CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerp-bestemmingsplan 'Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode'

Commissie Ruimtelijke Zaken 22 september 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26), Nistelrode20.579 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4.2.2 Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

4.4.2.3 Verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

4.4.3

Beleidskader

4.4.3.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

4.4.3.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

4.4.3.3 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

4.4.3.4 Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd, 2008). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Toetsing van het plan aan de voorwaarden uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente geeft geen belemmeringen voor het plan.

4.4.3.5 Overige wet- en regelgeving In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) dient getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz..

4.4.4

Beoordeling plangebied

4.4.4.1 Bedrijven Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart, waarbij het plangebied met een paarse cirkel is aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Figuur 14: Uitsnede risicokaart

4.4.4.2 Transport Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Bernheze bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over het water In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit aspect is dus eveneens niet van toepassing. Vervoer over de weg Het plangebied is op een afstand van circa 500 meter van de Rijksweg A50 gelegen. Over de A50 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het gaat concreet om de volgende jaarintensiteiten aan gevaarlijke stoffen. Stofgroep

Omschrijving

Jaarintensiteit

Invloedsgebied (m)

LF1

Brandbare vloeistoffen

1.087

45

LF2

Zeer brandbare vloeistoffen

4.107

45

LT1

Toxische vloeistoffen

33

730

LT2

Zeer toxische vloeistoffen

85

880

GF3

Zeer brandbare gassen

1.500

335

GT4

Zeer toxische gassen

33

>4.000

Figuur 15: Beeld van invloedsgebied van gevaarlijke stoffend die vervoerd worden over de A50

Bijlage 1 van de Regeling basisnet geeft voor de transportroute A50 aan dat er geen sprake is van de aanwezigheid van een PR 10-6 contour. Het plaatsgebonden risico geeft dan ook geen beperkingen aan de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Tevens is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied.

Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Het invloedsgebied van deze transportroute kan bepaald worden aan de hand van de vervoerde stoffen. In voorgaande tabel is per stofgroep het invloedsgebied opgenomen. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen en toxische gassen. Omdat het plangebied buiten een afstand van 200 meter van de A50 is gelegen, maar wel binnen het invloedsgebied van toxische stofgroepen, dient op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding is op een afstand van circa 2,5 kilometer van het plangebied gelegen. Deze leiding bevindt zich op dermate afstand dat deze geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Hoogspanningsleidingen Op een afstand van circa 250 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een bovengrondse hoogspanningsleiding 150 kV (Oss – Uden). Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar indicatieve zones. De indicatieve zone voor de hoogspanningslijn ten zuiden van het plangebied bedraagt 60 meter aan weerszijden. Het plangebied is ruimschoots buiten het invloedsgebied van de hoogspanningslijnen gelegen. Natuurrampen In de directe omgeving van het plangebied zijn de Rijksweg A50 en de bossen van de Maashorst opgenomen als potentiële risicobronnen voor de veiligheid van omwonenden.

De beoogde woning binnen het plangebied is gesitueerd in de nabijheid van het natuurgebied Schaijkse Heide. Op de risicokaart externe veiligheid van de provincie Noord-Brabant is opgenomen dat er een risico is op een bosbrand in dit gebied. De toevoeging van één extra woning heeft geen significant effect op dit risico.

4.4.4.3 Verantwoording van het groepsrisico (beperkt) toxisch 4.4.4.3.1

Inleiding

Vanwege de ligging van het plangebied in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Dit advies is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en verwerkt in de verantwoording. 4.4.4.3.2

Scenario('s)

Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. 4.4.4.3.3

Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit

Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld.

Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

4.4.4.3.4

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied:

-

goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is.

4.4.4.3.5

Alarmering

In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. 4.4.4.3.6

Schuilmogelijkheden

Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele anwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. 4.4.4.3.7

Vluchtmogelijkheden

Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. 4.4.4.3.8

Conclusie

Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

4.5

Geurhinder en veehouderij

4.5.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.

4.5.2

Geurnormen

Voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied (het gebied waarbinnen het plangebied gelegen is) geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen de bebouwde kom en 14 odour units per kubieke meter lucht buiten de bebouwde kom. Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wgv afwijken. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde gebiedsvisie. Binnen de gemeente Bernheze gelden afwijkende geurnormen. De gemeente Bernheze heeft bij raadsbesluit van 12 december 2013 de ‘verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’, de ‘beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ en ‘geurgebiedsvisie 2013’ vastgesteld. Het beleid heeft betrekking op het beschermen van burgers tegen geurhinder, daarbij veehouderijen niet onnodig beperken en het mogelijk maken van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Er geldt een geurnorm van 3 oue/m³ voor bestaande woongebieden. De gemeenteraad heeft een geurnorm van 8 oue/m³ vastgesteld voor bestaande bedrijventerreinen in de bebouwde kom, extensiveringsgebieden

rondom

kernen,

extensiveringsgebieden

natuur

en

woonwerkontwikkelingsgebieden. Voor overige gebieden geldt een geurnorm van 10 oue/m³. Ter plaatse van het plangebied geldt derhalve een geurnorm van 8 oue/m³ en een vaste afstand van 50 meter. Daarnaast heeft de gemeente Bernheze de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. Deze beleidsregels dient te worden toegepast als vertaling voor het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ bij cumulatieve geurhinder. De gemeente Bernheze hanteert hierbij de volgende tabel.

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Bebouwde kom Woonkernen,

Bedrijventerreinen

Nieuwe woongebieden

Buitengebied

Voldoende

0 – 13 ou/m³

0 – 20 ou/m³

Onvoldoende

13 of meer ou/m³

20 ou/m³ of meer

Tabel 2: Tabel met criteria voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de gemeente Bernheze

Op grond van de ‘beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ dient er bij de beoogde ontwikkeling in het buitengebied een achtergrondbelasting zijn die minder dan 20 ou/E bedraagt.

4.5.3

Veehouderijen in omgeving

In de omgeving van het plangebied liggen een aantal veehouderijbedrijven. Dit betreffen de melkveebedrijven aan Loo 22 en Loo 24 en de intensieve veehouderij aan Loo 33. Hierna zijn vergunningen van de betreffende veehouderijen weergegeven.

Figuur 16: Vergunning voor het houden van dieren aan Loo 22 te Nistelrode (Bron: WebBVB)

Figuur 17: Vergunning voor het houden van dieren aan Loo 24 te Nistelrode (Bron: WebBVB)

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Figuur 18: Vergunning voor het houden van dieren aan Loo 33 te Nistelrode (Bron: WebBVB)

4.5.4

Woon- en leefklimaat

4.5.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

4.5.4.2 Voorgrondbelasting Aan Loo 22, en Loo 24 worden melk- en kalfkoeien gehouden. Voor deze bedrijven geldt een vaste afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten. De afstand van beide locaties tot het plangebied bedraagt minimaal 80 meter. Hiermee is geen sprake van belemmering van de bedrijfsvoering van deze bedrijven door toevoeging van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning. Voor de locatie aan Loo 33, waar vleesstieren worden gehouden, is een geurberekening gemaakt met behulp van het programma V-stacks-Vergunning. Er is uitgegaan van een worst case scenario waarbij alle emissie op de hoek van het agrarisch bouwvlak is gelegd dat zich het dichtst tot het plangebied bevindt. In navolgende figuur zijn de uitkomsten van deze berekening weergegeven. Berekende ruwheid: 0,41 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronI

X-

Y-

EP

Gem.geb.

EP

EP Uittr.

E-

D

coord.

coord.

Hoogte

hoogte

Diam.

snelh.

Aanvraag

Loo 33

168 180

413 232

6,0

6,0

0,50

4,00

5 340

Geur gevoelige locaties: GGLID Loo ong.

Xcoordinaat Ycoordinaat Geurbelasting 168 284

413 238

3,1

Figuur 19: Voorgrondbelasting berekening V-Stacks-Vergunning voor het bedrijf aan Loo 33

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Navolgende tabel geeft de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’. Voorgrondbelasting ≤1 1,5 - 3 4-6 7-9 10 - 13 14 - 18 19 - 24 ≥ 25

Geurgehinderden (%) <5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 35 - 40

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘goed’ woonen leefklimaat.

4.5.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting wordt berekend met het programma V-Stacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting zijn de veehouderijen binnen een straal van twee kilometer rondom het plangebied beoordeeld. De invoergegevens van de bedrijven voor het programma V-Stacks gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant d.d. 13 maart 2019. Aangezien sprake is van een berekening van de huidige situatie is de maximaal vergunbare emissie voor de bedrijven gelijk gesteld aan de vergunde emissie in de bestaande situatie. Navolgend zijn de resultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergeven. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID

X-coor

Y-coor

Geurbelasting [OU/m3]

1001

168283.0

413238.0

2.005

1002

168325.0

413254.0

1.668

1003

168312.0

413138.0

1.317

1004

168353.0

413156.0

1.325

Navolgende tabel geeft de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’. Achtergrondbelasting ≤3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 -50 ≥ 50

Crijns Rentmeesters bv

Geurgehinderden (%) <5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 35 - 40

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

37

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Op basis van de achtergrondbelasting is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Met een indicatieve achtergrondbelasting van circa 2 ou/m³ is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze’.

4.5.4.4 Conclusie De voorgrondbelasting is bepalend voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woning is in het kader van aspect geur dan ook geen bezwaar.

4.5.5

Belangenafweging

Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven niet belemmeren. Woningen (onder andere de woning aan Loo 26) gelegen dichterbij de veehouderijen dan het plangebied belemmeren reeds de ontwikkelingsmogelijk-heden van de betreffende veehouderijen. De herontwikkeling van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen dus niet.

4.6

Spuitzones

4.6.1

Inleiding

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. ln het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt

de hoeveelheid

gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van

luchtverontreiniging,

waardoor

mens

en

dier

in

contact

kunnen

komen

met

gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor bebouwing aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Een kleinere afstand is mogelijk mits dat goed onderbouwd wordt.

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor fruitbomen, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten, zoals bij aardbeien, maar ook zij- en opwaarts. Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt meer drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% driftarm gespoten worden. Op een afstand van 27 meter ten noorden van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning is een fruitboomgaard gelegen. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning is dan ook op een kortere afstand dan de vaste richtafstand van 50 meter tot de boomgaard gelegen. Ten behoeve van de realisatie van de beoogde woning kan echter worden afgeweken van de vaste richtafstand, mits goed onderbouwd. Deze onderbouwing richt zich op de windrichting en de meest recente wetenschappelijke inzichten van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard.

4.6.2

Overheersende windrichting

In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de west/zuidwestelijke richting. Gezien de ligging van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning ten zuiden van de aanwezige boomgaard, vindt verwaaiing van drift hoofdzakelijk uit de richting van het plangebied plaatsvinden en is het plangebied gunstig gelegen ten opzichte van de boomgaard.

4.6.3

Driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard

Door Plant Research International (PRI), onderdeel van Wageningen UR, is wetenschappelijk onderzoek gedaan naar driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard. Het wetenschappelijk rapport 609 ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ (mei 2015) van PRI geeft op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten een inschatting van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard. In het PRI rapport zijn voor 12 praktijksituaties de vaste afstanden vanaf de rand van het gewas bepaald. Op grond daarvan is de huidblootstelling, de inhalatieblootstelling en de secundaire blootstelling voor diverse veelgebruikte werkzame stoffen in de open teelt beoordeeld. Daaruit volgde dat de werkzame stof Captan, die in fruitboomgaarden veelvuldig wordt gebruikt, de zwaarste beperkingen oplegt en daarmee meest kritisch is. De beperkende factor is huidblootstelling gebleken. Voor inhalatieblootstelling en secundaire blootstelling kon op 5 meter van de gewasrand geen overschrijding van de blootstellingsrisico’s vastgesteld worden. De situatie ter plaatse van het plangebied komt overeen met de geschetste praktijksituatie “Geen sloot om boomgaard; er wordt gebruik gemaakt van een driftarme spuittechniek (DRT75)”.

Uit de publicatie ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ (mei 2015) blijkt dat in een dergelijke situatie vanaf de eerste bomenrij, om voor de stof Captan geen overschrijding van de 100%-norm voor huidblootstelling te krijgen, de volgende afstanden dienen te worden aangehouden: Boom 0-3 meter hoogte

Boom 3-6 meter hoogte

Kaalblad-situatie

Volblad-situatie

Kaalblad-situatie

Volblad-situatie

30 meter

20 meter

25 meter

15 meter

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Rekening houdend met een teeltvrije-zone van 3 meter is de beoogde woning op voldoende afstand van de fruitboomgaard gelegen en is er geen sprake van gezondheidsrisico’s. Spuitzones zijn dan ook geen belemmerende factor voor de ontwikkeling van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning.

4.7

Gezondheid in relatie tot veehouderijen

4.7.1

Inleiding

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.

4.7.2

Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid

Op basis van de ‘Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0’, versie mei 2018, opgesteld door het ‘ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij’, kan middels een stappenplan worden beoordeeld of een advies van de GGD wenselijk is voor het plan. Stap 1 In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Aangezien er binnen een straal van 1.000 meter rondom de beoogde Ruimte voor Ruimte woning geen varkens- en pluimveehouderijen aanwezig zijn, is toetsing aan de afstandsbepalingen niet aan de orde. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 Stap 3, toetsing aan geur, is van toepassing in geval van een overbelaste situatie. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor een overbelaste situatie geldt. Stap 4 Stap 4, combinatie van diersoorten, is niet van toepassing.

Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: -

Varkens en pluimvee;

-

Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);

-

Kleine herkauwers onderling.

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Stap 5 Stap 5 toetst aan de afstand tot een geitenhouderij (2 kilometer) en pluimveebedrijf (1 kilometer). Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven en binnen 1 kilometer bevinden

zich

geen

pluimveebedrijven.

Er

is

geen

sprake

van

een

verhoogd

volksgezondheidsrisico. Een GGD-advies is hierom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats (stap 6). Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid (stap 7).

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied aan Loo ong. kan getypeerd worden als ‘rustig buitengebied’.

4.8.2

Niet-agrarische bedrijven in omgeving plangebied

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen waarvoor in het kader van (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een afstand in acht genomen dient te worden in verband met geur, geluid, stof of gevaar. In de directe omgeving zijn wel een drietal agrarische bedrijven gelegen. Dit betreffen de melkveebedrijven aan Loo 22 en Loo 24 en de intensieve veehouderij (vleeskalveren) aan Loo 33. Dergelijke bedrijven vallen op basis van de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onder de omschrijving ‘fokken en houden van rundvee’. Ten aanzien van deze bedrijvigheid dient binnen het omgevingstype ‘rustig buitengebied’ de volgende afstanden te worden aangehouden: Omschrijving

Fokken en houden van rundvee

Crijns Rentmeesters bv

Afstanden in meters Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Grootste afstand

100

30

30

0

100

41

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

De grootste aan te houden afstand betreft 100 meter in het kader van geur. In paragraaf 4.5 van onderhavige toelichting is het aspect geur behandeld. Uit deze paragraaf blijkt dat de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woning is in het kader van aspect geur geen bezwaar is. Aangezien er geen niet-agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kan worden geconcludeerd dat aspect bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar vormt voor de beoogde herontwikkeling.

4.8.3

Niet-agrarische bedrijven binnen plangebied

Er is geen sprake van niet-agrarische bedrijvigheid binnen het plangebied.

4.9

Natuur en ecologie

4.9.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

4.9.2

Gebiedsbescherming

4.9.2.1 Inleiding De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende

wettelijke

stelsel

voor

de

natuurbescherming

vervangen,

namelijk

de

Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (respectievelijk ‘gebiedsbescherming’ en ‘soortenbescherming’). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnd gelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft het gebied ‘Uiterwaarden Waal’ en is gelegen op een afstand van circa 18 kilometer tot het plangebied. Dit gebied bevat relatief hooggelegen uiterwaarden.

Het gaat om oude meanders en hun oeverlanden waar de rivier dwars doorheen is gegraven. De uiterwaarden vormen een heel belangrijk broedgebied voor soorten van natte, ruige graslanden (porseleinhoen, kwartelkoning). Het is daarnaast ook een belangrijk rust-

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

en foerageergebied voor kleine zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, smient, tafeleend, etcetera.

4.9.2.2 Stikstof Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben.

Het plangebied is gelegen op een dermate grote afstand van het meest dichtbijgelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied, dat de beoogde herontwikkeling van het plangebied geen effect heeft op dit Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Door de aard van de beoogde situatie (de ontwikkeling van één woning) en de ruime afstand (18 kilometer) tot de Natura 2000-gebieden kunnen overige effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, reeds met zekerheid worden uitgesloten. In de Natura 2000-gebieden worden geen ingrepen verricht, dan wel zijn geen effecten merkbaar vanuit de planlocatie. Ten aanzien van stikstofdepositie is de op 17 maart 2020 door het college van burgemeester en wethouders

vastgestelde

werkwijze

van

belang,

waarin

onderbouwd

wordt

dat

woningbouwprojecten voor minder dan 50 woningen binnen de gemeente Bernheze niet zullen leiden tot een toename van depositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. Dit gezien de uitstoot en de onderlinge afstand. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk negatief effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden.

4.9.3

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkings-mogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen.

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Voor de algemene broedvogelsoorten die binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats vinden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken.

Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen.

Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, achter betimmering, daklijsten of onder dakpannen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt geen sloop van bebouwing plaats. Verblijfsplaatsen voor vleermuizen zijn dan ook niet in het geding. Het plangebied vormt mogelijk geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Door de voorgenomen ontwikkeling is het mogelijk dat foerageergelegenheden tijdelijk

verminderen.

Echter

in

de

directe

omgeving

zijn

voldoende

alternatieve

foerageermogelijkheden. Geconcludeerd kan worden dat de betekenis van het plangebied voor flora en fauna zeer gering is en dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling vormt.

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

4.10 Archeologie 4.10.1 Historie De occupatie binnen de gemeente Bernheze is ontstaan op de rand van de beekdalen en de hoger gelegen zandgronden. In de periode tussen de 15e en 18e eeuw werden ten behoeve van de landbouw, woeste gronden ontgonnen grenzend aan de beekdalen. Vanaf het midden van de 19e eeuw heeft grootschalige heideontginning tot forse uitbreiding van de landbouwgronden geleid. Voor de ontwikkeling van de nederzettingen binnen de gemeente Bernheze is met name de ligging aan belangrijke doorgaande routes tussen grotere plaatsen in de omgeving van belang. De oorspronkelijke dorpslinten die aan deze routes zijn ontstaan zijn waardevol als historische structuur. Daarnaast liggen in het buitengebied ook enkele bebouwingsconcentraties die cultuurhistorisch van belang zijn. Nistelrode maakt deel uit van een reeks van oude ontginningen op de Peelhorst, die langs de Peelrandbreuk gelegen zijn. De ruimtelijke structuur van Nistelrode wordt bepaald door lintbebouwing in een noord-zuidrichting, evenwijdig aan de Peelrandbreuk. Kenmerkend voor de ruimtelijke structuur zijn de buurtschappen Menzel, Donzel, Kantje en Maxend, die met Nistelrode zijn verbonden door een aaneengesloten lint van voornamelijk agrarische bebouwing.

De historische linten die min of meer parallel aan de Peelrandbreuk lopen, hebben net als enkele landwegen ten westen van het dorp en enkele groenstructuren in het buitengebied, cultuurhistorische waarden.

4.10.2 Archeologische waarden 4.10.2.1 Inleiding Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

4.10.2.2 Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Bernheze heeft in navolging van de Wamz een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’, de ‘Archeologische beleidskaart’ en de ‘Cultuurhistorische waardenkaart’. Op basis van deze documenten, is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de ‘Archeologische beleidskaart’ waarop het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Figuur 20: Uitsnede van de ‘Archeologische beleidskaart’

Het plangebied is op de gemeentelijke ‘Archeologische beleidskaart’ aangeduid als gelegen in een gebied ‘met een hoge archeologische verwachting’. Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Door

de

gemeente

Bernheze

is

het

archeologiebeleid

verankerd

in

het

vigerende

bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend, waarbij in de regels de ondergrenzen van 40 cm-mv en een oppervlakte groter dan 250 m² zijn opgenomen. Binnen het plangebied wordt een Ruimte voor Ruimte woning met een inhoud van maximaal 1.000 m³ en maximaal 100 m² aan bijgebouwen beoogd. Op voorhand is dan ook niet met zekerheid te stellen of de ondergrenzen voor de onderzoeksplicht overschreden worden. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ blijft met onderhavig bestemmingsplan behouden, waarmee eventueel aanwezige waarden ook in de toekomst beschermd blijven. Mocht bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen blijken dat de ondergrenzen overschreden worden, dan zal bij deze aanvraag een archeologisch onderzoek worden gevoegd waarin de eventuele archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Inleiding Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MoMo) in het besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen, dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden, Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

4.11.2 Cultuurhistorische waarden Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het plangebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. De betreffende regio betreft ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart waarop het plangebied met een paarse cirkel is aangeduid.

Figuur 21: Uitsnede gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart

Het plangebied is gedeeltelijk aangeduid als ‘oude bebouwingsconcentratie’ en ‘oude akkers (esdek)’. Daarnaast is de weg Loo aangegeven als een oud wegtracé van redelijk hoge waarde. Deze waarde zal door de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. Aan het plangebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.

4.12 Water 4.12.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal

Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de initiatieven binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Aanvullend op het beleid van het waterschap, heeft de gemeente Bernheze beleid opgesteld voor de omgang met stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Navolgend wordt ingegaan op zowel het relevante gemeentelijke beleid als relevante beleid van het waterschap.

4.12.2 Relevant beleid 4.12.2.1 Keur 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het projectgebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied kent geen aanduiding op de keurkaart. De gronden ten zuiden van het plangebied zijn aangeduid als ‘Beschermde gebieden waterhuishouding’. Binnen het plangebied is daar rekening mee gehouden door de zuidelijke gronden binnen het plangebied in te richten voor natte natuur.

4.12.2.2 Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota Visie op water. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten.

4.12.2.3 Principes waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas hanteert onderstaande principes: -

wateroverlastvrij bestemmen;

-

gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater;

-

doorlopen van de afwegingsstappen hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer;

-

hydrologisch neutraal ontwikkelen;

Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

-

water als kans;

-

meervoudig ruimtegebruik;

-

voorkomen van vervuiling;

-

waterschapsbelangen.

Deze uitgangspunten worden hierna puntsgewijs toegelicht. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek 'die hoog en droog genoeg' is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nu al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. Gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater Ter plaatse van het plangebied zal het afvoeren van het vuile water via de riolering geschieden en het schone hemelwater zal binnen het plangebied verwerkt worden. Doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’) doorlopen.

Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen en dergelijke. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. Water als kans ‘Water’ wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (‘er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn duur’). Dat is erg jammer, want het aspect water kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water.

Zo is wonen aan het water erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etcetera.

Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Meervoudig ruimtegebruik ‘Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn duur’. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (bijvoorbeeld een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit de wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. Waterschapsbelangen Er zijn 'waterschapsbelangen' met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: -

ruimteclaims voor waterberging

-

ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel

-

aanwezigheid en ligging watersysteem

-

aanwezigheid en ligging waterkeringen

-

aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.

Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de regels en de verbeelding aandacht besteed moeten worden.

4.12.2.4 Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water voor nu en later’ Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota Visie op water. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten.

4.12.2.5 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan - Ruimte voor Ruimte Loo ong. (naast 26) Nistelrode - Toelichting

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine

plannen.

Hoewel

er

relatief

veel

kleine

plannen

zijn

veroorzaken

deze

op

deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Dit bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van een vrijstaande woning in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte. Ter plaatse wordt voorzien in circa 400 m² nieuw verhard oppervlak, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding rondom de woning. Voor een toename van verhard oppervlakte van minder dan 2.000 m² geldt een vrijstelling voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater

afkomstig

van

het

toegenomen

verhard

oppervlak

mag

naar

bestaand

oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

4.12.2.6 Gemeentelijk Rioleringsplan Bernheze 2016 t/m 2020 Het Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) 2016 tot en met 2020 geeft aan hoe de gemeente Bernheze omgaat met stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen. Er is onder andere onderzoek gedaan naar de grondwater situatie binnen de gemeente, het functioneren van de riolering, de kwaliteit daarvan en het afkoppelen van verhard oppervlak binnen de gemeente. Voor de toekomst verwacht Bernheze dat afvalwater op langere termijn verdwijnt en duurzaam zal worden hergebruikt. De gemeente Bernheze geeft in het GRP tevens aan dat zorgvuldig dient te worden omgesprongen met hemelwaterafvoer. Overal waar de gemeente Bernheze plannen maakt voor herinrichting dient water nadrukkelijk meegenomen te worden. De toename van het verhard oppervlak in het stedelijk gebied is hierbij een belangrijke factor. Het levert afvoerproblemen op die vragen om andere oplossingen dan tot nu toe. We moeten dus rioleringsmaatregelen meer afstemmen op wat zich voltrekt boven het maaiveld. Kleinschalige inbreidingen als Ruimte voor Ruimte woningen worden aangesloten op bestaande riolering. Eigenaren dienen afvalwater altijd gescheiden aanleveren aan de perceelgrens, zodat ze voorbereid zijn op eventueel gescheiden riolen die later worden aangelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=b141148e-1814-4dc1-9bf7-a5df5de0492e