CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan 'Zoggelsestraat 60, Heesch' - Toelichting

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Zoggelsestraat 60, Heesch'16.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

36

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens ook rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 4.5.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een kleinschalig Oldtimermuseum. Een dergelijke kleinschalige ontwikkeling kan worden gezien als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.

Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Bosschebaan in Heesch zelf. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.

Figuur 4.5: Uitsnede NSL-monitoringstool met plangebied in rood (Rijksoverheid) Vinkelsestraat 65 en 67 De luchtkwaliteit wordt daarnaast mede bepaald door de fijn stof uitstoot van veehouderijen. Met Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

37

name pluimveebedrijven kennen een grote uitstoot van fijn stof. Nabij het plangebied zijn twee varkenshouderijbedrijven gelegen. Op basis van cijfers uit web-bvb is de uitstoot 62.000 g/pm10/jr ter plaatse van de Vinkelsestraat 65 en 177.000 g/pm10/jr ter plaatse van de Vinkelsestraat 67. De bijdrage van veehouderijen kan worden getoetst op basis van de Handreiking Fijn Stof en Veehouderijen (2010). In de handreiking is een tabel opgenomen waarbij het verband tussen afstand en fijnstof bijdrage is opgenomen. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de bijdrage zeker 'niet in betekenende mate'. Afstand tot te toetsen 70 m 80 m 90 m 100m 120 m 140 m 160 m plaats Totale emissie in g/jr 324000 387000 473000 581000 817000 1075000 1376000 van uitbreiding/oprichting Tabel 4.3: Afstand en bijdrage fijn stof waarbij wordt voldaan aan het criterium NIBM 4.5.3 Conclusie Allereerst betreft het beoogde Oldtimermuseum geen geurgevoelig object. Bovendien is de locatie gelegen op een afstand van meer dan 100 meter van de veehouderijbedrijven. Op basis van de bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat de bijdrage fijn stof afkomstig van de veehouderijbedrijven 'niet in betekende mate is'. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een goede luchtkwaliteit en een aanvaardbaar leefklimaat.

Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Wegverkeerslawaai

4.6.1 Toetsingskader Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. Onderzoek en conclusie Een Oldtimermuseum is geen geluidgevoelige functies. Het is dan ook niet noodzakelijk om het akoestisch leefklimaat te onderzoeken.

4.7

Verkeer en parkeren

4.7.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis van vaste jurisprudentie dient in dat kader onder meer te worden aangetoond dat een goede verkeersafwikkeling is gewaarborgd en er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. In dit kader wordt uitgegaan van onderstaande kencijfers, uitgangspunten en andere informatie. Voor een museum in het buitengebied gelden op basis van het CROW geen parkeerkencijfers. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is dan ook uitgegaan van de ligging in 'Rest bebouwde kom'. 4.7.2 Onderzoek Ontsluiting In paragraaf 2.3 is reeds ingegaan op de wijze van ontsluiting van het beoogde Oldtimermuseum.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

38

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de Parkeernormennota Gemeente Bernheze zoals vastgesteld op 9 juli 2015. De parkeerbehoefte van een museum van 500 m² groot buiten de bebouwde kom bedraagt 1,2 parkeerplaatsen per 100 m², dus 6 parkeerplaatsen. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 10 parkeerplaatsen op eigen terrein voor alleen de nieuwe functie. Daarmee wordt dus ruimschoots aan de parkeernormen van de gemeente Bernheze voldaan. Hier is voldoende ruimte voor, waardoor er geen problemen verwacht worden bij het parkeren. Tevens is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden voordat medewerking verleend kan worden aan de uitvoering van het planvoornemen. Verkeersgeneratie en afwikkeling Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Bernheze, een weinig stedelijke gemeente. Op basis van het autobezit in de gemeente worden hiervoor de gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 317 van het CROW ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Voor een Oldtimermuseum van 500 m² gelden ten aanzien van de verkeersgeneratie geen vaststaande kencijfers. Op basis van bovengenoemde parkeernorm kan echter wel een onderbouwde inschatting van de verkeersgeneratie als gevolg van het museum worden gemaakt.

Allereerst zal het museum slechts op enkele dagdelen van de week geopend zijn. Naar verwachting gaat het om maximaal 4 dagdelen per week. Eventueel kan het museum op afspraak worden geopend. Uitgegaan wordt van een worst-case scenario waarbij het museum maximaal 6 dagdelen per week is geopend. De 6 parkeerplaatsen zullen maximaal 2x per dagdeel worden gebruik. Vanzelfsprekend dient uitgegaan te worden van komend en vertrekkend verkeer. Dat komt dus neer op 24 verkeersbewegingen per dagdeel en dus ook per etmaal. Er is sprake van maximaal 144 motorvoertuigbeweging per week. Gezien deze geringe omvang van de toekomstige verkeersgeneratie zal de ontwikkeling niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling aan de Zoggelsestraat. De verkeersgeneratie zal opgaan in het heersende verkeersbeeld ter plaatse. 4.7.3 Conclusie De bereikbaarheid van het plangebied is goed. Door de ontwikkelingen neemt de verkeersgeneratie slechts beperkt toe waardoor er geen problemen zullen ontstaan in de verkeersafwikkeling. Ten aanzien van parkeren gaat het om een toename die op eigen terrein opgevangen dient te worden. Hier is voldoende ruimte voor. De realisatie van voldoende parkeerplaatsen zal worden geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

39

het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.8.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als rustig buitengebied. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen en enkele (agrarische) bedrijven gelegen. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een milieugevoelige bestemming/functie. Wel wordt voorzien in functies die van invloed kunnen zijn op milieugevoelige functies in de omgeving zoals woningen. Het gaat in onderhavige situatie om de realisatie van een (kleinschalig) Oldtimermuseum maar ook het bestaande carrosserie restyling/garagebedrijf wordt hieronder onderzocht. Voor bedrijven in de milieucategorie 1 (museum) moet (ook ten aanzien van het aspect geluid) een afstand van minimaal 10 meter tot milieugevoelige objecten zoals woningen worden aangehouden. Het museum wordt door middel van een specifieke aanduiding mogelijk gemaakt. De kleinste afstand van het museum tot de woning van initiatiefnemer bedraagt minimaal 18 meter. Deze afstand is voldoende op basis van de VNG-publicatie. Op basis van jurisprudentie, uitspraak 201603124/1/R1, wordt echter beredeneert dat de woning aan de Zoggelsestraat 60 geen gevoelig gebouw is. Deze woning behoort bij het bedrijf.

Dit aangezien de eigenaar (en tevens initiatiefnemer) in die woning woonachtig is en deze woning op hetzelfde perceel als zijn bedrijf staat. De afstand van het museum tot de dichtstbijzijnde woning aan de Zoggelsestraat 66 bedraagt minimaal 25 meter. Daarmee wordt ook voldaan aan de aan te houden afstand. Ten oosten en ten noorden van het plangebied is woningbouwgebied "De Erven" gesitueerd. In de feitelijke situatie zijn hier nog geen woningen aanwezig. In de planologische situatie is het echter mogelijk om woningen op een afstand van 2 meter tot de erfgrens te realiseren. De functieaanduiding voor het museum is zodanig gesitueerd dat de afstand tot woningen altijd minimaal 10 meter bedraagt. Als van een worst-case scenario zou worden uitgegaan dient voor het carrosserie restyling bedrijf milieucategorie 2 te worden aangehouden. Voor dergelijke bedrijven geldt (ook ten aanzien van het aspect geluid) een indicatief aan te houden afstand van minimaal 30 meter tot milieugevoelige objecten. Het carrosserie restyling bedrijf wordt mogelijk gemaakt binnen de bestaande garage en zal ook als zodanig worden aangeduid. De afstand van de garage tot de woning aan de Zoggelsestraat 66 bedraagt circa 50 meter.

Het woningbouwplan De Erven voorziet ten oosten van het plangebied in de mogelijkheid om op een afstand van minimaal 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens een vrijstaande woning te realiseren. De afstand tot het carrosserie restyling bedrijf bedraagt in die planologische situatie circa 10 meter. De functieaanduidingen voor het museum en het carrosserie restyling bedrijf zijn namelijk zodanig gesitueerd dat de afstand tot woningen altijd minimaal 10 meter bedraagt. Geconcludeerd wordt dat in de bestaande situatie wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter. In de planologische situatie wordt echter niet voldaan aan die richtafstand. Van de richtafstand kan onderbouwd worden afgeweken. De onderbouwing van een kleinere afstand wordt hierna op basis van de volgende argumenten gegeven: De werkzaamheden van het carrosserie restyling bedrijf vinden voornamelijk op locatie plaats. De ondernemer gaat in de meeste gevallen dus naar de klant toe om daar reparaties aan carrosserieën uit te voeren. De werkzaamheden ter plaatse van het huidige carrosseriebedrijf vinden, indien niet op locatie, inpandig plaats. In de bestaande situatie wordt, ook ter plaatse van het carrosserie restylingbedrijf, wel voldaan aan de richtafstand; Het stedenbouwkundig plan van De Erven voorziet, aangrenzend aan het plangebied, in een vrijstaande woning op grotere afstand tot het plangebied.

Deze woning is geprojecteerd in dezelfde rooilijn als de woning van initiatiefnemers; Op dit moment is niet zeker of en waar een woning zal worden gerealiseerd; Indien een woning wordt gerealiseerd, kan specifiek onderzoek worden gedaan naar de eventuele Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

40

geluidbelasting van het bedrijf op de gevel van die woning; Indien maatregelen getroffen moeten worden, zoals een geluidscherm, is dit altijd in te passen. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een geluidscherm mogelijk op de perceelsgrens; Indien de bedrijfsvoering ter plaatse wijzigt, (en een woning is/wordt gerealiseerd) zal in het kader van het Activiteitenbesluit alsnog onderzocht moeten worden wat de geluidbelasting van het bedrijf op geluidgevoelige functies in de omgeving is; De in dit bestemmingsplan opgenomen aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf carrosseriebedrijf' geeft de flexibiliteit om het carrosseriebedrijf binnen het bouwperceel en met een maximale oppervlakte van 120 m² te verplaatsen. Hiermee is het mogelijk om in een toekomstige situatie alsnog aan de richtafstand te voldoen. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat van de richtafstand van 30 meter kan worden afgeweken. De afstand van 10 meter is in dit bestemmingsplan vastgelegd. Het gaat in dit geval om een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Aangezien de werkzaamheden veelal elders plaatsvinden is er geen reden om uit te gaan van enige overlast of een verminderde leefkwaliteit door het carrosserie restyling bedrijf op de woning van initiatiefnemer zelf of andere (toekomstige) woningen in de omgeving. De afstand tot de woning op het perceel zelf is kleiner dan 30 meter.

Gezien de beredenering hierboven is deze woning echter geen gevoelig gebouw en is het niet noodzakelijk om aan de indicatieve afstand te toetsen. 4.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de woning aan de Zoggelsestraat 60 niet gevoelig is voor bedrijfsactiviteiten op het eigen terrein. Daarnaast wordt voldaan aan of gemotiveerd afgeweken van de indicatief aan te houden afstanden tot (toekomstige) milieugevoelige objecten in de omgeving. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen is dan ook aanvaardbaar. Er zijn geen bedrijven in de omgeving die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient voor externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.

Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

41

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art.

3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. 4.9.2 Onderzoek Onderstaande paragraaf wordt afgestemd met de ODBN en de Veiligheidsregio Brabant Noord. Risicovolle inrichtingen en vervoer van gevaarlijke stoffen Volgens de professionele risicokaart zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. Daarnaast vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of over het water. Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

42

Circulaire LPG-tankstations en veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit In de omgeving van het plangebied zijn geen LPG-tankstation gelegen. Derhalve is de circulaire LPG-tankstations niet van toepassing op dit plan. Daarnaast zijn er geen veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit van toepassing op het onderhavige plan. Beleidsvisie externe veiligheid Toetsing van het plan aan de voorwaarden uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente geeft geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. 4.9.3 Conclusie De huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid wijzigt niet door de realisatie van het museum en het carrosserie restyling bedrijf. In en direct rond het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die zijn opgenomen in de lijst met risicovolle bedrijven in de gemeente Bernheze en die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er zich geen risicobronnen in de nabijheid van het plangebied bevinden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.10

Cultuurhistorie

4.10.1 Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan enkel naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.10.2 Onderzoek en conclusie Omtrent het cultuurhistorisch beleid heeft de gemeente Bernheze een 'cultuurhistorische waardenkaart' (figuur 4.7) gerealiseerd. Hierop is te zien dat in de directe omgeving van het plangebied aan de Zoggelsestraat slechts enkele cultuurhistorische waarden aanwezig zijn zoals oude wegtracés (hoge en redelijk hoge waarde), gemeentelijke monumenten, enkele monumentale bomen en een monument in de categorie 'overige historische bouwkunst'. Dergelijke cultuurhistorische waarden zijn in het plangebied niet aanwezig.

Wel zal de toekomstige ontsluiting van het museum plaatsvinden op het oude wegtracé aan de Zoggelsestraat. Omdat er reeds meerdere ontsluitingen op dit tracé aanwezig zijn en het tracé zelf als zodanig blijft bestaan, zal de beoogde ontwikkeling geen invloed hebben op cultuurhistorische waarden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

43

Figuur 4.7: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Bernheze met plangebied in rood (gemeente Bernheze)

4.11

Archeologie

4.11.1 Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren.

Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de 'Nota Archeologiebeleid Gemeente Bernheze' en de 'Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze'. Op basis van deze documenten, is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden afgewogen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

44

4.11.2 Onderzoek en conclusie Zie figuur 4.8 voor een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze. Het plangebied is met rode belijning aangeduid.

Figuur 4.8: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze met plangebied rood omcirkeld (Gemeente Bernheze) Zoals op de archeologische beleidskaart in beeld gebracht is, ligt het plangebied binnen een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. In deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een gebouw van maximaal 500 m². Voor het planvoornemen geldt dus geen archeologische onderzoeksplicht. Bovendien zijn de gronden reeds grotendeels verstoord bij de realisatie van de huidige bijgebouwen.

4.12

Ecologie

4.12.1 Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

45

passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn.

De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. De gemeente Noord-Brabant heeft deze natuurgebied aangeduid als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

46

aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.12.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en bevindt zich op circa 14 kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) of een ecologische verbindingszone. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de geringe ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Tevens genereert de beoogde ontwikkeling vanwege deze redenen qua stikstofdepositie eveneens geen problemen. Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en in de aanlegfase.

Hieronder wordt onderbouwd waarom het voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk is om dergelijke stikstofberekeningen uit te voeren. Gebruiksfase Er is slechts een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast is de afstand tot stikstofgevoelige gebieden voldoende ruim zodat er nooit sprake kan zijn van stikstofdepositie door deze kleinschalige ontwikkeling. Bovendien worden in AERIUS verkeersgegevens vanaf de bron maar tot maximaal 5 kilometer doorgerekend. Aanlegfase Specifiek voor het meenemen van aanleg c.q. uitvoeringsaspecten in de bestemmingsplanprocedure bestaat een vaste jurisprudentielijn van de Afdeling. Hieruit blijkt dat uitvoeringsaspecten niet betrokken hoeven te worden in de bestemmingsplanprocedure. Dat betekent dat de mogelijke stikstofdepositie gedurende de aanlegfase van een project niet wordt meegerekend in de bestemmingsplanprocedure. Deze fase hoeft pas berekend te worden in de vergunningprocedure. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Noord-Brabant staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat bij de sloop van de bijgebouwen of de optimalisering van de landschappelijke inpassing beschermde soorten worden bedreigd.

De bijgebouwen zijn verouderde gebouwen waarvan uit ervaring blijkt dat deze veelal geschikt zijn voor de huisvesting van beschermde soorten zoals vleermuizen of marters. Door middel van een quickscan flora en fauna is beoordeeld of de bestaande bebouwing beschikt over openingen waardoor dergelijke soorten binnen kunnen komen. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Er is in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

47

Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals sloopen bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.

Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De aanwezige garage is geschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Indien de garage behouden blijft en niet wordt betrokken bij de plannen is echter nader onderzoek niet benodigd. Indien de garage toch betrokken wordt bij de plannen, dient er mogelijk aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen plaats te vinden. De noodzakelijkheid is derhalve afhankelijk van de geplande werkzaamheden. Ter nadere beoordeling dient het voorgelegd te worden aan een ecoloog. Indien nader onderzoek gedaan dient te worden naar vaste verblijfplaatsen van vleermuizen, dient het uitgevoerd te worden in de vorm van minimaal vijf veldbezoeken, waarvan drie in de periode van 15 mei tot 15 juli en twee in de periode van 15 augustus tot 1 oktober.

Een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 van Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2017). Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

48

Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

4.12.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. De bestaande garage blijft gehandhaafd waardoor aanvullend onderzoek naar vleermuizen niet nodig is. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

49

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige bestemmingsplantoelichting met bijlagen.

5.2

Toelichting op de verbeelding

De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De bestemming 'Wonen - 1' is aangegeven, evenals de plangrens en 'bouwvlak'. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan de functieaanduidingen 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - museum' en 'garage' opgenomen. Ook de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' is voor een gedeelte van het plangebied van toepassing.

5.3

Toelichting op de regels

De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de antidubbeltelbepaling en algemene bouwregels. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en is de slotregel opgenomen. Hierna volgt een toelichting per hoofdstuk. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemene spraakgebruik onvoldoende vast gedefinieerd zijn en waarbij derhalve verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels voor kan komen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken en percelen gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels in een bestemming zijn conform de SVBP2012 (indien van toepassing) als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

50

7. 8. 9.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid.

Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toegekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen (hoofdgebouwen), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning overzichtelijk is. In de planregels betreft hoofdstuk 2 de regels inzake de bestemming ‘Wonen - 1’ (artikel 3) en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' (artikel 4). Artikel 3 Wonen - 1 Het perceel met de bestaande woning heeft, evenals in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen - 1' gekregen. Binnen deze bestemming is gekozen voor een globale regeling. Per bouwvlak is ten hoogste 1 woning toegestaan. De goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 7 m en 11 m. De voorgevel van het hoofdgebouw wordt ten hoogste 5 m achter de voorste bouwgrens (dat is de bouwgrens waarin op dit moment de voorgevel van de woningen binnen Wonen – 1 zijn gesitueerd) gebouwd. Hiermee is verzekerd dat het hoofdgebouw niet achterop het erf kan worden gebouwd.

Het beoogde Oldtimermuseum wordt mogelijk gemaakt ter plaatse van de aanduiding 'museum'. De maximale oppervlakte van 500 m² voor het museum is vastgelegd in de regels. Ondergeschikt aan het museum is ook lichte horeca toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - carrosseriebedrijf' is het bestaande carrossierie restyling bedrijf toegestaan met een maximale bedrijfsmilieucategorie van 2. Bijgebouwen, carport, erkers en overkappingen Bij het hoofdgebouwen (de woning) mogen bijgebouwen worden gebouwd. Deze worden ten minste 4 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd. De bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt niet meer dan 6,0 m. De goothoogte voor bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3,25 m. Het gezamenlijk oppervlak van vrijstaande bijgebouwen is ter plaatse van de aanduiding 'museum' nooit meer dan 500 m². Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - carrosseriebedrijf' is een bijgebouw van maximaal 120 m² toegestaan. Buiten de bijgebouwen ter plaatse van de specifieke aanduidingen is bij de woning nog maximaal 70 m² aan bijgebouwen toegestaan. Deze bijgebouwen kunnen overal binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Het is toegestaan per woning maximaal 2 carports of overkappingen te realiseren van ieder ten hoogste 30 m².

Verder zijn erkers aan de voorgevel toegestaan die de voorste bouwgrens overschrijden, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Hetzelfde geldt voor een overkapping bij de voordeur. Binnen de bestemming 'Wonen – 1' zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor de realisatie en instandhouding van voldoende parkeerplaatsen, voldoende waterberging en de landschappelijke inpassing. Aan-huis-gebonden beroep/bedrijfsmatige activiteit Het is toegestaan om in de woning een beroep uit te oefenen, zolang aan de uitstraling van de woning Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

51

geen afbreuk wordt gedaan. Om die reden is deze functie beperkt tot een oppervlak van ten hoogste 40 m², met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - carrosseriebedrijf' waar een oppervlakte van 120 m² is toegestaan. Artikel 4 Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Antidubbeltelbepaling In dit artikel zijn regels opgenomen om te voorkomen dat bij het beoordelen van het ene plan gronden worden meegeteld die al bij een vorig plan waren meegeteld.

Gronden kunnen maar één keer worden meegeteld bij het beoordelen van een bouwplan. Gronden kunnen maar één keer worden meegeteld bij het beoordelen van een bouwplan. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel is opgenomen voor welke onderwerpen de aanvullende werking van de bouwverordening uitgesloten is. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een verbod voor het gebruik van de gronden in strijd met de bestemming opgenomen. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In artikel 8 zijn regels gegeven voor het toepassen van algemene afwijkingsregels voor geringe afwijkingen zoals beschreven in de regels. Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In artikel 10 zijn regels gegeven omtrent wijziging van het bestemmingsplan. Artikel 10 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan worden verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van inwerkingtreding van dit plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In artikel 11 wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 12 Slotregel In dit artikel wordt de naam van de regels vastgesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

52

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

53

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft de omgevingsdialoog gevoerd met de direct omwonenden. Deze omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden in de vorm van keukentafelgesprekken. Tijdens de gesprekken zijn de plannen voor de oprichting van een Oldtimermuseum door de initiatiefnemer toegelicht. Hieronder een korte samenvatting van de resultaten: De volgende keukentafelgesprekken hebben plaatsgevonden (omwille van de AVG zijn de namen van de bewoners weggelaten): Dinsdagavond 12 November 2019, bewoners Zoggelsestraat 54; Zaterdagmiddag 16 November 2019, bewoners Zoggelsestraat 53; Zondagmiddag 17 November 2019, bewoners Zoggelsestraat 66; Maandagavond 18 November 2019, bewoners Zoggelsestraat 56. Het initiatief is tijdens alle gesprekken positief ontvangen. Men ziet het realiseren van de plannen vol vertrouwen tegemoet. 6.1.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners van de gemeente Bernheze. Dit zijn het waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant. Beide overlegpartners hebben geen opmerkingen op het bestemmingsplan. 6.1.3 Zienswijzen Overeenkomstig de wettelijke vereisten wordt het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken 6 weken ter inzage gelegd.

Gedurende deze termijn wordt eenieder de mogelijkheid geboden zienswijzen over dit ontwerpbestemmingsplan in te dienen bij de gemeenteraad.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de overheid verplicht om de kosten te verhalen in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van: de bouw van een of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

54

de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 brutovloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. De ontwikkeling die door middel van dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt valt niet onder een van de hierboven genoemde gevallen. Er is dus geen sprake van een bouwplan. De gronden van het plangebied waar het Oldtimermuseum en het carrosserie restyling bedrijf mogelijk worden gemaakt, zijn in eigendom van de initiatiefnemer. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro. De planschadeverhaalsovereenkomst maakt onderdeel uit van deze anterieure overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid is dan ook gegarandeerd. Door het college van burgemeester en wethouders kan derhalve worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan in de zin van artikel 6.12, tweede lid Wro.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=5f7798bc-b027-490e-a053-de0e2fb2bae4