CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 22 september 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Herontwikkeling 't Dorp 116, 118 en 122 te Heesch'17.528 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Door het waterschap zijn een aantal principes opgesteld waar ruimtelijke ontwikkelingen aan worden ‘getoetst’, te weten: •

wateroverlastvrij bestemmen;

•

gescheiden houden van vuil water en schoon regenwater;

•

doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer”;

•

hydrologisch neutraal ontwikkelen;

•

water als kans;

•

meervoudig ruimtegebruik;

•

voorkomen van vervuiling;

•

rekening houden met waterschapsbelangen.

1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden gezocht naar een plek ‘die hoog en droog genoeg’ is. De planlocatie is ‘hoog en droog genoeg’ om aan het Nationaal Bestuursakkoord Water te voldoen.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

36

2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Voor de nieuwe woningen zal binnen het plangebied het vuile en schone water gescheiden worden aangeboden. Het vuile water wordt gekoppeld aan de gemeentelijke riolering en het schone water blijft binnen het plangebied. 3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” Hergebruik en/of infiltratie Bij de tweede stap is gekozen om het schone water af te koppelen en zal een keuze gemaakt worden in infiltratie of berging in het plangebied. Het verhard oppervlak is toegenomen met 1.430 m2. Conform de gevoeligheidskaart van Waterschap Aa en Maas moet gerekend worden met 60mm berging per m2 verharding, wat neerkomt op een totale voorziening met een minimale capaciteit van 85,8 m3. Binnen onderhavig plangebied is voldoende ruimte voor deze waterbergingsopgave. De initiatiefnemer kan kiezen voor verschillende manieren van opvang en/of infiltratie van het hemelwaterafvoer: •

infiltreren door middel van een vijver of wadi;

•

vasthouden/infiltreren door middel van grindbed/grindkoffer;

•

infiltreren door middel van een zaksloot;

•

opvangen en gebruiken voor bewateren van de tuin;

• opvangen en gebruiken voor hergebruik in woningen. Indien gekozen wordt voor een infiltratievoorziening moet deze zodanig berekend worden dat deze ruim voldoende is om de regenbuien op te kunnen vangen en te infiltreren. Een infiltratievoorziening als een vijver of zaksloot bevindt zich boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand. Hergebruik van het regenwater ter plaatse wordt alleen gestimuleerd bij bedrijfsmatig gebruik. Niettemin heeft de initiatiefnemer het voornemen om het hemelwater op te vangen en her te gebruiken voor bewatering van de tuin rondom de bouwwerken en in het grijswatercircuit van de woningen. Deze voorziening zal bij de bouwwerken onder het maaiveld worden aangebracht. Deze voorziening kan circa 10% groter gedimensioneerd worden om te voorkomen dat de voorziening overstroomt en overlast kan veroorzaken. De definitieve keuze van de waterberging wordt bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning gemaakt.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

37

Buffering naar watergang waterschap Indien een watergang aanwezig is in onderhavig plangebied komt deze als derde stap in aanmerking, echter is deze niet aanwezig. Afvoer via gescheiden rioolstelsel Mocht infiltratie niet (geheel) mogelijk of anderszins onwenselijk zijn, dan wordt op de locatie een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Tot de gemeente overgaat op gescheiden inzamelen, kan op het bestaande gemengde stelsel worden geloosd. Deze werkwijze voorkomt extra kosten en biedt in ieder geval de mogelijkheid van een toekomstige afkoppeling. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen In het beleid van het waterschap is opgenomen dat moet worden nagestreefd naar een hydrologisch neutrale situatie. Hiermee wordt bedoeld dat het regenwater het gebied niet sneller mag verlaten dan dat het geval is vóór aanvang van de in dit plan opgenomen ontwikkelingen. In onderhavig plan blijft in de nieuwe situatie het hemelwater op eigen terrein en/of zal worden hergebruikt, daarmee is er sprake van een verbetering van de hydrologische situatie. 5. Water als kans Het aspect ‘water’ kan een meerwaarde geven aan een plangebied, bijvoorbeeld in de vorm van oppervlaktewater. In onderhavig plan is ruimte om een dergelijke voorziening aan te leggen. 6. Meervoudig ruimtegebruik Bij de inrichting van een plangebied moet er ruimte gecreëerd worden voor water.

In onderhavig plangebied is voldoende ruimte aanwezig en zal dit meegenomen worden bij de terreininrichting. Hierdoor is sprake van meervoudig ruimtegebruik. 7. Voorkomen van vervuiling Voor dit onderdeel zijn geen bijzondere maatregelen getroffen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast. 8. Waterschapsbelangen Er zijn ‘waterschapsbelangen’ met een ruimtelijke component. In onderhavig plan zijn geen belemmeringen hiervoor aanwezig.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

38

Conclusie Onderhavig plan voldoet aan alle voorwaarden uit het watercontract tussen de gemeente Bernheze en Waterschap Aa en Maas. Het vuile water wordt op het gemeentelijk rioolstelsel geloosd, het schone water wordt ter plaatse hergebruikt en/of geïnfiltreerd. Kortom het plan wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. 5.4. Luchtkwaliteit Conform de Wet Milieubeheer, titel 15.2 Luchtkwaliteitseisen wordt aangegeven dat alleen indien een voorgenomen plan substantiële invloed heeft, is het overleggen van een berekening noodzakelijk. Onderhavig plan voorziet in het toevoegen van 27 woningen. Gezien de beperkte omvang hiervan is geen onderzoek nodig. Verder valt het plan binnen de kwalitatieve grenzen van het Besluit NIBM. Per ontsluitingsweg zullen minder dan 1.500 woningen en 100.000 m2 kantoren worden gerealiseerd. Het project draagt daarom niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de NSL-monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof (PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse lager zijn dan de wettelijke norm, namelijk <40 ug/m3 voor NO2 en <2.5 ug/m3 voor PM2.5. In de omgeving van het plangebied zijn geen relevante bronnen aanwezig die tot een dreigende normoverschrijding zullen leiden. Kortom ten aanzien van luchtkwaliteit is er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig.

Fragment NSL-monitoringstool (rode stip is planlocatie), bij blauwe punten is achtergrondbelasting NO2 < 35 ug/m3 en PM2.5 < 20 ug/m3

Conclusie Het plan is niet in strijd met de Wet luchtkwaliteitseisen. Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

39

5.5. Externe Veiligheid Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voorts dient in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wro) ook getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations. De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. Onderhavig initiatief past in de kaders die hierin zijn gesteld. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling het tankstation, met LPG, te saneren komt deze risicobron te vervallen. Dit zorgt ervoor dat een groot risico op het gebied van externe veiligheid komt te vervallen. Evenals de veiligheidscirkels van deze risicobron zoals op onderstaande afbeelding zijn aangegeven.

Fragment van de veiligheidscirkels die komen te vervallen door het saneren van het tankstation. Kortom een grote risicobron komt hierdoor te vervallen.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

40

De veiligheid in de omgeving zal flink verbeteren doordat er geen opslag meer is van gevaarlijke stoffen en er ook geen transport van gevaarlijke stoffen naar het tankstation toe hoeft plaats te vinden. Dit betekent dat de plaatselijke weg ’t Dorp niet nader onderzocht hoeft te worden. Deze weg maakt geen onderdeel uit van een routering voor gevaarlijke stoffen en maakt tevens geen onderdeel uit van het Landelijk Basisnet. Uit de inventarisatie ‘Vervoer gevaarlijke stoffen, gemeente Bernheze’, uitgevoerd in 2013 door het RMB, blijkt, dat over de weg ’t Dorp wel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt in de stofcategorien GF3, LF1 en LF2 (o.a. benzine, propaan en LPG). Aangezien het tankstation aan ’t Dorp gesaneerd wordt zal het transport van deze gevaarlijke stoffen niet meer plaatsvinden. De risicobronnen die overblijven zijn de nabij gelegen transportroutes van gevaarlijke stoffen op de Rijksweg A59 (op circa 0,5 km) en A50 (op circa 3,5 km). Ten aanzien van de Rijksweg A59 en A50 (afstand groter dan 200 meter) dient een beperkte verantwoording plaats te vinden van het groepsrisico voor het toxische scenario. Bij de beperkte verantwoording groepsrisico dient aandacht besteed te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het plangebied (artikel 7, Bevt).

Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario’s Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijv. een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische wolk vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

41

echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In het geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon.

Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kan doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in het beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

42

van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit externe veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. 5.6. Brochure Bedrijven en Milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruikt gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft.

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1.500 meter. Tevens wordt hierbij rekening gehouden met bebouwing die reeds aanwezig is.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

43

Milieucategorie 1

Richtafstanden ‘rustige woonwijk’ 10 meter

Richtafstanden ‘gemengd gebied’ 0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1 3.2

50 meter 100 meter

30 meter 50 meter

4 5

200-300 meter 500-1.000 meter

100-200 meter 300-700 meter

6

1.500 meter

1.000 meter

De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat. Er dient gekeken te worden naar de afstand van bestaande bedrijven tot de nieuwe woning van onderhavig initiatief. De richtafstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangegeven deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van de nieuwe of bestaande woningen. De directe omgeving van het initiatief kan getypeerd worden als ‘gemengd gebied’, dit gezien de aanwezigheid in de nabije omgeving van de diverse functies en de hoofdstraat ‘t Dorp. Hierdoor kan de afstandsstap uit de VNG-publicatie met één stap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven, zie onderstaande tabel. Type bedrijf

Milieucat.

Richtafstand

Werkelijke afstand

Detailhandel ’t Dorp 108 Nutsvoorziening De Hoge Wal (tegenover nummer 3)

1

0

44

1

0

129

Horecagelegenheid ’t Dorp 96 Dienstverlening ’t Dorp 103

1 1

0 0

159 115

Detailhandel ’t Dorp 109

1

0

56

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

44

Basisschool De Toermalijn Het Vijfeiken 36 Horecagelegenheid Het Vijfeiken 80

2

10

87

1

0

182

Kantoor Kerkstraat 2a

1

0

175

Kerk Kerkstraat 2

2

10

139

Detailhandel ’t Dorp 137

1

0

267

Horecagelegenheid ’t Dorp 148

1

0

226

2

10

197

2

10

235

3.1

30

63

2

10

63

1

0

44

Makelaarskantoor ’t Dorp 126

1

0

45

Financieel adviesburo ’t Dorp 124

1

0

6

Bedrijf ‘handel en reparatie in motorvoertuigen’ ’t Dorp 146 Tankstation ’t Dorp 146 Brandweer De la Sallestraat 1 Jongerencentrum Sallestraat 3

De

Financieel adviesburo Sallestraat 8

la De

la

De bedrijvigheid is op een verantwoorde afstand aanwezig ten opzichte van de nieuwe woningen, waardoor er geen belemmering is. Daarnaast zijn er ten opzichte van bovengenoemde bedrijven dichterbij al bestaande woningen gelegen dan de aangegeven richtafstanden, waardoor het bedrijf beperkt is in zijn mogelijkheden. Zodoende vormt het plangebied geen belemmering voor de bedrijfsvoering van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Conclusie Voor onderhavig plangebied is een toets gedaan aan de te hanteren afstanden tot bedrijfsbestemmingen in de omgeving. Er zijn geen belemmeringen voor het project aanwezig. 5.7. Wet geurhinder en veehouderij De milieubelasting van agrarische bedrijven die rondom een milieugevoelig object (zoals een woning) zijn gesitueerd, mag een goed leefklimaat niet onevenredig negatief belemmeren. Tegelijkertijd kan het realiseren van milieuhindergevoelige objecten (zoals een woning) binnen een hinderzone van een agrarisch bedrijf de bedrijfsvoering van het bedrijf belemmeren.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

45

Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd als toetswaarden. Deze toetswaarden zijn vastgesteld in de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013. In de nabijheid van onderhavig plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig.

Toetswaarden geurhinder uit geurgebiedsvisie gemeente Bernheze 2013

Zoals op onderstaande afbeelding is te zien kan de achtergrondbelasting geclassificeerd worden als ‘voldoende’, gezien er geen belasting aanwezig is hoger dan de gegeven waarden uit bovenstaande tabel.

Uitsnede van kaart geurgebiedsvisie Gemeente Bernheze 2013 Gehele plangebied = indicatieve achtergrondbelasting tussen de 0 - 8

Daarnaast is in de Geurgebiedsvisie 2013 een kaart opgenomen ten aanzien van beoordeling leefklimaat. Op de volgende bladzijde is een uitsnede van deze kaart toegevoegd. Op deze afbeelding is te zien dat het leefklimaat geclassificeerd kan worden als ‘zeer goed’.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

46

Uitsnede van kaart geurgebiedsvisie Gemeente Bernheze 2013 plangebied = donkerste groene kleur = beoordeling leefklimaat ‘zeer goed’

Conclusie Onderhavig plangebied vormt geen belemmering voor agrarische bedrijven in de omgeving en er heerst een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er zijn dus geen belemmeringen voor het project aanwezig. 5.8. Mobiliteit Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd project op de verkeersstructuur. Voor dit aspect dient gekeken te worden naar het onderdeel parkeren en verkeer. Parkeren Het plan is getoetst aan de parkeernormennota van de gemeente Bernheze, zie hiervoor paragraaf 2.5. In de parkeerkelder zijn voldoende parkeerplaatsen opgenomen om de parkeerbehoefte voor het plan op te vangen. Wel dient er aandacht te zijn voor het ontwerp/gebruik van de parkeerkelder, zodat deze voldoet aan de geldende regelgeving. In overleg met de verkeersdeskundige van de gemeente Bernheze is hiernaar gekeken, hieronder zijn de besproken punten kort weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

47

1. Parkeren bezoekers Er dient extra aandacht te zijn voor het parkeren van bezoekers. De parkeergarage zal toegankelijk zijn voor zowel parkeren van bewoners als voor haar/zijn bezoekers. 2. Toegang parkeerkelder De toegangsbreedte ter plaatse van de ‘gevelopening’ is circa 4m1, maar vervolgens wordt de rijbaan circa 5,3m1 breed. De toegang/uitgang van de parkeerkelder (lees: hellingbaan en opstelplaats) wordt 1-richtingsverkeer. Waardoor voldoende breedte aanwezig is voor de auto’s. Bij het in- en uitrijden komen verkeerslichten te staan, zowel boven- als onderaan de hellingbaan, om het 1-richtingsverkeer te begeleiden. Verder worden er lage opstortingen gemaakt om de auto’s te begeleiden op de hellingbaan en om beschadiging aan de auto te voorkomen. 3. Afmeting parkeerplaatsen, hellingbaan en inwendige hoogte parkeerkelder De parkeergarage is ontworpen volgens de laatste norm ‘NEN 2443:2017 Parkeergarages en parkeerterreinen’ en voldoet hieraan. Voor de hellingbaan is gekozen voor een overgangshelling aan de onder- en bovenzijde voor een geleidelijke overgang, dit om schade aan de auto te voorkomen. 4. Zicht op voetgangers De opstelplaats voor auto’s komende uit de parkeerkelder is circa 5m1 lang en geheel vlak. De opstelplaats steekt circa 2,2m1 voor het gebouw uit.

De bestuurder in een auto zit op circa 1,8 tot 2m1 (verschil tussen kleinere en grote auto) vanaf de voorzijde van de auto, hierdoor heeft de bestuurder voldoende zicht naar beide zijden voor het kruisende verkeer (voetgangers, fietsers en auto’s). De erfafscheiding aan de voorzijde mag conform de regels van het bestemmingsplan niet hoger worden dan 1m1 aan de voorzijde van het gebouw. Dit zorgt er tevens voor dat dit geen belemmering vormt voor het zicht van de bestuurder. 5. Toegankelijkheid parkeerkelder t.a.v. bergingen en fietsers De bewoners kunnen zowel met de trap als met de lift de parkeerkelder bereiken. De ‘brandcard’-lift is tevens geschikt om een fiets mee te nemen. Daarnaast zal op het binnenterrein een opstelplaats worden meegenomen voor fietsers. 6. Vuilcontainers Het is niet wenselijk dat alle appartementen een restafval- en gftcontainer aan de straat gaan zetten. Is overleg met de afdeling

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

48

openbare werken van de gemeente Bernheze zal naar een oplossing hiervoor worden gezocht. Bijvoorbeeld in de vorm van één ondergrondse container of het bundelen van containers per appartementenblok. Verkeer De beoordeling hiervan kan in twee onderdelen opgeknipt worden; de verkeersveiligheid ten aanzien van de uitritten en ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen. Vermindering aantal uitritten In de bestaande situatie zijn op het perceel van het tankstation drie uitritten aanwezig, welke in onderstaande afbeelding zijn aangegeven.

Luchtfoto van de uitritten (3 stuks) in de bestaande situatie

Situatietekening van de uitritten (1 stuks) in de nieuwe situatie

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

49

In de voorgenomen ontwikkeling veranderd de ontsluiting doordat er maar één enkele uitrit overblijft. Namelijk de uitrit van de parkeergarage. Het verminderen van het aantal uitritten zal een grote bijdrage leveren aan de verkeersveiligheid voor zowel voetgangers en fietsers als voor het wegverkeer. Dit komt tevens doordat de uitrit direct naast een zebrapad (lees: de uitrit van de bedrijfswoning) komt te vervallen. Daarnaast zal de nieuwe uitrit veel smaller worden dan de huidige inrit, waardoor het verkeer door de vormgeving meer begeleidt wordt richting ‘t Dorp. Voor alle weggebruikers wordt hierdoor de verkeersituatie veel overzichtelijker en dus ook veiliger. Daarnaast is ervoor gekozen om de uitrit tegenover de uitrit van de Ludovicushof te leggen, waardoor een ‘gelijkwaardig’ kruispunt wordt gecreëerd. Een ‘gelijkwaardig’ kruispunt kun je creëren door de vormgeving gelijk te houden. De volgende aanwezige aspecten bevestigen dat er sprake is van een gelijkwaardige vormgeving: •

de verhoogde ligging in de vorm van een drempel;

•

dezelfde afstand tussen de bebouwing en het voetpad/fietspad, waar een auto (horizontaal) staat te wachten voordat de auto de weg op rijdt;

•

de aanwezigheid van lage groenstroken met bomen en parkeerstroken (langsparkeren) tussen het fietspad en de weg;

• hetzelfde zichtveld vanuit de uitrit op het kruisende verkeer. Door de gelijkwaardige vormgeving is er sprake van een ‘gelijkwaardig’ kruispunt. Een ‘gelijkwaardig’ kruispunt geniet ten aanzien van verkeersveiligheid altijd de voorkeur ten opzichte van verspringende uitritten of uitritten die op korte afstand van elkaar liggen. Een ander belangrijk aspect om een veilige verkeersituatie te waarborgen is het maken van een uitrit met voldoende zicht naar het kruisende wegverkeer. Om dit te realiseren dient een auto volledig horizontaal te kunnen staan voordat de auto de weg opgaat. Of anders gezegd; onderstaande situatie (verderop aan ‘t Dorp) waar de auto’s pas horizontaal komen te staan op het voetpad is dus niet gewenst.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

50

In onderhavig plan is ervoor gekozen om de hellingbaan verder van de weg te leggen, waardoor een auto volledig horizontaal kan staan voordat de auto de weg opgaat. Op de volgende bladzijde is een afbeelding weergegeven waar het straatprofiel schematisch is getekend ter verduidelijking. Vermindering aantal verkeersbewegingen Naast de aanwezige vormgeving van de uitrit is een ander belangrijk aspect aanwezig ten aanzien van de verkeersveiligheid, namelijk de verkeersintensiteit. Bij ruimtelijke plannen dient nader onderbouwd te worden dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid met betrekking tot de verkeersintensiteit. De toetsing van de verkeersintensiteit vindt plaats aan de hand van de CROW-normen zoals vermeld in de Algemene Standaarden Verkeer en Vervoer (ASVV).

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

51

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

52

Berekening verkeersintensiteit bestaande situatie Voor een tankstation zijn binnen de CROW geen specifieke verkeersgeneratie kencijfers beschikbaar. Voor de bepaling van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van het aantal liters brandstof (doorzet) welke per jaar wordt afgenomen. Hierbij wordt uitgegaan dat gedurende het hele jaar sprake is van een gelijk aantal dagelijkse bezoekers met een gemiddelde tankbeurt van 30 liter per voertuig. Een tankbeurt bestaat uit twee verkeersbewegingen. Gedurende de werkperiode zal het zwaartepunt op woon-werk en zakelijk verkeer liggen, gedurende de vakantieperiode op recreatief- en vakantieverkeer. Voor het tankstation is een gelijk aantal verkeersbewegingen aangehouden voor de week, werk en weekenddag. De volgende onderdelen zijn in de berekening buiten beschouwing gelaten: •

de levering van de diversen brandstoffen;

•

bezoekers die alleen voor de wasstraat/stofzuigen komen;

•

bezoekers die alleen voor het oppompen van de banden komen;

•

bezoekers die alleen voor de shop komen.

Brandstof

Doorzet (liters)

Bron

Benzine

1.450.000

Milieuvergunning 2010

Diesel LPG

1.140.000 500.000

Milieuvergunning 2010 Besluit verandering 2017

Totale doorzet per jaar

3.090.000 liter

Totale doorzet per dag

8.466 liter

Gemiddeld aantal liters per tankbeurt 30 liter Aantal ritten per tankbeurt 2 verkeersbewegingen Totaal verkeersgeneratie tanken 564 verkeersbewegingen De verkeersgeneratie bedraagt 564 verkeersbewegingen per werkdag. Berekening verkeersintensiteit nieuwe situatie Om de verkeersintensiteiten van de appartementen te berekenen is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ van december 2018. Hierin zijn kencijfers verzameld die inzicht geven in de verkeersgeneratie van woningen. In deze kencijfers is rekening gehouden met aanvullend bijzonder verkeer (pakketbezorgdiensten e.d.). De kencijfers zijn landelijk bepaald aan de hand van cordontellingen rondom geïsoleerd liggende woongebieden (dus alle verkeer). De stappen die voor het berekenen van de verkeersintensiteit worden doorlopen zijn: 1. Stedelijkheidsgraad Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

53

bepalen, 2. Zone van de ontwikkeling bepalen, 3. Minimum of maximum hanteren en 4. Woningtype bepalen. De gemeente Bernheze ligt conform de omgevingsadressendichtheid (OAD) onder de classificatie ‘weinig stedelijk’. Deze classificatie wordt bepaald op basis van het aantal adressen per oppervlakte-eenheid. Het plangebied bevindt zich net buiten het centrum van Heesch, derhalve wordt uitgegaan van ‘schil centrum’. Dit aangezien over het algemeen geldt, hoe hoger de stedelijkheid, hoe lager de verkeersgeneratie. Om van een worst case scenario uit te gaan, wordt het maximale kencijfer voor de verkeersgeneratie per werkdag aangehouden. Het plangebied bevat 27 appartementen, die als volgt zijn verdeeld naar prijsklasse: Segment

Aantal appartementen

Omschrijving vanuit woonprogramma (paragraaf 2.4)

Goedkoop Middelduur

8 1

huurappartementen < €619,00 pm koopappartementen < €217.500

Duur

18

koopappartementen > €217.500

Onderstaande tabel geeft de toegepaste kencijfers aan. Door de aantallen woningen te vermenigvuldigen met het kencijfer ‘maximum verkeersgeneratie’ kan de verkeersintensiteit in verkeersbewegingen per etmaal worden berekend. Onder verkeersbewegingen worden de ritten van en naar het plangebied verstaan. Segment

Minimum verkeersgeneratie

Maximum verkeersgeneratie

Berekende verkeersgeneratie

Goedkoop

4,8

5,6

44,8

Middelduur

5,7

6,5

6,5

Duur

6,6

7,4

133,2

De verkeersgeneratie bedraagt 184,5 verkeersbewegingen per werkdag voor in totaal 27 appartementen. Conclusie verminderen aantal verkeersbewegingen Het aantal verkeersbewegingen zal door onderhavige herontwikkeling verminderen met circa 380 verkeersbewegingen per werkdag. Deze vermindering levert een grote bijdrage aan de verkeersveiligheid voor zowel voetgangers en fietsers als voor het wegverkeer in de direct nabijheid van het plangebied. Daarnaast geeft dit een verlaging van de belasting van het verkeer op de straat ’t Dorp.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

54

Conclusie Onderhavig plangebied vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid in de omgeving. Door het verminderen van het aantal uitritten, de vormgeving van de uitrit aan te passen en de grote vermindering van de verkeersintensiteit vindt een flinke verbetering plaats van de verkeersveiligheid van de direct nabijheid van het plangebied. Kortom onderhavig plan zorgt voor een veiligere leefomgeving. Er zijn dus geen belemmeringen voor het project aanwezig. 5.9. Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Besmetting kan optreden door inademing van besmet stof van stallen, weilanden, ruwe wol en dierenhuiden, door direct contact met besmette dieren en door het nuttigen van besmette rauwe melk of onvoldoende verhit besmet vlees. Met name het verwaaien van ingedroogde en op weilanden uitgereden mest zou zorgen voor verspreiding van bacteriën naar de mens. Het ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld. Aan de hand van het stappenplan 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is beoordeeld of nadere advisering van de GGD wenselijk is. 1.

Endotoxine ‘richtafstand’ tussen veehouderij en plangebied Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen (200 meter) en pluimveehouderijen (500 meter). Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 2. Toename emissie voor geur, fijnstof of ammoniak Gezien de vele woningen in de omgeving en de normen in de gemeentelijke geurverordening 2013 zullen er geen geur belastende objecten in de omgeving bij komen en zal de geurbelasting ter plaatse in de toekomst alleen maar kunnen afnemen. 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In onderstaande afbeelding is de meest recente regionale geurkaart ODBN-regio 2019.2 weergegeven van 09 december 2019. De geurbelasting binnen onderhavig plangebied voldoet aan de Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

55

gemeentelijke norm en aan de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 ten aanzien van geurhinder. Het woon- en leefklimaat in onderhavig plangebied kan als ‘goed’ worden geschouwd.

Fragment regionale geurkaart ODBN-regio 2019.2 (planlocatie is paarse stip)

4. Aanwezige diersoorten binnen een veehouderij In de directe omgeving zijn geen veehouderijen gelegen waarbij sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers of kleine herkauwers onderling. Tevens is er in de directe omgeving geen pluimveebedrijf gelegen. 5. Geitenhouderijen/pluimveebedrijven Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven en een straal van circa 1 km rond pluimveebedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een straal van respectievelijk 2 en 1 km bevinden zich geen geitenhouderijen en/of pluimeebedrijven. Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

56

6. Mesbe- of verwerking Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Ongerustheid bij omwonende Uit de gevoerde dialoog met omwonende of uit de klachtenregistratie van de gemeente is geen ongerustheid aanwezig/bekend. Conclusie Nabij het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen waarvan sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico, zodoende is nadere advisering van de GGD niet noodzakelijk. Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. 5.10. Hoogspanningslijnen Het aspect hoogspanningslijnen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen worden. Er dient rekening gehouden te worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden bloot gesteld aan magneetvelden van meer dan 100 µTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden.

Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 µTesla. In de directe nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig of gepland. Kortom vormt de hoogspanningslijn geen belemmering voor onderhavig project. 5.11.Spuitzones gewasbescherming Het aspect spuitzones gewasbescherming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen te worden. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt een afstand van 50 Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

57

meter aangehouden tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Binnen 50 meter afstand zijn geen fruitboomgaarden of andere bijzondere teelten die vragen om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor kan men spreken over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen onderhavig plangebied. 5.12. M.er.-beoordeling Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.rplichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen.

Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.- beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Activiteit en drempelwaarden In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2) opgenomen. In de nota Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

58

van toelichting op het Besluit milieueffectrapportage wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt het volgende aangegeven: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer, b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plan voorziet in het slopen van bedrijfsgebouwen en twee bedrijfswoningen (’t Dorp 116 en 118) en het realiseren van 27 stuks nieuwe gestapelde woningen. Kortom 25 stuks nieuwe woningen. Het plangebied heeft een grootte van circa 3.000m2. De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of 100 hectare zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de Dlijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: • •

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r..

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende de: •

kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

59

• •

productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.

Toetsing Kenmerken van het project Het plan voorziet in het omzetten van een bedrijfsbestemming (tankstation met LPG aan ’t Dorp 116/118) en detailhandelbestemming (aan ’t Dorp 122) naar wonen. De mogelijke bedrijfsactiviteiten zijn van een intensief karakter en gaan gepaard met de nodige geluid- en stankhinder. Bovendien dient rekening te worden gehouden met de gevaarzetting, met name het LPG-station. De omzetting naar de bestemming wonen geeft een voordeel voor de omgeving doordat er minder overlast ontstaat en het perceel met veel groen wordt ingevuld. Het plan voorziet in het slopen van bedrijfsgebouwen en twee bedrijfswoningen (’t Dorp 116 en 118) en het realiseren van 27 stuks nieuwe gestapelde woningen. Kortom 25 stuks nieuwe woningen. Waarin ruimte is voor groen en parkeervoorzieningen. Er is verder geen sprake van cumulatie met andere projecten en de ontwikkeling heeft geen gevolgen voor natuurlijke hulpbronnen. Er wordt bijvoorbeeld geen grondwater onttrokken of grondstoffen in de omgeving gedolven. Er is geen sprake van de productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Plaats van het project Het project wordt uitgevoerd op een locatie die in de huidige situatie in bebouwd is met bedrijfsgebouwen (tankstation en dienstverlening). De locatie is gelegen aan ’t Dorp, nabij het centrum van Heesch.

Binnen het plangebied is geen sprake van bijzondere landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische of archeologische waarden die de ontwikkeling van het woningbouwproject in de weg staan. Kenmerken van het potentiële effect De effecten van het project blijven, zoals ook blijkt uit de voorgaande paragrafen, beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. Het plangebied zelf zal ten gevolge van de ontwikkeling worden getransformeerd van een bedrijfs- en detailhandelbestemming, tot een

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

60

woonbestemming nabij het centrum. Sprake is van een inbreidingslocatie, waardoor zorgvuldig gebruikt wordt gemaakt van de aanwezige ruimte. Door onderhavige ontwikkeling is er in relatie tot de vigerende bestemmingen sprake van een planologisch voordeel voor de omgeving. De effecten buiten de plangrenzen worden verbeterd door een afname (lees: 380 verkeersbewegingen per dag) van verkeer op de wegen rond het plangebied en het vervallen van de veiligheidscontouren van het LPGstation. De effecten zijn positief voor de omgeving en de ontwikkeling van het plan stuit niet op bezwaren (zie de voorgaande aspecten). Er is zeker geen sprake van ‘belangrijke nadelige’ milieueffecten. Conclusie In het kader van het bestemmingsplan is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de ontwikkelingen. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

61

6.

WAARDEN

6.1. Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op 30 september 2010 is de Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze opgesteld, naar een implementatie van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in het gemeentelijke beleid. In deze Nota wordt de ‘waarde archeologie’ voor op de beleidskaart weergegeven in categorieën. Hieronder zijn de belangrijkste bepalende weergegeven: 1. wettelijk beschermde archeologische monumenten; 2. gebieden van (hoge, vastgesteld) archeologische waarde, te weten: historische hoeven, kasteel- en kerk- en kloosterterreinen, schansen, (water)molenlocaties en AMKterreinen van zeer hoge waarde; 3. gebieden van archeologische waarde, waaronder AMKterreinen van (hoge) archeologische waarde en de historische kernen van dorpen en gehuchten; 4. gebieden met een hoge archeologische verwachting; 5. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting; 6. gebieden met een lage archeologische verwachting; 7. gebieden zonder een archeologische verwachting (verstoord, opgegraven, dan wel op andere wijze vrij van archeologie). Het plangebied ligt volgens het vigerend bestemmingsplan in een zone met een middelhoge verwachting. Volgens tabel 1 van de Nota Archeologiebeleid geldt voor onderhavig plan een onderzoeksplicht, wanneer de verstoringsdiepte meer bedraagt dan 40 cm én het te verstoren oppervlak meer dan 2.500 m2 is.

De voorgenomen ontwikkeling heeft een bebouwd oppervlakte van kleiner dan 2.500 m2, waardoor er geen onderzoeksplicht geldt. Ten allen tijde geldt wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Cultuurhistorie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied archeologische en cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft aan dat zorgvuldig omgegaan met deze waarden vereist is.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

62

Uitsnede van cultuurhistorische waardenkaart Gemeente Bernheze 20-01-2014 (paarse cirkel = planlocatie)

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 20-01-2014 van de gemeente Bernheze zijn de volgende waarden aangegeven; oude wegtracé (‘t Dorp) en oude hoofdverbinding (’t Dorp). Deze waarden hebben geen directe verbinding met de planlocatie, waardoor het toevoegen van het aantal woningen niet tot een noemenswaardige aantasting leidt van deze cultuurhistorische waarden. Conclusie Voor onderhavig plan is geen onderzoeksplicht aanwezig voor de archeologische waarden. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden niet noemenswaardig aangetast en blijven behouden. De onderzoeksplicht blijft wel aanwezig middels de geldende dubbelbestemming, waardoor de archeologische en cultuurhistorische waarden voldoende geborgd blijven. Zodoende zijn er geen belemmeringen aanwezig.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

63

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

64

6.2. Wet Natuurbescherming Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde ‘externe werking’. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Teveel stikstof is slecht voor de natuur. Bij landbouw wordt stikstof uitgestoten in de vorm van ammoniak (een kleurloos gas). Dit gas komt vrij bij dierlijke mest en kunstmest. Stikstof komt ook voor als stikstofdioxide. Een stof die bijvoorbeeld auto’s, schepen en industrieën uitstoten. Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof).

Tot 29 mei 2019 was toestemming hierop gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS), echter is deze ongeldig verklaard door de Raad van State. De overheid werkt momenteel aan een nieuwe aanpak stikstof. In dit nieuwe beoordelingskader wordt gewerkt met de volgende kaders; intern salderen, extern salderen, ecologische onderbouwing en ADC-toets. •

Intern salderen; betekent dat het voorgenomen project zo wordt aangepast, dat de stikstofuitstoot vermindert of gelijk blijft;

•

Extern salderen; betekent dat de stikstofdepositie in een bepaald gebied gelijk blijft of afneemt. Dit doordat de toename van een activiteit wordt weggenomen doordat een andere activiteit wordt gestopt;

•

Ecologische onderbouwing; middels een ecologische onderbouwing (voortoets) dat de extra stikstofdepositie die het project veroorzaakt de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast;

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

65

•

ADC-toets; indien met de getroffen maatregelen niet kan worden uitgesloten dat het Natura 2000-gebied wordt aangetast dient een ADC-toets te worden gebruikt. Hierin moet aangetoond worden dat (A) er geen alternatieven met minder schadelijke effecten in Natura 2000-gebied zijn, (B) de activiteit een dwingende reden dient van groot openbaar belang en (C) de schade aan de natuur gecompenseerd wordt.

Tot dat dit nieuw beoordelingskader definitief kan worden gebruikt betekend dat er bij activiteiten die tot een toename van stikstofdepositie leiden een natuurvergunning moet worden aangevraagd. Bij nieuwe bestemmingsplannen dient middels een voortoets te worden beoordeeld dat er door de activiteit geen relevante stikstofdeposities kunnen optreden in een Natura 2000-gebied. Onder omstandigheden moet ook een passende beoordeling en milieueffectrapportage worden gemaakt. Voortoets / ecologisch onderzoek In een voortoets moet de vraag beantwoord worden of op grond van objectieve gegevens op voorhand kan worden uitgesloten dat een plan of project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De voortoets bevat onder andere een beschrijving van het plan, de te verwachten effecten op alle relevante Natura 2000gebieden en een analyse of daarbij mogelijk sprake is van significant negatieve effecten. Blijkt uit de voortoets dat het optreden van significant negatieve effecten ter plaatse van stikstofgevoelige habitattype in een Natura 2000-gebied niet kan worden uitgesloten, dan volgt een vervolgonderzoek in de vorm van een ‘passende beoordeling’.

Afstand tot Natura 2000-gebieden De eerste stap is de afstand van het bouwproject tot in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden die stikstofgevoelige habitattypes bevatten te bepalen. Is de afstand groter dan 10 kilometer, dan zal voor verreweg de meeste projecten kunnen worden geconcludeerd dat op voorhand significante effecten op stikstofgevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Voor kleinere projecten zal reeds bij een geringere afstand kunnen worden uitgesloten dat significante effecten optreden bij voor stikstof gevoelige habitattypes. Bijvoorbeeld een modern distributiecentrum met een bebouwd oppervlak van 30.000 m2 kan op een afstand van 5 kilometer al uitkomen op een depositie van

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

66

0,00 mol per hectare per jaar of een 50-tal woningen (gasloos) zelfs al binnen 1,5 kilometer.

Uitsnede kaart ‘Natura 2000-gebieden’ (bron: www.synbiosys.alterra.nl) (afstanden tot Natura 2000-gebieden zijn in het paars aangegeven)

Zoals op bovenstaande kaart valt af te lezen is de afstand tot alle Natura 2000-gebieden in de omgeving van Heesch groter dan 10 kilometer. Beleid gemeente Onderhavig plan bevat het toevoegen van 27 stuks woningen. Deze woningen worden gasloos uitgevoerd. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft in de vergadering van 17-03-2020 besloten dat bij wijzigings- en bestemmingsplannen voor woningbouwinitiatieven onder de 50 woningen geen stikstofdepositie berekening meer wordt verlangd. Dit gezien er geen significante gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie worden verwacht. De voorgenomen ontwikkeling blijft met het toevoegen van 27 woningen binnen het beleid van de gemeente Bernheze, waarbij ze geen significante gevolgen voor Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofdepositie verwachten tot een aantal van 50 woningen. Een verdere beoordeling is niet nodig. Het aspect stikstof vormt geen planologische belemmering voor het project. Soortenbescherming Door Ecologisch Adviesbureau Eceau is een ecologisch onderzoek uitgevoerd: rapport “Ecologisch onderzoek aan ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch” (06-03-2020, TRA-1QS200121 (2/2)). De relevante delen van de samenvatting uit het rapport zijn hieronder weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

67

“Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het saneren van het noordelijke deel van ’t Dorp 122 en het gehele perceel aan ’t Dorp 116/118 en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vast rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. • Ten aanzien van vrijgestelde soorten is enkele de Algemene Zorgplicht van toepassing; • Vleermuizen passeren aannemelijk de locatie en foerageren er opportunistisch.

Door de huidige inrichting met veel verlichting is het aannemelijk dat ten tijde van de werkzaamheden weinig tot geen verstoring door bouwverlichting op zal treden; • Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd; • Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen; • Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig; • Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aanwezig; • Houtopstanden binnen de bebouwde kom en op particuliere terreinen vallen niet onder bescherming van de Wet natuurbescherming; • Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de ruimtelijke ontwikkeling worden geen (negatieve) effecten verwacht. Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid. Maatregelen bij uitvoering: • In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals duiven en kleine zangvogels werken buiten het broedseizoen, 15 maart t/m 15 juli.

Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door van tevoren de Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

68

planlocatie te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten • In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna.” Conclusie Een uitgebreid onderzoek of ontheffing van de Wet Natuurbescherming is niet nodig. Verder is de stikstofdepositie niet groter dan 0,00 mol/ha/ja. Kortom het aspect Flora en Fauna vormt geen planologische belemmering voor het realiseren van het project.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

69

7.

BELEMMERINGEN

Voor aanvang van eventuele veldwerkzaamheden moet een onderzoek worden ingesteld naar de ligging van eventuele kabels en leidingen. Andere belemmeringen zijn niet aanwezig.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

70

8.

TOELICHTING OP DE BESTEMMINGSREGELING

8.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop het bouwplan ruimtelijk en functioneel in het bestemmingsplan is vertaald. Van belang is dat het bestemmingsplan zowel het ontwikkelingskader geeft voor het plangebied, als het kader voor beheer en handhaving van het plangebied. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en bestemmingsplanregels, die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de bestemmingsplanregels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de bestemmingsplanregels. 8.2. Verbeelding Uit de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening blijkt dat een bestemmingsplan uit één verbeelding bestaat. Met ingang van 1 juli 2008 bestaat een verbeelding uit een digitale en een analoge versie. Het bestemmingsplan omvat naast een digitale verbeelding ook een analoge verbeelding, die op haar beurt uit één kaartblad bestaat. Als ondergrond voor de verbeelding is een kadastrale kaart gebruikt. De bestemmingen op de verbeelding zijn door kleuren en coderingen aangegeven. 8.3. Bestemmingsplanregels De bestemmingsplanregels en de verbeelding bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de bebouwing.

De bestemmingsplanregels zijn onderverdeeld in hoofdstukken, die hierna kort worden toegelicht. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: 1. begrippen; 2. wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bestemmingen, die in het plangebied voorkomen. Het stramien voor de bestemmingsregels is als volgt:

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

71

•

bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de functie(s) van de bestemming en de bestemming zelf;

•

bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;

•

specifieke bouwregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming;

•

ontheffing van de gebruiksregels: de gevallen waarin ontheffing van de gebruiksregels kan worden verleend;

•

omgevingsvergunning: voor zover een bescherming van de bestemming door een omgevingsvergunning nodig is, zijn de vergunningplichtige werken en werkzaamheden hier aangegeven.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk omvat de artikelen inzake: •

anti-dubbeltelregel;

•

algemene aanduidingsregels;

•

algemene afwijkingsregels;

•

algemene wijzigingsregels;

•

overige regels.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit laatste hoofdstuk omvat de artikelen inzake: •

overgangsrecht;

•

slotregel.

Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch

72

9.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

De realisering en de kosten voor het bestemmingsplan, inclusief haalbaarheidsonderzoeken, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Daarnaast zal bij onderhavig plan de benodigde aanpassingen aan het openbaar gebied gerealiseerd moeten worden. De woningen dienen aangesloten te worden op het bestaande riool door middel van een huisaansluiting. Tevens zullen enkele uitritten komen te vervallen en een enkele uitrit te worden aangepast. De aanleg- en planbegeleidingskosten voor de aansluiting op het openbaar gebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Bij realisatie van het initiatief bestaat de kans dat door wijziging van het bestemmingsplan planschade ontstaat. Er is een planschaderisicoanalyse benodigd en er dient een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten te worden waarin is geregeld dat een mogelijke schadevergoeding voor rekening van de initiatiefnemer komt. Derhalve zijn er geen financiële consequenties voor de gemeente en is het plan economisch uitvoerbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=46497785-a613-4d94-b117-9a30399f73e3