CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan 'Graafsebaan 35, Heesch' - Toelichting

Raadsvergadering 20 mei 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Graafsebaan 35, Heesch' *18.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de bomen binnen het zuidelijk bouwvlak zijn geen nesten aangetroffen en in de rest van het plangebied zijn alleen een eksternest en enkele nesten van houtduiven aanwezig. Door de voorgenomen plannen gaan geen jaarrond beschermde nesten van bovengenoemde soorten verloren. Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals hierboven beschreven, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet.

40 ROC.P2019.329.T

Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, ver-spreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bever, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel in de omgeving van het projectgebied voor. De bever is een soort die uitsluitend voorkomt in oevergebieden met voldoende bomen. Rondom het plangebied zijn geen watergangen aanwezig, waardoor geen geschikt habitat voor de bever aanwezig is. Verstoring van de bever door de voorgenomen plannen is uitgesloten. Het plangebied vormt geschikt habitat voor de eekhoorn door de aanwezigheid van de vele bomen.

Tijdens het veldbezoek konden de bomen goed onderzocht worden op de aanwezigheid van eekhoornnesten door de afwezigheid van een bladerdek. Er zijn geen eekhoornnesten in het plangebied aanwezig. Verder zijn geen andere sporen van de eekhoorn, zoals afgeknaagde noten of kegels, en uitwerpselen in het plangebied aangetroffen, waardoor het onwaarschijnlijk is dat de eekhoorn veelvuldig gebruikt maakt van het plangebied. Daarnaast blijft het plangebied in de nieuwe situatie grotendeels hetzelfde en wordt het boskarakter behouden. Door de voorgenomen plannen gaan geen essentiële elementen voor de eekhoorn verloren. De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5 m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. 41 ROC.P2019.329.T

Tijdens het veldbezoek is het plangebied gecontroleerd op sporen van aanwezigheid van de das, zoals wissels, mestputjes, haren en burchten. Dergelijke sporen zijn niet aanwezig. In het plangebied is ook weinig reliëf aanwezig waar een das een burcht in kan maken en is het perceel volledig omheind. Hierdoor is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de das in het plangebied voorkomt. De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). In het plangebied zijn op enkele plaatsen takkenhopen en dicht struweel aanwezig. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de steenmarter van dergelijke plaatsen gebruik maakt als schuilgelegenheid. Deze schuilmogelijkheden liggen echter ruimschoots buiten de bouwvlakken en zullen door de voorgenomen plannen niet aangetast worden. Binnen de bouwvlakken zelf zijn geen schuilmogelijk-heden aanwezig. Verstoring van de steenmarter door de voorgenomen plannen is op voorhand uit te sluiten.

Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) zijn voornamelijk soorten van kleinschalig cultuurlandschap, maar kunnen ook in stedelijke omgeving voorkomen, zolang er voldoende groen en schuilmogelijkheid aanwezig is. Dergelijke soorten kunnen, net als de steenmarter, binnen het plangebied gebruik maken van enkele schuil-mogelijkheden. Binnen de bouwvlakken zelf zijn echter geen schuilmogelijkheden aanwezig. Met de voorgenomen plannen wordt mogelijk een kleine deel van het leefgebied van kleine marterachtigen verwijderd door de realisatie van de woningen. Marters hebben echter een groot territorium en er zijn voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig, waardoor verstoring van kleine marterachtigen door de voorgenomen plannen op voorhand is uit te sluiten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatleas.nl komen de franjestaart, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming.

42 ROC.P2019.329.T

Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soor-ten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). De nieuwe bouwkavels zijn beiden onbebouwd en daarom niet geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom.

Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn binnen de nieuwe bouwkavels en direct daar omheen niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd.

43 ROC.P2019.329.T

Een bomenrijk gebied met open plekken, zoals aanwezig in het plangebied, vormt geschikt foerageergebied. Er gaat echter slechts een zeer beperkt deel van het foerageergebied verloren door de voorgenomen plannen. In de rest van het plangebied is nog voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Het is niet waarschijnlijk dat de bomen in de bouwvlakken een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen. Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Van een doorlopende groenstructuur is in het plangebied geen sprake, het is daarom niet te verwachten dat de bomen in het plangebied onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute voor vleermuizen.

Conclusie De ontwikkeling staat niet in de weg aan de bescherming van Natura 2000 gebieden en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er zijn geen belemmeringen voor het aspect stikstof voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming nodig. Verder blijkt uit de quickscan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is die door de voorgenomen plannen negatief beïnvloed zou kunnen worden. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. 44 ROC.P2019.329.T

Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. De gemeente Bernheze heeft beleid geformuleerd ten aanzien van archeologie. Met dit beleid dient rekening te worden gehouden bij het opstellen van bestemmingsplannen.

45 ROC.P2019.329.T

Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bernheze is de initiatieflocatie binnen de planlocatie gelegen in een beleidszone met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². Daarvan is hier geen sprake. Het initiatief valt hiermee binnen de vrijstellingsgrenzen voor onderzoek. Cultuurhistorie Algemeen Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 in het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast.

Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle en cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen. 46 ROC.P2019.329.T

Onderstaand een afbeelding van de Cultuurhistorische waardenkaart:

Onderzoek Uit deze kaart blijkt, dat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn gelegen, noch sprake is van een cultuurhistorisch waardevol landschap. Gemeentelijk beleid De gemeente Bernheze heeft een Cultuurhistoriekaart vastgesteld. Onderstaand een uitsnede van deze kaart.

47 ROC.P2019.329.T

Op basis van deze kaart is de initiatieflocatie gelegen een aanduiding Oude akker en gelegen aan een oude hoofdverbinding met monumentale bomen. De oude akker is een groot gebied gelegen aan de zuidzijde van Heesch, de oostzijde van Heesch en de gehele noordzijde van Heesch. De enkele toevoeging van een bouwvlak in een bebouwde omgeving binnen de bebouwde kom van Heesch, doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarde. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het plan.

4.4 Bodem Ten behoeve van deze bestemmingsplanherziening heeft De Klinker Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage, d.d. 27 januari 2020, kenmerk K195531, is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen. VOORONDERZOEK Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725).

48 ROC.P2019.329.T

In onderstaande alinea’s worden de te beantwoorden onderzoeksvragen weergegeven en beantwoord. Hierbij is (indien van toepassing) tevens de bron van de informatie weergegeven. Wat is de afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een tweetal deellocaties op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Heesch, sectie B, perceelnummer 5003 (bron: Kadaster). Voor het vooronderzoek zijn gegevens van zowel de onderzoekslocatie als de direct aangrenzende percelen bekeken. Potentiële bronnen van bodemverontreiniging De onderzoekslocatie betreft een tweetal deellocaties welke momenteel deel uitmaken van de tuin bij de woning aan de Graafschebaan 35 te Heesch. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden d.d. 6 januari 2020 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Verwachte bodemkwaliteit De locatie is volgens de bodemkwaliteitskaart gelegen in deelgebied landbouw en natuur met de volgende bodemkwaliteitsklassen: - Ontgravingskwaliteit: natuur en landbouw - Bodemfunctieklasse: wonen - Toepassingseis: natuur en landbouw (bron: informatie Omgevingsdienst Brabant Noord). Bodemopbouw en geohydrologie Als uitgangspunt voor de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie is boring B45E0202 van het Dinoloket gekozen. Deze boring is in de nabijheid van de locatie uitgevoerd. Voor de beschrijving van deze boring verwijzen wij naar het bijgevoegde rapport. Paragraaf 2.4).

Beïnvloeding vanuit de omgeving In de omgeving zijn enkele onderzoeken uitgevoerd. Hierbij zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetroffen die van invloed kunnen zijn op de bodemkwaliteit van de huidige onderzoekslocatie. Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet afdoende bekend. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de bodem is verontreiniging.

49 ROC.P2019.329.T

Hypothese en strategie De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn weergegeven in onderstaande tabel.

VELDONDERZOEK De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 6 januari 2020 (boorwerkzaamheden) conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut.

Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001 en 2002. ONDERZOEKSRESULTATEN Grond In de zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium, zink en plaatselijk met cadmium. Toetsing hypothese

Door de aangetroffen lichte verontreinigingen in het grondwater dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien. Conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: 50 ROC.P2019.329.T

• • • •

de bodem op de locatie bevat zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen; In de bodem van zowel deellocatie 1 als deellocatie 2 zijn, in zowel de boven- als in de ondergrond geen verhoogde gehalten aangetroffen; het grondwater is licht verontreinigd met barium, zink en plaatselijk met cadmium; de hypotheses dienen verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

Conclusie Vanuit het oogpunt van bodem zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de uitvoering van het initiatief.

4.5 Wegverkeerslawaai Voor het plan is door Sab Adviseurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Graafsebaan 35 e.o. Heesch), d.d. 5 juni 2020, kenmerk 190514. De rapportage is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich in het noordoostelijk deel van de kern van Heesch. In de nabijheid zijn gezoneerde wegen aanwezig, te weten de autosnelweg A59 en de Graafsebaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast onderzoek verricht naar de omliggende 30 km/uur wegen.

Plan voornemen In onderstaande figuur is het plan voornemen (januari 2020) weergegeven. De zuidelijke woning is een verplaatsing van een bouwvlak. De noordelijke woning is een volledig nieuwe woning.

51 ROC.P2019.329.T

Onderzoeksgegevens De verkeersgegevens zijn verstrekt door de gemeente Bernheze en met betrekking tot de autosnelweg A59 (Oss-Den Bosch) ontleend aan het Geluidsregister Weg (d.d. 21 januari 2020). Uitgangspunten en verkeersgegevens Uitgangspunten Snelheid • Op de autosnelweg A59 (Oss - Den Bosch) geldt een maximumsnelheid 130 km/uur. • Op de Graafsebaan geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. • Op de Hoefstraat en de Goorstraat geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Verharding Op de autosnelweg is voorzien van zoab. Op de Graafsebaan bestaat de wegverharding uit referentiewegdek (dichtasfaltbeton). Op de Goorstraat en de Hoefstraat is uitgegaan dat ter hoogte van het plangebied het wegdek voorzien is uit keperverband in elementverharding. 52 ROC.P2019.329.T

Aftrek ex artikel 110g Wgh Voor wegen waar de representatief te achten snelheid lager is dan 70 km/uur wordt een correctie toegepast van 5 dB. Tot 1 juli 2018 geldt voor wegen waar de toegestane maximum snelheid hoger of gelijk is aan 70 km/uur een aftrek afhankelijk van de berekende geluidbelasting. Indien de geluidbelasting 57 dB bedraagt, is de aftrek 4 dB. Bij een geluidbelasting van 56 dB bedraagt de correctie 3 dB. Indien een andere geluidbelasting wordt berekend bedraagt de correctie 2 dB. In dit onderzoek wordt een correctie van 5 dB2 toegepast aangezien de snelheden lager liggen dan 70 km/uur.

Verkeersintensiteiten wegen In dit onderzoek zijn de etmaalintensiteiten van de lokale wegen (inclusief verdeling voertuigcategorieën en verdeling dag-, avond- en nachtuurpercentage) afkomstig van de gemeente Bernheze. Voor de autosnelweg geldt de invoer van het Geluidsregister Weg. In onderstaande tabel zijn de hoogste etmaalintensiteiten voor dit onderzoek per weg(vak) weergegeven. Voor een gedetailleerd overzicht van alle verkeersgegevens wordt verwezen naar bijlage A van de rapportage waar de invoergegevens van het rekenmodel zijn opgenomen.

53 ROC.P2019.329.T

Geluidbelastingen Autosnelweg A59 Oss-Den Bosch Uit de berekening blijkt dat op beide woningen als gevolg van de autosnelweg A59 de voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt overschreden. Op geen van de gevels wordt de maximaal te ontheffen geluidsbelasting overschreden. Maatregelen dienen overwogen te worden. Graafsebaan Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de Graafsebaan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt overschreden. 30 km/uur wegen 30 km/uur wegen hebben geen geluidzone maar worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch beoordeeld. Goorstraat Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de Goorstraat de voorkeursgrenswaarde (48 dB) niet wordt overschreden. Hoefstraat Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de Hoefstraat de voorkeursgrenswaarde (48 dB) niet wordt overschreden. Onderzoeken naar geluidsreducerende maatregelen Vanwege de overschrijdingen van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de autosnelweg A59 en de Graafsebaan is gekeken naar mogelijke maatregelen. Er is onderzocht of, en zo ja, welke doeltreffende maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting terug te brengen tot een waarde die lager of gelijk is aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Wanneer de geluidbelasting niet terug te brengen is tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, dan hoeft er geen procedure hogere grenswaarde te worden doorlopen.

Bij het treffen van maatregelen geldt een voorkeursvolgorde: bron, overdracht en ontvanger.

54 ROC.P2019.329.T

Bronmaatregelen Autosnelweg A59 Ten opzichte van het bestaande Zoab is een geluidsreductie van circa 2 dB haalbaar. Echter de kosten van de ze aanpassing staat niet in verhouding met de kleinschaligheid van dit project. De maatregel wordt niet uitgevoerd. Graafsebaan In 2019 is de Graafsebaan volledig gereconstrueerd. Aanpassen van het wegdek door geluidsreducerender wegdektype is niet aan de orde. Overdrachtsmaatregelen Autosnelweg A59 Het vergroten van de afstand tussen de autosnelweg en de nieuwe woningen zal niet leiden tot de benodigde reductie. Bovendien leidt verplaatsen van de bouwvlakken tot stedenbouwkundige bezwaren. Het plaatsen van afscherming (extra) langs de autosnelweg is in verband met de kleinschaligheid van het plan te kostbaar. Het plaatsen van afscherming nabij de woningen is stedenbouwkundig niet acceptabel. Graafsebaan Het plaatsen van afscherming langs de Graafsebaan is landschappelijk niet acceptabel. Hogere grenswaarden Een procedure hogere grenswaarden is noodzakelijk. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de te ontheffen geluidsbelasting.

De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 61 dB voor de noordelijke woning en 55 dB voor de zuidelijke woning. Het ontwerpbesluit hogere waarde is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

55 ROC.P2019.329.T

Conclusie: Autosnelweg A59 De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt als gevolg van de autosnelweg A59 overschreden. De maximaal te ontheffen geluidsbelasting wordt niet overschreden. Graafsebaan De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt als gevolg van de Graafsebaan alleen op de noordelijke woning overschreden. 30 km/uur wegen De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt als gevolg van de 30 km/uur wegen niet overschreden. Maatregelen zijn overwogen, maar zijn in verband met de kleinschaligheid van het project of om stedenbouwkundige of landschappelijke redenen niet acceptabel. Een procedure hogere grenswaarden is in dit geval nodig voor de beide woningen. Aanvaardbaarheid woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet het geluidniveau in de woningen en in de tuinen aanvaardbaar zijn. In de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als het geluidniveau niet hoger is dan 33 dB gebaseerd op de cumulatieve geluidbelasting wegverkeerslawaai. De cumulatieve geluidbelasting wegverkeerslawaai is ten hoogste 62 dB. Dit betekent dat een geluidwering nodig is van tenminste 29 dB. Om dit te borgen is in de regels de onderstaande voorwaardelijke verplichting opgenomen: 4.3.4 Voorwaardelijke verplichting akoestiek wegverkeerslawaai a.

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – voorwaardelijke verplichting 1’ geldt dat de volgens de NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied aantoonbaar niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de hoogst berekende cumulatieve geluidsbelasting uit het geluidrapport “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Graafsebaan 35 e.o. Heesch Gemeente Bernheze”, met kenmerk 190514, opgesteld door sab adviseurs op 5 juni 2020 en 33 dB; b. De uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte heeft volgens de NEN 5077 een bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB lager is dan karakteristieke geluidwering bedoeld in sub a. 56 ROC.P2019.329.T

Conclusie Er gelden vanuit akoestisch oogpunt – na het doorlopen van de procedure hogere waarde Wet geluidhinder - geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. De aanvraag hogere waarde is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal moeten worden aangetoond met welke maatregelen wordt voldaan aan het gestelde is de regels ten aanzien van de benodigde geluidwering van de gevels.

4.6 Luchtkwaliteit Besluit- en regeling niet in betekende mate bijdragen Sinds 15 november 2007 zijn bepalingen met betrekking tot de luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 titel 2 Wm). In titel 5.2 staat een kader opgenomen waaraan de toelaatbaarheid van een project kan worden getoetst. Op basis van artikel 5.16, eerste lid geldt dat een project onder andere toelaatbaar is indien deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. In het besluit NIBM staat vermeld dat een project NIBM is bij een toename van maximaal 3% van de grenswaarde (zijnde 1,2 μg/m³) voor de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10. Wanneer een project als NIBM kan worden beschouwd, vormt de luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor de doorgang van dat project. Met de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën aangewezen die in elk geval NIBM bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht. Een plan waarbij nieuwe woningbouwlocaties worden gerealiseerd is in ieder geval NIBM wanneer er minder dan 1500 woningen (netto) gebouwd worden bij 1 ontsluitingsweg.

Goede ruimtelijke ordening Het Besluit gevoelige bestemmingen benadrukt het belang van een ‘goede ruimtelijke ordening', maar is geen volledige invulling daarvan voor het aspect luchtkwaliteit. Het Besluit dekt niet alle gevoelige situaties. Ook zegt het Besluit niets over gezondheidseffecten beneden de grenswaarden. Daarom is het belangrijk om de blootstelling aan luchtverontreiniging mee te nemen in de onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening.

57 ROC.P2019.329.T

Beoordeling Het plan voorziet in de realisatie van 2 woningen. Dit aantal valt ruimschoots binnen het aantal 1.500 woningen volgens de Regeling Niet in betekenende mate, bijlage 3a, voorschrift 3a.2. Een toets in dit kader is niet nodig. Er is geen sprake van de toevoeging een luchtkwaliteitsgevoelig object, zoals een school of een ziekenhuis. Via de NSL-monitoringstool is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan beoordeeld. In onderstaande tabel is de luchtkwaliteit voor de jaren 2018, 2020 en 2030 weergegeven.

Uit de tabel blijkt dat er geen grenswaarden van luchtkwaliteit worden overschreden. Ook blijkt dat de trend van de luchtkwaliteit verbeterend is. Conclusie Een nadere toets van de luchtkwaliteit is niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid Tussen de Graafsebaan en de Hoefstraat te Heesch bevindt zich een woonperceel. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie twee nieuwe woningen te realiseren. Om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken, moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze. In het kader van de te doorlopen planologische procedure moet aangetoond worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een ‘goede ruimtelijke ordening’. Om de haalbaarheid van deze ontwikkeling aan te tonen dient onder meer getoetst te worden aan het aspect ‘externe veiligheid’. Deze paragraaf gaat in op het aspect externe veiligheid met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Algemeen Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de 58 ROC.P2019.329.T

veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimaal beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in respectievelijk het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt), ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb) en de Regeling basisnet. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is.

Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties wordt uitgegaan van een basisnorm: het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof mag voor omwonenden niet hoger zijn dan 1 op de miljoen per jaar. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald):

59 ROC.P2019.329.T

de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Het groepsrisico geeft aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarbij rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de risicobron. Dit laatste geldt ook voor inrichtingen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale het aantal doden logaritmisch is weergegeven. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij inrichtingen is per inrichting gemeten en per jaar: • 10-5 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; • 10-7 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; • 10-9 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; • enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde). De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment (geldt ook voor buisleidingen) gemeten per kilometer en per jaar: • 10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; • 10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; • 10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; • enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde).

Bij de toetsing wordt gekeken of de kans per inrichting of per kilometer route of tracé op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan bovengenoemde oriëntatiewaarden. Deze oriëntatiewaarden gelden in alle situaties. 60 ROC.P2019.329.T

In het Bevi, Bevt en het Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In het Bevi, Bevt en het Bevb zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen. Conform de Bevt dient bij een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde het groepsrisico verantwoord te worden. De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. In het Bevb is voor de verantwoordingsplicht een onderscheid gemaakt tussen het 100%letaliteitsgebied en het 1%-letaliteitsgebied. Binnen eerstgenoemd gebied geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht, in laatstgenoemd gebied dient alleen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd te worden.

Beleidsvisie externe veiligheid De gemeenten Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd hebben de Beleidsvisie externe veiligheid opgesteld met als doel het verduidelijken en nader invullen van het beleidsthema externe veiligheid. De centrale ambitie is dat de gemeenten streven naar het optimaliseren van externe veiligheid in de gemeenten. Deze ambitie is uitgewerkt in 6 deelambities: 1. In ruimtelijke plannen de bestaande veiligheidssituatie zoveel mogelijk te optimaliseren en te beheren en het ontstaan van nieuwe externe veiligheidsknelpunten te vermijden. 2. Dit wordt bereikt door allereerst de signalering van EV-relevante situaties te verbeteren door het maken van een signaleringskaart.

61 ROC.P2019.329.T

3. De externe veiligheidsrisico‘s van het transport van gevaarlijke stoffen te onderzoeken en bij ruimtelijke- of verkeersbesluiten rekening te houden met deze risico’s. Daar waar de provincie of de Rijksoverheid beheerder is van de transportassen, volgen de gemeenten de ontwikkelingen op het gebied van risicoinventarisatie en wet- en regelgeving actief. 4. Zorg te dragen voor actuele en adequate milieu-, bouw- en gebruiksvergunningen bij risicovolle bedrijven; 5. Zorg te dragen voor adequaat toezicht en handhaving van risicovolle bedrijven; 6. Optimaal voorbereid te zijn op calamiteiten en rampen bij situaties waar de externe (on-) veiligheid aanwezig is. Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling maakt woningbouw mogelijk. Daarmee worden ter plaatse nieuwe kwetsbare functies gerealiseerd en dient beschouwd te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicobronnen. De ontwikkeling zelf voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect externe veiligheid. Om de haalbaarheid van de ontwikkeling aan te kunnen tonen is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van stationaire en mobiele risicobronnen in de omgeving van de ontwikkellocatie. Risico-inventarisatie Voor de ontwikkellocatie is een risico-inventarisatie uitgevoerd.

Hierbij is binnen één kilometer afstand van de locatie gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling: • risicovolle inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De ligging van de ontwikkellocatie is globaal in paars aangeduid. De afbeelding is de zone van circa één kilometer rondom het midden van de locatie. Voor de modaliteit ‘spoor’ en ‘weg’ is tevens gekeken naar risicobronnen binnen een straal van vier kilometer rondom de ontwikkellocatie.

62 ROC.P2019.329.T

BEVINDINGEN Stationaire bronnen Binnen een straal van één kilometer van de ontwikkellocatie bevindt zich één stationaire risicobron. Het betreft een LPG-tankstation op het adres Nistelrodeseweg 3. Deze risicobron kent een maximum plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 40 meter. Het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Gelet op het feit dat de afstand tussen de risicobron en de ontwikkellocatie circa 430 meter bedraagt, is een nadere beschouwing van deze risicobron niet noodzakelijk. Deze risicobron vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Mobiele bronnen In de omgeving van de ontwikkellocatie kunnen verschillende mobiele bronnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Hierbij gaat het om hogedrukaardgasleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Buisleidingen Er bevinden zich twee buisleidingen in de omgeving van de ontwikkellocatie. Deze buisleidingen hebben de volgende kenmerken:

63 ROC.P2019.329.T

Aan de hand van de uitwendige diameter en de werkdruk van de buisleidingen is het invloedsgebied van de risicobronnen bepaald. Uit de voorgaande tabel blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt van één buisleiding: A-643. De planlocatie ligt niet binnen de 100% letaliteitsgrens (210 meter). Om die reden is hoeft voor deze risicobron geen kwantitatieve risicoanalyse (QRA) te worden uitgevoerd. Formeel is een kwantitatieve risicoanalyse benodigd. Gezien de kleinschalige aard en schaal van het initiatief wordt echter geacht dat kan worden volstaan met een kwalitatieve analyse. Er verblijven immers nauwelijks meer mensen binnen het plangebied dan nu het geval. Per saldo zal het groepsrisico daarmee nooit meer dan 10% toenemen. Volledigheidshalve zal de risicobron worden opgenomen in de op te stellen beperkte verantwoording (zie hierna). Transport over spoor Aan de hand van de Regeling Basisnet Spoor en de risicokaart zijn de omliggende spoorwegen verkend. Hierbij is tevens de Handreiking Risicoanalyse Transport (HaRT) (zie navolgende tabel) gebruikt om aan de hand van de aanwezige stofcategorieën te kunnen bepalen wat het invloedsgebied van iedere spoorlijn is.

Raadpleging van de digitale risicokaart wijst uit dat er één spoorlijntraject binnen een straal van 4 kilometer rondom de ontwikkellocatie aanwezig is. Het betreft de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl. - Ressen Noord (spoortrajectnummer 64). De spoorlijn ligt op circa 3.300 meter ten noordwesten van de ontwikkellocatie. Navolgende tabel geeft weer welke stofcategorieën vervoerd worden over het traject.

64 ROC.P2019.329.T

Uit de voorgaande tabel blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van de stofcategorie D4 ligt. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook de Veiligheidsregio moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit te brengen (zie advies Veiligheidsregio). Transport over water Binnen een straal van één kilometer van de ontwikkellocatie bevinden zich geen risicobronnen in de vorm van vaarroutes. Een nadere beschouwing naar vaarroutes is dan ook niet noodzakelijk. Dit type risicobron vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Transport over weg Aan de hand van de Regeling Basisnet Weg en de risicokaart zijn de omliggende wegen verkend. Hierbij zijn tevens de Lijst wegvakken datatellingen & basisnet (2018/07) en de Handreiking Risicoanalyse Transport (HaRT) (zie navolgende tabel) gebruikt om aan de hand van de aanwezige stofcategorieën te kunnen bepalen wat het invloedsgebied van iedere weg is.

Omdat het plangebied in het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen uit categorie GF3 ligt, is – onderstaand – een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario BLEVE toegevoegd. Volgens de risicokaart vindt er binnen een straal van vier kilometer rondom de ontwikkellocatie transport van gevaarlijke stoffen over wegen plaats. Het gaat om de volgende wegvakken: 65 ROC.P2019.329.T

• • •

Wegvak B78: A59: Knp. Hintham - Knp. Paalgraven; Wegvak B79: A50: Knp. Bankhoef - Knp. Paalgraven; Wegvak B80: A50: Knp. Paalgraven - afrit 14 (Zeeland).

Wegvak B78 Dit wegvak, behorende bij de rijksweg A59, bevindt zich op circa 175 meter ten noorden van de ontwikkellocatie. De weg kent geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en geen plasbrandaandachtsgebied. In de navolgende tabel zijn de stofcategorieën die over het wegvak worden vervoerd met bijbehorend invloedsgebied beschreven. Tevens wordt per stofcategorie beoordeeld of de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt.

Uit de voorgaande tabel blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën LT, LT2, GF2 en GF3 ligt. Gezien de ligging van de ontwikkellocatie binnen de 200 meter zone is formeel een kwantitatieve risicoanalyse benodigd. Gezien de kleinschalige aard en schaal van het initiatief wordt echter geacht dat kan worden volstaan met een kwalitatieve analyse. Er verblijven immers nauwelijks meer mensen binnen het plangebied dan nu het geval. Per saldo zal het groepsrisico daarmee nooit meer dan 10% toenemen. Volledigheidshalve zal de risicobron worden opgenomen in de op te stellen beperkte verantwoording. Onderstaand is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Wegvak B79 Dit wegvak, behorende bij de rijksweg A50, bevindt zich op circa 2.550 meter ten oosten van de ontwikkellocatie. De weg kent geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6), maar wel een plasbrandaandachtsgebied. Gezien de afstand tussen het wegvak en de ontwikkellocatie vormt dit aspect geen belemmering. In de navolgende tabel zijn de stofcategorieën die over het wegvak worden

66 ROC.P2019.329.T

vervoerd met bijbehorend invloedsgebied beschreven. Tevens wordt per stofcategorie beoordeeld of de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt.

De ontwikkellocatie bevindt zich buiten het invloedsgebied van dit wegvak. Nader onderzoek naar deze risicobron is dan ook niet noodzakelijk. Wegvak B80 Dit wegvak, behorende bij de rijksweg A50, bevindt zich op circa 2.200 meter ten oosten van de ontwikkellocatie. De weg kent geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en geen plasbrandaandachtsgebied. In de navolgende tabel zijn de stofcategorieën die over het wegvak worden vervoerd met bijbehorend invloedsgebied beschreven. Tevens wordt per stofcategorie beoordeeld of de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt.

Uit de voorgaande tabel blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van de stofcategorie GT4 ligt. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en 67 ROC.P2019.329.T

zelfredzaamheid. Ook de Veiligheidsregio moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit te brengen. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkellocatie niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en/of plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van enkele risicobronnen. Het gaat om de volgende risicobronnen: • Wegvak B78: A59: Knp. Hintham - Knp. Paalgraven; • Wegvak B80: A50: Knp. Paalgraven - afrit 14 (Zeeland); • Hogedrukaardgasleiding A-643. De ontwikkellocatie bevindt zich ten aanzien van het wegvak B80 buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat het groepsrisico voor deze risicobron beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Voor wegvak B78 geldt dat gezien de ligging van de ontwikkellocatie in diens invloedsgebied c.q. 200 meter zone formeel een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) dient te worden opgesteld. Gezien de kleinschalige aard en schaal van de ontwikkeling kan worden volstaan met een kwalitatieve analyse en zijn de bronnen volledigheidshalve opgenomen in de onderstaande beperkte verantwoording.

BEPERKTE VERANTWOORDING Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van a de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en 2. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

68 ROC.P2019.329.T

Scenario’s Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan en een BLEVE ten gevolge van een ongeluk met een LPGtankwagen. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van deze scenario’s besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. 1. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: • Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij rampplek is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Het betreffen hier bestaande wegvakken met daarom heen al kwetsbare objecten. Daarmee kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is. Tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. Met betrekking tot een warme BLEVE is het essentieel dat de situatie wordt gestabiliseerd door middel van koelen en afschermen van de tank en bij een koude BLEVE stabiliseren door middel van het afschermen van de omgeving en uitbreiding voorkomen.

• Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie en de specifieke risicolocatie cruciaal. De brandweer kan snel via de Nistelrodeseweg, de Kamp-straat en de Graafsebaan de ontwikkellocatie bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen circa 15 minuten aanwezig kan zijn. In de Handleiding bluswater voorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Bij de Veiligheidsregio dient advies te worden ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd. Een calamiteit ter hoogte van het plangebied op de autosnelweg (BLEVE) kan goed bestreden worden doordat ten oosten en ten westen van het plangebied aansluitpunten

69 ROC.P2019.329.T

(Oss-oost en Oss) in de autosnelweg aanwezig zijn. Hierdoor is een calamiteit voor de hulpdiensten gemakkelijk te bereiken. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit. Op dit punt dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. 2. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een BLEVE is voor personen die binnen bevinden dekking zoeken en schuilen een goede handelingsperspectief, omdat de nieuwe woningen op een grotere afstand van de bron liggen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet.

Binnen de ontwikkellocatie moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op de weg en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor de ontwikkellocatie geldt dat zal worden voorzien in voldoende vluchtroutes. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft bij schrijven van 26 augustus 2020 een advies gegeven. De Veiligheidsregio adviseert de initiatiefnemer actief te informeren over de risico’s en handelingsperspectief zoals hierboven beschreven. Hierdoor wordt de initiatiefnemer zich bewust van het risico en weet de initiatiefnemer hoe te handelen bij een dreiging. Het advies van de Veiligheidsregio is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en verstrekt aan de initiatiefnemer. 70 ROC.P2019.329.T

Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering zal veroorzaken voor het initiatief.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Hiervoor wordt in het algemeen gebruikt gemaakt van de categorie-indeling op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2012. In deze brochure worden richtafstanden gegeven van functies op o.a. gevoelige bestemmingen. Deze brochure kan ook omgekeerd worden toegepast. De bestaande bedrijven hebben invloed tot op een bepaalde afstand. Indien binnen die afstand de gevoeligheid verandert, heeft dat invloed op een bestaand bedrijf. Situatie ontwikkellocatie Tussen de Graafsebaan en de Hoefstraat te Heesch bevindt zich een woonperceel. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie twee nieuwe woningen te realiseren. De ontwikkellocatie bevindt zich aan de oostzijde van de bebouwde kom van de kern Heesch. Er is zowel feitelijk als juridisch-planologisch sprake van een afwisseling van functies. Zo bevinden zich hier bijvoorbeeld woningen, bedrijven en sportvelden.

Tevens ligt de ontwikkellocatie direct aan de Graafsebaan, één van de hoofdinfrastructuuraders aan de oostzijde van de kern, en op korte afstand van de rijksweg A59. De omgeving is dan ook een gebied met een matige tot sterke functiemenging en kan daarom getypeerd worden als een ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-procedure met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect ‘gevaar’). Om de haalbaarheid van deze ontwikkeling aan te tonen dient onder meer getoetst te worden aan het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’. Deze paragraaf gaat in op het aspect bedrijven en milieuzonering met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. 71 ROC.P2019.329.T

Beoordeling Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van woningen. Wonen betreft geen hinderveroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing noodzakelijk is. Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feitelijk zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende functies globaal weer, waarna de verschillende functies nader worden beschreven en getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. De omliggende woonfuncties zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Woningen betreffen immers geen hinderveroorzakende functies.

72 ROC.P2019.329.T

Bedrijf incl. aanduiding timmerbedrijf (paars) Ten noordwesten van de ontwikkellocatie bevinden zich gronden met de bestemming ‘Bedrijf’, in combinatie met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf timmerbedrijf’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, alsmede voor een timmerbedrijf door toedoen van de functieaanduiding. Uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met een timmerbedrijf (milieucategorie 3.2). Voor een timmerbedrijf uit milieucategorie 3.2 gelden in gemengd gebied richtafstanden van maximaal 50 meter. Aangezien de afstand tot de dichtstbijzijnde bouwkavel (‘N’) en de bedrijfsgronden minimaal 70 meter bedraagt, wordt voldaan aan de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en is een nadere beschouwing niet nodig. Bedrijf incl. aanduiding nutsvoorziening (zwart) Ten noorden van de ontwikkellocatie bevinden zich gronden met de bestemming ‘Bedrijf’, in combinatie met de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’. Deze gronden zijn bestemd voor 73 ROC.P2019.329.T

bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, alsmede voor een nutsvoorziening. Uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met een bedrijf uit milieucategorie 2, waarvoor een maximale richtafstand van 10 meter geldt in gemengd gebied. Aangezien de afstand tot de dichtstbijzijnde bouwkavel (‘N’) en de bedrijfsgronden minimaal 75 meter bedraagt, wordt voldaan aan de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en is een nadere beschouwing niet nodig. Bedrijf incl. aanduiding bouwmaterialen (blauw) Ten noordoosten van de ontwikkellocatie bevinden zich gronden met de bestemming ‘Bedrijf’, in combinatie met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf bouwmaterialen’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, alsmede voor een groothandel in bouwmaterialen door toedoen van de functieaanduiding. Uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met een groothandel in bouwmaterialen (milieucategorie 3.1). Voor een dergelijk bedrijf uit milieucategorie 3.1 gelden in gemengd gebied richtafstanden van maximaal 30 meter. Aangezien de afstand tot de dichtstbijzijnde bouwkavel (‘N’) en de bedrijfsgronden minimaal 95 meter bedraagt, wordt voldaan aan de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en is een nadere beschouwing niet nodig.

Bedrijf (oranje) Ten oosten van de ontwikkellocatie zijn gronden gesitueerd met de bestemming ‘Bedrijf’. Deze gronden zijn conform het geldende bestemmingsplan aangewezen voor bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2. Uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met een bedrijf uit milieucategorie 2, waarvoor een maximale richtafstand geldt van 10 meter in gemengd gebied. Aangezien de afstand tot de dichtstbijzijnde bouwkavel (‘Z’) en de bedrijfsgronden minimaal 180 meter bedraagt, wordt voldaan aan de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en is een nadere beschouwing niet nodig. Bedrijf incl. aanduiding bouwbedrijf (geel) Ten zuiden van de ontwikkellocatie bevinden zich gronden met de bestemming ‘Bedrijf’, in combinatie met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, alsmede voor een bouwbedrijf door toedoen van de functieaanduiding. Uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met een bouwbedrijf (milieucategorie 3.2). Voor een bouwbedrijf uit milieucategorie 3.2 gelden in gemengd gebied richtafstanden van maximaal 50 meter.

74 ROC.P2019.329.T

Aangezien de afstand tot de dichtstbijzijnde bouwkavel (‘Z’) en de bedrijfsgronden minimaal 145 meter bedraagt, wordt voldaan aan de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en is een nadere beschouwing niet nodig. Sport (groen) Ten zuiden van de ontwikkellocatie zijn gronden gesitueerd met de bestemming ‘Sport’. Deze gronden zijn bestemd voor sportvelden en sportaccommodaties, alsmede ondergeschikte horeca. Uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan dient gehouden te worden met een veldsportcomplex met verlichting (milieucategorie 3.1). Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Aangezien de afstand tussen de ontwikkellocatie (‘Z’) en de hinderveroorzakende cluster van gronden minimaal 80 meter bedraagt, wordt voldaan aan de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat juridisch-planologisch gezien bij alle omliggende gronden/functies aan de richtafstanden uit de VNG-brochure wordt voldaan. Voor al deze gronden/functies geldt daarom dat deze omliggende gronden/functies niet worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en dat ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Nader onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering is daarmee niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=8b43608e-2559-4817-87b5-2d0655c46c51