Vast te stellen bestemmingsplan 'Achterstraat 3, Heesch' - Toelichting
Tekst van het document
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
37
veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoorwegen, wegen waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. en Altijd wanneer binnen 200 meter afstand van de transportroute een ruimtelijk besluit wordt genomen2.
Figuur 1: Wanneer verantwoorden? Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100% letaliteit grens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 2 Bij transportroutes kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) het groepsrisico met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico', dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst worden aan evt. van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, Effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. Deze beleidsvisie bevat echter geen
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
38
gebiedstypering of nadere uitgangspunten, die gehanteerd dienen te worden bij de verantwoording van het groepsrisico. Inventarisatie Hieronder is een uitsnede opgenomen van de nationale risicokaart.
Fragment risicokaart, plangebied is rood omcirkeld
Inrichtingen De planlocatie is niet gelegen binnen de risicocontouren en effectgebieden van inrichtingen, waarbinnen gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen en/of gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of die anderszins een veiligheidsrisico vormen voor de omgeving (o.a. windturbines). Transportroutes In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en waterwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied is wel gelegen in de nabijheid van wegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft de Rijksweg A59 (circa 0,5 km). Overige wegen in de omgeving van het plangebied zijn qua externe veiligheid niet relevant, omdat hierover nauwelijks transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen aanwezig, die een risicocontour bezitten, welke van invloed is op het plangebied.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
39
Toetsing Rijksweg A59 De Rijksweg A59 maakt onderdeel uit van het landelijke Basisnet weg. In de bijlage 1 van de Regeling Basisnet zijn de risicoplafonds weergegeven voor het plaatsgebonden risico (PRmax.) en het groepsrisico (PR10-7). In onderstaande figuur 3 zijn de risicogegevens voor de Rijksweg A59 ter hoogte van het plangebied weergegeven.
Figuur 2: Risicogegevens Rijksweg A59 ter hoogte van Heesch
Plaatsgebonden risico Uit deze tabel blijkt, dat op de weg geen sprake is van een plaatsgebonden risico (PR1O-6-contour). Het plaatsgebonden risico ligt op het midden van de weg (PR10-6 = 0 meter). Er is tevens geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Groepsrisico Het plangebied is gelegen buiten de 200 meter zone van de Rijksweg A59, waarbij een complete verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Er kan dus volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij de beperkte verantwoording groepsrisico dient aandacht besteed te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het plangebied (artikel 7, Bevt). Zie hiervoor de verantwoording groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Zoals hierboven al geconcludeerd moet er een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden uitgevoerd voor het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A59. De onderdelen van de verantwoording groepsrisico vindt u hieronder.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
40
Voor het plan is advies aangevraagd bij de Veiligheidsregio Brabant Noord. De relevante zaken uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. “Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar.
Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
41
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.
Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.” Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
42
5.6. Brochure Bedrijven en Milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruikt gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.
De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1.500 meter. Tevens wordt hierbij rekening gehouden met bebouwing die reeds aanwezig is. Milieucategorie
Richtafstanden ‘rustige woonwijk’
Richtafstanden ‘gemengd gebied’
1 2 3.1 3.2
10 meter 30 meter 50 meter 100 meter
0 meter 10 meter 30 meter 50 meter
4 5 6
200-300 meter 500-1.000 meter 1.500 meter
100-200 meter 300-700 meter 1.000 meter
De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
43
een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat. Er dient gekeken te worden naar de afstand van bestaande bedrijven tot de nieuwe woning van onderhavig initiatief. De richtafstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangegeven deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van de nieuwe of bestaande woningen. Los van de keuze om de directe omgeving te typeren als ‘rustige woonwijk’ of ‘gemengd gebied’ is gekozen voor een worst-case scenario om de directe omgeving te typeren als ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven, zie onderstaande tabel. Type bedrijf Milieucat. RichtWerkelijke afstand afstand Bedrijventerrein Cereslaan Bouwbedrijf van Herpen Bosschebaan 35 Betolinq aannemers Bosschebaan 37
– –
Loonbedrijf - Achterste Groes 9
3.2
100
240
3.2
100
105
3.1
50
110
3.1
50
110
De bedrijvigheid is op een verantwoorde afstand aanwezig ten opzichte van de nieuwe woning, waardoor er geen belemmering is. Daarnaast zijn er ten opzichte van bovengenoemde bedrijven dichterbij al bestaande woningen gelegen dan de aangegeven richtafstanden, waardoor het bedrijf beperkt is in zijn mogelijkheden. Zodoende vormt het plangebied geen belemmering voor de bedrijfsvoering van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Conclusie Voor onderhavig plangebied is een toets gedaan aan de te hanteren afstanden tot bedrijfsbestemmingen in de omgeving. Er zijn geen belemmeringen voor het project aanwezig. 5.7. Wet geurhinder en veehouderij De milieubelasting van agrarische bedrijven die rondom een milieugevoelig object (zoals een woning) zijn gesitueerd, mag een goed leefklimaat niet onevenredig negatief belemmeren. Tegelijkertijd kan het realiseren van milieuhindergevoelige objecten (zoals een woning)
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
44
binnen een hinderzone van een agrarisch bedrijf de bedrijfsvoering van het bedrijf belemmeren. Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd als toetswaarden. Deze toetswaarden zijn vastgesteld in de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013. In de nabijheid van onderhavig plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig.
Toetswaarden geurhinder uit geurgebiedsvisie gemeente Bernheze 2013
Zoals op onderstaande fragment van de kaart ‘Indicatieve achtergrondbelasting geurhinder gemeente Bernheze (inputgegevens VStacks berekeningen uit Web BVB – 1-1-2019’ is te zien wordt de achtergrondbelasting geclassificeerd als ‘goed’. Het voorgenomen project levert geen belemmering op voor omliggende bedrijven, aangezien er bestaande geurgevoelige objecten tussen het plangebied en de veehouderijen in de omgeving liggen. Andere objecten zijn daarmee bepalend voor de mogelijkheden van de veehouderijen.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
45
Fragment kaart beoordeling leefklimaat o.b.v. indicatieve achtergrondbelasting (rode cirkel = contour plangebied)
Conclusie Onderhavig plangebied vormt geen belemmering voor agrarische bedrijven in de omgeving en er heerst een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er zijn dus geen belemmeringen voor het project aanwezig. 5.8. Verkeer Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd project op de verkeersstructuur. In onderhavig plangebied zal de ontsluiting veranderen doordat er één inrit wordt toegevoegd aan de
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
46
Achterste Groes. Door de bestemmingswijziging zal het aantal verkeersbewegingen licht toenemen, doordat er een woning wordt toegevoegd. Dit zal niet veel invloed hebben op de huidige belasting van de verkeersstructuur. Conclusie Onderhavig project zal niet in betekende mate bijdrage aan de belasting voor de verkeersstructuur. Er zijn dus geen belemmeringen voor het project aanwezig. 5.9. Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Besmetting kan optreden door inademing van besmet stof van stallen, weilanden, ruwe wol en dierenhuiden, door direct contact met besmette dieren en door het nuttigen van besmette rauwe melk of onvoldoende verhit besmet vlees. Met name het verwaaien van ingedroogde en op weilanden uitgereden mest zou zorgen voor verspreiding van bacteriën naar de mens. Het ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld. Aan de hand van het stappenplan 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is beoordeeld of nadere advisering van de GGD wenselijk is. 1. Endotoxine ‘richtafstand’ tussen veehouderij en plangebied Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen (200 meter) en pluimveehouderijen (500 meter).
Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkenshouderijen in de omgeving. Binnen 500 meter van de planlocatie is wel een pluimveehouderij gelegen, te weten aan de Bosschebaan 27 op circa 420 meter. Op basis van de totaal fijnstofemissie conform de vigerende milieuvergunning Bosschebaan 27 is er sprake van een (geringe) overschrijding van de individuele richtafstand endotoxine. De richtafstand reikt net tot in het plangebied. De inrichtinghouder heeft momenteel een nieuwe aanvraag ingediend. Uit de hieruit ingediende informatie blijkt dat de fijnstofemissie zal afnemen. Dusdanig dat conform het endotoxine toetsingskader blijkt dat er geen individuele richtafstanden endotoxine (177 meter) tot aan het plangebied reiken. Uitgaande van de nieuwe Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
47
aanvraag kan worden geconcludeerd dat de pluimveehouderij niet wordt belemmerd vanwege de nieuwe woonbestemming en ter plaatse is er geen aanleiding om aan te nemen dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico’s zijn. Het aantal, de onderlinge nabijheid van elkaar, en de omvang van omliggende veehouderijen zijn zodanig dat er cumulatief geen aanleiding is om aan te nemen dat er ongewenste gevolgen voor de volksgezondheid op kunnen treden. 2. Toename emissie voor geur, fijnstof of ammoniak Gezien de vele woningen in de omgeving en de normen in de gemeentelijke geurverordening 2013 zullen er geen geur belastende objecten in de omgeving bij komen en zal de geurbelasting ter plaatse in de toekomst alleen maar kunnen afnemen. 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In de afbeelding uit paragraaf 5.7 is de meest recente geurkaart ‘Indicatieve achtergrondbelasting geurhinder gemeente Bernheze’ weergegeven. De geurbelasting binnen onderhavig plangebied voldoet aan de gemeentelijke norm en aan de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 ten aanzien van geurhinder. Het woon- en leefklimaat in onderhavig plangebied kan als ‘goed’ worden geschouwd. 4.
Aanwezige diersoorten binnen een veehouderij In de directe omgeving zijn geen veehouderijen gelegen waarbij sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers of kleine herkauwers onderling. 5. Geitenhouderijen/pluimveebedrijven Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven en een straal van circa 1 km rond pluimveebedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een straal van 2 km bevinden zich geen geitenhouderijen. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich op circa 420 meter een pluimveebedrijf. Hierdoor is sprake van een geringe overschrijding van de richtafstand. Voor een nadere beoordeling dient gekeken te worden naar de bronsterkte c.q. omvang van het bedrijf en emissies uit de dierverblijven. Op 20 februari 2017 is een verklaring van geen bedenkingen afgegeven in verband met uitbreidingsplannen/ veranderingsplannen van het pluimveebedrijf. De aanvraag resulteert in het wijzigen van het aantal te houden dieren van 55.800 naar 27.084
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
48
legkippen. Dit betekent een afname in het totaal aan fijnstofemissie, dit wordt namelijk 3.027 kg/jaar. Dit resulteert in een endotoxine afstand van 177 meter. Onderhavig plangebied is gelegen op ruime afstand van deze endotoxine-zone. Ter plaatse is er geen aanleiding om aan te nemen dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico’s zijn. 6. Mestbe- of verwerking Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Ongerustheid bij omwonende Uit de gevoerde dialoog met omwonende of uit de klachtenregistratie van de gemeente is geen ongerustheid aanwezig/bekend. Conclusie Nabij het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen waarvan sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico, zodoende is nadere advisering van de GGD niet noodzakelijk. Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. 5.10. Hoogspanningslijnen Het aspect hoogspanningslijnen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen worden. Er dient rekening gehouden te worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden bloot gesteld aan magneetvelden van meer dan 100 µTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 µTesla. In de directe nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig of gepland. Kortom vormt de hoogspanningslijn geen belemmering voor onderhavig project.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
49
5.11. Spuitzones gewasbescherming Het aspect spuitzones gewasbescherming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen te worden. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt een afstand van 50 meter aangehouden tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Binnen 50 meter afstand zijn geen fruitboomgaarden of andere bijzondere teelten die vragen om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen, maar alleen akkerbouw. Bij akkerbouw gaat het om lage teeltgewassen en dus een lage bespuiting met een beperkte verspreiding. Hierdoor kan men spreken over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen onderhavig plangebied. 5.12. M.er.-beoordeling Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.rplichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is.
In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
50
moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.- beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Activiteit en drempelwaarden In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2) opgenomen. In de nota van toelichting op het Besluit milieueffectrapportage wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt het volgende aangegeven: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer, b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plan voorziet in het verplaatsen van één woning en het toevoegen van één rvr-woning. Het plangebied heeft een grootte van circa 3.020m2.
De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of 100 hectare zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
51
bepaalde openbare en particuliere projecten’. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende de: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Gezien de kenmerken van het project (waaronder de geringe omvang), de plaats van het project (waaronder het bestaande grondgebruik en de afstand tot Natura 2000-gebieden zoals in de toelichting omschreven) en de kenmerken van het potentiele effect (de omgevingsaspecten zoals hiervoor omschreven) is uitgesloten dat significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden ontstaan. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat uitvoering van onderhavig plan kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen die het verrichten van nader milieuonderzoek noodzakelijk maken, behalve aanvullend bodemonderzoek horende bij de sloop van de opstallen.
Conclusie In het kader van het bestemmingsplan is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de ontwikkelingen. Gelet op de kenmerken, de locatie en de kenmerken van de effecten van het project moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
52
6.
WAARDEN
6.1. Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op 30 september 2010 is de Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze opgesteld, naar een implementatie van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in het gemeentelijke beleid. In deze Nota wordt de ‘waarde archeologie’ voor op de beleidskaart weergegeven in categorieën. Hieronder zijn de belangrijkste bepalende weergegeven: 1. wettelijk beschermde archeologische monumenten; 2. gebieden van (hoge, vastgesteld) archeologische waarde, te weten: historische hoeven, kasteel- en kerk- en kloosterterreinen, schansen, (water)molenlocaties en AMKterreinen van zeer hoge waarde; 3. gebieden van archeologische waarde, waaronder AMK-terreinen van (hoge) archeologische waarde en de historische kernen van dorpen en gehuchten; 4. gebieden met een hoge archeologische verwachting; 5. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting; 6. gebieden met een lage archeologische verwachting; 7. gebieden zonder een archeologische verwachting (verstoord, opgegraven, dan wel op andere wijze vrij van archeologie). Het plangebied ligt volgens het vigerend bestemmingsplan niet in een zone met een verwachtingswaarde. Volgens tabel 1 van de Nota Archeologiebeleid geldt voor onderhavig plan geen onderzoeksplicht.
Indien er tijdens de uitvoeringsfase van de sloop-, bouw-, sanerings- of graafwerkzaamheden archeologische sporen aan het licht komen dan geldt een wettelijke meldplicht. Cultuurhistorie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied archeologische en cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft aan dat zorgvuldig omgegaan met deze waarden vereist is.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
53
Uitsnede van cultuurhistorische waardenkaart Gemeente Bernheze 20-01-2014 (blauwe cirkel = planlocatie)
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 20-01-2014 van de gemeente Bernheze zijn de volgende waarden aangegeven; aan de rand van oude bebouwingsconcentraties en langs oude wegtracé (redelijk hoge waarde). Deze waarden hebben geen directe verbinding met de planlocatie, waardoor het toevoegen van een woning niet tot een noemenswaardige aantasting leidt van deze cultuurhistorische waarden. Conclusie Voor onderhavig plan is geen onderzoeksplicht aanwezig voor de archeologische waarden. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden niet noemenswaardig aangetast en blijven behouden. De onderzoeksplicht blijft wel aanwezig middels de geldende dubbelbestemming, waardoor de archeologische en cultuurhistorische waarden voldoende geborgd blijven. Zodoende zijn er geen belemmeringen aanwezig.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
54
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
55
6.2. Flora en Faunawet en ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Flora en faunawet betreft een soortenbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde ‘externe werking’. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Teveel stikstof is slecht voor de natuur. Bij landbouw wordt stikstof uitgestoten in de vorm van ammoniak (een kleurloos gas). Dit gas komt vrij bij dierlijke mest en kunstmest. Stikstof komt ook voor als stikstofdioxide. Een stof die bijvoorbeeld auto’s, schepen en industrieën uitstoten.
Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Tot 29 mei 2019 was toestemming hierop gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS), echter is deze ongeldig verklaard door de Raad van State. De overheid werkt momenteel aan een nieuwe aanpak stikstof. In dit nieuwe beoordelingskader wordt gewerkt met de volgende kaders; •
Intern salderen; betekent dat het voorgenomen project zo wordt aangepast, dat de stikstofuitstoot vermindert of gelijk blijft;
•
Extern salderen; betekent dat de stikstofdepositie in een bepaald gebied gelijk blijft of afneemt. Dit doordat de toename van een activiteit wordt weggenomen doordat een andere activiteit stopt;
•
Ecologische onderbouwing; middels een ecologische onderbouwing (voortoets) dat de extra stikstofdepositie die het project veroorzaakt de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast;
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
56
•
ADC-toets; indien met de getroffen maatregelen niet kan worden uitgesloten dat het Natura 2000-gebied wordt aangetast dient een ADC-toets te worden gebruikt. Hierin moet aangetoond worden dat (A) er geen alternatieven met minder schadelijke effecten in Natura 2000-gebied zijn, (B) de activiteit een dwingende reden dient van groot openbaar belang en (C) de schade aan de natuur gecompenseerd wordt.
Tot dat dit nieuw beoordelingskader definitief kan worden gebruikt betekend dat er bij activiteiten die tot een toename van stikstofdepositie leiden een natuurvergunning moet worden aangevraagd. Bij nieuwe bestemmingsplannen dient middels een voortoets te worden beoordeeld dat er door de activiteit geen relevante stikstofdeposities kunnen optreden in een Natura 2000-gebied. Onder omstandigheden moet ook een passende beoordeling en milieueffectrapportage worden gemaakt. Voortoets / ecologisch onderzoek In een voortoets moet de vraag beantwoord worden of op grond van objectieve gegevens op voorhand kan worden uitgesloten dat een plan of project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De voortoets bevat onder andere een beschrijving van het plan, de te verwachten effecten op alle relevante Natura 2000-gebieden en een analyse of daarbij mogelijk sprake is van significant negatieve effecten. Blijkt uit de voortoets dat het optreden van significant negatieve effecten ter plaatse van stikstofgevoelige habitattype in een Natura 2000-gebied niet kan worden uitgesloten, dan volgt een vervolgonderzoek in de vorm van een ‘passende beoordeling’.
Afstand tot Natura 2000-gebieden De eerste stap is de afstand van het bouwproject tot in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden die stikstofgevoelige habitattypes bevatten te bepalen. Is de afstand groter dan 10 kilometer, dan zal voor verreweg de meeste projecten kunnen worden geconcludeerd dat op voorhand significante effecten op stikstofgevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Voor kleinere projecten zal reeds bij een geringere afstand kunnen worden uitgesloten dat significante effecten optreden bij voor stikstof gevoelige habitattypes.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
57
Uitsnede kaart ‘Natura 2000-gebieden’ (bron: www.synbiosys.alterra.nl) (afstanden tot Natura 2000-gebieden zijn in het paars aangegeven)
Zoals op bovenstaande kaart valt af te lezen is de afstand tot alle Natura 2000-gebieden in de omgeving van Heesch groter dan 10 kilometer. Beleid gemeente Onderhavig plan bestaat uit het verplaatsen van één woning en het toevoegen van één rvr-woning. De wooneenheden worden gasloos uitgevoerd. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft in de vergadering van 17-03-2020 besloten dat bij wijzigings- en bestemmingsplannen voor woningbouwinitiatieven onder de 50 woningen geen stikstofdepositie berekening meer wordt verlangd. Dit gezien er geen significante gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie worden verwacht. Een verdere beoordeling voor de aanlegfase is niet nodig. De voorgenomen ontwikkeling bestaat naast het toevoegen van één wooneenheid ook uit het opnieuw vastleggen van de agrarische bestemming. Om deze reden dient een stikstofdepositieberekening te worden gemaakt van de gebruiksfase voor de toekomstige situatie. In deze berekening dient uit te worden gegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt. Hieronder is een korte onderbouwing aangegeven van de ingevoerde bronnen: • De nieuwbouw krijgt geen gasaansluiting; • Aan de hand van CROW publicatie 381, d.d. december 2018, is de verkeersgeneratie bepaald.
Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS 2015) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
58
Bernheze is weinig stedelijk. Onderhavige locatie wordt beschouwd als buitengebied. De verkeersgeneratie voor een vrijstaande woning bedraagt 8,2 beweging per etmaal, afgerond 9 bewegingen per etmaal. • Gemiddeld zijn van het totaal 1% vrachtwagenbewegingen, oftewel maximaal 2 vrachtwagenbewegingen. • Gezien de agrarische bestemming is op het perceel het hobbymatig gebruik van dieren meegenomen als worst-case benadering. Het maximale hobbymatig gebruik is beperkt door middel van aantallen en zijn niet cumulatief toegestaan. Om een worst-case scenario te benaderen is ervoor gekozen om de meest voor de hand liggend hobbymatig gebruik mee te nemen, namelijk het houden van maximaal 5 paarden. De stalemissie voor paarden is tevens één van de hogere waarden kg/dier/jaar NH3. • Gezien de agrarische bestemming en het onderhoud van de tuin is een 1 mobiele werktuig (tractor) per etmaal meegenomen. Bovenstaande punten zijn ingevoerd in de Aerius-calculator. De berekening is als bijlage toegevoegd. Uit de resultaten van de Aeriusberekening komt naar voren dat er geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j aanwezig is bij de omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Door Ecologisch Adviesbureau Eceau is een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport “Ecologisch onderzoek aan de Achterstraat 3 te Heesch” (08-05-2020, TRA-1QS200306).
De relevante delen van de samenvatting uit het rapport zijn hieronder weergegeven. “Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Achterstraat 3 te Heesch is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De sanering van de huidige bebouwing en inrichting ten behoeve van nieuwe bebouwing leiden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vast rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. • Vleermuizen passeren aannemelijk de locatie en foerageren er opportunistisch. Mogelijk worden aanwezige individuen door (foutief toegepaste) bouwverlichting verstoord; • Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd; Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
59
• Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen; • Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig; • Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aanwezig; • Houtopstanden op particuliere percelen vallen niet onder bescherming van de Wet natuurbescherming, bovendien zijn geen ingrepen voorgenomen op de aanwezige bomen; • Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de werkzaamheden worden geen (negatieve) effecten verwacht; • Ten aanzien van vrijgestelde soorten is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing. Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.” Conclusie Een uitgebreid onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Verder is de stikstofdepositie niet groter dan 0,00 mol/ha/ja. Kortom het aspect Flora en Fauna vormt geen planologische belemmering voor het realiseren van het project.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
60
7.
BELEMMERINGEN
Voor aanvang van eventuele veldwerkzaamheden moet een onderzoek worden ingesteld naar de ligging van eventuele kabels en leidingen. Andere belemmeringen zijn niet aanwezig.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
61
8.
TOELICHTING OP DE BESTEMMINGSREGELING
8.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop het bouwplan ruimtelijk en functioneel in het bestemmingsplan is vertaald. Van belang is dat het bestemmingsplan zowel het ontwikkelingskader geeft voor het plangebied, als het kader voor beheer en handhaving van het plangebied. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en bestemmingsplanregels, die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de bestemmingsplanregels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de bestemmingsplanregels. 8.2. Verbeelding Uit de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening blijkt dat een bestemmingsplan uit één verbeelding bestaat. Met ingang van 1 juli 2008 bestaat een verbeelding uit een digitale en een analoge versie. Het bestemmingsplan omvat naast een digitale verbeelding ook een analoge verbeelding, die op haar beurt uit één kaartblad bestaat. Als ondergrond voor de verbeelding is een kadastrale kaart gebruikt. De bestemmingen op de verbeelding zijn door kleuren en coderingen aangegeven volgens SVBP2012. 8.3. Bestemmingsplanregels De bestemmingsplanregels en de verbeelding bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de bebouwing.
De bestemmingsplanregels zijn onderverdeeld in hoofdstukken, die hierna kort worden toegelicht. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: 1. begrippen; 2. wijze van meten;
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
62
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bestemmingen, die in het plangebied voorkomen. Het stramien voor de bestemmingsregels is als volgt: •
bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de functie(s) van de bestemming en de bestemming zelf;
•
bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;
•
specifieke bouwregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming en eventuele afwijkingsmogelijkheden;
•
omgevingsvergunning voor afwijking van de gebruiksregels: de gevallen waarin ontheffing van de gebruiksregels kan worden verleend;
•
omgevingsvergunning: voor zover een bescherming van de bestemming door een omgevingsvergunning nodig is, zijn de vergunningplichtige werken en werkzaamheden hier aangegeven;
•
Dubbelbestemmingen: een beschrijving van de dubbelbestemmingen.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk omvat de artikelen inzake: • •
anti-dubbeltelregel; algemene aanduidingsregels;
• •
algemene afwijkingsregels; algemene wijzigingsregels;
•
overige regels.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit laatste hoofdstuk omvat de artikelen inzake: •
overgangsrecht;
•
slotregel.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
63
9.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bernheze zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer via een anterieure overeenkomst, welke tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt afgesloten. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
64
10. BIJLAGEN Bij de toelichting van het bestemmingsplan is de volgende bijlage toegevoegd: - Landschappelijk inpassingsplan door Langenhuizen Hoveniers, d.d. 0102-2021, tekeningnummer BP.1300-04; - Verkennend bodemonderzoek Achterstraat 3 te Heesch door Van Oort Bodemonderzoek, d.d. 23 april 2020, projectnummer AST.310120; - Verkennend asbestonderzoek Achterstraat 3 te Heesch door Nipa Milieutechniek, d.d. 11-03-2021, rapportnummer N215450.004/JVS; - Akoestisch onderzoek geluidsbelasting Bouwplan Achterstraat 3 te Heesch, d.d. 08 juni 2020, kenmerk 16234-01; - Advies veiligheidsregio toxisch invloedsgebied A59/A50; - Aerius-berekening Achterstraat 3 nieuwe situatie, kenmerk S5t2QP40Uazp, d.d. 11-02-2021; - Ecologisch onderzoek aan de Achterstraat 3 te Heesch door Eceau Ecologisch adviesbureau, d.d. 08 mei 2020, kenmerk TRA-1QS200306; - Nota van zienswijzen Bestemmingsplan Achterstraat 3, Heesch door gemeente Bernheze.
Bestemmingsplan – toelichting – Plan Achterstraat 3 te Heesch
65
‘
‘traject heesch b.v. A ’t Dorp 13, 5384 MA Heesch T 0412 45 56 67 E info@trajectheesch.nl W www.trajectheesch.nl Bank: Rabobank Oss Bernheze IBAN: NL 02 RABO 0120 0704 99 Ingeschreven bij KvK te ’s-‐Hertogenbosch nummer 55072321 BTW-‐nummer: 851555068 B 01