CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22R, Bedafse Hoeve, Vorstenbosch'

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 18 juni 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22R, Bedafse Hoeve, Vorstenbosch'24.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Lagenbenadering

Het plan richt zich op een gebiedsontwikkeling met een oppervlakte van ruim 8 hectare. Voor een gedeelte hiervan is een wijziging van het omgevingsplan nodig (onderdeel bedrijfswoning, natuurboerderij en verleggen van de ecologische verbindingszone) en voor een gedeelte niet. Dit plan staat niet los van de omgeving. Juist de omgeving is het inspiratiekader en het fundament geweest van de totale ontwikkeling van de Bedafse Hoeve. In bijlage I van deze wijziging van het omgevingsplan is de totale ontwikkeling en het ontwerpproces beschreven en uitgewerkt. Daarmee is het uitgangspunt in overeenstemming met de uitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld is in de 34

omgevingsverordening (lagenbenadering). Door bestaande knelpunten te combineren met ambities die juist betrekking hebben op omgevingsaspecten zoals landschap, cultuurhistorie en natuur ontstaat er een ontwikkeling die op meerder vlakken tot een meerwaarde leidt. Denk hierbij aan een ontmoetingscentrum gericht op meer dan alleen natuur (de balans tussen mens, landbouw en natuur). In het concept is ruimte voor educatie, informatie, beleving van natuur- en landschap, horeca en een nieuwe – natuurinclusieve manier van landbouwbedrijven.

Kwaliteitsverbetering

Met het plan wordt flink geïnvesteerd in de (ruimtelijke) kwaliteit van de omgeving. De gronden worden naar biologische waarden behandeld en natuurlijk beheerd, er wordt een boomgaard aangelegd, zandpaden, kruidenrijk gras- en akkerland, hakhoutsingel en hagen. Omdat het totaalconcept drijft op de lokale, landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken, houden de fysieke kwaliteitsmaatregelen zich niet alleen beperkt tot de directe omgeving van de bouwvlakken, maar betreft het de onderlegger van het totale grondareaal van ruim 8 hectare. De omgeving is leidend geweest voor deze ontwikkeling, waardoor de term landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering tekortdoet aan deze ontwikkeling. Er is eerder sprake van een landschappelijk fundament waarop de functie kan bouwen. De gemeenten van Brabant hebben op basis van de regels uit de omgevingsverordening (en de voorlopers) beleid opgesteld ten aanzien van kwaliteitsverbetering. Dit beleid is in paragraaf 5.2 beschreven. Daaruit blijkt dat ruim, wordt voldaan aan het provinciale beleid. De ontwikkeling is voor dit aspect in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Verleggen ecologische verbindingszone

In de TAM-omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van de realisatie van de ecologische verbindingszones. Wanneer een ecologische verbindingszone is gerealiseerd zal deze worden opgenomen binnen het NNB (gerealiseerde natuur). Vervolgens is de bescherming juridisch geborgd. De betreffende, reeds gerealiseerde EVZ (zoals aangeduid met de blauwe cirkel in figuur 16) is reeds opgenomen op de kaart behorende bij de Omgevingsverordening van de provincie en heeft de status NNB. Op de werkkaart (kaartbank) van de provincie Noord-Brabant is de verlegging ook vastgelegd (zie figuur 17).

35

Figuur 17 Ligging nieuwe EVZ, vastgelegd op kaartbank provincie noord Brabant (https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan)

Uitbreiding veehouderij en toevoegen nevenactiviteiten

In het landelijke gebied zijn regels opgenomen voor veehouderijen. In artikel 5.63 is beschreven dat ter plaatse van een bestaand bouwperceel de ontwikkeling van een veehouderij gerealiseerd mag zijn als voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Aan deze voorwaarden wordt voldaan (zie bijlage III). Ten aanzien van het uitbreiden van bestaande bouwvlakken voor veehouderijbedrijven gelden strikte regels. In die regels zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uitoefenen van een zorgvuldige veehouderij. Door de ligging binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is volgens artikel 5.65 ‘afwijkende regels beperkingen veehouderij’ bepaald dat vestiging, omschakeling naar of uitbreiding van een veehouderij is uitgesloten en een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten. Dit verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan één van de volgende criteria: a. de veebezetting bedraagt niet meer dan 2.75 GVE /ha, berekend over de grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie; b.

ten minste 75% van de op het bedrijf geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat, wordt aangewend op grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie; c. via een jaarlijkse rapportage uit BEX is aangetoond dat de veehouderij: 1. ten minste 95% van het ruwvoer, zoals gras en mais, uitgedrukt in fosfaat, wordt gewonnen op grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie; en 2. ten minste 50% van het fosfaat in het rantsoen afkomstig is uit ruwvoer, zoals gras en mais; 36

d. de dieren worden uitsluitend of in hoofdzaak gehouden ten behoeve van natuurbeheer. In dit geval worden de schapen gehouden voor het onderhoud en beheer van natuurgebieden. Daarnaast wordt het voer gewonnen van eigen grond en worden de gronden geëxploiteerd dusdanig geëxploiteerd dat sprake is van ondernemend natuurnetwerk Brabant. Deze exploitatie is ook via de regels vastgelegd (aangeduid). De schapen worden gehouden in de stallen die reeds bestaand, danwel vergund zijn. Voor de paarden wordt een nieuwe stal gebouwd, maar paarden vallen buiten het begrip “veehouderij”. Bovendien is de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen gemaximeerd en beperkt binnen het bouwvlak. De volledige motivatie is in bijlage III opgenomen. Ten aanzien van nevenactiviteiten, ondergeschikte of ondersteunende activiteiten stelt de provincie geen voorwaarden. In dit geval gaat het om het houden, fokken en africhten van paarden (agrarisch en mede hoofdactiviteit), het houden van en fokken met schapen (hoofdactiviteit) ten behoeve van natuur- en landschapsbeheer. De recreatieve, horeca en educatie-activiteiten zijn ondergeschikt aan de hoofdactiviteit. Er zijn geen specifieke regels opgenomen voor nevenactiviteiten. Wel zijn er regels opgenomen voor de vestiging van niet-agrarische activiteiten.

In bijlage III van dit omgevingsplan is het concept (de delen die betrekking hebben op niet-agrarische functies) getoetst aan deze voorwaarden. Daaruit is gebleken dat het concept van de Bedafse Hoeve uitstekend past binnen de voorwaarden die gelden vanuit de omgevingsverordening. In artikel 5.77, lid 3 is aangegeven dat een toename van het aantal bedrijfswoningen mogelijk is, als het gaat om de bouw van een eerste bedrijfswoning, of bij een grote vrijetijdsvoorziening van een tweede bedrijfswoning, en de noodzaak daartoe is aangetoond. Het agrarisch bouwvlak biedt perspectieven voor nieuwe economische vormen, maar dan moeten ze wel passend zijn bij de ontwikkelingsrichting van het gebied. In 2018 is besloten dat de Bedafse Hoeve een perfecte invulling is van het agrarisch bouwvlak op deze plek. Dat er een bedrijfswoning bij moet is noodzakelijk en wordt door niemand onderkend. In dit geval is de eerste bedrijfswoning afgesplitst (Lendersgat 18). Eerder is de bedrijfswoning afgestoten in een bestemmingsplan. Dit ging om Lendersgat 18. Dit kwam door eigendomsverhoudingen. Hiervoor is één Ruimte-voorRuimtetitel aangekocht. Destijds was dit de enige mogelijkheid. Nu is wel behoefte aan een bedrijfswoning.

Een eerste bedrijfswoning wordt in beginsel niet meer toegestaan met de reden dat de bedrijfswoning eerder is afgestoten en op deze manier 'gratis' woningen kunnen worden toegevoegd. Dat is hier niet het geval. Er is nl een RvR-titel aangekocht voor Lendersgat 15. Er is meegedacht in een uitruilconstructie. Dat die aangekochte RvR-titel nu ingezet kan worden voor de eerste bedrijfswoning, omdat er destijds al een titel is aangekocht, waar het eigenlijk niet nodig was, maar voor de kwaliteit wel is gedaan. Er hadden dus 2 woningen kunnen bestaan, maar dat is door omstandigheden nooit zo geweest. 37

Conclusie De Bedafse Hoeve is een concept dat bestaat uit verschillende elementen. Voor sommige elementen heeft de provincie in haar omgevingsverordening specifieke voorwaarden opgenomen (bijvoorbeeld voor de uitbreiding van een bouwvlak voor veehouderijen). Echter het houden van paarden valt bijvoorbeeld onder ‘overig agrarisch bedrijf, waarvoor veel minder strikte voorwaarden gelden. Het concept is echter niet te vangen in één specifieke functie, daarom is getoetst aan de striktste voorwaarden die de provincie hanteert. Uit deze toetsing blijkt dat het concept passend is op deze locatie. Daardoor kan gesteld worden dat het initiatief in overeenstemming is met de regels uit de omgevingsverordening. 5.3 5.3.1

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Bernheze De omgevingsvisie Bernheze 2040 is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op basis van deze omgevingsvisie. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor worden de volgende aanknopingspunten gehanteerd om slim met de ruimte om te gaan: • Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; • Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; • Voorkomen van afwenteling. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven vertaald naar ambities en doelen. De vijf thema’s zijn: 1. Gezonde leefomgeving; 2. Leefbare kernen; 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit; 4. Vitale en duurzame landbouw en economie; 5. Kwaliteit landschap en erfgoed. Onderhavige ontwikkeling is gelegen binnen de dekzandgebieden. In de omgevingsvisie is ingegaan op de mogelijkheden die geboden worden voor de realisatie van nieuwe verdienmodellen. Deze verdienmodellen kunnen zijn op het gebied van productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie, lokaal voedsel en extensieve landbouw.

38

Figuur 13 Uitsnede kaart Klimaat - biodiversiteit Bernheze

In de beekdalen en op de dekzandruggen rond de historische bebouwingsconcentraties heeft het agrarische gebruik van het open landschap geleid tot een halfopen landschap met oude bouwlanden, boscomplexen en kronkelende wegen. Het halfopen landschap wordt voor het grootste deel gebruikt als landbouwgrond. Door de variatie in dit halfopen landschap is er een coulisselandschap gevormd. Het voegt een kwaliteit toe aan het beeld van de gemeente Bernheze en dient geconserveerd te worden. Verandering aan dit landschap moet hier ook zoveel mogelijk worden voorkomen. De natuurwaarden van de besloten (bos)landschappen worden vooral ingegeven door de aanwezigheid van heidevelden, naald- en loofhout en het voorkomen van diverse diersoorten. Naast natuurwaarden en ecologische waarden vertegenwoordigt een groot gedeelte van dit besloten landschap eveneens een belangrijke functie als infiltratiegebied. Vooral de Maashorst is karakteristiek; een mooi natuurgebied op een hoger gelegen gebied midden in Noord-Brabant. Heidevelden en grazige weiden, naaldbos en loofbos wisselen elkaar af, terwijl hoogteverschillen en open vlakten het landschap spannend en uitdagend maken. In Natuurgebied De Maashorst komen natte en droge gronden vlak naast elkaar voor.

De strategie voor de gebieden die zijn aangeduid als ’besloten landschap’ is gericht op bescherming van bestaande gebieden en het vergroten van de ecologische kwaliteit. De ambitie is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden en hydrologische waarden.

39

De gemeente Bernheze speelt een zekere (deels bovenlokale) rol op het gebied van recreatie en toerisme. Dit wordt bepaald door de bos- en natuurgebieden, de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied, de aanwezige cultuurhistorische elementen (landgoederen, dorpskernen) en de aanwezige specifieke recreatieve en toeristische voorzieningen. Het is wenselijk de ecologische verbindingszones tussen de bosgebieden te combineren met recreatieve routes, waardoor er tevens een meerwaarde voor het gebruik ontstaat. De recreatieve verbinding loopt van het recreatiegebied in de Heeswijkse Bossen door naar de Maashorst, de verbinding koppelt aan op het regionale recreatieve netwerk. De recreatieve verbinding versterkt de recreatieve gebieden met recreatieve entrees, natuurbruggen en economische impuls voor de lokale ondernemers. De besloten landschapen liggen op een niet te grote afstand van elkaar, maar zijn niet direct met elkaar verbonden. De gebieden kunnen elkaar versterken door in de gemeente de mogelijkheid te bieden voor uitbreiding van het bosareaal. Deze uitbreiding zal veelal in samenhang gaan met de opgestelde ecologische verbindingszones. Met de aaneensluiting van het besloten landschap is het gebied ook zeer geschikt voor extensief recreatief medegebruik, zoals kamperen bij de boer, wandelen, fietsen, picknicken en natuurgerichte recreatie.

Doorwerking plangebied

Onderhavig initiatief is bijna een uitwerking van de doelen zoals die zijn beschreven in de structuurvisie. Het initiatief ziet toe op een extensieve vorm van landbouw in samenhang met natuurbeheer. Door educatie, recreatie en horeca toe te voegen, draagt het initiatief bij aan de bewustwording van het belang van natuur en het klimaat. Het gaat in dit geval niet alleen om een functionele ontwikkeling. Een groot deel van de percelen wordt ingezaaid en beheerd op een streekeigen manier, gebaseerd op de cultuurhistorische karakteristieken en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van het gebied en de ondergrond. Door de gronden behorende bij het bedrijf extensief te beheren en gevarieerder in te zaaien, wordt bijgedragen aan het verhogen van de biodiversiteit. Het hemelwater wordt zoveel als mogelijk geïntegreerd in de bedrijfsvoering, opgevangen en geïnfiltreerd. Onderstaand de concrete bedrijfsvoering m.b.t. het duurzaamheidsaspect: • Al het ruwvoer en een deel van het krachtvoer wordt verbouwd op eigen grond. • Gebruik van kruidenrijke grasmengsels, zo wordt een polycultuur i.p.v. monocultuur nagestreefd, gericht op het verkrijgen van een hogere biodiversiteit. De bedrijfsvoering is sowieso gericht op het verkrijgen van meer biodiversiteit. (begrazen van terreinen t.o.v. maaien van de percelen.) • Drijfmest wordt in principe niet toegepast.

Er wordt gebruik gemaakt van vaste stalmest van eigen bedrijf. Dit verhoogt het organische stofgehalte in de bodem wat goed is voor het bodemleven en de waterhuishouding van de grond. • Het bedrijf past geen gewasbeschermingsmiddelen/ pesticiden toe. • Streekeigen ras schapen. Het Kempisch heideschaap. • Geen gebruik van kunstmest. Door het inzaaien van klavers is gebruik van kunstmest niet nodig. 40

•

Circulaire economie: door het toevoegen van het ' mensgerichte' gedeelte kan het bedrijf een groot deel van de producten zelf aan de man brengen. De gehele kringloop is dan gesloten.

Een deel van de doelen uit de structuurvisie wordt daadwerkelijk gerealiseerd en daardoor kan gesteld worden dat het planvoornemen in overeenstemming is met de structuurvisie van Bernheze. 5.3.2

Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering De gemeente Bernheze is vanuit de provinciale Verordening verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied regels op te stellen voor de landschappelijke inpassing. Dit biedt inzicht in de wijze waarop kwaliteitsverbetering bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied vorm moeten krijgen. De kwaliteitsverbetering van het landschap dient conform ‘Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering’ van gemeente Bernheze van 14 maart 2013 plaats te vinden. Voor het bepalen van de benodigde kwaliteitsverbetering is de categorie-indeling van de ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing: • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig; • categorie 2: beperkte impact; alleen inpassing nodig; • categorie 3: grote impact; berekende kwaliteitsverbetering van het landschap nodig. Het vergroten van het agrarische bouwblok tot 1,5 hectare valt onder categorie 2. Echter de bouw van een nieuwe bedrijfswoning en nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf boven de 200m² vallen onder categorie 3. Voor deze twee activiteiten wordt naast een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe ruimtelijke situatie ook een extra verplichting ten aanzien van de landschappelijke kwaliteit verwacht.

Op basis van 20% van de meerwaarde van de bestemmingswinst wordt er geïnvesteerd in deze kwaliteit. Er is berekening gemaakt op basis het huidige en toekomstige bouwvlak. Uit de berekening blijkt dat er een compensatie van €3.700,- nodig is. Deze berekening is in bijlage I ‘Toelichting ontwerp nieuwe situatie’ nader toegelicht.

5.3.3

Archeologiebeleid Bernheze De gemeente Bernheze heeft beleid geformuleerd ten aanzien van archeologie. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’. Volgens de Archeologische Beleidsadvieskaart (zie figuur 19) ligt het plangebied in het buitengebied en is een lage archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Voor dit gebied geldt geen onderzoeksplicht.

41

Figuur 14 Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze

42

HOOFDSTUK

6 Aspecten fysieke leefomgeving

6.1

Kwaliteit leefomgeving Art. 2.25 en 2.26 van de Omgevingswet bepalen dat een omgevingsplan moet voldoen aan Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).

6.1.1

Veiligheid

6.1.1.1

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebeiden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met 43

aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.

Onderzoek

Figuur 20 Uitsnede risicokaart met aangegeven de afstand van het projectgebied tot de dichtstbijzijnde risicobron. Projectgebied omcirkeld.

Transport van gevaarlijke stoffen

Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen plaats. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. 44

• Risicovol transport over water- en autowegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over water- en autowegen plaats. Dit aspect vormt geen belemmering ten aanzien van de ontwikkeling.

Risicovolle inrichtingen

In de omgeving van het projectgebied zijn een aantal risicovolle inrichtingen gelegen, maar deze liggen allen op een afstand van minimaal 900 meter. Het gaat hier om de volgende locaties: • Recreatiepark de Pier, Schansweg 3 in Uden (opslag van propaan); • Vissers Uden Beheer BV, Broekstraat 6 Uden (opslag van propaan); • J.H. van der Wijst, Derptweg 13 Vorstenbosch (opslag van propaan); • H.M. Lucius, Bosweg 4, Vorstenbosch (opslag van propaan). In het kader van externe veiligheid vormen deze risicovolle inrichtingen vanwege de grote afstand niet voor onveilige situaties ter plaatse van het plangebied. In de directe omgeving zijn verder geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of andere elementen. Daarom kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.

Buis- en hoogspanningsleidingen

In de omgeving van het projectgebied zijn geen buis- en hoogspanningsleidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het aspect externe planvoornemen.

6.1.1.2

veiligheid

vormt

geen

belemmering

voor

het

Niet-gesprongen Conventionele Explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.

Planspecifiek Conform de VEO bommenkaart zijn er in de omgeving van het projectgebied geen niet-gesprongen explosieven gevonden. Daarom kan gesteld worden dat de locatie als niet verdacht aangemerkt kan worden.

45

6.1.2

Beschermen van de waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl) Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan.

Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn 26 Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en) met een minimale capaciteit van 20 mm per m2 bouwwerk/verhard oppervlak bij minder dan 500 m2 extra verharding en 70 mm per m2 bouwwerk/verhard oppervlak bij meer dan 500 m2 extra verharding. Een watertoets is vereist bij toepassing van een wadi, infiltratiekratten of groen dak.

Planspecifiek

De initiatiefnemers wensen ter plaatse van het projectgebied een natuurboerderij te realiseren. De hoofdactiviteit is gericht op het ecologisch beheren van de omliggende natuurgebieden door Kempische Heideschapen. Daarnaast zal er een paardenfokkerij gerealiseerd worden. De bijbehorende aansluitende agrarische gronden zullen gebruikt worden voor de teelt van agrarische gewassen en wordt een pluktuin gerealiseerd. De natuurboerderij zal een ontmoetingscentrum voor de Bedafse Bergen vormen. Daarnaast willen de initiatiefnemers een bedrijfswoning realiseren zodat zij bij het bedrijf kunnen wonen.

46

Concreet bestaat het plan van de initiatiefnemer uit: • Behoud oude ligboxenstal ten behoeve van het houden van schapen; • Het realiseren van een nieuwe schuur voor het houden van schapen en opslag van agrarisch werktuig; • Het realiseren van een familiestal voor paarden; • Het realiseren van een landelijke schuur voor werkatelier en overnachtingen; • Het realiseren van een hooimijt met bakhuisje voor ondergeschikte horeca, detailhandel en ontvangstruimte; • Het realiseren van een bedrijfswoning met bijgebouw. In tabel 2 is een verhardingssituatie in de huidige en toekomstige situatie beschreven. Tabel 2 Verhardingssituatie

Veestal Familiestal paarden Bedrijfswoning Bijgebouw Verharding bij bedrijfswoning Landelijke schuur Hooimijt Verharding bij dierenverblijven Totaal verhard Totaal terrein

Huidig verhard oppervlak (m2) 754 0 0 0 0 0 0 1.980 2.734 31.020

Toekomst verhard oppervlak (m2) 2.214 800 183 100 190 375 178 3.947 7.987 31.020

De oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is maximaal 3.600 m 2. De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte toeneemt met circa 5.253 m2. Wateradvies De benodigde compensatie betreft (70 mm/m2 *0,5* 5.253 m2 =) 183,9 m3. Voor de vertraagde afvoer wordt uitgegaan van een oplossingsrichting waarbij hemelwater wordt geïnfiltreerd en/of geborgen in de bodem. De infiltratie- of bergingsvoorziening wordt zo ingericht dat deze aan de compensatie eis voldoet. Aangezien er voldoende ruimte is voor een bovengrondse voorziening wordt daarvoor gekozen. De afmeting van de wadi is 306 x 0,6 meter (opp x h) met een talud van 1:3 en 0,2 m waking in verband met de veiligheid. Met het ontwerp is daar rekening mee gehouden. De volledige watertoets is bijgevoegd in bijlage IX. Conclusie en aanbevelingen Door de aanleg van de infiltratie- en bergingsvoorziening op het terrein wordt tegemoetgekomen aan de uitgangspunten van waterschap Aa en Maas en de gemeente Bernheze. Er wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld.

47

6.1.3

Gezondheid en milieu Gezondheid gaat om twee aspecten: het beschermen van de gezondheid en het bevorderen van de gezondheid. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

6.1.3.1

Luchtkwaliteit

De artikelen 5.50 en 5.51 Bkl (paragraaf 5.1.4.1) bevatten instructieregels voor specifieke situaties: het aanleggen of wijzigen van een wegtunnelbuis, het aanleggen van snelwegen en autowegen, het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen en milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM10, moeten in een omgevingsplan specifieke omgevingswaarden in acht genomen. Ook zijn gemeentes benoemd die worden aangewezen als aandachtsgebied luchtkwaliteit. Voor deze gemeenten gelden aanvullende omgevingswaarden. De gemeente Bernheze behoort tot een aandachtsgebied voor fijnstof. Het is in ieder geval niet toegestaan om bepaalde activiteiten toe te laten (standaardgevallen NIBM) die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder bedoeld in art. 5.54 Bkl. NIBM staat voor: niet in betekenende mate (NIBM).

Planspecifiek De in dit wijziging omgevingsplan opgenomen ontwikkeling valt niet onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. Daarom dient onderbouwd te worden of de ontwikkeling als NIBM kan worden aangemerkt, of dat een luchtkwaliteitonderzoek noodzakelijk is. Als er sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl.

48

In de ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ is de vuistregel, wanneer een project NIBM is, als volgt weergegeven. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM-grens blijft. Dit doet u door de hoeveelheid nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de emissiefactor en deze te vergelijken met de waarden uit de tabel. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM.

Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM. Er zal een berekening met ISL3a uitgevoerd moeten worden om aan te tonen dat geen grenswaarden worden overschreden ofwel de uitbreiding bij precieze berekening toch NIBM blijkt te zijn. Fijn stof emissie Bedafse Hoeve: • Bestaande situatie: 10.976 gram/jaar • Nieuwe situatie: 8.280 gram/jaar • Afname: 2.696 gram/jaar Gezien de afname van fijnstof emissie van 2.696 gram/jaar kan ervan uit worden gegaan dat deze emissie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10.

Verkeersbewegingen

Uit paragraaf 6.4 blijkt dat er in de huidige situatie 3 verkeersbewegingen plaatsvinden en er in het worstcasescenario in de beoogde situatie 82 verkeersbewegingen plaatsvinden. Dit betekent een toename van in totaal 79 verkeersbewegingen. Middels de NIBM-tool is berekend of deze toename van het aantal verkeersbewegingen aanleiding geeft tot het uitvoeren van een nader onderzoek. In de berekening is rekening gehouden met een aandeel vrachtverkeer van 2,5%. Dit percentage komt tot stand door een toename van in totaal 79 verkeersbewegingen waarvan 2 verkeersbeweging ten behoeve van vrachtverkeer.

49

Figuur 21 Worst-case berekening luchtkwaliteit

Door de toename van het aantal verkeersbewegingen, nemen tevens de concentraties aan fijnstof en stikstofdepositie toe. Uit de NIBM-tool blijkt echter dat de toename van het extra verkeer ‘niet in betekende mate’ is, waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Woon- en leefklimaat

Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. In tabel 3 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 3 Achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie

2023 2025 2030 Norm

Totale concentratie (µg/m3) NO2 9,98 10,86 8,867 40

Totale concentratie (µg/m3) PM10 15,44 15,1 13,97 40

Totale concentratie (µg/m3) PM2,5 8,687 8,558 7,506 25

Uit tabel 3 volgt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de huidige situatie ruim beneden de norm liggen. Door de minimale toename van de concentraties fijnstof en stikstofdepositie worden de normen ook in de beoogde situatie niet overschreden. De luchtkwaliteit wordt daarom als aanvaardbaar beschouwd.

6.1.3.2

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij 50

het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke Omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarden toestaan als ze voldoet aan de voorwaarden die daartoe in (de artikelen 3, 5 en 8 van) het Bkl zijn opgenomen.

Tenslotte kan het bevoegd gezag in een aantal specifieke situaties ook een overschrijding van de grenswaarden toelaten. Deze specifieke situaties en de daarbij behorende randvoorwaarden zijn eveneens terug te vinden in (de artikelen 3 en 5 van) het Bkl.

Planspecifiek

Voor onderhavige ontwikkeling is een akoestisch onderzoek voor wegverkeerlawaai uitgevoerd. Onderstaand zijn belangrijkste conclusies uit het onderzoek opgenomen. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd in bijlage VI. Voor de Leeghandseweg wordt op een deel van het perceel de standaardwaarde, maar niet de grenswaarde, overschreden. De geluidbelasting van de gemeentewegen is hierdoor maximaal 56 dB. De gemeente dient aan de hand van het onderzoek een afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan. Het verder naar achteren verplaatsen van de woning om de geluidbelasting verder te reduceren heeft beperkte invloed. Door de afstand tot aan de weg te verdubbelen ontstaat een reductie van 3 dB. Dit is te nihil en is vanuit het landschappelijk oogpunt niet wenselijk waardoor dit geen mogelijkheid is. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de 51

standaardwaarde. In het ontwerp van het toekomstig plan dient hiermee rekening gehouden te worden door de woningbouw akoestisch slim te ontwerpen. Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen voor de ontwikkeling.

6.1.3.3

Trillingen

Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten, regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trilling gevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trilling gevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.

De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trilling gevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trilling gevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling wordt een bedrijfswoning toegevoegd welke voor omliggende activiteiten een trilgevoelige ruimte is. Echter zijn er in de omgeving geen activiteiten waarbij trillingen gegenereerd worden. Er zullen daarnaast ook geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

6.1.3.4

Slagschaduw van windturbines

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt 52

toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).

Toetsing initiatief

In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

6.1.3.5

Bodemkwaliteit

Het Rijk stelt instructieregels (Bkl paragraaf 5.1.4.5) aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn. In het omgevingsplan kan de gemeente, gebieden aanwijzen waarvoor een verplicht voorafgaand bodemonderzoek niet nodig is. Ook kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties naast vooronderzoek altijd verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest moet plaatsvinden. Verder kan de gemeente in het omgevingsplan ook bij andere aanleidingen of activiteiten een voorafgaand bodemonderzoek voorschrijven. Bijvoorbeeld als de functie van een locatie of gebied wijzigt (gevoeliger gebruik).

Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de (milieubelastende) activiteiten: • Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal); • Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal); • Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal); • Bouwen op een bodemgevoelige locatie (via instructieregel uit paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een verplichting in het omgevingsplan).

Planspecifiek In dit geval is sprake van een agrarisch bouwvlak dat in gebruik wordt genomen voor recreatieven doeleinden (incl. educatie, logies, informatie, ontvangstruimte en horeca) daardoor gevoeliger wordt. Een bodemonderzoek 53

is derhalve noodzakelijk. Doormiddel van een verkennend bodemonderzoek wordt de kwaliteit van de bodem inzichtelijk gemaakt.

Onderzoek

Door Bodeminzicht B.V. is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in een apart rapport1 beschreven dat als separate bijlage (bijlage V) aan dit omgevingsplan is opgenomen. In deze paragraaf is enkel de conclusie van dat rapport opgenomen.

Doorwerking plangebied

De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de hypothese. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, onzes inziens, geen belemmering voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan.

6.1.3.6

Geur

Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl). Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op: • Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2); • Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3); • Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4).

Planspecifiek

In figuur 22 is de afstand van de nieuwe bedrijfswoning ten opzichte van de bestaande veehouderijbedrijven in de omgeving inzichtelijk gemaakt. In figuur 22 is een uitsnede weergegeven van de kaart behorende bij de gebiedsvisie geur van de gemeente Bernheze uit 2013. In de gebiedsvisie is aangegeven dat wanneer de achtergrondwaarde lager is dan de vastgestelde toetswaarde, 1

Verkennend bodemonderzoek Lendersgat 15 te Vorstenbosch Bodeminzicht Projectnummer B2393 Zijtaart, 21 november 2020

54

zondermeer sprake is van een aanvaardbaar plan (m.b.t. het deelaspect geur) en kan verwezen worden naar het raadsbesluit van 5 november 2013, waarin de gebiedsvisie en de geurverordening is vastgesteld.

Figuur 22 Ligging bestaande veehouderijen rondom projectgebied (afstand tot aan het bouwvlak van de bedrijfswoning

Vanuit figuur 22 wordt geconcludeerd dat voldoende afstand (>25 meter) wordt aangehouden ten opzichte van omliggende veehouderijbedrijven en dat ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat is te verwachten. In figuur 23 is de achtergrondconcentratie in beeld gebracht. De legendakleur ter plaatse geeft aan dat het woon- en leefklimaat goed tot zeer goed is. Dat betekent ook dat de achtergrondwaarde lager is dan de vastgestelde toetswaarde (max. 20 ouE/m³). Ten aanzien van de streefwaarde ligt de lat iets hoger en heeft de gemeente aangegeven dat de mogelijke kans op geurhinder maximaal 15% mag zijn. Wanneer we kijken naar het kaartje in relatie tot tabel 4 zien we dat het hinderpercentage op maximaal 15 % ligt (legenda-eenheid: redelijk goed). De nieuwe situatie voldoet ruimschoots aan de vastgestelde toetswaarde, zelfs aan de gestelde streefwaarde. Daarnaast is er op de locatie aan Lendersgat 18 geen veehouderij met geuruitstoot meer aanwezig, waardoor de geursituatie verbeterd. Ondanks het feit dat in de omgeving reeds burgerwoningen aanwezig zijn, die bepalend zijn voor de huidige veehouderijbedrijven m.b.t. geur, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de bedrijfswoning geen belemmering oplevert voor de omliggende veehouderijbedrijven en dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat m.b.t. het aspect geurhinder.

55

Figuur 23 Vergelijking beoordeling leefklimaat achtergrondbelasting geurhinder en voorgrondbelasting geurhinder (projectgebied is rood omcirkeld), bron: kaarten leefomgeving ODZOB Tabel 4 Uitleg legendaeenheid figuur 23 in relatie tot geurhinder en achtergrondbelasting

Achtergrondbelasting Geur – Ou/m3 1-3 4-8 9-13 14-20 21-28 29-38 39-50 51-65

Mogelijke kans op Beoordeling geurhinder (%) leefklimaat Concentratiegebied >5 Zeer goed 5-10 Goed 10-15 Redelijk goed 15-20 Matig 20-25 Tamelijk slecht 25-30 Slecht 30-35 Zeer slecht 35-40 Extreem slecht

56

Tabel 5 Streefwaarde in relatie tot hinderpercentage

Goed Voldoende

Bebouwde Hinderpercentage Bedrijventerreinen Hinderpercentage kom Woonkernen Buitengebied Nieuwe woongebieden 0-8 0-10 % 0-13 0-15% 8-13 10-15% 13-20 15-20%

Onvoldoende

13 of meer

>15%

20 of meer

>20%

Doorwerking plangebied Aangetoond is dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In de huidige situatie wordt reeds voldaan aan de streefwaarde, waardoor verwezen kan worden naar het raadsbesluit van 5 november 2013. Daarin is reeds gesteld dat wanneer aan de streefwaarde wordt voldaan, zondermeer sprake is van een aanvaardbaar plan met betrekking tot het deelaspect geurhinder. Het aspect geur zorgt dan ook niet voor een belemmering van de ontwikkeling. Aanvulling Aangezien voor gecombineerde luchtwassers recent (juni 2018) nieuwe (verhoogde) geuremissiefactoren zijn vastgesteld is de gemeentelijke geurkaart niet langer representatief voor de actuele geursituatie. Het biedt wel een indicatie voor de geursituatie, maar dient normaal gesproken aangevuld te worden met een vervolgonderzoek dat moet bevestigen of de conclusies nog onveranderd zijn. Omdat in dit geval geen sprake is van de ontwikkeling van een intensieve veehouderij, noch is sprake van intensieve veehouderijbedrijven in de directe omgeving, waardoor gesteld kan worden dat de geursituatie als representatief kan worden beschouwd en daardoor geconcludeerd kan worden dat het aspect geur niet zorgt voor een belemmering van de ontwikkeling. Om te bepalen of de geurbelasting afkomstig van de schapenhouderij op de omliggende woningen aanvaardbaar is, is er een V-stacks geurberekening opgesteld.

Bij de berekening is het hoekpunt van de woning aangehouden, welke op de kortste afstand van de schapenstal is gelegen. Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting op omliggende woningen maximaal 7,42 ouE/m3 bedraagt. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage VII. Daarnaast dient getoetst te worden aan de richtafstanden voor geur tot aan gevoelige functies. Bij landbouwhuisdieren met en zonder geuremissiefactor dient op basis van artikel 5.116 van het Bkl 25 meter afstand te worden gehouden buiten de bebouwingscontour. Binnen deze afstand zijn geen gevoelige functies aanwezig waardoor voldaan wordt aan de richtafstand. Er kan daardoor geconcludeerd worden dat de agrarische activiteiten op het agrarisch bouwvlak niet belemmerd zijn voor de ontwikkeling en de omgeving en dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. 57

Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering van de voorgestane ontwikkeling.

6.1.3.7

Spuitzones

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabijgelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In hoofdstuk 3 en 4 van het Bal zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen.

Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is medebepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermings-middelen moeten een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. De omliggende agrarische gronden binnen 50 meter van de beoogde bedrijfswoning en gastenverblijf zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Ten noorden en westen van het projectgebied zijn een kruidenrijke graslanden aanwezig. Hier wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Ten oosten van het projectgebied is een natuurgebied gelegen. Hier wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Er wordt geconcludeerd dat de beoogde bedrijfswoning en het gastenverblijf geen hinder ondervinden van drift van gewasbeschermingsmiddelen en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 58

Het aspect bestrijdingsmiddelen zorgt niet voor een belemmering voor de ontwikkeling. Tevens kan geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat acceptabel is ter plaatse van het plangebied m.b.t. het aspect bestrijdingsmiddelen (drift).

6.1.3.8

Veehouderij en gezondheid

Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO-speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan. Toets aan de handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Binnen een afstand van 1 kilometer tot het plangebied aan Lendersgat ligt een aantal veehouderijbedrijven. In tabel 6 zijn de adressen van veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer weergegeven. Daarbij is per veehouderijbedrijf het type veehouderij aangegeven en de afstand tot aan het plangebied.

Uit tabel 6 is op te maken dat er 2 varkenshouderijen in een straal van 1 kilometer rondom het plangebied zijn gelegen. Binnen 1 kilometer wordt op één plek pluimvee gehouden, het is echter een ondergeschikte functie met respectievelijk 30 kippen is dit nauwelijks bedrijfsmatig te noemen. Er zijn geen primaire pluimveehouderijen binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied gelegen. Tabel 6 afstand tot omliggende veehouderijbedrijven

Adres Nistelrodesedijk 9 Bosweg 16 Heuvel 18 Derptweg 12 Derptweg 11 Nistelrodesedijk 5

Type veehouderijbedrijf Varkens Varkens Paarden Paarden, legkippen (30), konijnen (10) Vleesstieren Melkrundvee

Afstand ten opzichte van plangebied 875 meter 900 meter 709 meter 900 meter 750 meter 500 meter

Het projectgebied ligt buiten de richtafstanden (500 meter voor pluimveehouderijen en 200 meter voor varkenshouderijen) die gelden voor de 59

varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2, toename emissies, is van toepassing omdat het plan een uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: • 5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. De voorgrondbelasting is ten hoogste 2,1 ou/m3, waardoor wordt voldaan aan de norm voorgrondbelasting. • 10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. Conform de achtergrondbelasting geur door middel van V-stacks gebied bedraagt de achtergrondbelasting tussen de 3,43 en 7,42 ou/m3. • 50 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt voldaan aan de vaste afstand. In stap 4 wordt getoetst aan bedrijven die een gecombineerde bedrijfsvoering hebben. Er zijn geen bedrijven in de omgeving (< 100 meter) waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: • Varkens en pluimvee; • Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); eigen bedrijf. • Kleine herkauwers onderling. Er wordt voldaan aan stap 4. In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en een pluimveebedrijf.

Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het projectgebied bevinden zich één geitenbedrijf. Het gaat hier om de geitenhouderij aan Langenbergsestraat 9 in Heeswijk-Dinther (afstand 1.721 meter). Binnen een straal van 1 kilometer worden op twee plekken pluimvee gehouden (Zie tabel 6). De afstand tot die plekken is ruim 800 meter. Het aantal kippen op die plekken is dusdanig laag, dat eerder sprake is van hobbymatig houden van kippen en dat daardoor geen gezondheidsrisico is te verwachten. De bebouwde kom is op een afstand van circa 675 meter gelegen. De natuurboerderij ligt daardoor op een grotere afstand dan 250 meter van de bebouwde kom. Doorwerking plangebied Er wordt voldaan aan de normen voor fijn stof en de concentratie endotoxine. Een GGD-advies kan door de gemeente worden aangevraagd op basis van stap 2, 3, 4 en 5. Er zijn geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan. 60

6.1.4

Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

6.1.4.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking staat in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (art. 5.129g): • de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en • als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Bovenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. al een behoefteonderzoek (laddertoets) is gedaan.

Planspecifiek

Met onderhavige ontwikkeling wordt er niet voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Het toetsen aan de Ladder voor duurzame ontwikkeling is dan ook niet noodzakelijk.

6.1.4.2

Archeologie

In een omgevingsplan wordt op grond van paragraaf 5.1.5.5. van het Bkl rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. In dit rapport is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in het landschap. De ontwikkeling, in 61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=a804d2f1-5b32-481c-8f63-bf09213c893e