CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan 'Zoggelsestraat 60, Heesch' - Toelichting

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Zoggelsestraat 60, Heesch'16.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bernheze Zoggelsestraat 60, Heesch Bestemmingsplan

Zoggelsestraat 60, Heesch Bernheze

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.1721.BPZoggestr60HSC-VG01

21-06-2019 9 maart 2021 8 juli 2021

concept ontwerp vastgesteld

projectnummer:

20181267 opdrachtleider:

Rob Verkooijen

2

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Plangebied

7

1.3

Geldend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Omschrijving planvoornemen

11

2.1

Bestaande situatie

11

2.2

Planhistorie

14

2.3

Planvoornemen

14

Hoofdstuk 3

Beleidskader

19

3.1

Rijksbeleid

19

3.2

Provinciaal beleid

21

3.3

Gemeentelijk beleid

25

Hoofdstuk 4

Milieuaspecten

29

4.1

Vormvrije m.e.r.- beoordeling

29

4.2

Bodem

30

4.3

Water

31

4.4

Kabels en leidingen

35

4.5

Luchtkwaliteit

35

4.6

Wegverkeerslawaai

37

4.7

Verkeer en parkeren

37

4.8

Bedrijven en milieuzonering

38

4.9

Externe veiligheid

40

4.10

Cultuurhistorie

42

4.11

Archeologie

43

4.12

Ecologie

44

Hoofdstuk 5

Juridische vormgeving

49

5.1

Algemeen

49

5.2

Toelichting op de verbeelding

49

5.3

Toelichting op de regels

49

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

53

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53

6.2

Economische uitvoerbaarheid

53

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

3

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

Toelichting

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van hun woonperceel aan de Zoggelsestraat 60 in het buitengebied te Heesch (grenzend aan de nieuwe woonwijk De Erven), een Oldtimermuseum te realiseren. Daarnaast willen zij graag de nevenactiviteit van het carrosserie restyling bedrijf planologisch geregeld zien. De oppervlakte aan bebouwing die noodzakelijk is voor het Oldtimermuseum alsmede het carrosserie restyling bedrijf is niet toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. Door middel van dit bestemmingsplan worden beide functies alsnog juridisch-planologisch geregeld.

1.2

Plangebied

Initiatiefnemer is eigenaar van de percelen kadastraal bekend als gemeente Heesch, sectie F en perceelsnummers: 468 (1.490 m²), 658 (498 m²), 759 (275 m²), 893 (943 m²) en 1066 (20.180 m²). De realisatie van het Oldtimermuseum en de nevenactiviteit als carrosserie restyling bedrijf zijn voorzien op de percelen 468, 658, 759 en 893. Het grotere (agrarische) perceel (1066) aan de achterzijde maakt geen onderdeel uit van het plangebied van dit bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

8

Figuur 1.1: Luchtfoto plangebied met kadastrale grenzen en perceelseigendom in rood

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'De Erven' dat d.d. 6 februari 2014 door de gemeenteraad van Bernheze is vastgesteld. De betreffende percelen zijn in dat bestemmingsplan bestemd als 'Wonen - 1' en ter plaatse is een bouwvlak opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

9

Figuur 1.2: Fragment geldend bestemmingsplan (plangebied rood omlijnd) Bestemming 'Wonen -1' De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen; daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en toegangswegen. Op basis van de bij deze bestemming behorende bouwregels mag binnen het bouwvlak 1 hoofdgebouw aanwezig zijn. De bouwhoogte van het hoofdgebouw (woning) mag maximaal 11 meter zijn, de goothoogte mag maximaal 7 meter bedragen. Voor bijgebouwen geldt in onderhavig geval (bouwperceel > 800 m²) een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² en dat deze (per stuk) niet groter mogen zijn dan 50 m². Voor bouwpercelen groter dan 1.000 m² geldt geen maximum aantal bijgebouwen. Voor de bestaande garage/schuur met een oppervlakte van circa 120 m² is destijds (conform de BAG-administratie) vergunning verleend. Voor zover in afwijking van de hiervoor genoemde regels valt dit onder het overgangsrecht (artikel 15 regels bestemmingsplan 'De Erven'). Strijdigheid met bestemmingsplan Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een Oldtimermuseum binnen een nieuw op te richten (en toe te voegen) bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 500 m².

Aangezien bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 50 m² zijn toegestaan, is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan. Het carrosserie restyling bedrijf betreft een kleinschalige nevenactiviteit welke niet direct strijdig is met de regels binnen de bestemming 'Wonen -1'. Binnen die bestemming zijn namelijk kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

10

Aangezien de herstelwerkzaamheden aan auto's veelal op locatie bij klanten worden uitgevoerd, vinden er aan de Zoggelsestraat 60 sporadisch werkzaamheden plaats op dit vlak. De werkzaamheden die wel plaatsvinden kunnen dan ook als kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten worden gezien. Echter, om discussie omtrent de bedrijfsactiviteiten te voorkomen wordt in dit bestemmingsplan uitgegaan van een bedrijf in de maximale milieucategorie 2. Zie verder paragraaf 4.8 van deze toelichting. Dit bestemmingsplan voorziet in een passende regeling voor de gewenste situatie voor zowel het Oldtimermuseum als het carrosserie restyling bedrijf.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygiënische- en planologische aspecten binnen het plangebied. In hoofdstuk 5 komt de juridische vormgeving van het plan aan de orde. Ten slotte komt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het project aan de orde.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

11

Hoofdstuk 2

2.1

Omschrijving planvoornemen

Bestaande situatie

Aan de Zoggelsestraat 60 te Heesch is de woning van initiatiefnemer gesitueerd. Het is een woning met een kap parallel aan de Zoggelsestraat. De woning heeft een goothoogte van circa 3 meter en een bouwhoogte van circa 7 meter. Rechts achter de woning is een garage aanwezig van circa 120 m². Deze garage heeft een goothoogte van 2,50 meter en een bouwhoogte van circa 6 meter. De garage is voorzien van een aanbouw met een oppervlakte van 45 m². De totale oppervlakte van de garage is in de bestaande situatie 165 m². Naast en achter (tegen) deze garage zijn nog enkele andere bijgebouwen op het perceel aanwezig.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

12

Figuur 2.1: Luchtfoto met kadastrale kaart en plangebied (Bron: Esri Nederland i.s.m. kadaster en Nationaal Georegister)

In totaal is ongeveer 525 m² aan bijgebouwen op het perceel gesitueerd. Zie ook onderstaande afbeelding. Zoals hiervoor reeds uitvoerig beschreven, is op basis van het bestemmingsplan en op grond van vergunningsvrij bouwen, maximaal 150 m² aan bijgebouwen toegestaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

13

Figuur 2.2: Huidige situatie met oppervlakten bijgebouwen De garage wordt gebruikt ten behoeve van de nevenactiviteit als en door carrosserie restyling bedrijf “Deukendokter.com”. De restylingwerkzaamheden worden echter veelal op locatie bij klanten verricht. Daarnaast heeft initiatiefnemer (gedurende jaren) een collectie unieke oude auto's (oldtimers) verzameld. In Bijlage 1 “Foto-impressie bestaande situatie en collectie” is een fotorapportage opgenomen van de bestaande situatie en wordt een impressie gegeven van de verzameling Oldtimers. In de bestaande situatie zijn de aanwezige bijgebouwen reeds geheel landschappelijk ingepast. Rondom het perceel zijn namelijk veel bomen aanwezig, voornamelijk dennenbomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

14

2.2

Planhistorie

Al sinds 2011 is initiatiefnemer doende om aan de Zoggelsestraat 60 te Heesch een Oldtimermuseum te realiseren. Door middel van een principeverzoek (met onderbouwing) dat d.d. 11 mei 2018 aan de gemeente is toegestuurd is naast de ruimtelijke haalbaarheid ook de haalbaarheid ten aanzien van beleid en milieuhygiëne aangetoond. Per brief d.d. 3 (verzonden 18) juli 2018 heeft de gemeente aangegeven dat zij in principe en onder voorwaarden medewerking wil verlenen aan de realisatie van een Oldtimermuseum en als nevenactiviteit kleinschalige bedrijvigheid in de restyling van carrosserieën. In dit bestemmingsplan wordt aangetoond dat aan de voorwaarden die aan principemedewerking zijn gesteld, wordt voldaan.

2.3

Planvoornemen

2.3.1 Unieke verzameling Er is veel belangstelling voor de unieke verzameling auto's van initiatiefnemer. Ter plaatse wordt een van de eerste Volkswagen kevers, de zogenoemde “Brilkever”, uit 1952 gehuisvest. Daarnaast zijn nog meer unieke exemplaren van verschillende merken en edities aanwezig; waaronder een Volkswagen Transporter uit 1953, enkele Volkswagen samba bussen (luxe uitvoering van de Transporter voor het vervoer van personen), een van de eerste DAFjes (Neerlands trots) en verschillende Oldtimers van de merken Ford en Citroën. De belangstelling in deze auto's, de uitvoerige kennis van zaken en de passie en beleving die de initiatiefnemer heeft voor Oldtimers, heeft hem doen besluiten de unieke verzameling voor een wat groter publiek toegankelijk te maken. De doelgroep voor het museum bestaat onder andere uit: Fietsers en wandelaars die gebruik maken van de fiets- en wandelroute langs de Zoggelsestraat; Kleine groepen senioren (van verpleeg- en verzorgingshuizen uit de regio) maar ook schoolklassen; Bezoekers op afspraak. Ook wordt gedacht om een vaste (middag)dag in de week het museum open te stellen. Geïnteresseerden kunnen in het Oldtimermuseum een rondleiding krijgen van initiatiefnemer die vol passie over de geschiedenis van de autobranche en het ontstaan van verschillende merken en types kan vertellen.

De uniciteit van de verzameling wordt regelmatig bevestigd door berichten in de media. Recent nog is een artikel verschenen in het blad “De Auto” van de Koninklijke Nederlandsche Automobiel Club (beter bekend als KNAC). Zie bijlage voor het betreffende artikel van april 2018. Ook in de lokale media is de verzameling regelmatig te zien. In de MooiBernheze krant van 14 maart 2018 is een uitgebreid artikel opgenomen (zie Bijlage 2). 2.3.2 Beoogde situatie Het planvoornemen bestaat uit het amoveren van een groot gedeelte van de bestaande bijgebouwen. Alleen de oorspronkelijke garage (gebouw A) met een oppervlak van circa 120 m² blijft behouden. De aanbouw aan de garage met een oppervlak van 45 m² zal worden geamoveerd. Dat betekent dat de aanbouw aan de garage en de bijgebouwen B, C, D en E (zoals aangegeven in figuur 2.1) worden gesloopt. Daarvoor in de plaats zal een nieuw bijgebouw worden gerealiseerd, passend in de omgeving en landschappelijk ingepast. Voor de ontsluiting van het perceel zal gebruik worden gemaakt van de 2 bestaande inritten. Hierna zijn een tweetal varianten voor de nieuwe inrichting van het perceel uitgewerkt.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

15

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

16

Figuur 2.3: Voorstel nieuwe inrichting Zoggelsestraat 60; Variant 1

Figuur 2.4: Voorstel nieuwe inrichting Zoggelsestraat 60; Variant 2 Beide varianten voorzien in de realisatie van een nieuw bijgebouw waarbinnen het Oldtimermuseum zal worden opgericht. Dit bijgebouw zal maximaal 500 m² groot worden. De gewenste uitstraling van het beoogde bijgebouw refereert aan de in de omgeving aanwezige agrarische schuren met kap en/of wolfseind. Hierdoor past het nieuwe gebouw in de landelijke omgeving in de kernrandzone van Heesch. 2.3.3 Kwaliteitsverbetering landschap Ten behoeve van het planvoornemen en in het kader van provinciaal en gemeentelijk beleid (zie paragraaf 3.3.2) is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Initiatiefnemer is bereid om voor de realisatie van het nieuwe bijgebouw extra compenserende maatregelen te treffen. Het perceel is weliswaar reeds landschappelijk ingepast, de kwaliteit van deze

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

17

landschappelijk inpassing kan nog verbeterd worden door het toevoegen van gebiedseigen beplanting en bomen. Ook in het kader van provinciaal beleid is dan ook een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Dit plan is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. In Bijlage 4 is berekend welke investering daarbij hoort.

Figuur: 2.5: Landschappelijke inpassing Zoggelsestraat 60 Uitgangspunten voor de landschappelijke inpassing: De landschappelijke inpassingen dienen te bestaan uit gebiedseigen beplantingen. De gebruikte soorten horen bij het deelgebied “dekzandruggen en dekzandvlakten”. Het erf dient “aangekleed” te worden en er moet een verzorgde uitstraling gecreëerd worden, passend bij een museum dat publiek ontvangt. Er moeten ten minste tien parkeerplaatsen aanwezig zijn. Het is belangrijk dat de nieuwe beplanting voldoende ruimte krijgt. Zoveel mogelijk blijft de bestaande beplantingen gehandhaafd. De oostelijke beplantingsstrook blijft behouden, en er komt een beukenhaag aan de buitenzijde langs. Tegen inkijk vanuit De Erven komt aan de noordzijde van het erf een hogere gemengde beplanting. Deze hogere gemengde beplanting bestaat uit twee rijen bosplantsoen, waarbij de eerste rij twee meter uit erfgrens ligt. De singel mag breed uitgroeien tot wel vijf meter breedte. Voor het overige blijft het groen in de tuin zoals het nu is. De sierheesters en bomen zijn jarenlang gekoesterd en goed verzorgd. Met behulp van beukenhaag - bestaand en nieuw - wordt eenheid verkregen op het perceel. De verharding van de parkeervakken bestaat uit gebakken klinkers.

Naast de landschappelijke inpassing van het perceel en het nieuwe museum is initiatiefnemer bereid om andere compenserende maatregelen in de vorm van duurzame energieopwekking te treffen. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan het realiseren van zonnepanelen op de nieuwe en eventueel bestaande bebouwing.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

18

2.3.4 Ontsluiting Ontsluiting van de bestaande woning en het carrosserie restyling bedrijf zal in de gewenste situatie via de bestaande oprit aan de oostzijde van de woning plaatsvinden. Hierin zijn dus geen wijzigingen voorzien. De ontsluiting van het Oldtimermuseum zal plaatsvinden via de bestaande uitrit ten westen van de woning. Deze uitrit wordt momenteel weliswaar niet als zodanig gebruikt, deze is wel aanwezig en voorzien van een poort. Deze oprit vormt een wenselijke separate toegang tot het museum. Via de nieuwe oprit zullen de voor het museum noodzakelijke parkeerplaatsen bereikbaar zijn. Er zal in ieder geval ruimte zijn voor minimaal 10 parkeerplaatsen op eigen terrein. Gezien het kleinschalige karakter van het initiatief, is dat voldoende (zie ook paragraaf 4.7).

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

19

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is door de minister van Infrastructuur en Milieu het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het hoofdthema van de SVIR is: "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig". De structuurvisie geeft een visie voor Nederland tot het jaar 2040. Er zijn in de structuurvisie drie hoofddoelen opgenomen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Deze doelen zijn: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, is een nieuwe aanpak in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid geformuleerd.

Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en werkt aan eenvoudigere regelgeving. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. Toetsing De SVIR wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekend dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de SVIR wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Toetsing Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

20

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en ladder voor duurzame verstedelijking Sinds 1 oktober 2012 is het op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, Bro, verplicht om in het geval dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de toelichting de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen. Toetsing De realisatie van een Oldtimermuseum, een nevenactiviteit bij de woonfunctie, wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ruimtelijke impact van het planvoornemen is beperkt en kleinschalig. Toepassing van de ladder is derhalve niet noodzakelijk.

3.1.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen, bijvoorbeeld voor defensie en waterveiligheid, de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen. Naar aanleiding van een advies van de Raad van State voorziet het Barro ook in een bij dit besluit behorende ministeriële regeling (Rarro). Toetsing Het plangebied ligt vanuit de Rarro in het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. Dit houdt in dat, teneinde het ongestoord functioneren van radarcommunicatieapparatuur op de vliegbasis te waarborgen, er rond de vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (=27,8 km) geldt, gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 65 meter +NAP, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Het plangebied is gelegen op een hoogte van ongeveer 7,5 meter +NAP. De beoogde bebouwing is maximaal 5 meter hoog. Aan de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen van 11 meter wordt niets gewijzigd. De grootste bouwhoogte bedraagt dus 18,5 meter +NAP. Binnen het plangebied worden geen objecten gerealiseerd met een hoogte van 65 meter +NAP. Het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel wordt door het plan derhalve niet belemmerd.

Figuur 3.1 Radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel (Bijlage 8.4. bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening – Staatscourant 2012 nr. 18324 7 september 2012)

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

21

Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de provincie Noord-Brabant ook in de toekomst goed wonen, werken en verblijven is. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Het plangebied grenst aan de nieuwe woonwijk De Erven. Door de realisatie van de ruim 400 woningen hier, bevindt het perceel van deze ontwikkeling zich in een overgangsgebied tussen bebouwd gebied en landelijk gebied.

Het initiatief en de locatie van het plangebied bieden duidelijke kansen om een bijdrage te leveren aan de overgang van de nieuwe woonwijk naar het landelijke gebied. In de Omgevingsvisie wordt door de provincie benadrukt dat de zogenoemde meerwaardebenadering per definitie dient te worden toegepast, in plaats van als uitzondering. Er zou beredeneert moeten worden vanuit casuïstiek en doelen in plaats van vanuit regels. Bestuurlijke afwegingsruimte maakt van maatwerk de nieuwe standaard. De naderende Omgevingswet beoogd een omslag in denken en houding. Deze omslag begint post te vatten, maar is nog lang niet bij iedereen doorgedrongen. Dit geldt zowel voor medewerkers van waterschap, gemeenten en provincie als bij bestuurders, inwoners en andere belanghebbenden. Er wordt nog veel en vaak vanuit belemmeringen en eigen belangen gedacht. De provincie Noord-Brabant signaleert ook dat er nog twee werelden bestaan: een meer juridische wereld van regels en zekerheden tegenover een wereld die onzekerheden omarmt en aan de slag wil met de Omgevingswet. Het vertrouwen om het samen te doen, is nog lang niet bij iedereen in overtuigende mate aanwezig. Ook het besef dat er geen 'one issue' onderwerpen meer zijn die altijd voorgaan, maar dat het een zoektocht is naar het verbinden van onderwerpen, dringt nog onvoldoende door.

Onderhavig initiatief is een goed voorbeeld van een project dat “in de geest van de Omgevingswet” zou moeten worden benaderd. Het planvoornemen past weliswaar niet direct binnen de beleidsregels van de gemeente, maar door diverse maatregelen (zoals sloop verouderde en overtollige bebouwing, clustering van bebouwing en landschappelijke inpassing alsmede het gebruik van duurzame energiebronnen zoals zonnepanelen) heeft het initiatief de potentie om van toegevoegde waarde (meerwaardebepaling) te zijn op gebied van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

22

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Vanaf 5 november 2019 geldt de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B). Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 werking. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die voorheen opgenomen waren in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.

Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Net als bij de Verordening ruimte zijn ook hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het plangebied ligt binnen het 'Gebied verstedelijking afweegbaar' en binnen 'Gemengd landelijk gebied'.

Figuur 3.2: Uitsnede kaart 3: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed. Globale ligging plangebied in "Verstedelijking afweegbaar" (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

23

Figuur 3.3: Uitsnede kaart 6: basiskaart Landelijk gebied. Globale ligging plangebied in Landelijk gebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Gemengd landelijk gebied Op basis van artikel 3.73, lid1 kan een bestemmingsplan, van toepassing op Landelijk gebied, voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Ad a.: Het gemengd landelijk gebied dient zich te ontwikkelen als een gemengde plattelandseconomie met daarbij passende bestemmingen. De realisatie van een kleinschalig Oldtimermuseum past binnen een dergelijke plattelandseconomie ter plaatse.

Een voorziening zoals beoogd past nadrukkelijk in een overgangsgebied tussen het bebouwd gebied (met Woningbouw De Erven) en het landelijke buitengebied van Bernheze. Voor het planologisch regelen van het Oldtimermuseum en het carrosserie restyling bedrijf is het per definitie niet perse noodzakelijk om de hoofdbestemming 'Wonen – 1' te wijzigen. De beoogde voorzieningen worden bij voorkeur mogelijk gemaakt door middel van een specifieke aanduiding voor het plangebied. Aan de specifieke aanduiding kunnen dan tevens de eventueel noodzakelijke voorwaarden en voorwaardelijke verplichtingen worden gekoppeld in de regels. Door het behoud van de enkelbestemming worden overige bestemmingen in de directe omgeving niet belemmerd in verdere (bedrijfs)ontwikkeling. De bestemmingsplanwijziging doet dan ook geen afbreuk aan de ontwikkeling van de agrarische economie ter plaatse. Verder geldt op basis van artikel 3.5 sub 2 dat er sprake moet zijn van zorgvuldig ruimtegebruik, er rekening moet worden gehouden met de bestaande waarden in het gebied en er moet sprake zijn van meerwaardecreatie.

De ontwikkeling gaat gepaard met de sloop van bestaande bijgebouwen, de realisatie van een nieuwe schuur passend in de omgeving, de clustering van bebouwing op het perceel en bovendien wordt de landschappelijk inpassing van het perceel geoptimaliseerd door het toevoegen van gebiedseigen beplanting en bomen (zie Bijlage 3). Er wordt dus een duidelijke ruimtelijke kwaliteitsbijdrage geleverd. Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

24

Ad b.: De ontwikkeling vindt plaats op een en hetzelfde perceel. Er is geen sprake van de splitsing van het bouwperceel. Ad c. Voor de realisatie van het nieuwe museum wordt alle overtollige bebouwing op het perceel gesloopt. De bestaande garage van 120 m² blijft gehandhaafd als bijgebouw bij de woning en als onderkomen voor het carrosserie restyling bedrijf. Verder worden alle overtollige bijgebouwen gesloopt. Ten behoeve van het museum wordt 500 m² teruggebouwd zodat er totaal 620 m² aan bijgebouwen aanwezig zal zijn. Ad d.: Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een Oldtimermuseum en het planologisch regelen van het hier gevestigde carrosserie restyling bedrijf. Het museum valt conform de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' onder milieucategorie 1. In de feitelijke bestaande en toekomstige situatie is het carrosserie restyling bedrijf een nevenactiviteit bij de woning die kan worden gezien als een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit zoals toegestaan conform het geldende bestemmingsplan. Vanuit een worst-case benadering vallen de betreffende bedrijfsactiviteiten onder milieucategorie 2. Daarmee wordt in ieder geval duidelijk gemaakt dat er geen kantoor met baliefunctie, geen lawaaisport en geen mestbewerking zal gaan plaatsvinden. De maximale milieucategorie zal ook in het bestemmingsplan worden vastgelegd.

In het kader van een samenhangende benadering en lokaal maatwerk, zoals bedoeld in de Omgevingswet (zie bovenstaande tekstkader en paragrafen 3.2.1 en 4.8), zou het carrosserie restyling bedrijf, gezien de kleinschaligheid en aangezien de feitelijke werkzaamheden elders plaatsvinden, in een lagere milieucategorie moeten worden ingedeeld. Verstedelijking afweegbaar Op basis van artikel 3.43 kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar, voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Ad a.: Dit bestemmingsplan voorziet in een specifieke ontwikkeling; de realisatie van een Oldtimermuseum. Het betreffende perceel is in eigendom van initiatiefnemer. Ter plaatse worden de Oldtimers nu reeds gestald.

Vanuit feitelijke overwegingen is het om die reden niet mogelijk om deze ontwikkeling binnen stedelijk gebied mogelijk te maken. Ad b.: Ter plaatse van het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevol of geschikt vastgoed aanwezig. Transformatie is dan ook niet aan de orde. Ad c. In paragraaf 3.1.3 is reeds aangegeven dat de realisatie van een Oldtimermuseum, een

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

25

nevenactiviteit bij de woonfunctie, niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De ruimtelijke impact van het planvoornemen is beperkt. Zeker omdat aan de beoogde oprichting van het Oldtimermuseum sloop van bestaande bebouwing wordt voorafgegaan. Aangezien toetsing an de ladder niet noodzakelijk is, wordt de behoefte niet onderbouwd aan de hand van regionale afspraken. De regionale afspraken zien ook niet op dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Ad d.: Ten behoeve van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Dit inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Verder geldt in dit kader de beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering van de gemeente Benrheze. In paragraaf 3.3.2 wordt daar nader op ingegaan. De beoogde landschappelijke inrichting houdt rekening met de omgevingskwaliteiten en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. De bestaande beplantingen bestaan uit niet inheemse beplantingen en zullen worden verwijderd. Een eenvoudige beukenhaag volstaat als landschappelijke inpassing in deze dorpsrand. Tegen inkijk vanuit De Erven komt aan de noordzijde van het erf een hogere gemengde beplanting.

Deze hogere gemengde beplanting bestaat uit twee rijen bosplantsoen, waarbij de eerste rij twee meter uit erfgrens ligt. In het hart van het erf komen vijf dakplatanen. De dakplatanen zorgen voor de aankleding van deze grote open ruimte. Aan de westkant van het erf blijft het weilandje gehandhaafd. Door dit open te houden kan er eventueel een tractor het achterliggende land (dat in eigendom is) op. Een stukje beukenhaag maakt de al aanwezige beukenhaag compleet. Conclusie De Interim Omgevingsverordening biedt, onder voorwaarden, ruimte voor de realisatie van niet-agrarische functies in het gemengd landelijk gebied. Hiervoor is aangetoond dat voldaan kan worden aan de voorwaarden die voor dergelijke ontwikkelingen gelden. Op basis van het provinciale beleid kan dan ook medewerking worden verleend aan de ontwikkeling van een Oldtimermuseum en het carrosserie restyling bedrijf aan de Zoggelsestraat 60 te Heesch. De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Bernheze De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 1 februari 2010 de Structuurvisie Bernheze vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen van de hele gemeente. De gemeente Bernheze kan gezien worden als een landelijke enclave tussen de stedelijke regio's. De toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bernheze vindt haar basis in twee kwaliteiten: enerzijds haar groene kwaliteiten, zowel in het grote middengebied, als in en rondom de kernen; anderzijds haar woonkwaliteiten, met een gevarieerd aanbod vanuit de vijf kernen. Deze visie is vooral gericht op het behoud van het bestaande, het karakteristieke landschap, de cultuurhistorische waardevolle elementen en het relatief grote voorzieningenaanbod dat zo kenmerkend is voor de gemeente. De bestaande kwaliteiten vormen het uitgangspunt voor veranderingen. Onderdeel van de Structuurvisie Bernheze 2010 is het Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco betreft het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze en vormt een casco voor concrete projecten en plannen. Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en toelichting. Deze zijn nadrukkelijk aan elkaar gekoppeld. De gemeente Bernheze heeft de kwaliteiten binnen de gemeente geformuleerd. De gemeente

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

26

Bernheze wil een gemeente met een dorpse uitstraling blijven. Kleinschalige verstedelijking wil de gemeente niet uitsluiten, maar deze verstedelijking dient groen ingepast te zijn. Het landelijk wonen nabij een verstedelijkte omgeving is een kwaliteit van de gemeente.

Figuur 3.4: Uitsnede kaart Ruimtelijk Casco – Structuurvisie Bernheze met plangebied in rood (Gemeente Bernheze) Op basis van de “Structuurvisie Bernheze” is het plangebied gelegen binnen 'zoekgebied wonen'. Dit is een gebied dat kan worden getransformeerd van onbebouwd naar bebouwd gebied in de vorm van wonen en de daarbij behorende voorzieningen. Het betreft een locatie grenzend aan de bestaande bebouwing (kern Heesch) waar geen of beperkt duurzame waarden uit de onderste lagen voorkomen. Voorwaarden waaraan ruimtelijke plannen in dit gebied moeten voldoen zijn hierna geformuleerd: De voorgestelde plannen moeten aansluiten bij de bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur van de kern. Bij de inrichting van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de kwaliteiten en structuren in het gebied en de omgeving. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen is het uitgangspunt zorgvuldig met de ruimte om te gaan. De natuurlijke ondergrond en de historisch gegroeide structuur van Bernheze moeten meegenomen worden bij de planvorming. Woningbouw De Erven Inmiddels is aangrenzend aan het plangebied en op basis van de Structuurvisie Bernheze, het bestemmingsplan 'Woningbouw De Erven' vastgesteld en inmiddels onherroepelijk.

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van in totaal 408 nieuwe woningen (bovenop de 60 nieuwe woningen op basis van het bestemmingsplan 'De Erven') en de bijbehorende voorzieningen, groen- en infrastructuren. Het plangebied van Woningbouw De Erven wordt betiteld als “overgangsgebied van het dorpse naar het landelijke gebied”. Door de realisatie van de ruim 400 woningen wordt dit overgangsgebied verplaatst in westelijke richting. Daarmee biedt het initiatief en de locatie van het plangebied duidelijke kansen om een bijdrage te leveren aan de overgang van de nieuwe woonwijk

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

27

naar het landelijke gebied. De kleinschalige ontwikkeling van een Oldtimermuseum is hier dan ook denkbaar. De landschappelijke inpassing van het betreffende perceel wordt daarbij geoptimaliseerd en bij de inrichting is rekening gehouden met het zicht op het plangebied vanuit de nieuwe woonwijk. Conclusie Het planvoornemen voorziet weliswaar niet in woningbouw en het gemeentelijk beleid biedt niet specifiek ruimte voor dit soort (vergelijkbare) ontwikkelingen. Door de realisatie van Woningbouw De Erven zal de stedenbouwkundige- en ruimtelijke structuur ter plaatse echter dermate wijzigen dat, ten opzichte van de bestaande landelijke situatie, de realisatie van een Oldtimermuseum ter plaatse zeker denkbaar is geworden en kansen biedt in dit overgangsgebied. De optimalisering van de landschappelijke inpassing van het perceel geeft daarnaast extra kwaliteit aan het gebied en heeft een toegevoegde waarde met betrekking tot de afronding van de nieuwe woonwijk.

3.3.2 Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering Op basis van de beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering van de gemeente Bernheze valt deze ontwikkeling binnen categorie 3 waarbij een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap nodig is. Bij dit soort ontwikkelingen wordt de waardevermeerdering berekend via de forfaitaire methode. Daarbij is regionaal bepaald is dat ten minste 20% van de grondwaardevermeerdering, aangewend wordt voor kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsverbetering kan vervolgens plaatsvinden in natura (aanleg van groen en beheerskosten, maar ook inbreng van gronden voor natuurontwikkeling) of via afdracht aan een landschapsontwikkelingsfonds. Het plangebied is in totaal 3.206 m² groot. Op basis van deze oppervlakte wordt hierna de kwaliteitsbijdrage berekend.

Bepalen omvang kwaliteitsverbetering Het forfaitaire karakter van de berekening houdt in dat er vaste waarden worden gehanteerd voor bepaalde functies om te bepalen wat de waardevermeerdering van de grond is: Wonen bouwkavel grondgebonden: € 250,00 / m² bouwvlak; Tuin vanaf 2.000 m²: € 10,00 / m²; Bijbehorend bouwwerk > 100 m² (buitengebied): € 35,00 / m² Bedrijven bouwvlak: € 90,00 / m² Intensieve recreatie / horeca centrum (bebouwd)*: € 40,00 / m² * vanwege het specifieke karakter van het museum en het ontbreken van deze specifieke functie in de grondprijzen van de gemeente Benrheze, is in overleg met de gemeente bepaald dat deze functie het beste te vergelijken is met de beoogde functie. In de onderstaande tabel wordt de waardevermeerdering van de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie bepaald.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

28

Op basis van deze tabel bedraagt de waardestijging € 23.350,-. 20% van die waardevermeerdering dient dus geïnvesteerd te worden in kwaliteitsverbetering. Dat komt neer op een bedrag van € 4.670,-. Deze kwaliteitsverbetering vindt in natura plaats in de vorm van de landschappelijke inpassing zoals beschreven in paragraaf 2.3.3. De waarde van deze landschappelijke inpassing bedraagt conform Bijlage 4, € 4.784,-. Daarmee is aangetoond dat wordt voldaan aan de minimale investering van 20% van de waardestijging.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

29

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuaspecten

Vormvrije m.e.r.- beoordeling

4.1.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli j.l. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

4.1.2 Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van een kleinschalig Oldtimermuseum en het voortzetten van het carrosserie restyling bedrijf. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Plaats van het project en kenmerken Voor een toelichting op de plaats van het project en de kenmerken wordt verwezen naar Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan. De kenmerken van de potentiële effecten Voor de bouw van het Oldtimermuseum en de herinrichting van het terrein worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen ontstaan tijdens de sloop-, aanleg- en gebruiksfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Gelet op de tijdelijkheid van de sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

30

zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden. In de nabijheid van de ontwikkeling zijn geen andere projecten bekend. Het is niet te verwachten dat als gevolg van de ontwikkeling in combinatie met de bestaande functies onaanvaardbare cumulatieve effecten optreden. De ontwikkeling zelf leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Ten gevolge van de relevante toename van verharding zijn watercompenserende maatregelen als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan opgenomen. Gezien de grote afstand tot stikstofgevoelige gebied zal ter plaatse van die Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie plaatsvinden. Door de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen. Hierdoor is geen sprake van relevante uitstralingseffecten vanwege geluid naar de omgeving. De beoogde ontwikkeling draagt tevens 'niet in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De parkeerbehoefte van de het museum wordt op eigen terrein opgelost. De ontwikkeling voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid en de aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.1.3 Conclusie De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding dat ernstige milieugevolgen te verwachten zijn. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten die in de volgende paragrafen aan bod komen. Het bevoegd gezag zal voor vrijgave van het ontwerpbestemmingsplan besluiten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is.

4.2

Bodem

4.2.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). 4.2.2 Onderzoek en conclusie Ten behoeve van het planvoornemen wordt de huidige bestemming 'Wonen -1' niet gewijzigd. Het is dan ook niet noodzakelijk om door middel van een onderzoek aan te tonen dat de gronden ter plaatse geschikt zijn voor de beoogde functie.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

31

4.3

Water

4.3.1 Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid provincie Noord-Brabant Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016- 2021. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbend (water)partijen in Brabant. Beleid waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavig plangebied in de gemeente Bernheze. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water.

Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist is, is dit ook een taak van het waterschap. In het Waterbeheerplan 2016-2021 staan de doelen die het waterschap wil bereiken, hoe ze dat willen doen en met welke partners. Dit zijn gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, natuurverenigingen, de provincie en het Rijk. De hoogste prioriteit van het waterschap is om vanuit hun verantwoordelijkheid bij te dragen aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de inwoners in de regio. Daarnaast staan zij voor innovatief en duurzaam waterbeheer. Bij dit waterbeheer laat het waterschap zich continu leiden door zijn missie: "Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten".

Naast de bijdrage aan een duurzame leefomgeving met de aanwezigheid van een goed functionerend watersysteem, draagt het waterschap ook bij aan bredere maatschappelijke thema's: water in bebouwd gebied; kennisontwikkeling en innovatie; energiegebruik en grondstofvoorziening; internationale samenwerking; water en ruimte. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's c.q. speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een verordening; de Keur en de Legger. De Brabantse waterschappen hebben een gezamenlijke Keur opgesteld, genaamd de Brabantkeur. Deze bevat zoals reeds vermeld gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

32

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Brabantkeur staat weergegeven dat het verboden is om zonder vergunning van het waterschap hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak met een totaal oppervlakte van 2.000 m² of meer, op het oppervlaktewater te lozen. Het waterschap toetst een waterparagraaf op onder andere op onderstaande punten: 1. voorkomen van vervuiling; 2. wateroverlastvrij bestemmen; 3. hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO); 4. vuil water en hemelwater scheiden; 5. afvoer schoon hemelwater volgens de stappen: hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Keur waterschap Aa en Maas 2015 De 'Keur Waterschap Aa en Maas 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding.

Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 2.000 m² is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. Inmiddels is dat beleid door middel van de "Derde aprtiële herziening Algemene regels waterschap Aa en Maas" aangepast. Vanwege een dalende grondwaterstand de afgelopen jaren in Noord-Brabant, is het noodzakelijk dat het peil hiervan zo snel mogelijk gaat stijgen. Een van de oplossingen hiervoor is ervoor zorgen dat er meer hemelwater infiltreert in de bodem. Daarom is de ondergrens voor het moeten nemen van compensatiemaatregelen bij toename verhard oppervlak verlaagd van 2000 m² naar 500 m². Hierdoor zal het grondwater meer worden aangevuld met hemelwater. Gemeentelijk beleid Het doel van het integrale waterplan Bernheze luidt als volgt: “het ontwikkelen van een integrale visie in de omgang met water in de breedste zin van het woord”. Het integrale aspect betekent dat het gehele systeem van grond- en oppervlaktewater centraal staat, inclusief aan- en afvoer van water. De keten van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt in de visie betrokken daar waar deze het watersysteem beïnvloedt. Als algemeen streefbeeld voor de gemeente voor 2030 is gesteld: “Het hebben en houden van een veilige, kwalitatief hoogwaardig leefbare gemeente, waarin een gezond en veerkrachtig watersysteem aanwezig is en duurzaam met water wordt omgegaan.

Daarnaast versterken de Aa, Leijgraaf en Groote Wetering, als herkenbare beeksystemen met een natuurlijk karakter, Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

33

enerzijds de leefbaarheid en identiteit en anderzijds de (water)recreatieve en toeristische positie van Bernheze”. De volgende thema's zijn in het waterplan gehanteerd: schoon water. Hierbij geldt de voorkeurstrits: voorkomen - scheiden - zuiveren; zuinig met water; water in de bebouwde omgeving. Hier geldt de voorkeurstrits: vasthouden - bergen - afvoeren; boeiend water; samenwerking. Planologisch relevant stelt het gemeentelijk beleid dat bij de berekening van de watercompensatie de bebouwing die gesloopt wordt ten gevolge van de ontwikkeling als onverhard gebied beschouwd dient te worden. Het waterschap hanteert een ondergens van 500 m² toename van het verhard opppervlak. De gemeente Bernheze hanteert geen ondergrens. 4.3.2 Onderzoek Oppervlaktewater en waterkeringen Ten noorden van het plangebied is een watergang aanwezig. Deze watergang is opgenomen als een primaire waterloop (A-watergang) op de legger van het waterschap Aa en Maas en heeft in dat kader ook een beschermingszone. Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van deze primaire watergang.

Figuur 4.3: Uitsnede legger oppervlaktewater (Waterschap Aa en Maas) Keur Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied zoals een attentiegebied of een invloedsgebied. Verhard oppervlak De nieuwe bebouwing ten behoeve van het Oldtimermuseum komt in de plaats van de niet vergunde bestaande bebouwing. De feitelijke situatie ten aanzien van het verhard oppervlak zal in de nieuwe situatie dan ook niet wijzigen. Planologisch wordt er 500 m² aan bebouwing toegevoegd. Er is reeds verharding aanwezig voor de opritten en parkeervoorzieningen. De toe te voegen verharding ten behoeve van de tweede in- en uitrit en de extra parkeerplaatsen voor het museum zal waarschijnlijk Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

34

worden uitgevoerd in een gebakken klinkerverharding. Mogelijk wordt gebruik gemaakt van een half-verharding. In onderstaand worst-case scenario wordt uitgegaan van 500 m² extra verharding. Wat Nieuw Oldtimermuseum Extra erfverharding Totaal Tabel 4.1: Overzicht verhardingen

Verhard oppervlak Max. 500 m2 Max. 500 m² 1.000 m2

Omdat de toename maximaal (en worst-case) 500 m2 is, is watercompensatie niet noodzakelijk. Conform het beleid van zowel gemeente als waterschap dient de gehele ontwikkeling echter hydrologisch neutraal te zijn. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient conform de Brabantbrede Keur 2015 te worden berekend met de rekenregel: benodigde compensatie (m³) = toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m). Voor voorliggende ontwikkeling is er om deze reden sprake van een compensatieplicht van afgerond 60 m3 . Deze is als volgt berekend. Daarbij is rekening gehouden met een gevoeligheidsfactor van 1 zoals vastgelegd voor deze locatie in de Keur van het waterschap. 1.000 m2 x 1 x 0,06 = 60 m3 De waterberging van het extra verhardoppervlak dient op eigen terrein te worden gerealiseerd. Dit is als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan vastgelegd. Ter plaatse van het eigen terrein (zie ook eigendom initiatiefnemer op figuur 1.1) is voldoende ruimte om te voorzien in de berging van 60 m³ water. Indien gebruik wordt gemaakt van een halfverharding zal volstaan kunnen worden met een lagere waterbergingscapaciteit. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur.

Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Kwaliteit van te lozen en infiltreren regenwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situaties wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering.

Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater zal op de riolering worden geloosd. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181267

35

4.3.3 Conclusie Ten gevolge van de relevante toename van verharding zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. In dit bestemmingsplan wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat op eigen terrein wordt voorzien in de benodigde extra waterbergingscapaciteit van 60 m³.

4.4

Kabels en leidingen

4.4.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.4.2 Onderzoek en conclusie In het plangebied of de directe omgeving ervan zijn geen hoogspanningsverbindingen, straalpaden, kabels of leidingen aanwezig.

4.5

planologisch

relevante

Luchtkwaliteit

4.5.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2 ) concentratie fijn stof (PM10 ) jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ concentratie fijn stof jaargemiddelde 25 µg /m³ (PM2,5 ) concentratie Tabel 4.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) kunnen bestuursorganen bevoegdheden uitoefenen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit zoals de vaststelling van een wijzigingsplan. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wm.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=5f7798bc-b027-490e-a053-de0e2fb2bae4