere regels In dit artikel is voor het college de bevoegdheid opgenomen om nadere regels te kunnen stellen over kwaliteit, misbruik en oneigenlijk gebruik. De reden hiervan is dat mocht in de uitvoeringspraktijk blijken dat er behoefte is aan nadere procedurele kaders, dan kan het college in nadere regels hier invulling aan geven.

42

HOOFDSTUK 8

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 42 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Die mantelzorgers hoeven zelf niet in de gemeente Bernheze te wonen. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben gedaan, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Ook die mantelzorgers komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering. Artikel 43 Betrekken van ingezetenen bij beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. De wetgever heeft het van groot belang geacht dat burgers betrokken worden bij het bepalen van het gemeentelijke beleid. Langs die weg kan worden gewaarborgd dat het beleid voldoende aansluit bij de werkelijke ondersteuningsbehoefte. Artikel 150 van de Gemeentewet draagt de gemeenteraad op een verordening te maken waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en cliënten bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.

Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. De inspraak op grond van artikel 150 Gemeentewet is geregeld in de Inspraak- en participatieverordening Bernheze 2012. Voor wat betreft Wmo-beleidsvorming heeft de Adviesraad Sociaal Domein een expliciete rol. Het college van burgemeester en wethouders heeft een convenant gesloten met de ASD ter nadere concretisering van de adviesrol van de ASD: Convenant ASD Sociaal Domein gemeente Bernheze 2022. Met het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. HOOFDSTUK 9

SLOTBEPALINGEN

Artikel 44 Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. De inzet van de hardheidsclausule komt niet vaak voor. Immers bij de te maken afwegingen in gevolge een melding/aanvraag gaat het al om een individuele beoordeling. Als ondanks die individuele afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Artikel 45 Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. De voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening genomen besluiten blijven van toepassing tot het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden beëindigd of ingetrokken. Dit betekent in de praktijk dat, voor wat betreft in het verleden gedane toekenningen die gelden na datum inwerkingtreding bij een eventuele herbeoordeling gelegen op een moment na inwerkingtreding van onderhavige verordening, een nieuw besluit genomen dient te worden met toepassing van onderhavige verordening. Hierbij dient eventueel, gelet op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overgangsrecht in acht genomen te worden.

In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de oude verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaar- en beroepschriften eveneens bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan.

43

Artikel 46 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding en naamgeving van deze verordening.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=47af2958-106a-41b8-ab64-7ef52a540bff