CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Langenbergsestraat 8, Heeswijk-Dinther v11112024

Raadsvergadering 27 maart 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Langenbergsestraat 8, Heeswijk-Dinther' *15.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, dat op een afstand van circa 16 kilometer ligt. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. 23

Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling aan de Langenbergsestraat 8 te Heeswijk-Dinther geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 2. In Bijlage 3 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van dit project. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’.

In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen. In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is daarom op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. 24

Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Langenbergsestraat, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de woning beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige gebruik van het plangebied als bestaande woning is een nader onderzoek naar beschermde natuurwaarden niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet Natuurbescherming. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de provinciale cultuurhistoriekaart blijkt dat het plangebied niet in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied ligt. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. De gemeentelijke cultuurhistoriekaart is hieronder opgenomen. Op deze kaart valt het plangebied binnen een “oude bebouwingsconcentratie”. Het plan is echter verder niet van invloed op deze waarde.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart met cultuurhistorische waarden gemeente Bernheze

4.4.2

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in

25

de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. Het plangebied heeft in het huidige bestemmingsplan Buitengebied Bernheze reeds gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en gedeeltelijk ‘Waarde – Archeologie 3’. Aangezien de wijziging van de bestemming ter plaatse de legalisatie van een bestaande woning betreft zullen op dit moment geen nieuwe activiteiten bouw, aanleggen e.d. plaatsvinden. In onderhavig bestemmingsplan zijn de vigerende dubbelbestemmingen overgenomen, waardoor bij toekomstige nieuwe ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning benodigd is, voldoende rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezige archeologische waarden. 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht wordt genomen. Voor het plangebied is getoetst aan de te hanteren afstanden tot bedrijfsbestemmingen in de omgeving in het kader van de te hanteren afstanden voor bedrijven en milieuzonering. Dit rapport hiervan is als separate bijlage opgenomen bij deze toelichting (bijlage 4). De tabel inzake de te hanteren afstanden is hieronder opgenomen. Uit de tabel blijkt dat het plangebied aan de Langenbergsestraat 8 niet is gelegen binnen de afstanden welke in acht genomen moeten worden volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering".

26

Tabel 1: te hanteren afstanden volgens de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’

Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. Er is sprake van lintbebouwing en het buurtschap Dintherse Hoek. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. veehouderijen, overige agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijfsbestemmingen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden en dat het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar is. 4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder.

Met dit initiatief worden één Ruimte-voor-ruimte kavel mogelijk gemaakt waarop één Ruimte-voorruimte woning gerealiseerd kan worden. De oprichting van deze betreft de toevoeging van een nieuw geurgevoelig object. Voor dit bestemmingsplan dient te worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De rechtspositie van betrokkenen dient hierbij gehandhaafd te worden. Hierbij dienen de volgende aspecten in ogenschout te worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van omliggende veehouderijen? • Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?

4.6.1

Omgekeerde werking

Nieuwe geurgevoelige objecten mogen niet belemmerend zijn in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkveehouderijen, gelden vaste afstanden. In deze kan voorliggend initiatief nooit belemmerend zijn voor de veehouderijen daar andere geurgevoelige objecten (woningen) dichterbij zijn gelegen. In dit geval zijn er reeds bestaande geurgevoelige objecten in de nabijheid van de omliggende veehouderijen gelegen. Hierdoor zullen de

27

bestaande geurgevoelige objecten de omliggende veehouderijen in de huidige situatie reeds belemmeren ten opzichte van het beoogde geurgevoelige object binnen het plangebied. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving.

4.6.2

Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten. De Ruimte-voor-ruimte woning betreft een geurgevoelig object. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de Ruimte-voor-ruimte kavel te kunnen beoordelen wordt in eerste instantie aangesloten zij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de Ruimte-voor-ruimte kavel nader te beschouwen is het, naast de toetsing aan de afstanden uit de VNG-handreiking, ook van belang om de achtergrondbelasting geur in beeld te brengen. De dichtstbijzijnde veehouderijen ten opzichte van de beoogde ruimte-voor-ruimte kavel is gelegen aan Langenbergsestraat 7/7a. Dit betreft een geitenbedrijf. In de Gebiedsvisie Wet Geurhinder en Veehouderij van de gemeente Bernheze is aan de locatie waar de Langenbergsestraat 7/7a en 8 zijn gelegen een geurnorm toegekend van 14. Op basis van het Onderzoek woon- en leefklimaat dat is uitgevoerd, zie bijlage 4, wordt geconcludeerd dat wanneer het ruimte-voor-ruimte kavel op de gewenste locatie wordt gerealiseerd, deze voldoet aan het milieuaspect geur, fijnstof en endotoxine.

Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat geen belemmering vormt 4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Gezien er ter plaatse van het plangebied één Ruimte-voor-ruimte kavel voor één woning mogelijk worden gemaakt, dient getoetst te worden aan de aspecten van geluidhinder. Het plangebied is niet gelegen in de invloedzone van een spoorweg, toetsing voor dit aspect is derhalve niet nodig.

4.7.1

Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Indien de maximale snelheid op een weg maximaal 30 km/h bedraagt hoeft de akoestische situatie niet onderzocht te worden. In dat geval gaat de Wgh er van uit dat gezien een lage verkeersintensiteit en lage verkeerssnelheid altijd voldaan wordt aan de normen. Binnen de geluidszones is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting derhalve in beeld gebracht te worden. Er wordt getoetst aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 5 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. De nieuwe Ruimte-voor-ruimte woning is gelegen binnen de geluidszone van de Langenbergsestraat. Dit betreft een weg met doorgaans alleen bestemmingsverkeer voor de inrichtingen en woningen aan 28

de Langenbergsestraat. Vanwege het beperkte aantal woningen en inrichtingen aan deze weg, is de verkeersintensiteit op deze weg zeer laag is. Dit valt ook op te maken uit de laatste verkeersgegevens uit het BBMA van de provincie Noord-Brabant. De Langenbergsestraat is vanwege de lage verkeersintensiteit niet opgenomen in het verkeersmodel. Vanwege de geringe verkeersintensiteit in combinatie met de afstand tussen het plangebied en de weg mag worden gesteld dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden als gevolg van het wegverkeerslawaai. Daarnaast zal met een standaard geluidwering van 20 dB in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden behaald van 33 dB vanwege wegverkeerslawaai. Aanvullend onderzoek is in deze niet nodig.

4.7.2

Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijfsgebouwen gevestigd, enkel een elektrobedrijf aan de Langenbergsestraat 5. In paragraaf 4.5 ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is eerder aangegeven dat voldaan wordt aan de maximale richtafstanden tussen de bedrijven en het plangebied, zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de bedrijfsactiviteiten in de omgeving geen geluidhinder veroorzaken op de nieuw te realiseren Ruimte-voor-ruimte woningen. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

4.8.1

Niet in Betekende Mate

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Met dit initiatief worden een Ruimte-voor-ruimte kavel mogelijk gemaakt waarop bestaande woning aanwezig is. De kavel is gesitueerd aan een ontsluitingsweg. Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze ontwikkeling NIBM is. Gezien bovenstaande is een verder onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk.

4.8.2

Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde 29

van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie op ter plaatse van het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 17,06 μg/m3, voor PM2,5 9,87 μg/m3 en voor NO2 12,08 μg/m3, zie Afbeelding 11, Afbeelding 12 en Afbeelding 13.

Afbeelding 11: GCN-kaart voor fijnstof NO2 (Bron: RIVM)

Afbeelding 12: GCN-kaart voor fijnstof PM10 (Bron: RIVM)

30

Afbeelding 13: GCN-kaart voor fijnstof PM2,5 (Bron: RIVM)

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9 Spuitzones In relatie tot omliggende gronden heeft de locatie mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten.

Met het beoogde initiatief wordt één Ruimte-voor-ruimte woning gerealiseerd. Binnen een straal van 50 meter rondom de nieuwe woningen vindt geen boomteelt plaats. Ook zijn er geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het aspect spuitzones vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.10 Volksgezondheid In deze paragraaf wordt getoetst aan het onderdeel endotoxine en geitenmoratorium in het kader van volksgezondheid. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. 31

Momenteel wordt door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstofendotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3.

Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen. Zoals in paragraaf 4.6 is benoemd zijn er in de omgeving van het plangebied enkele veehouderijen aanwezig. Zoals opgenomen in 4.6.2 zijn er geen gevaren voor volksgezondheid in het kader endotoxine te verwachten. De woning binnen het plangebied blijven derhalve buiten de endotoxine-risicocontouren van de omliggende agrarische bedrijven. Het aspect endotoxinen in het kader van volksgezondheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. 4.11 Landschappelijke inpassing Met de realisatie van de Ruimte-voor-ruimte kavel is een goede landschappelijke inpassing benodigd, welke aansluit bij de landschappelijke elementen van het gebied. Gezien het hier een Ruimte-voor-ruimte ontwikkeling betreft is toetsing aan artikel 5.11 van de Omgevingsverordening niet noodzakelijk.

Opgemerkt dient te worden dat het een basisinspanning is om de kavel op een zorgvuldige manier landschappelijk in te passen. In Afbeelding 14 en Bijlage 1 van deze toelichting is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. In dit inpassingsplan is de bestaande groenstructuur op het perceel opgenomen met daarbij een nadere specificatie van de inrichting van het plangebied met beplanting, vijver, etc. Vanwege de aanwezigheid van de reeds bestaande opgaande beplanting binnen het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de basisinspanning van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

32

Afbeelding 14: Landschappelijke inpassing plangebied

4.12 Bodemkwaliteit Bij ruimtelijke plannen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit risico's (humaan) met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan het bestemmingsplan om bepaalde nieuwe functies toe te staan geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerd of weggenomen door sanering. Door M&A Milieu Adviesbureau BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, volgens de norm NEN 5740. Dit onderzoeksrapport d.d. 03 juli 2020 met rapportnummer 220-LLa8-vo-v1 behoort als bijlage 5 bij onderhavige toelichting. De conclusies en aanbevelingen uit dit bodemrapport zijn hieronder opgenomen. Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" volgens de NEN 5740 worden aanvaard, ondanks de verhogingen met naftaleen en dichloormethaan in het grondwater. Deze verhogingen hebben geen relatie met de onderzoekslocatie. De verontreinigingen met naftaleen en dichloormethaan in het grondwater kunnen niet worden verklaard op basis van het vooronderzoek en de zintuiglijke waarnemingen.

Mogelijk gaat het hier om uitschieters in de analyses. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is. Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodembeleid van de gemeente Bernheze. Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw van de woning op het perceel. 4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen,

33

waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor de Langenbergsestraat 8 kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongeval frequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloed gebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

4.13.2 Toetsing aan beleid

Onderstaand in Afbeelding 15 is de Risicokaart opgenomen. Hierop zijn relevante inrichtingen, transportroutes en buisleidingen in het kader van externe veiligheid opgenomen.

34

Afbeelding 15: Uitsnede Risicokaart

luit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (Ruimt-voor-Ruimte woning) binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten. De inrichting aan de Hoekseweg 1 is opgenomen in de Risicokaart. Echter betreft dit geen Bevi inrichting. Op deze locatie is een bovengrondse propaantank aanwezig van 8m3. Voor een dergelijke inrichting geldt geen PR 10-6 contour, wel geldt een veiligheidsafstand van 10 meter. Zoals te zien is in Afbeelding 15 wordt ruimschoots voldaan aan deze veiligheidsafstand. Uit de risicokaart blijkt verder dat er geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van het Bevi. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) In de omgeving van het plangebied is van niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen over water of spoor geen sprake. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg dient plaats te vinden via hoofdwegen.

Ook deze zijn niet in de nabijheid van het plangebied gelegen. Dit betekent dat het vervoer van brandbare vloeistoffen niet relevant is voor de ontwikkeling. Op basis van artikel 7 van het Bevt kan volstaan worden met een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Verantwoording groepsrisico

Het maatgevende scenario is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankwagen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Een warme BLEVE ontstaat door een incident een brand waarbij een tankwagen met bijvoorbeeld LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt de druk in de tankwagen toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. De hittestraling is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand, de maximale druk

35

en temperatuur worden niet bereikt. Het effect is daarom beperkter dan bij een warme BLEVE, maar er is geen vluchttijd, omdat de explosie direct plaatsvindt. Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Maatregelen aan de bron liggen niet binnen het bereik van het ruimtelijk plan.

Zelfredzaamheid

Met zelfredzaamheid wordt bedoeld de mate waarin personen zich in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Groepen mensen zoals die in een bejaardenhuis of kinderdagverblijf worden gezien als niet zelfredzaam. De beoogde woning wordt niet specifiek ontwikkeld voor zorgbehoevenden en een groep verminderd zelfredzame personen. Tevens is de woning op voldoende afstand gelegen waardoor personen op tijd kunnen vluchten.

Bestrijdbaarheid

Bestrijding van een dreigende warme BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het voor het koelen van de tankwagen. Bij voldoende koeling zal een (dreigende) warme BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een (dreigende) warme BLEVE is: • Tijdige aankomst brandweer; • Tijdige bereikbaarheid tankwagen; • Tijdige beschikbaarheid bluswater; • Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen. Indien de warme BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Voor effectief optreden na het plaatsvinden van een warme of koude BLEVE is het relevant dat: • Het gebied tweezijdig toegankelijk is; • Een effectieve bluswatervoorziening; • Er passende slagkracht is van de brandweer (in de omgeving). In algemene zin wijst de Veiligheidsregio er op dat de uiteindelijke detaillering en vormgeving van de terreininrichting van invloed is op de bereikbaarheid voor de hulpdiensten. Nog los van het aspect externe veiligheid is een goede bereikbaarheid rondom het gebouw aan te bevelen.

De keuzes ten aanzien van bijvoorbeeld hekwerken, slagbomen kunnen van invloed zijn op de snelheid van een inzet door de hulpdiensten. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op de inrichting. Verdere beoordeling aan het Bevb is niet van toepassing.

Conclusie

In de omgeving van het plangebied is één relevante risicobron aanwezig, te weten een bovengrondse opslag van 8000 liter propaan op 800 meter afstand van het plangebied. Een berekening van het groepsrisico is derhalve niet benodigd.

36

4.14 Verkeer en parkeren Er dient binnen het plangebied een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied is gelegen aan de Langenbergsestraat 8. Dit betreft een verharde weg welke voornamelijk gebruikt wordt als gebiedsontsluitingsweg van het noordelijk gelegen agrarisch gebied. Hierdoor beschikt de weg over voldoende capaciteit om personenvervoer af te wikkelen. De beoogde woonfunctie heeft een kleine toename van verkeersbewegingen ten opzichte van het huidige gebruik tot gevolg. Met het plan neemt de verkeersintensiteit van de weg slechts in beperkte mate toe. De Langenbergsestraat beschikt over voldoende capaciteit om het personenvervoer van de nieuwe Ruimtevoor-ruimte woning af te kunnen afwikkelen. Tevens geldt dat er binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn. De woningen mogen geen hinder veroorzaken door parkeren van voertuigen. In de ‘Nota parkeerbeleid gemeente Bernheze’ zijn verschillende parkeernormen opgenomen bij diverse soorten voorzieningen. Ook voor woningen zijn kencijfers opgenomen, verdeeld over verschillende woningtypen en eigendom. Op basis van gegevens van de Nota parkeerbeleid gemeente Bernheze is de omgeving van de Langenbergsestraat te typeren als ‘Buitengebied’.

Voor het type ‘koop, huis, vrijstaand’ wordt de parkeernorm van 2,0 per woning aangehouden in “Buitengebied”. Het is dus van belang dat er per woning ruimte is om twee voertuigen te parkeren binnen het eigen terrein. Bij de woning is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in deze parkeerbehoefte. De ontsluiting van het perceel zal plaatsvinden via de huidige oprit. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voldoet aan de parkeernormen en dat er een goede ontsluiting van het plan is gewaarborgd. 4.15 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart). Voordat er ver- /gebouwd wordt zal er een KLICmelding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. Op een afstand van ongeveer 5 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

37

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming ‘Agrarisch’; • Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’; • Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’; • Bouwvlak • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte-voor-ruimte’; • Gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – woonwerkontwikkelingsgebied’.

Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ gekregen met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte-voor-ruimte’. Gezien het hier gaat om één Ruimte-voor-ruimte kavel is er binnen de woonbestemming één bouwvlak opgenomen. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Om de landschappelijke inpassing te borgen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting staat omschreven dat binnen twee jaar na ingebruikname van de bebouwing de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden op de wijze zoals is aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan.

38

Daarnaast is in de regels opgenomen wat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen mag zijn per woning, dit betreft maximaal 240 m2. De maximale inhoud van de Ruimte voor-Ruimte woning is ook geborgd in de regels met een maximale inhoud van 1.000 m3. Een ontwikkeling moet in de basis voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Bij realisatie van de ruimte-voor-ruimte woning moet voldoende parkeergelegenheid aangebracht worden binnen het eigen terrein. Dit betekent dat bij nieuw- of verbouw of wijziging van het gebruik zorg wordt gedragen aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein conform de op dat moment geldende parkeernormen voor dat gebied. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om deze voldoende parkeergelegenheid te kunnen borgen. Een ontwikkeling moet voorzien in een goede waterretentie op eigen terrein. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is opgenomen hoe deze eruit komt te zien. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ sluiten aan bij de provinciale archeologische waardenkaart. Hiermee wordt het belang van de eventueel aanwezige archeologische waarden geborgd. Per bestemming geldt een onderzoeksplicht bij het bouwen van gebouwen en bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden waarbij de grond kan worden verstoord boven een vastgelegde drempelwaarde.

39

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Langenbergsestraat 8 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst, eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt aangetoond dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader heeft een dialoog plaats gevonden met de omgeving. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties.

6.2.1

Vooroverleg

6.2.2

Zienswijzen en beroep

Op basis van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, te weten; Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg hebben PM (tekst vooroverleg nader in te vullen). De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Van de eventueel ingebrachte zienswijzen wordt afgewogen of deze leiden tot aanpassing en/of aanscherping van het bestemmingsplan. Hiertoe wordt een zienwijzennota opgesteld, waarin eventuele voorstellen tot wijzigingen worden gemotiveerd. Na vaststelling van het bestemmingsplan wordt het vaststellingsbesluit voor een periode van 6 weken ter visie gelegd in het kader van de wettelijk verplichte beroepsprocedure. Gedurende deze periode kan eenieder tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

40

7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Invoergegevens AERIUS berekening Bijlage 3: AERIUS berekening Bijlage 4: Onderzoek woon- en leefklimaat Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Bewijs aankoop RvR-titel Bijlage 7: Nota van zienswijzen

41

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=a1dcbd99-e8b1-44aa-aef5-7c0728bf8133