CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning Bernheze

Commissie Maatschappelijke Zaken 28 november 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning 202421.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

22

We spreken van spoed indien de cliënt in een situatie verkeert waarin uitstel van een maatregel niet mogelijk is. Artikel 3 Kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning In de wet (art. 2.3.2, lid 3 Wmo 2015) staat dat de gemeente de cliënt en zijn mantelzorger na de melding voorafgaande aan het onderzoek wijst op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. De onafhankelijke cliëntondersteuner is iemand die informatie en advies geeft en dat zo integraal mogelijk op het gebied van o.a. Wmo, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. De onafhankelijke cliëntondersteuner kan de cliënt bijstaan in de contacten met Wegwijzer (en andere instanties) en helpen om hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Inwoners kunnen zelf een keuze maken door wie zij zich willen laten ondersteunen (bijvoorbeeld een familielid, vriend, Onafhankelijke Cliëntondersteuner (OCO) of mantelzorgmakelaar). Artikel 4 Persoonlijk plan In dit artikel is geregeld dat het college de cliënt op de hoogte brengt van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen (artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet). In dit persoonlijk plan zet de cliënt, kort gezegd, uiteen welke ondersteuning in zijn geval nodig is en waarom. Daarbij gaat de cliënt ook in op eventuele ondersteuningsmogelijkheden door huisgenoten, mantelzorgers en anderen uit zijn netwerk.

Zie de precieze omschrijving van de te beschrijven onderwerpen in een persoonlijk plan in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet. Het is de eigen verantwoordelijkheid en keuze van de cliënt om desgewenst een eigen persoonlijk plan te schrijven en om dit plan tijdig in te dienen binnen zeven dagen na de melding. Voor een aantal cliënten is dit passend. Het merendeel van de cliënten laat deze mogelijkheid echter lopen. Hiermee is de cliënt zijn schriftelijke invloed op het proces dan overigens niet kwijt. Immers, op grond van artikel 2.3.2, lid 8 Wmo 2015 is het college verplicht om aan de cliënt een verslag van het meldingsonderzoek toe te sturen. De cliënt heeft vervolgens recht op het aanbrengen van opmerkingen en aanvullingen op dat verslag. Bij het in behandeling nemen van de aanvraag zal het college hierop gemotiveerd moeten reageren. Deze verplichting voor het college volgt uit het gestelde in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 waarin staat dat het college bij de behandeling van de aanvraag rekening moet houden met de resultaten van het meldingsonderzoek. Zie artikel 9, lid 2 van de verordening. Artikel 5 Informatie en identificatie In artikel 2.3.8 eerste lid Wmo 2015 is de informatieplicht van de cliënt geregeld.

Het gaat om het geven van informatie (gevraagd/ongevraagd) waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de informatie relevant is voor het recht op een Wmo-voorziening. Lid 2 In artikel 2.3.4 lid 1 Wmo 2015 is de identificatieplicht vastgelegd. Het college stelt de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig legitimatiebewijs. (Desgevraagd toont de cliënt nog een keer een legitimatiebewijs bij het doen van een aanvraag: artikel 2.3.4 lid 2 Wmo 2015). Artikel 6 Onderzoek Kern van dit procedurele hoofdstuk is het onderzoek zoals uitgewerkt in artikel 6. Doel van het onderzoek is om voor iedere individuele cliënt tot een passende oplossing te komen. Tijdens het onderzoek komt de specifieke situatie van de cliënt uitgebreid aan bod: hoe ziet zijn leven eruit, wat is precies zijn vraag, wat wil hij daarmee bereiken. Een gesprek maakt onderdeel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag en de situatie van de cliënt afdoende bekend zijn. In een dergelijk geval is telefonisch contact veelal afdoende en behoeft de cliënt niet belast te worden met een uitgebreid onderzoek. De Centrale Raad van Beroep heeft in diverse uitspraken uiteengezet op welke wijze de gemeente het onderzoek verricht: het zgn. stappenplan. Indien de gemeente het stappenplan van de CRvB hanteert, doorloopt zij het vereiste zorgvuldige onderzoek om te komen tot een juiste beslissing. 1. 2.

Eerst wordt de vraag van de cliënt verhelderd. De precieze hulpvraag wordt vastgesteld. Vervolgens wordt vastgesteld welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

23

3. 4.

Vervolgens wordt bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid of participatie. Kan op een andere wijze dan via de inzet van een Wmo-maatwerkvoorziening de benodigde hulp en ondersteuning worden geboden, namelijk: o op eigen kracht van de cliënt; en/of o met gebruikelijke hulp; en/of o met mantelzorg; en/of o met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of o met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen; en/of o met inzet van andere voorzieningen.

Pas na het doorlopen van deze 4 stappen blijkt of de inzet van een Wmomaatwerkvoorziening noodzakelijk is. Middels deze structuur wordt de eigen verantwoordelijkheid van cliënten voorop gesteld. Eerst wordt immers gekeken naar wat mensen zelf, eventueel met behulp van hun netwerk, kunnen. De ondersteuning van de overheid (Wmo) is altijd aanvullend daarop. Maar middels deze toegangsprocedure komt ook de maatwerkgedachte tot uiting: iedere cliënt is anders, geen enkele situatie is dezelfde en dus volgt uit een melding telkens een afzonderlijk onderzoek naar de feiten en omstandigheden in de betreffende individuele situatie. Situaties van cliënten die ogenschijnlijk, op het eerste gezicht, gelijk lijken, blijken dat niet te zijn waardoor uitkomsten van een proces van melding / aanvraag verschillen. Artikel 7 Advisering Aanvullend op de 4 te doorlopen stappen zoals hierboven beschreven bij artikel 6, is het aan de gemeente om externe advisering in te winnen indien het onderzoek of de beoordeling dit vereist. Artikel 8 De medewerkingsverplichting van de cliënt en huisgenoten In dit artikel worden twee typen onderzoek van elkaar onderscheiden: - de medewerkingsverplichting van de cliënt zelf (artikel 2.3.8, lid 3 van de wet); en - de medewerkingsverplichting van huisgenoten (artikel 2.3.5, lid 3 Wmo).

In lid 1 van artikel 8 is geregeld dat het college twee mogelijkheden heeft voor een te verrichten onderzoek. Het college kan allereerst iemand oproepen om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen en daar de vragen te beantwoorden die nodig zijn om tot een zorgvuldig besluit te komen. Voor wat betreft het bepalen van de locatie van onderzoek houdt het college, zoveel als mogelijk, rekening met de persoonlijke omstandigheden van cliënt en de huisgenoot, bijvoorbeeld een mobiliteitsbeperking. De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Het college zal, zoveel als mogelijk, de gevraagde inzet tot bevraging en onderzoek (laten) verrichten in de gemeente zelf. De gemeente maakt van deze mogelijkheden alleen gebruik als dit noodzakelijk is. Dat wil zeggen als zonder dit onderzoek een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is. In lid 2 is daarom geregeld dat van de cliënt en zijn huisgenoten (in het kader van beoordeling gebruikelijke hulp) verwacht mag worden dat zij meewerken aan een onderzoek. Wat als de cliënt en/of huisgenoot niet meewerkt? Is de cliënt niet bereid is tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zij zonder deze medewerking in staat is om de situatie van cliënt goed te beoordelen waaronder de noodzaak tot een maatwerkvoorziening.

In geval van een aanvraag (na melding), zal het college moeten beoordelen of zij zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit kan nemen. Is dat niet mogelijk dan zal het college de aanvraag moeten afwijzen omdat de cliënt dan niet voldaan heeft aan zijn aantoon- en inlichtingenverplichting, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op een maatwerkvoorziening. Een zelfde benadering geldt in de situatie dat een huisgenoot zijn medewerkingsverplichting niet nakomt (in het kader van beoordeling gebruikelijke hulp). Ook dan volgt uit de jurisprudentie dat een eventuele aanvraag (na melding) afgewezen moet worden omdat de noodzaak van de gevraagde maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld.

24

De niet-medewerking van een huisgenoot wordt dus toegerekend aan de cliënt. Deze komt in bewijsnood omdat hij de noodzaak niet kan aantonen van de aanvraag. Wat betreft de term gebruikelijke hulp zoals gebruikt in dit artikel: zie ook de definitie in artikel 1.1. Bij gebruikelijke hulp gaat het om de zorg die partners of ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten redelijkerwijs geacht worden elkaar onderling te bieden. Het betreft dus een onderzoek op maat: iedere situatie is anders. In artikel 8, lid 3 is de medewerkingsverplichting van de cliënt en zijn huisgenoten nader aangevuld. Namelijk, dat zij, naast een (actieve) informatieplicht, ook moeten meewerken aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie of een controle anderszins van een verstrekte of te verstrekken dienst of middel. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een cliënt is in lid 4 nadrukkelijk bepaald dat er een noodzaak moet zijn voor een dergelijk onderzoek. Die noodzaak kan ook zijn gelegen in de beleidsdoelstelling ter voorkoming van oneigenlijk dan wel misbruik van voorzieningen. Vaste lijn in de rechtspraak is dat het college gehouden is om de minst in de persoonlijke levenssfeer van de cliënt ingrijpende methode van onderzoek te volgen. Dit vloeit direct voort uit de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Proportionaliteit betekent dat het gebruikte middel in een goede verhouding moet staan tot het doel dat wordt gediend. Subsidiariteit betekent dat, indien je de keuze hebt uit verschillende methodes, je de lichtste methode dient in te zetten. Artikel 9 Verslag Op grond van artikel 2.3.2, lid 8 moet het college aan de cliënt een verslag verstrekken van de resultaten van het meldingsonderzoek. In dit artikel wordt dit bevestigd. In artikel 9 wordt de principiële bevoegdheid van een cliënt toegevoegd op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens tot lees- en correctierecht. Om het meldingsonderzoek slagvaardig te kunnen afronden is in de praktijk de noodzaak gebleken tot het stellen van een termijn voor reactie van de cliënt op het verslag. Een termijn van 4 weken na verzending door de gemeente van het verslag, wordt een redelijke termijn geacht waarop de cliënt kan reageren. Het betreft hier wel een termijn van orde en geen fatale termijn. Dat wil zeggen, het college wordt geacht een zekere vorm van redelijkheid in acht te nemen bij een kleine overschrijding van de termijn van 4 weken waarin een reactie van een cliënt nog kan binnenkomen. Los van deze termijn gerelateerd aan het verslag, kan de cliënt altijd verzoeken, ook na een gestelde termijn voor het geven van een reactie, om een correctie van hem betreffende gegevens bij de gemeente.

Artikel 10 De aanvraag Als vervolg op het onderzoek, kan cliënt een aanvraag indienen. Dit kan schriftelijk of elektronisch. Uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat het doen van de aanvraag schriftelijk nagenoeg altijd wordt vastgelegd in het verslag zoals vermeld in artikel 9. Aansluitend is in lid 2 bepaald hetgeen aan informatie nodig is indien de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst. Artikel 11 Beschikking In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder geval in de beschikking aan de cliënt moet worden vermeld. Onder de beschikking verstaan we ook de mogelijke bijlage(n) die onderdeel uitmaakt van de beschikking zoals een gespreksverslag. Lid 1: Via lid 1 wordt de verstrekkingsvorm van de maatwerkvoorziening expliciet gemaakt, namelijk in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming. Lid 2: Dit artikellid bepaalt welke aspecten bij het verstrekken van een voorziening in natura in ieder geval in de beschikking vastgelegd moeten worden. Het gaat daarbij uiteraard allereerst om welke voorziening(en) aan de orde zijn. Dit in relatie tot de te bereiken resultaten.

25

Vervolgens wordt aangegeven wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang wordt iets toegekend of hoe lang moet men in principe de bepaalde voorziening kunnen gebruiken om het resultaat te bereiken. Onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Lid 2 onder c en lid 3 onder f dienen uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen een besluit van het CAK over de eigen bijdrage. Lid 3: Dit lid bepaalt wat er bij het verstrekken van een pgb of financiële tegemoetkoming in ieder geval vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat allereerst om de formulering van het te bereiken resultaat zodat helder is waarvoor de voorziening gebruikt moet worden. Denk bij kwaliteitseisen ook aan de verstrekkingen van hulpmiddelen en woningaanpassingen en het beschrijven van nadere technische specificaties die van belang zijn voor het aanschaffen/ vervaardigen van een adequate voorziening door de budgethouder. Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het pgb/tegemoetkoming is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat bedrag tot stand is gekomen.

Tot slot moet voor wat betreft de verantwoording ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene tot wie de beschikking is gericht in dit opzicht wordt verwacht. Artikel 12 Nadere regels In dit artikel is voor het college een regelgevende bevoegdheid opgenomen om nadere regels te kunnen stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening. Mocht in de uitvoeringspraktijk behoefte zijn aan nadere procedurele kaders, dan kan het college in nadere regels hier invulling aan geven.

Hoofdstuk 3

Criteria maatwerkvoorziening

Artikel 13 Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening aangeeft op basis van welke criteria het college vast stelt of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) geeft aan dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In lid 1 is onder a. bepaald dat de te verstrekken maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het bereiken van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid en participatie.

Via sub b is bepaald dat de te verstrekken maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en het bereiken van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te kunnen handhaven in de samenleving. De beoordeling of een maatwerkvoorziening een passende bijdrage is, hangt af van de individuele feiten en omstandigheden (maatwerk). De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. Een maatwerkvoorziening kan ook gericht zijn op stabilisatie van een situatie (voorkomen achteruit) of ondersteuning van een situatie van achteruitgang.

26

Bij de beoordeling voor een maatwerkvoorziening wordt eerst bepaald of beperkingen of problemen niet langs een andere weg dan via een maatwerkvoorziening, kunnen worden verminderd of weggenomen, namelijk: o op eigen kracht van de cliënt; en/of o met gebruikelijke hulp; en/of o met mantelzorg; en/of o met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of o met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen; en/of o met inzet van andere voorzieningen. Het gaat primair om de beoordeling wat mensen zelf of met behulp van hun omgeving kunnen bewerkstelligen. Hierbij wordt altijd de toets van de redelijkheid ingezet: wat mag redelijkerwijs aan ondersteuning van anderen verwacht worden. Hierbij wordt de feitelijke situatie van een cliënt en zijn omgeving gewogen. Ten aanzien van mantelzorg betekent dit, - afgezien van het gegeven dat mantelzorg nooit dwingend kan worden opgelegd -, dat een mogelijk gevaar voor overbelasting van de mantelzorger in ogenschouw wordt genomen. Wat betreft “de inzet van andere voorzieningen” Daarmee wordt de situatie benoemd dat de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een andere voorziening en dat het de eigen verantwoordelijkheid is van cliënt om daarvan dan ook gebruik te maken. Dan bestaat er geen recht op een Wmo-maatwerkvoorziening.

Ook niet indien op basis van de andere regeling, bijvoorbeeld de Zvw, slechts een gedeeltelijke vergoeding van kosten plaatsvindt. De gemeente hoeft dus niet (bij) te betalen voor voorzieningen die bijvoorbeeld de Zvw bewust niet meer of maar voor een deel vergoedt. Denk aan rollators, sta-op stoelen en trippelstoelen. Voor de volledigheid: in de uitvoeringspraktijk spreken we dan vaak over een afwijzing vanwege de aanwezigheid van een voorliggende voorziening. Formeel kent de wet het begrip voorliggende voorziening niet. We spreken dan ook in deze verordening niet over een voorliggende voorziening maar over een “andere voorziening”. Onder lid 2 wordt bepaald dat de in te zetten voorziening als de goedkoopst passende voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om een voorziening die adequaat is voor de ondervonden problemen. Maar wanneer dan meerdere voorzieningen adequaat blijken te zijn, mag volstaan worden met de goedkoopste passende voorziening. Middels lid 3 wordt bepaald dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn. Op deze regel bestaat, een expliciete uitzondering: maatwerkvoorziening voor diensten (niet zijnde hulpmiddelen of woningaanpassingen). Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren.

Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan onder andere een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die zijn opgezet in het kader van de Zvw. Voor de uitleen van een hulpmiddel wordt een indicatie gesteld door een thuiszorgorganisatie. Uitleen is in beginsel voor 13 weken met een eventuele verlenging tot maximaal 26 weken.

Wanneer een hulpmiddel vanuit een thuiszorgorganisatie niet voldoende toereikend is, dient onderzocht te worden in hoeverre er vanuit de Wmo ondersteuning geboden moet worden. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet.

27

Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om een maatwerkvoorziening voor diensten in te zetten. Artikel 14

Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

Lid 1: In dit artikel worden in het eerste lid de zogenaamde afwijzingsgronden benoemd. Voor de volledigheid: dit artikel ziet toe op zowel de verstrekking van een voorziening in de vorm van zorg in natura, pgb of als financiële tegemoetkoming. Onder a. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend c.q. een gevraagde voorziening wordt afgewezen indien niet aan het bepaalde in artikel 13 is voldaan. Onder b. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de cliënt niet als ingezetene van een gemeente (in geval van aanvraag maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie) dan wel Nederland (in geval van aanvraag ten behoeve van opvang en beschermd wonen) kan worden aangemerkt. Zie het begrip ingezetene reeds eerder toegelicht bij artikel 1. Onder c. en d. Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente.

Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als van tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Onder e. wordt de situatie benoemd dat cliënt een aanvraag doet voor een voorziening terwijl de afschrijvingsduur van een eerder verstrekte voorziening nog niet is verstreken. Een afwijzing is het gevolg tenzij het cliënt niet kan worden aangerekend. Voorbeeld jurisprudentie: in redelijkheid kon de gemeente de Wmo-aanvraag om de kosten van reparatie van een op vakantie beschadigd geraakte handbike te vergoeden, weigeren. Het was aan cliënt geweest om te zorgen voor een (reis-) verzekering die eventuele schade afdoende zou dekken. Als een dergelijke verzekering niet mogelijk of onbetaalbaar was, had cliënt ervoor kunnen kiezen om de handbike niet mee te nemen naar het buitenland. Onder f. wordt de situatie bedoeld dat cliënt en/of zijn huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de inlichtingen- en of medewerkingsverplichting ter beoordeling van het recht op een maatwerkvoorziening. Zie ook de toelichting onder artikel 8.

Met de eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt wordt, onder sub g. gesteld dat de aanvraag voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie (dus niet in geval van opvang en beschermd wonen) wordt afgewezen indien cliënt zich (verwijtbaar) in een situatie heeft gebracht die aanleiding is voor de hulpvraag aan de gemeente, nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt. Lid 2 onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek.

28

Lid 2 onder b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van coouderschap en een kind zowel bij vader als moeder woont. In dat geval kan woningaanpassing in woning van vader en in woning van moeder plaatsvinden. Dit betekent overigens niet dat de gemeente in geval ook (roerende) hulpmiddelen altijd dubbel moet verstrekken. De gemeente onderzoekt dan of ouders in redelijkheid de voorziening kunnen delen. Lid 2 onder c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding: artikel 26 van de verordening. Lid 2 onder d Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen.

Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 2 onder e Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt in een woongebouw dat specifiek gericht is op ouderen of mensen met een beperking, waarvan verwacht mag worden dat deze voorzieningen zijn of worden getroffen door de eigenaar. Voorbeeld: een doelgroepgebouw waarbij de gehele doelgroep een rolstoel gebruikt. Een rolstoeltoegankelijke badkamer mag voor deze specifieke doelgroep als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. De gemeente hoeft dan ook geen badkameraanpassing te verstrekken. Lid 2 onder f Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is.

Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. Lid 2 onder g Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was.

29

HOOFDSTUK 4 Paragraaf 1:

HET PGB EN DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Het persoonsgebonden budget

Artikel 15 Regels voor pgb In plaats van een maatwerkvoorziening in zorg in natura (zin) kan een cliënt, indien hij dat wenst, een voorziening toegekend krijgen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Zie daartoe artikel 2.3.6, eerste lid, Wmo 2015. Aan deze regel ligt het principe ten grondslag dat een pgb voor mensen met een beperking kan bijdragen aan het behouden van de regie over hun eigen leven. Dit betekent niet dat de gemeente zondermeer gevolg geeft aan het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een pgb. De wetgever heeft in artikel 2.3.6, tweede lid, Wmo 2015, een drietal voorwaarden benoemd, impliciet verwerkt in het eerste lid van artikel 15: a. Bekwaamheid van de cliënt: De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de cliënt. Allereerst wordt van een cliënt verwacht dat deze zelfstandig een redelijke waardering kan maken van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag. Een persoon kan bijvoorbeeld door de gemeente worden gevraagd duidelijk te maken welke problemen hij heeft, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning de cliënt gebaat zou zijn. Ten tweede wordt van de cliënt verwacht dat deze de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren.

Bij deze taken kan gedacht worden aan het kiezen van een zorgverlener die in de zorgvraag voldoet, het aangaan van een contract, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de cliënt getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden van een pgb, dan kan de gemeente het pgb weigeren. Dat is een beslissing van de gemeente waarop een cliënt vervolgens bezwaar kan maken. b. Motivering door de cliënt: De tweede voorwaarde betreft de motivering door de cliënt. De cliënt moet motiveren dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de cliënt. In deze gevallen kan de gemeente het pgb omwille van de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Uiteindelijk ligt de keuze om wel of geen beschikking af te geven bij de gemeente.

Als de gemeente weigert een pgb te verstrekken, dan is dat een besluit waartegen een cliënt in bezwaar kan gaan. c. Gewaarborgde kwaliteit van dienstverlening De derde en laatste voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb betreft de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteit moet naar het oordeel van het college gewaarborgd zijn. De budgethouder heeft zelf de regie over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert. Daarmee krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen. Het college kan op basis van deze bepaling vooraf toetsen of de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid voldoende is gegarandeerd. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Lid 2 De reeds in de wet genoemde weigeringsgronden worden niet expliciet herhaald in deze verordening. De gemeente kan op grond van artikel 2.3.6. lid 5 onder b Wmo 2015 een pgb weigeren indien: - cliënt in het verleden onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;

30

- cliënt in het verleden zich niet aan geldende regels/voorwaarden heeft gehouden; - cliënt in het verleden het pgb niet juist heeft ingezet. In lid 2 zijn, aanvullend op wet (art. 2.3.6 Wmo 2015) en artikel 14 van de verordening (weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen) specifieke weigeringsgronden opgenomen voor pgb’s. Sub a en b: Ter ondersteuning van de toets aan de voorwaarden in het eerste lid, moet de cliënt desgevraagd een pgb-plan overleggen indien het pgb wordt aangevraagd voor een dienst. Dit pgb-plan moet overigens niet verward worden met het persoonlijk plan zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, Wmo 2015 alsook artikel 4 van de verordening. Indien de cliënt dit weigert over te leggen of te bespreken wordt een pgb geweigerd. Sub c: Het college weigert een pgb indien de cliënt het pgb laat beheren door de (beoogde) zorgverlener. Dit vanuit de gedachte dat een betrokken zorgverlener niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken zal kunnen vervullen. In geval van informele zorgverlening door iemand uit het sociaal netwerk geldt deze weigeringsgrond niet. Sub d: Het college weigert een pgb indien een cliënt het beheren van het persoonsgeboden budget volledig overlaat aan een bewindvoerder.

Bij deze weigeringsgrond is het van belang om een nadrukkelijk onderscheid te maken tussen beheerstaken die toezien op administratie/financiën en beheerstaken die toezien op de zorginhoud (regievoering op inhoudelijk zorgtraject). Deze zorginhoudelijke taak zal een bewindvoerder niet (kunnen) uitvoeren en zal een cliënt dan ook zelf moeten uitvoeren (evt. met behulp van iemand uit sociaal netwerk of andere vertegenwoordiger). Overigens kunnen de kosten die de bewindvoerder maakt ter uitvoering van het administratieve/financiële deel van de beheerstaken op grond van artikel 23 van deze verordening niet uit het pgb worden bekostigd. Sub e: Op het moment dat de verwachting reëel is dat een voorziening binnen afzienbare tijd aan vervanging toe is of slechts kortdurend wordt gebruikt, mag de gemeente, mede uit oogpunt van efficiency en het kostenaspect, besluiten dat een voorziening in natura heeft te prevaleren boven een pgb. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie van rolstoelverstrekking in geval van een progressief ziektebeeld waardoor de verwachting is dat een cliënt binnen afzienbare tijd een nieuwe rolstoel nodig heeft. Sub f: Een duidelijk voorbeeld hierbij is het Kleinschalig Collectief Vervoer (KCV), ook wel Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (cvv), of regiotaxi genoemd.

Zodra een collectieve voorziening niet meer in stand te houden zou zijn vanwege het feit dat men massaal een persoonsgebonden budget aanvraagt, kan dat een overwegend bezwaar zijn en hoeft er geen persoonsgebonden budget voor worden toegekend. Het persoonsgebonden budget mag niet leiden tot het ondergraven van het systeem. Artikel 16 De hoogte van het pgb algemeen Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om kwalitatief goed – met zorg in natura vergelijkbare – in te kopen zorg. Uitgangspunt is dat de hoogte van het pgb gelijk is aan de werkelijke kosten van de door cliënt aan te schaffen voorziening (lid 2) tenzij deze kosten hoger liggen dan de kostprijs zorg in natura (lid 3).

31

Lid 3: De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Uitgangspunt is dus dat het pgb niet hoger is dan de kosten van een voorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Artikel 17 Hoogte van het pgb voor diensten De gemeente Bernheze heeft een gedifferentieerde tariefstelling als het gaat om het pgb voor diensten. In lid 1, onderdeel II is de mogelijkheid gecreëerd dat voor die ondersteuning die goedkoper gerealiseerd kan worden ook een lager tarief geldt. Een zzp-er dan wel een zorgorganisatie die lagere loonschalen hanteert, heeft immers minder overheadkosten dan een instelling zoals beschreven onder I. Wordt zorg geleverd door een informele zorgverlener dan sluit de gemeente aan bij de Wet minimum loon (Wml).

Zie reeds hetgeen toegelicht bij artikel 1 (onder i): Artikel 18 Pgb voor hulp uit sociaal netwerk Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk heeft de gemeente per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsrelatie met hun informele hulpverlener wensen, per kalendermaand een vaste tegemoetkoming te verstrekken. Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wet minimum loon (Wml) of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder vult een verklaring in (format) en de gemeente dient deze vervolgens in bij de SVB. De tegemoetkoming wordt vervolgens uitbetaald aan de hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Artikel 19 De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen Hoofdregel is dat de hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van een offerte. Maar via lid 2 is bepaald dat het pgb maximaal de kostprijs zorg in natura is.

De gemeente bepaalt maandelijks een huurprijs voor de hulpmiddelen die zij van de door haar gecontracteerde aanbieder(s) afneemt. Dit maakt dat het pgb wordt gerelateerd aan die maandelijkse huurprijs en dat vervolgens een vermenigvuldiging plaatsvindt van 12 maanden x 7 jaar gelet op de gangbare afschrijvingstermijn voor hulpmiddelen van 7 jaar. Deze afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar in geval van kindervoorzieningen en alle bad-, douche-, toilet-, en transfervoorzieningen. Op grond van lid 3 komt de gemeente cliënten tegemoet in de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering, indien zij een middel aanschaffen waarvan de prijs lager ligt dan de kostprijs zorg in natura. Artikel 20 Hoogte pgb voor woningaanpassing De hoogte van het pgb voor een woningaanpassing wordt via lid 1 gerelateerd aan de door het college geaccepteerde offerte. Uitgangspunt is dat de cliënt minimaal 2 offertes overlegt. Gelet op de huidige markt, lijkt het niet altijd mogelijk om twee (gratis) offertes over te kunnen leggen. Mocht cliënt daartoe niet in staat zijn, dan vindt overleg plaats waarbij de uitkomst kan zijn dat één offerte volstaat. Bij grotere woningaanpassingen wordt doorgaans een extern bouwkundig advies aangevraagd.

32

In een dergelijk geval kan een overgelegde offerte sowieso ter check aan de bouwkundig adviseur worden voorgelegd. Artikel 21 Hoogte pgb voor auto-aanpassing Het primaat van de vervoersvoorziening ligt bij het Kleinschalig Collectief Vervoer (KCV), ook wel Collectief Vraagafhankelijk Vervoer genoemd (of Regiotaxi). Alleen indien mensen niet in staat kunnen worden geacht te reizen met het KCV, kan een pgb worden verstrekt voor een auto-aanpassing. Het gaat dus om de meerkosten. De eventuele aanschafkosten van de auto zelf alsook kosten zoals brandstof, verzekering en wegenbelasting vergoedt de gemeente niet. Dat zijn namelijk algemeen gebruikelijke kosten. De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van een (geaccepteerde) offerte. Vervolgens moet de aanpassing worden uitgevoerd door een erkend bedrijf. Artikel 22

Bepalen omvang pgb huishoudelijke hulp in geval van informele zorgverleners

Bureau HHM en KPMG hebben in 2019 een normenkader ontwikkeld ter bepaling van de tijdsinzet die nodig is om te komen tot een schoon en leefbaar huis. Dit normenkader werd ontwikkeld op basis van tijdbestedingsonderzoek, professionele ervaring en cliëntinterviews. Dit normenkader wordt beschouwd als een geobjectiveerd normenkader en is voor de gemeente Bernheze – met de aanvullende instructie 2022 vanuit HHM - de basis voor het bepalen van de benodigde tijdsinzet als het gaat om huishoudelijke ondersteuning door informele zorgverleners. Met het normenkader en aan de hand van specifieke individuele kenmerken zoals bijvoorbeeld gezinssamenstelling, hoeveelheid kamers, wordt de te indiceren tijdsomvang bepaald. Inherent aan dit proces wordt altijd onderzocht wordt of een cliënt met behulp van eigen inzet, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is om (deels) tot een oplossing te komen. Artikel 23 Begrenzing van de bestedingsvrijheid van de pgb-houder Lid 1: Een belangrijk uitgangspunt is dat het pgb moet worden besteed aan zorg waarmee wordt bedoeld aan datgene waarvoor het pgb is verstrekt (de te treffen voorziening, het te bereiken resultaat). Vanuit dit uitgangspunt is in het eerste lid, niet limitatief, een aantal kostensoorten benoemd waaraan het pgb in ieder geval niet besteed mag worden. Het gaat bij sub a.

om bemiddelings- en administratiekosten en kosten verbonden aan het opstellen pgb-plan (b). Onder administratiekosten vallen ook de kosten voor het laten voeren van de pgb-administratie door een derde. Deze kosten kunnen niet uit het pgb worden vergoed vanuit het principe dat de cliënt bekwaam moet zijn om zelf zijn pgb te beheren. Zie daaromtrent de toelichting bij artikel 15. Maar ook vanuit het principe dat de cliënt kosteloze ondersteuning kan inroepen, hetzij via het sociaal netwerk, maar denk ook aan de cliëntondersteuner en de SVB (Servicecentrum). Het gaat bij sub c om de eigen bijdrage zoals cliënt die aan CAK betaalt. Deze kan cliënt niet als zorgkosten declareren bij het CAK. Het gaat om reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de zorgverlener (sub d), en overheadkosten van de zorgverlener waaronder mede begrepen kosten van de zorgverlener tot opstellen van een zorg- of werkplan (sub e). Deze aspecten vanuit het principe dat deze kosten van de zorgverlener worden geacht te zijn opgenomen in het tarief.

33

Voor wat betreft het gestelde onder f. (feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan zorgverlener) heeft te gelden dat eventuele uitingen van tevredenheid/dankbaarheid jegens de zorgverlener voor eigen rekening komen van de budgethouder. Dat is bij zorg in natura niet anders. Tot slot is (niet limitatief) onder sub g opgenomen dat een pgb niet besteed kan worden aan een zgn. overlijdensuitkering voor een zorgverlener. Lid 2 Cliënt mag het pgb alleen gebruiken voor direct aan de maatwerkvoorziening gerelateerde kosten. Cliënt mag het bedrag dus niet gebruiken ter compensatie van kosten die te beschouwen zijn als algemeen gebruikelijk (zoals voedsel, abonnementskosten, gebruikelijke kosten verbonden aan het uitoefenen van een hobby of sport, et cetera). Algemeen gebruikelijke kosten zijn kosten die een cliënt ook zou kunnen maken indien hij geen gebruik maakt van een maatwerkvoorziening. Lid 3 De gemeente maakt ingevolgde dit lid de keuze om geen verantwoordingsvrije ruimte of bedrag te hanteren: het volledige bedrag aan pgb moet verantwoord worden. Dit betekent in praktische zin dat alle kosten gedeclareerd moeten worden bij de SVB en de SVB vervolgens tot betaling overgaat na controle van de gedeclareerde kosten.

Lid 4: Uitbetaling eenmalige pgb Dit artikellid is nodig vanwege de landelijke keuze om het trekkingsrecht niet onverkort van toepassing te laten zijn op alle pgb’s. Trekkingsrecht houdt in dat het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder komt te staan, maar op een rekening bij de SVB. De SVB betaalt vervolgens de zorgverlener uit. Gemeenten betalen eenmalige pgb’s zelf uit. Het blijkt namelijk niet mogelijk om ook de eenmalige pgb’s volgens de werkwijze van het trekkingsrecht uit te voeren. Eenmalige pgb’s zijn de pgb’s die slechts eenmalig worden verstrekt voor een hulpmiddel of woningaanpassing. Paraaf 2: Financiële tegemoetkoming Artikel 24 Regels voor financiële tegemoetkoming Een Wmo-maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van zorg in natura of als een persoonsgebonden budget (pgb). Naast deze 2 verstrekkingsvormen bestaat er in de uitvoeringspraktijk in veel gemeenten nog een derde vorm, namelijk de financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming wordt door de Centrale Raad van Beroep gezien als een financiële maatwerkvoorziening. Deze forfaitaire voorziening mag worden gehanteerd zolang deze maar een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie. Via artikel 24 is een basis gecreëerd voor reeds bestaande financiële tegemoetkomingen.

Bernheze kent de volgende financiële tegemoetkomingen: - woningsanering; - verhuiskosten; - bezoekbaar maken van een woning niet zijnde het hoofdverblijf; en - sportvoorziening. Artikel 25 Tegemoetkoming voor woningsanering Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming wordt aansluiting gezocht bij de werkelijke kosten met een maximum van de bedragen zoals het NIBUD die hanteert. Bij de vaststelling van de tegemoetkoming voor woningsanering, wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn. Dat is op grond van het NIBUB 10 jaar. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld naar rato van de leeftijd van het product dat vervangen dient te worden (in hele jaren) afgezet tegen de gangbare afschrijvingstermijn van 10 jaar.

34

Artikel 26 Primaat verhuizen en tegemoetkoming voor verhuiskosten Verhuizen naar een geschikte of aangepaste woning is voorliggend op een woningaanpassing. Dit heet het primaat van verhuizen. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Lid 1: Voordat het college het verhuisprimaat toepast, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning (en eventuele (beperktere) woningaanpassing van de nieuwe woning). Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen. Van een lichtvaardig besluit tot toepassing primaat verhuizen is geen sprake. Niet alleen gaat het om een financiële afweging, ook de persoonlijke situatie van de betrokkene (lid 1 sub b) wordt nadrukkelijk in ogenschouw genomen. Via lid 1 sub c wordt aangegeven dat de gemeente in ieder geval bij een woningaanpassing van meer dan € 15.000,00 expliciet de afweging maakt tussen de woningaanpassing van de bewoonde woning of toepassing geven aan het primaat van verhuizen. Daarmee is niet gesteld dat bij woningaanpassingen van € 15.000,00 of minder het primaat van verhuizen niet aan de orde kan zijn. Ook in die gevallen kan de gemeente voorrang geven aan het primaat van verhuizen (na een daartoe gemaakte zorgvuldige belangenafweging).

De termijn zoals genoemd in lid 1 sub d bedraagt maximaal een jaar. Deze termijn wordt korter gesteld indien daarvoor medische redenen zijn. Lid 2: Indien cliënt niet in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening woningaanpassing vanwege het primaat van verhuizen, kan het college aan cliënt een tegemoetkoming verstreken voor verhuis- en inrichtingskosten gerelateerd aan de werkelijke kosten tot een maximum van € 2.600,00. Lid 3 Op grond van lid 3 kan het college aan cliënten een voorziening verstrekken voor woningaanpassing van de huidige woning als tijdens het gesprek het vermoeden bestaat dat deze aanpassing meer dan € 15.000,00 zal bedragen, het verhuisprimaat kan worden toegepast en de cliënt nadrukkelijk aangeeft niet te willen verhuizen. Deze vergoeding kan maximaal € 2.600,00 bedragen. De gemeente compenseert in dat geval geen nieuwe belemmeringen meer in het normale gebruik van de woning. Uitzonder betreft de situatie waarbij het gaat om belemmeringen in het normale gebruik van de woning die ook zouden zijn opgetreden indien de cliënt wel zou zijn verhuisd naar een passende woning. Artikel 27 Tegemoetkoming voor bezoekbaar maken van een woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan het aanpassen van een woonruimte opdat de woonkamer (of eventueel woonkeuken), één toiletvoorziening en de ingang van het hoofdverblijf bereikt kunnen worden.

De tegemoetkoming wordt bepaald op basis van de goedkoopst passende voorziening tot een maximum van € 2.600,00. De tegemoetkoming kan worden verstrekt ter aanpassing van één woning waarbij beoordeeld wordt of het bezoekbaar maken van de woning noodzakelijk is teneinde de cliënt in staat te stellen te participeren. Let op: het college van de gemeente waar de cliënt woont verstrekt de tegemoetkoming en dus niet, voor zover het een andere gemeente betreft, het college van de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat. Artikel 28 Tegemoetkoming voor sportvoorziening Met het verstrekken van een tegemoetkoming voor een sportvoorziening kan het college bereiken dat een cliënt in staat wordt gesteld om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

35

Dit betekent dat een (tegemoetkoming voor) sportvoorziening niet wordt toegekend uit oogpunt van sporten maar uit oogpunt van participatie. Om die reden zal bij een aanvraag voor een sportvoorziening kritisch gekeken worden naar de sociale context van de cliënt. Dit kan dus betekenen dat de cliënt geen sportvoorziening krijgt toegewezen op het moment dat geconstateerd wordt dat hij voor wat betreft zijn participatiebehoefte niet (grotendeels) afhankelijk is van de gevraagde sportvoorziening (en bijvoorbeeld voor wat betreft de invulling van een sportbehoefte een abonnement kan nemen bij een sportschool (voor eigen rekening)). Voor wat betreft het verstrekken van een sportvoorziening wordt uitgegaan van de goedkoopst passende voorziening tot een maximum van € 3.000,00. Dat kan dus ook betekenen dat een tweedehands voorziening kan volstaan. Eventuele kosten voor onderhoud, reparatie en/of verzekering moeten eveneens uit het toe te kennen bedrag worden voldaan. Daarvoor wordt dus geen aparte tegemoetkoming verstrekt. Voor wat betreft de duur van de tegemoetkoming wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingsduur die gangbaar is voor de voorziening. Dit kan per sportvoorziening verschillen (ook afhankelijk van aanschaf nieuw of tweedehands).

Indien de voorziening na de verstreken afschrijvingsduur nog adequaat is, wordt geen tegemoetkoming verstrekt voor een nieuwe voorziening maar wordt volstaan met een tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud (lid 3). Artikel 29 Uitbetaling en verantwoording tegemoetkoming Uitbetaling van de tegemoetkoming vindt plaats na overlegging van de bewijsstukken waaruit de realisatie van de kosten blijkt (conform de voorwaarden zoals gesteld door de gemeente) dan wel realisatie van de situatie waarvoor de tegemoetkoming is verstrekt. HOOFDSTUK 5

BIJDRAGE VOOR VOORZIENINGEN

Artikel 30 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen Artikel 30 geeft uitvoering aan de landelijke wetgeving inzake het bepalen van de eigen bijdrage voor een voorziening, te weten de art. 2.1.4 tot en met 2.1.5 Wmo 2015 en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Lid 1: Uitgangspunt van de landelijke wetgever is dat gemeenten niet verplicht zijn om een eigen bijdrage op te leggen. Het is aan de gemeenteraad om bij verordening te bepalen of cliënten een eigen bijdrage verschuldigd zijn. Zie daartoe lid 1 van dit artikel. Lid 2: Op grond van lid 2 is de eigen bijdrage gelijk aan de kostprijs (zie lid 4), tot ten hoogste het bedrag zoals bij landelijke wetgeving bepaald: het verplichte abonnementstarief. Lid 3: Het abonnementstarief is niet van toepassing in geval van beschermd wonen en opvang. De specifieke regels zoals vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gelden. Lid 4: Voor wat betreft het bepalen van de kostprijs geldt voor zorg in natura dat de kostprijs gelijk is aan de prijs die de gemeente aan de gecontracteerde aanbieder betaalt voor de voorziening. Als het gaat om een pgb of financiële tegemoetkoming wordt letterlijk aangesloten bij de hoogte van het toe te kennen pgb of de tegemoetkoming. Leden 5 en 6: Gemeenten kunnen er voor kiezen om cliënten geen eigen bijdrage op te leggen indien het inkomen onder een lokaal te bepalen inkomensgrens blijft.

De gemeente Bernheze heeft de keuze gemaakt om voor cliëntengroepen (zoals benoemd in art. 3.8 lid 2 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) met een inkomen tot de inkomensgrens van 150% van het sociaal minimum geen eigen bijdrage op te leggen.

36

Lid 7: Op grond van artikel 2.1.4, zesde lid van de wet wordt de bijdrage voor een maatwerkvoorziening vastgesteld en voor de gemeente geïnd via het CAK. Een uitzondering hierop betreft de maatwerkvoorziening voor opvang: vaststelling en inning door CAK is geen verplichting. Zie daartoe ook artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet. Via lid 7 maakt de gemeente gebruik van die keuzemogelijkheid. De vaststelling en inning van de bijdrage wordt logischerwijs opgedragen aan de instantie(s) die de opvang realiseert/realiseren. Zij beschikken over alle relevante informatie om de bijdragen te bepalen en zij staan in direct contact met de kwetsbare cliëntengroep. Lid 8: Het Kleinschalig Collectief Vervoer, ook wel Collectief Vraagafhankelijk Vervoer genoemd, is uitgezonderd van het abonnementstarief. De specifieke bepalingen zoals beschreven in lid 8 gelden. Lid 9: In lid 9 is bepaald dat een bijdrage wordt opgelegd aan ouders in geval van een verstrekking van een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige. Op deze wijze geeft de gemeente invulling aan de bevoegdheid daartoe op grond van artikel 2.1.5 eerste lid van de wet. HOOFDSTUK 6

PROCEDURE BEPALINGEN ROND WIJZIGING, INTREKKING, BEEINDIGING EN TERUGVORDERING, INVORDERING

Artikel 31 Intrekking en beëindiging Het eerste en tweede lid betreft de mogelijkheid een besluit tot toekenning van een voorziening, in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken of te beëindigen. Van beëindiging is sprake indien de aanspraak op een Wmo-voorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo voorziening over een periode in het verleden, wordt intrekken (of herzien) genoemd. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking, geen terugwerkende kracht. Het tweede lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb of financiële tegemoetkoming wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening inkoopt. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Via het derde lid gelden andere termijnen in geval van woningaanpassing (12 maanden) en een verhuiskostenvergoeding (2 jaar). Artikel 32 Terugvordering en invordering Gezien de nauwe verwevenheid van een terugvorderingsbesluit met een intrekkingsbesluit, moet een besluit tot intrekking van een aanspraak in alle gevallen genomen worden voorafgaand aan of uiterlijk tegelijk met het besluit tot terugvordering. Het is voor de gemeente wel zaak dat het teruggevorderde ook daadwerkelijk wordt verkregen.

Daartoe zijn verschillende mogelijkheden zoals terugbetaling door cliënt, verrekening en gerechtelijke invordering. In de wet staat slechts één terugvorderingsgrond. In art. 2.4.1, lid 1, Wmo 2015 is bepaald dat de gemeente van de cliënt die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde kan vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening (zorg in natura en pgb). Art. 2.4.1 Wmo staat niet in verhouding tot art. 2.3.10, Wmo 2015. Daar waar art. 2.3.10 ruime mogelijkheden biedt tot intrekken van een recht, heeft een gemeente maar zeer beperkt de mogelijkheid tot daadwerkelijke terugvordering, namelijk alleen in geval van schending van de inlichtingenplicht waar- bij ook de opzet aangetoond moet worden door de gemeente. In de andere gevallen zoals beschreven in art. 2.3.10, Wmo 2015 kan de gemeente dus alleen naar de toekomst toe (zonder mogelijkheid van terugvordering) een wijziging in het recht op een toegekende maatwerkvoorziening doorvoeren.

37

Daarom heeft de gemeente er via artikel 32 van de verordening voor gekozen om de gronden om te kunnen terugvorderen uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvordering op basis van deze verordening moet de invordering via civielrechtelijke weg plaatsvinden. Dit betekent onder meer dat in elk individueel geval moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. Wanneer op grond van de wet een bedrag wordt teruggevorderd (art. 2.4.1, lid 1, Wmo 2015) kan de gemeente met een dwangbevel invorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd. Dat wil zeggen een schriftelijk stuk dat de bevoegdheid geeft voor een invordering.

Artikel 33 Opschorting betaling uit het pgb Los van de eigenstandige bevoegdheid van de SVB om de betaling op te schorten ingevolge artikel 2b lid 6 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, schort de SVB op verzoek van het college de betaling op grond van lid 1 op indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de cliënt: onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; of de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. Op grond van lid 2 kan het college de SVB verzoeken de betaling op te schorten indien de cliënt in een instelling verblijft. HOOFDSTUK 7

KWALITEIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING INCLUSIEF BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 34 Kwaliteitseisen aanbieders en professionele zorgverleners Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Hoewel er wezenlijke verschillen bestaan tussen het verstrekken van een voorziening in de vorm van zorg in natura en een pgb waarbij de rol van de cliënt als budgethouder een wezenlijke andere is dan de rol van de cliënt in geval van zorg in natura, is het van belang voor wat betreft het begrip kwaliteitseisen niet alleen een focus te hebben op zorg in natura maar ook op pgb. Ook voor wat betreft pgb’s geldt namelijk dat het college een verantwoordelijkheid heeft voor kwaliteit en dat die verantwoordelijkheid niet alleen neergelegd kan worden bij de cliënt als budgethouder. Vandaar dat dit artikel toeziet op zowel kwaliteitseisen die gesteld worden aan gecontracteerde aanbieders (zorg in natura) als professionele zorgverleners die via een pgb de zorg verlenen. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

Lid 2: Door het college op te dragen om in de met aanbieders te sluiten contracten kwaliteitseisen op te nemen, wordt geregeld dat kwaliteitsborging zowel plaatsvindt via het bestuursrecht als het privaatrecht.

38

In het derde lid is de bevoegdheid van het college geregeld om aanvullende eisen te stellen die betrekking hebben op de kwaliteit van voorzieningen. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders / zorgverleners te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Het in het vierde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. De door mensen ervaren kwaliteit is, zoals vermeld in de memorie van toelichting, van groot belang voor het bepalen van de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning. Artikel 35 Verhouding prijs en kwaliteit levering maatwerkvoorziening derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=47af2958-106a-41b8-ab64-7ef52a540bff