CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting vastgesteld 3 november 2022

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 oktober 2022, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Boterweg (naast nr. 1), Heeswijk-Dinther17.161 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van het plangebied dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

4.5.2 Gemeentelijk beleid De gemeente Bernheze heeft bij raadsbesluit van 12 december 2013 de ‘verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’, de ‘beleidregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ en ‘geurgebiedsvisie 2013’ vastgesteld. Het beleid heeft betrekking op het beschermen van burgers tegen geurhinder, daarbij veehouderijen niet onnodig beperken en het mogelijk maken van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Er geldt een geurnorm van 3 oue/m³ voor bestaande woongebieden. De gemeenteraad heeft een geurnorm van 8 oue/m³ vastgesteld voor bestaande bedrijventerreinen in de bebouwde kom, extensiveringsgebieden rondom kernen, extensiveringsgebieden natuur en woonwerkontwikkelingsgebieden. Voor overige gebieden geldt een geurnorm van 10 oue/m³. Voor bebouwingsconcentraties in verwevingsgebieden is opgenomen dat artikel 4 van toepassing is verklaard. In dit artikel is een vaste afstand opgenomen die in acht moet worden genomen van 50 meter binnen de bebouwde kom respectievelijk 25 meter buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen binnen een woonwerkontwikkelingsgebied, maar kan gezien de ligging tegen de kern niet los gezien worden van de bebouwde kom. Ter plaatse van het plangebied geldt derhalve een geurnorm van 3 oue/m³ en een vaste afstand van 100 meter.

4.5.3 Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van het plangebied is een tweetal veehouderijbedrijven gelegen. Op navolgende figuur zijn de omliggende veehouderijen ten opzichte van het plangebied weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven middels de zwarte cirkel. VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Brouwersstraat 2a

Laag-Beugt 3C

Figuur 16: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:

Figuur 17: Vergunde dieraantallen Brouwersstraat 2a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 18: Vergunde dieraantallen Laag-Beugt 3C (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

4.5.4 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat 4.5.4.1

Inleiding

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

4.5.4.2

Voorgrondbelasting

In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Ter plaatse is dan ook geen berekening van de voorgrondbelasting aan de orde.

4.5.4.3

Achtergrondbelasting

De achtergrondbelasting is de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is mede bepalend voor het leefklimaat. De gemeente Bernheze heeft de achtergrondbelasting indicatief laten doorrekenen binnen de gehele gemeente. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de indicatieve achtergrondbelasting berekening voor het plangebied en omgeving, zoals opgenomen in de gemeentelijke geurverordening.

Figuur 19: Indicatieve achtergrondbelasting voor het plangebied en omgeving

Ter plaatse van het plangebied is op basis van de achtergrondbelasting sprake van een ‘goed woonen leefklimaat’. Uit recent gevoerd onderzoek (2018) door de Wageningen livestock research blijkt echter dat de geurreductie van gecombineerde en biologische luchtwassystemen met hoge reductiepercentages in de praktijk veel lager is dan waar in de Regeling geurhinder en veehouderij van wordt uitgegaan. Naar aanleiding hiervan is de Regeling ammoniak veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij gewijzigd. Met de berekening van de achtergrondbelasting in de gemeentelijke geurverordening is hiermee nog geen rekening gehouden. Gezien de dermate lage achtergrondbelasting kan echter worden gesteld dat de gewijzigde emissiefactoren geen significant negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

4.5.4.4

Conclusie woon- en leefklimaat

Voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is de achtergrondbelasting bepalend. Op basis van de achtergrondbelasting kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

4.5.5 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven De herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van ruim 250 meter. Daarmee wordt ruim voldaan aan de verplichte afstand tussen de veehouderijen en het geurgevoelige object. Daarnaast zijn tussen de veehouderijbedrijven en de beoogde Ruimte voor Ruimte woning aan Boterweg ong. reeds meerdere geurgevoelige objecten gelegen. Derhalve worden deze veehouderijen met de beoogde herontwikkeling niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie thans het geval is.

4.6 Gezondheid in relatie tot veehouderijen 4.6.1 Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.

4.6.2 Toets aan de handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijbedrijven gelegen. De meest dichtbij gesitueerde intensieve veehouderij ligt op een afstand van circa 800 meter. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: 

5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden.

10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt eveneens niet overschreden.

100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt voldaan aan de vaste afstand.

Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er zijn geen bedrijven in de directe omgeving van het plangebied waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden:

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Varkens en pluimvee;

Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);

Kleine herkauwers onderling.

Aan stap 4 wordt voldaan. In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Er bevindt zich één (gemengd)pluimveebedrijf binnen 1 kilometer van het plangebied. Er wordt wel ruimschoots voldaan aan de normen voor fijn stof en de concentratie endotoxine. Een GGD-advies is hierom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.

4.6.3 Conclusie Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.

4.7 Spuitzone Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied zijn geen kwekerijen of boomgaarden (meer) aanwezig. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1 Inleiding De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De VNG-brochure geeft de navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Het plangebied is gelegen aan Boterweg ongenummerd, ten zuidoosten van de kern HeeswijkDinther. De omgeving van het plangebied is te typeren als ‘rustig buitengebied’.

4.8.2 Niet-agrarische bedrijven in omgeving plangebied Bedrijventerrein ten oosten van plangebied Op een afstand van circa 100 meter ten noorden van het plangebied is een bedrijventerrein gelegen. De meest dicht bij het plangebied gelegen gevestigde (of te vestigen) bedrijven mogen maximaal binnen de milieucategorie 3.2 vallen. Binnen het bedrijventerrein vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats met een zwaardere milieucategorie. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 3.2 geldt op basis van de VNG-brochure een vaste afstand van 100 meter tot gevoelige objecten. Aan deze richtafstand kan worden voldaan. Dierenartsenpraktijk Laag-Beugt 2B Aan Laag-Beugt 2B is een dierenartsenpraktijk/paardenkliniek gevestigd. Deze bedrijfsvoering is niet specifiek opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Gezien de werkzaamheden welke ter plaatse plaatsvinden, kan de kliniek worden gezien als een bedrijf binnen de milieucategorie 2. Hiervoor dient een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 30 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van circa 75 meter wordt hieraan ruim voldaan. Conclusie Gesteld kan worden dat het aspect Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering vormt voor de oprichting van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van het plangebied aan Boterweg ong. te Heeswijk-Dinther.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

4.9 Water 4.9.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de initiatieven binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas.

4.9.2 Relevant beleid 4.9.2.1

Waterbeheerplan

Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota Visie op water. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten. 4.9.2.2

Keur

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur Waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. 4.9.2.3

Principes van het waterschap

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas hanteert onderstaande principes: -

wateroverlastvrij bestemmen;

-

gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater;

-

doorlopen van de afwegingsstappen hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer;

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

-

hydrologisch neutraal ontwikkelen;

-

water als kans;

-

meervoudig ruimtegebruik;

-

voorkomen van vervuiling;

-

waterschapsbelangen;

Deze uitgangspunten worden hierna puntsgewijs toegelicht. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek 'die hoog en droog genoeg' is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nu al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. Gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap gaat echter niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels.

Doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen en dergelijke. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen

grondwaterbeschermingsgebieden

kunnen

door

de

grondwaterbeheerder

(provincie)

aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. Water als kans ‘Water’ wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (‘er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn duur’). Dat is erg jammer, want het aspect water kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

de belevingswaarde van water. Zo is wonen aan het water erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etcetera. Meervoudig ruimtegebruik ‘Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn duur’. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (bijvoorbeeld een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit de wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. Waterschapsbelangen Er zijn 'waterschapsbelangen' met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: -

ruimteclaims voor waterberging

-

ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel

-

aanwezigheid en ligging watersysteem

-

aanwezigheid en ligging waterkeringen

-

aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.

Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de regels en de verbeelding aandacht besteed moeten worden.

4.9.2.4

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak

toeneemt.

Deze

(beleids)uitgangspunten

zijn

geformuleerd

in

de

‘Beleidsregel

Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte van minder dan 500 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

4.9.3 Gemeentelijk beleid In verband met voorkomende wateroverlast binnen de gemeente Bernheze wordt door de gemeente eveneens een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater bij een nieuw verhard oppervlak beneden de 500 m². De bergingsbehoefte wordt daarbij bepaald op basis van 60 mm. per m². Ter plaatse van het plangebied wordt circa 400 m² aan nieuwe verharding beoogd, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding. Ten behoeve van de beoogde nieuwe 400 m² verharding geldt een bergingsopgave van (400 * 0,06) 24 m³. Zorg gedragen zal dan ook worden voor de berging van 24 m³. De beoogde berging wordt nader toegelicht in paragraaf 4.7.4.3.

4.9.4 Watertoets plangebied 4.9.4.1

Keur

Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied. Wel grenst het plangebied aan een primaire waterloop van het waterschap. Navolgende figuur betreft een uitsnede weergegeven van de Keurkaart van Waterschap Aa en Maas.

Figuur 20: Uitsnede Keurkaart Waterschap Aa en Maas

Op de Leggerkaart is de waterloop nader aangeduid. VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Figuur 21: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Aa en Maas

Tussen het plangebied en de straat Boterweg is de A-watergang gelegen, met aan weerszijden een beschermingszone. Een A-watergang betreft een oppervlaktewaterlichaam met een maatgevende aan- en/of afvoer van meer dan 30 liter per seconde. Bij dergelijke watergangen geldt een beschermingszone van 5 meter breed. Het gewoon en groot onderhoud aan het natte en droge profiel van A-waterlopen geschiedt door het waterschap. De eigenaar van het aangrenzende perceel is verantwoordelijk voor de instandhouding van het perceel naast de betreffende watergang. Het uitvoeren van gewoon en groot onderhoud gebeurt in de regel machinaal en vanaf het aangrenzende perceel. Een goede bereikbaarheid wordt daarbij vereist. Naast de instandhouding van de oever is het van belang dat de in de legger aangewezen beschermingszone in goede staat van onderhoud verkeert. De aanwezige begroeiing mag het uitvoeren van het onderhoud via de beschermingszone niet belemmeren of hinderen. Het onderhoud van de beschermingszone berust bij de eigenaar van het naast de watergang gelegen perceel. De A-watergang grenst nagenoeg direct aan het plangebied. Het plangebied is thans dusdanig begroeid, dat de watergang aan deze zijde in de huidige situatie niet goed bereikbaar is ter hoogte van het plangebied.

Op navolgende foto is de watergang weergegeven, met rechts in beeld het plangebied zichtbaar, thans nog bestaande uit dichte begroeiing.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Figuur 22: Foto A-watergang met rechts het plangebied

De beschermingszone is in het vigerende bestemmingsplan reeds aangegeven met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’, waarbij wordt gesteld dat ter plaatse niet mag worden gebouwd, tenzij door de bouw en situering geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de watergang. Hiertoe dient alsdan vooraf advies te worden ingewonnen bij het waterschap. Ter plaatse wordt geen bebouwing of andere obstakels beoogd. Wel zal het plangebied landschappelijk ingepast blijven. De inpassing wordt wat uitgedund. De bereikbaarheid van de watergang blijft dan ook gelijk aan de huidige situatie. Vanuit de straatzijde is de A-watergang goed bereikbaar. De dubbelbestemming blijft met onderhavig bestemmingsplan behouden. Ter plaatse is reeds sprake van een duiker, met tevens een gemaal. Dit gemaal is op de legger niet weergegeven. Op navolgende foto is de duiker met het gemaal weergegeven.

Figuur 23: Foto plangebied met op de voorgrond de duiker en het gemaal (Bron: Google Streetview)

Voor de ontsluiting van het plangebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande duiker. Derhalve zullen geen wijzigingen plaatsvinden aan de watergang of het gemaal.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

4.9.4.2

Bodemgebruik en grondwater

Het plangebied is gelegen op een dekzandrug. Het plangebied is gelegen op Bodemtype zEZ21: Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig tot fijn zand. Het plangebied ligt op circa 8,1 meter boven NAP. Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. Wel is ter plaatse sprake van een amfibieënpoel, thans nog behorende bij de woning Brouwersstraat 28. Grenzend aan het plangebied is een A-watergang gelegen. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse bedraagt tussen de 60 en 80 centimeter beneden maaiveld aan het voorste gedeelte van het plangebied. Verder naar achter, richting het westen, bedraagt de GHG tussen de 80 en 100 centimeter beneden maaiveld.

4.9.4.3

Hydrologisch neutraal bouwen

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) houdt in dat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties. Dit geldt zowel voor het plan als het daaromheen gelegen gebied, waar de ingrepen hydrologische invloed kunnen hebben. Concreet betekent dit dat: 

de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie;

de omvang van grondwateraanvulling binnen het plangebied gelijk blijft of toeneemt;

de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruikfuncties;

de (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;

het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, niet leiden tot knelpunten (grondwater) binnen het plangebied.

Ter plaatse van het plangebied wordt een vrijstaande Ruimte voor Ruimte woning beoogd, met een nieuw verhard oppervlak van in totaal circa 400 m², bestaande uit een hoofdgebouw, bijgebouwen en erfverharding. Op basis van gemeentelijke voorwaarden wordt voor de nieuwe verharding een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater. Ten behoeve van de beoogde nieuwe 400 m² geldt een bergingsopgave van 24 m³. Het plangebied biedt voldoende ruimte voor het bergen van hemelwater op eigen perceel. Gewerkt zal worden met dakgoten en regenpijpen waarbij het hemelwater dat valt op de bebouwing via een molgoot wordt afgevoerd naar een nieuw te realiseren zaksloot in het zuiden van het plangebied, parallel aan de aangrenzende agrarische gronden, deels onder de bestaande beplanting. Deze zaksloot dient boven de GHG te worden gerealiseerd, en zal dan ook, rekening houdend met een waking van 10 centimeter, een diepte kennen van maximaal 40 centimeter aan de voorzijde van het plangebied tot maximaal 60 centimeter achter op het perceel. De zaksloot zal worden gerealiseerd vanaf de achterzijde van de woning tot achter op het perceel van initiatiefnemer, en zal derhalve circa 55 meter lang worden. Met een diepte van gemiddeld 50 centimeter kan ruim worden voldaan aan de vereiste bergingsopgave van 24 m³.

Navolgend is indicatief de beoogde infiltratievoorziening ter plaatse van het plangebied weergegeven.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Figuur 24: Beoogde infiltratievoorziening plangebied na herontwikkeling (indicatief)

Indien bij de bouw van de woning niet (enkel) gekozen wordt voor een zaksloot, kan ook gekozen worden voor een infiltratieveld (wadi) achter op het perceel. De uiteindelijk gekozen wijze van hemelwaterinfiltratie wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

4.9.4.4

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

4.9.4.5

Huishoudelijk afvalwater

Aan de Boterweg is thans sprake van een rioleringsstelsel. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning wordt middels een nieuwe aansluiting aangesloten op de bestaande riolering. Het bestaande rioolstelsel biedt hiertoe voldoende capaciteit.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

4.10 M.e.r.-beoordeling 4.10.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.

In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

4.10.2 Toets aan drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet.

4.10.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. Uit deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt, waardoor geen MER dient te worden opgesteld.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

5. NATUUR, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE 5.1 Natuur en ecologie 5.1.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming). Door Lomans Ecoworks is een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd. De conclusies en aanbevelingen worden in navolgende subparagrafen nader besproken. Het uitgevoerde onderzoek (Lomans Ecoworks, projectnummer 1916, d.d. 22 juli 2019) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

5.1.2 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Natuur Netwerk Brabant is onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich gemakkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aantal planten en dieren) bevorderd. Navolgende conclusie komt voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Natura 2000-gebieden Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ligt op een zodanig grote afstand (ca. 13 kilometer) van het plangebied, dat negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in of nabij een NNB-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat is begrensd als Natuurnetwerk Brabant ligt op ca. 400 meter van het plangebied.

Met de beoogde oprichting van de Ruimte voor Ruimte woning is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNB-gebied.” Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelde sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gedaan in enkele VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling worden berekend. Door de Rijksoverheid is de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ opgesteld. Uit deze handreiking blijkt samengevat dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Binnen het plangebied is sprake van realisatie van één woning op een afstand van circa 13 kilometer van voor stikstof gevoelige richtlijngebieden. Hiermee kan uitgesloten worden dat de ontwikkeling een effect heeft op stikstof van meer dan 0,00 mol/hectare/per jaar. Een AERIUSberekening is dan ook niet aan de orde.

5.1.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Conclusies Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art.

3.1 Wnb Categorie 1-4 vaste verblijfplaatsen in gebouwen en bomen In het plangebied zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen en bomen aangetroffen. Door het ontbreken van geschikte bebouwing en hoge bomen ontbreekt ook geschikt broedbiotoop voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Vaste rust- en verblijfplaatsen categorie 5 In het plangebied ontbreken geschikte holtebomen voor holenbroeders en zijn geen nesten uit deze categorie aangetroffen. Het plangebied biedt broedgelegenheid voor overige algemene vogelrichtlijnsoorten waarvan het nest alleen gedurende de broedperiode beschermd is.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Met de oprichting van de Ruimte voor Ruimtewoning wordt een deel van de aanwezige groenstructuren verwijderd, met de landschappelijke inpassing worden deze wederom aangevuld. De variatie aan inheems groen met foerageer- en broedgelegenheid voor een groot aantal bos- en struweelvogels blijft gehandhaafd in het nieuwe plan. Overtreding van verbodsbepalingen beschermingsregime Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb is niet aan de orde. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vogels Tijdens het veldbezoek

zijn geen vogels aangetroffen die vallen onder het

beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. Kamsalamander De kamsalamander komt voor in de omgeving, mogelijk is voortplantingswater en/of winterhabitat aanwezig in het plangebied. Een nader onderzoek zal uitwijzen of het plangebied functies vervult voor de kamsalamander. Vleermuizen In het plangebied zijn geen aaneengesloten lijnvormige (groen)structuren aanwezig die mogelijk benut worden als belangrijke vlieg- en foerageerroute. Door het ontbreken van geschikte holtebomen en bebouwing kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen

voor

vleermuizen

worden

uitgesloten.

Het

plangebied

vormt

foerageergebied van goede kwaliteit voor vleermuizen. Dit blijft onveranderd bestaan in het nieuwe plan. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vrijgestelde soorten Tijdens het veldbezoek zijn graafsporen van konijn uit deze categorie aangetroffen. Er worden nog enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals gewone pad, bruine kikker, egel en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. Eindconclusie -

Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van voortplantingswater en landhabitat voor de kamsalamander is noodzakelijk.

-

De aanbevelingen voor vogels algemeen en rugstreeppad dienen te worden opgevolgd.

Aanbevelingen Vogels algemeen

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan dit plaatsvinden door werkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren, of wanneer vooraf door een terzake deskundige is vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Op deze wijze worden negatieve effecten ten aanzien van broedende vogels voorkomen. Een alternatief is om de werkzaamheden op te starten voordat het broedseizoen aanvangt (februari), en de werkzaamheden te continueren zonder bouwstop. Dit zal voorkomen dat vogels tot broeden komen in de directe omgeving. Rugstreeppad Ter voorkoming van het in gebruik nemen van het plangebied door de rugstreeppad in de bouwrijp fase wordt aanbevolen om: -

natte plekken en kleine plasjes water te dempen of af te dekken. Als dit niet lukt dan paddenschermen plaatsen.

-

tijdig zandige omstandigheden weg te nemen of alle werkzaamheden af te ronden voor eind augustus (vanaf eind augustus gaan Rugstreeppadden op zoek naar vergraafbare grond om de winter door te brengen).”

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van de kamsalamander van het plangebied. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde nader onderzoek: “Resultaten nader onderzoek De eerste bemonstering heeft plaatsgevonden tijdens de quickscan op 16 juli, en de tweede bemonstering op 7 augustus. Op 16 juli zijn geen kamsalamanders aangetroffen. Op 7 augustus is op de zelfde manier op dezelfde plekken geschept. Er werd enkel een exemplaar van een kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) aangetroffen in het diepste gedeelte van de poel. Conclusie De kleine watersalamander benut de poel als voortplantingswater en zeer aannemelijk vormt de omliggende tuin het landhabitat voor de kleine watersalamander. Wettelijk kader Binnen de Wet natuurbescherming behoort de kleine watersalamander tot de ‘Vrijgestelde soorten’ in de provincie Noord-Brabant. Dit betekent dat in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt voor de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Mitigerende maatregelen en een ontheffingsaanvraag zijn niet noodzakelijk. Echter de zorgplicht geldt altijd. Een maatregel ter voldoening aan de zorgplicht is buiten de kwetsbare periodes van de kleine watersalamander de werkzaamheden uitvoeren. Werkzaamheden aan het voortplantingswater kunnen het VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

best in de winterperiode worden uitgevoerd en graaf/bouwwerkzaamheden kunnen het best in de periode maart tot september worden uitgevoerd.” Het uitgevoerde nader onderzoek naar de kamsalamander (Lomans Ecoworks, d.d.13 augustus 2019, aangepast 14 juni 2020) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

5.2 Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen binnen de regio Meierij. Deze regio is van provinciaal cultuurhistorisch belang. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en de buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. In de regio zijn onder andere de oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden en broekgebieden van provinciaal belang, evenals

de

dorpen

en

buurtschappen met langgevelboerderijen. (Bron: Cultuurhistorische

waardenkaart, regio Meierij, CHW-code REME). De occupatie binnen de gemeente Bernheze is ontstaan op de rand van de beekdalen en de hoger gelegen zandgronden. In de periode tussen de 15e en 18e eeuw werden ten behoeve van de landbouw, woeste gronden ontgonnen grenzend aan de beekdalen. Vanaf het midden van de 19e eeuw heeft grootschalige heideontginning tot forse uitbreiding van de landbouwgronden geleid. Voor de ontwikkeling van de nederzettingen binnen de gemeente Bernheze is met name de ligging aan belangrijke doorgaande routes tussen grotere plaatsen in de omgeving van belang. De oorspronkelijke dorpslinten die aan deze routes zijn ontstaan zijn waardevol als historische structuur. Daarnaast liggen in het buitengebied ook enkele bebouwingsconcentraties die cultuurhistorisch van belang zijn. Het plangebied is gelegen aan de Boterweg, welke tot voor kort de doorgaande weg vormde vanuit de provinciale weg N279 richting de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther. Als gevolg van de nieuwe rondweg, is de Boterweg vanuit het noorden een doodlopende weg geworden, uitsluitend voor fietsverkeer. De Boterweg kent geen cultuurhistorische waarden. Ook het plangebied kent geen cultuurhistorische waarden. Met de beoogde herontwikkeling gaan geen cultuurhistorische waarden verloren.

5.3 Archeologie Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). De bepalingen van deze wet zijn per 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de erfgoedwet. Op basis van deze wetten zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. In deze wet is onder meer opgenomen dat er bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² op locaties die zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid met middelhoge- of hoge archeologische verwachtingswaarden, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’. Op basis van deze documenten is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’ waarop het plangebied is aangeduid middels een rode cirkel.

Figuur 25: Uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’

Het plangebied is gedeeltelijk aangeduid als gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4) en gedeeltelijk in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 5). Ter plaatse van categorie 4 geldt een onderzoeksplicht naar eventueel aanwezige archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 meter en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Ter plaatse van categorie 5 geldt een onderzoeksplicht naar eventueel aanwezige archeologische

waarden

bij

een

verstoringsdiepte

van

meer

dan

40

meter

en

een

verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². Indien deze ondergrenzen niet worden overschreden, wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Aan het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ (gedeeltelijk) en ‘Waarde – Archeologie 3’ (gedeeltelijk) toegekend, waarbij de vereisten zijn verankerd. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een amfibieënpoel, alwaar de bodem reeds dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld is geroerd. Ter plaatse wordt het dan ook niet aannemelijk geacht VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

dat sprake kan zijn van archeologische waarden. Buiten de grenzen van de bestaande poel zal de ondergrens van 250 m² dan wel 2.500 m² als gevolg van de beoogde herontwikkeling niet worden overschreden. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin wordt in onderhavig bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ overgenomen op de verbeelding en in de regels, waarbij eventueel aanwezige waarden ook in de toekomst behouden blijven. Mochten er tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan geldt conform artikel 5.4 Meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van de Erfgoedwet, een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, de gemeente Bernheze.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

6.

JURIDISCHE VORMGEVING

6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2 Toelichting op de analoge verbeelding De

verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functie-aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond,

schaal

1:500.

De

bestemming

‘Agrarisch met

waarden

–

Landschappelijke,

cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ is aangegeven, evenals de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Op de verbeelding is een plangrens en een bouwvlak opgenomen, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’, de gebiedsaanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’ en de wetgevingzone ‘wetgevingzone – woonwerkontwikkelingsgebied’.

6.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Nadere eisen;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

6.4 Toelichting op de bestemmingen 6.4.1 Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische en natuurwaarden, agrarisch grondgebruik, een Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’, water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, extensieve dagrecreatie en doeleinden van openbaar nut. Ter plaatse wordt een Ruimte voor Ruimte woning toegestaan met een inhoud van maximaal 1.000 m³ en 100 m² aan bijgebouwen.

6.4.2 Waarde – Archeologie 2 De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

6.4.3 Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

6.4.4 Waterstaat – Beschermingszone watergang De voor ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomen bestemming, met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel aangrenzende watergang. Op de voor ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Boterweg nabij 1 Heeswijk - Dinther’, gemeente Bernheze - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bernheze zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn tevens onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=b5159677-6be0-48fe-bbb8-9596163692d0