CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels bestemmingsplan Brouwersstraat 2a, Heeswijk-Dinther

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 17 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Brouwersstraat 2a, Heeswijk-Dinther26.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoofdstuk 4

26

Het bevoegd gezag wordt dan ook aanbevolen een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan ‘Brouwersstraat 2a te Heeswijk-Dinther’ geen milieueffectrapportage wordt vereist.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Cultuurhistorie De provincie Noord-Brabant heeft haar cultuurhistorisch erfgoed verwerkt in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Volgens deze kaart ligt het plangebied in regio ‘De Meijerij’, zie figuur 4.1.

Figuur 4.1: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart

De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij

Hoofdstuk 4

27

wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Het plangebied is reeds bebouwd, door onderhavig initiatief worden de functies duidelijk gekaderd en ingepast in het landschap. Het initiatief zal daardoor de cultuurhistorische waarden van de regio niet belemmeren. Daarnaast is de Brouwersstraat aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarden. Het initiatief heeft geen invloed op de situering en ruimtelijke aspecten van de Brouwersstraat vanwege de afstand tot de weg en zal de cultuurhistorische waarden daardoor niet belemmeren. Archeologie De gemeente Bernheze heeft door het opnemen van dubbelbestemmingen mogelijke archeologische waarden in de bodem beschermd. Voor het plangebied gelden de archeologisch waarden 3 en 5. Dit zijn gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarden. Voor categorie geldt dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm beneden het maaiveld een archeologisch onderzoek moet aantonen dat de ontwikkeling geen effect heeft op eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor categorie 5 geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld.

Figuur 4.2: Uitsnede Archeologische beleidskaart

Aangezien bovengenoemde onderzoeksgrenzen worden overschreden, is door Lycens een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de planlocatie. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen opgenomen. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Uitgaande van de bij het bureauonderzoek gebruikte bronnen bestaat de laagopeenvolging binnen het plangebied uit esdek op dekzand. Ter plaatse van de grote veestallen is de bodem tot een diepte van circa 2m beneden maaiveld verstoord, vanwege de aanwezigheid van mestkelders. Tijdens het veldonderzoek is in de boringen een verstoorde bovenlaag aangetroffen met een diepte van 0,5 m tot 1,6 m beneden maaiveld.

Hoofdstuk 4

28

Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Er zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van archeologische resten. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat het plangebied in een natte laagte heeft gelegen, waardoor het geen aantrekkelijke plek was voor bewoning. Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten? Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de top van het pleistocene dekzand. Op basis van het verkennend booronderzoek is deze verwachting bijgesteld naar laag. Naar verwachting zullen de plannen geen bedreiging vormen voor eventuele archeologische resten. Selectieadvies Op basis van de resultaten adviseert Lycens het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen plannen. Er worden geen archeologische resten meer verwacht binnen het plangebied. Conclusie Op basis van het bovenstaande zijn er geen belemmeringen voor onderhavig plan vanuit het aspect ‘archeologie’.

4.4 Natuurbescherming Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Hoofdstuk 4

29

Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing beschermde soorten De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.

De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming);  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb);  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb). Onderzoek Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 12,6 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden, waarbij een partiële vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Daardoor hoeft in beginsel alleen voor de gebruiksfase een berekening te worden uitgevoerd; een berekening voor de aanlegfase kan achterwege blijven. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 11 woningen en 22 zorgappartementen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot gedurende de gebruiksfase te verwachten.

Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Gezien de afstand tot het Natura 2000gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Volledige zekerheid omtrent het aspect stikstof is echter alleen verkrijgbaar middels een berekening in AERIUS Calculator. Deze berekening in de AERIUS Calculator is uitgevoerd. Deze berekening alsmede een toelichting hierop zijn opgenomen in de bijlagen. Uit de berekening blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol / ha / jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten.

Hoofdstuk 4

30

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 160 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing beschermde soorten In de tabel op navolgende pagina is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:

Hoofdstuk 4

31

Tabel 4.1 Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Plangebied buiten broedseizoen

Globale broedseizoen loopt van

Broed

bouwrijp maken of controle

maart tot half augustus

vogels

vooraf

Algemeen

Jaarrond

Potentieel

Sprake van

aanwezig

overtreding

Ja

Te voorkomen

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als

beschermd VerbliVleermuize n

jfplaatsen Foerageerhabitat Vliegroutes

Grondgebonden zoogdieren

de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

32

4.5 Waterparagraaf Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. Om invulling te kunnen geven aan de waterparagraaf en de waterbelangen te waarborgen dient in deze situatie de watertoets-procedure te worden doorlopen. De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing. Onderzoek Voor onderhavige ontwikkeling is door Econsultancy een waterparagraaf opgesteld. Deze is bijgevoegd bij de bijlagen. Voor de volledige waterparagraaf wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder wordt de belangrijkste conclusies beschouwd.

Het huidig verhard oppervlak is bij benadering bepaald aan de hand van de Opentopokaart van de Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK), de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en luchtfoto’s. Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van de (concept) stedenbouwkundige schets ‘Brouwersstraat 2a Heeswijk Dinther’. In het kader van de watertoets is 75 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) van de twee-onderéén- kappers/geschakelde woningen beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met 2.570 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ca. 4.785 m2. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. Als gevolg van de ontwikkeling zal het verhard oppervlak afnemen. Vanuit het waterschap geldt derhalve geen retentie. Vanuit de gemeente Bernheze geldt voor nieuwbouwplannen het principe van hydrologisch neutraal bouwen. Om hier in te kunnen voorzien is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van 60 mm/m2. Dit is overeenkomstig met een berging van ca.

287 m3 (4.785 m2 * 60 mm / 1.000). Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van één of meerdere "groene" bovengrondse voorzieningen zoals een wadi. Een wadi is een voorziening waarbij het hemelwater, bij voorkeur oppervlakkig, wordt getransporteerd naar een laagte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. De groene ruimte centraal binnen het plan biedt kansen om vanuit de wegverhardingen en woningen de eerste neerslag op te vangen. Dit kan door het maaiveld lokaal te verlagen en landschappelijk in te passen. Vanuit deze eerste opvang kan overtollig regenwater vervolgens worden afgevoerd naar de zonneweide en natuur op de gronden in het Aa-dal gebied. Door bij het toekomstige ontwerp in het Aa-dal te werken met hoogteverschillen kan tijdens zware regenbuien tijdelijk water worden vastgehouden in de onverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het (regen)water geleidelijk infiltreren in de bodem. Bij het ontwerp dient rekening te worden gehouden dat de lager gelegen delen

Hoofdstuk 4

33

op afstand van zowel de woningen als naastgelegen percelen zijn gelegen. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Conclusie Dit bestemmingsplan is in lijn met de uitgangspunten voor het aspect water.

4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. De belangrijkste conclusies zijn onderstaand opgenomen. Voor het gehele onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen. Resultaten grond Chemisch-analytisch is in de puinhoudende bovengrond een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. In de baksteen-, puin- en kooldeelhoudende uit zand bestaande ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie aangetoond.

Deze licht verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de waargenomen bodemvreemde bijmengingen en het gebruik van de locatie door de jaren heen. Verder is aangetoond dat de bovengrond ter plaatse van de bovengrondse tank een licht verhoogd gehalte aan minerale olie bevat. Aangezien in andere mengmonsters eveneens licht verhoogde gehalten aan minerale olie zijn aangetoond is dit niet eenduidig te relateren aan de bovengrondse tank. De zorgplicht uit de Wbb wordt niet van toepassing geacht. Verder blijkt uit de asbest analyseresultaten dat in de druppelzone geen asbest is aangetoond. In de puinhoudende grond onder de asfaltverharding is eveneens geen asbest aangetoond. Resultaten grondwater Chemisch analytisch is in het grondwater op het noordelijke terreindeel (nabij de bovengrondse tank) een licht verhoogde concentratie aan zink aangetoond. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de bovengrondse tank niet heeft geleid tot verontreiniging van het grondwater. In het grondwater op het zuidelijke terreindeel is een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentraties van zink en barium geen antropogene bron bekend is, zijn zink en barium vermoedelijk van nature in verhoogde concentraties in het grondwater aanwezig.

Conclusies en aanbevelingen De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden

Hoofdstuk 4

34

geconcludeerd dat er, naar mening van Lycens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie in grond en de licht verhoogde concentraties aan barium en zink in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. De gestelde hypothese dat de bodem ter plaatse van de bovengrondse tank als verdacht beschouwd kan worden ten aanzien van minerale olie en aromaten is formeel juist gebleken. In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. Dit is echter niet eenduidig te relateren aan de bovengrondse tank aangezien in meerdere mengmonsters op het onverdachte terreindeel licht verhoogde gehalten aan minerale olie zijn aangetoond. Verder is in het grondwater nabij de tank geen minerale olie aangetoond. De zorgplicht uit de Wbb wordt niet van toepassing geacht.

Het licht verhoogde gehalte aan minerale olie in de bovengrond vormt dan ook geen belemmering voor de planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie De hypothese dat de druppelzone en de puinhoudende grond onder het asfalt als verdacht beschouwd kunnen worden ten aanzien van asbest is onjuist gebleken. In de druppelzone en de puinhoudende grond is analytisch geen asbest aangetoond. In navolging op het verkennend bodemonderzoek is er een asbestinventarisatie uitgevoerd voor de aanwezige stallen/schuren. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van asbest. Dit rapport is als bijlage toegevoegd aan de toelichting. Op advies van de omgevingsdienst dient wel na sloop van de schuren een verkennend bodemonderzoek conform NEN5470 te worden uitgevoerd.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG 2. In de tabel behorende bij de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG, zijn functies opgenomen die zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per functie is aangegeven wat de indicatieve afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk, of waar door onderzoek is aangetoond dat geen sprake is van een overbelaste situatie. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

2

Bedrijven en milieuzonering, editie 2009

Hoofdstuk 4

35

In de ruimtelijke ordening wordt onderscheidt gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden. Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten en behandeld in paragraaf 4.9. Doorwerking plangebied Voor het aspect milieuzonering wordt onderscheid gemaakt in twee verschillende gebiedstypen, namelijk een rustige woonwijk en een gemengd gebied. De VNG-publicatie verstaat onder gemengd gebied het volgende: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.” In de omgeving is sprake van functiemening. Naast woningen zijn er nietagrarische als agrarische bedrijven aanwezig. Zodoende kan de omgeving worden aangemerkt als gemengd gebied en mogen de richtafstanden van de VNG-publicatie met één stap worden verlaagd.

Invloed omgeving op plan Dit bestemmingsplan voorziet in het herbestemmen van de agrarische functie die momenteel over de gronden ligt tot woonbestemming, wat een gevoelige functie betreft. Daarom dient te worden gekeken of, in relatie tot omliggende bedrijvigheid, op de planlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaand wordt hier nader op ingegaan. Schoolstraat 38 Aangrenzend aan het plangebied, aan de Schoolstraat 38, is bebouwing ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw (met bedrijven tot en met categorie 2) en bebouwing ten behoeve van statische opslag toegestaan. In gemengd gebied dient er 10 meter te worden aangehouden tot bedrijven met een milieucategorie 2. Ook voor statische opslag geldt een milieucategorie 2 met bijbehorende richtafstand van 10 meter. De afstand tussen Schoolstraat 38 en het bouwvlak van de appartementen bedraagt meer dan 10 meter. Den Dolvert 5 Aangrenzend aan het plangebied (ten westen) liggen gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. Deze gronden behoren tot het woonperceel van de burgerwoning aan Den Dolvert 5. In de feitelijke situatie maakt het ook onderdeel uit van de woonbestemming. Er heerst een agrarische bestemming waar agrarisch grondgebruik mogelijk is. Deze agrarische bestemming hoort bij de woonbestemming (zelfde kadastrale perceel). Er ligt geen bouwvlak op.

Er ligt geen bijbehorende bedrijfsbestemming en er is niet zomaar nieuwvestiging van een bedrijf mogelijk. Hieruit is af te leiden dat de maximale planologische mogelijkheid ten behoeve van agrarisch gebruik zeer beperkt is. Gelet op de omvang van de gronden zijn agrarische bedrijfsactiviteiten niet voorstelbaar op dit deel van het perceel. Enige agrarische activiteiten kunnen worden beschouwd als nevenactiviteit/hobbymatig behorende bij de woonfunctie. Er wordt derhalve voldaan aan de richtstand, aangezien voor nevenactiviteiten geel richtafstanden gelden. Voor de beoogde woningen is er derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bedrijven in het buitengebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal agrarische en niet-agrarische bedrijven. Deze bedrijven zijn opgenomen in onderstaande tabel en in figuur 4.3 is de ligging van deze bedrijven

Hoofdstuk 4

36

weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat de bedrijven op voldoende afstand van het plangebied zijn gelegen. Adres

Functie

1

Den Dolvert 1-1a

Werkplaats b.o. < 1000m²

2

Boterweg 2

Groothandel in akker-

VNG cate-

Min. Afstand

daadwerkelijke afstand

gorie

(m)

(m)

2

10

14

3.1

30

350

bouwproducten en veevoeders

3

Aa-brugstraat 4

Fokken en houden van pluimvee

4.1

100

520

4

Kanaaldijk-Noord

Fokken en houden van varkens

4.1

100

760

Dierenpension (/speelweide

3.2

50

620

4.1

100

820

2

10

320

4.1

100

960

44 t/m 44 a 5

Laag-Beugt 3c

honden) 6

Laverdonk 5a

Fokken en houden van varkens

7

Laag-Beugt 2b

Ziekenhuizen (Dieren)

8

Laverdonk 7

Fokken en houden van pluimvee (leghennen)

9

Laverdonk 9a

Fokken en houden van rundvee

3.2

50

1100

10

Aa-brugstraat 19

Vleesvee

4.1

100

440

1

3

10

7

5

2

4 6 8

9

Figuur 4.3 Ligging van de verschillende agrarische bedrijven in de omgeving van het projectgebied

Hoofdstuk 4

37

Overige bedrijvigheid Ten noordoosten van het projectgebied bevindt zich een bedrijventerrein met een verscheidenheid aan bedrijven. Op het bedrijventerrein zijn (op basis van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Bernheze") bedrijven met een maximum van categorie 3.2 toegestaan. Echter zijn op grote delen van het bedrijventerrein (met name aan de west- en noordzijde) bedrijven tot maximaal categorie 2 en 3.1 toegestaan. De hoogste richtafstand (ten aanzien van een bedrijf met milieucategorie 3.2) bedraagt 50 meter. Aangezien de dichtstbijzijnde bedrijven van dit gebied zich op 65 meter van het projectgebied bevinden, kan worden aangenomen dat de activiteiten die in deze zone worden uitgeoefend geen nadelige invloed zullen hebben op het woon- en leefklimaat van onderhavig plangebied. Tot slot bevinden zich een viertal overige bedrijven in de nabijheid van het plangebied, weergegeven in figuur 4.4 en benoemd in onderstaande tabel. Er kan ruimschoots worden voldaan aan de gestelde richtafstanden. VNG omschrijving

VNG categorie

Min. richtafstand

daadwerkelijke afstand (m)

(m) 1

Verpleeghuis

2

10

150

2

Detailhandel voor zover n.e.g.

1

0

100

3

Opslag

1

0

140

4

Handel in auto's service

2

10

12

3 1 2

4

Figuur 4.4 Locatie van nabijgelegen overige bedrijven (ruimtelijkeplannen.nl)

Invloed plan op omliggende bedrijven Gelet op de situatie dat de planlocatie op ruime afstand is gelegen tot omliggende bedrijvigheid zullen deze bedrijven ook niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Hoofdstuk 4

38

4.8 Akoestiek Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Het plangebied valt binnen de geluidzone van de Brouwersstraat / Den Dolvert (vanaf hier Brouwersstraat, 50 km/u). De geluidbelasting afkomstig van de Brouwersstraat bedraagt op zijn hoogst 46 dB ter plaatse van twee toetspunten aan de noordzijde van het plangebied (4,5 meter). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Een hogerewaardeprocedure voor de Brouwersstraat is niet aan de orde. Enkele 30 km-wegen zijn enkel meegenomen in het bepalen van de cumulatieve geluidsbelasting. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt afhankelijk van de positionering van de woningen ten hoogste 51 dB aan de noordzijde van het plangebied. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 20 dB (minimumwaarde uit het bouwbesluit). Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig.

De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Redelijk’. Het woonen verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt.

4.9 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van (senioren)woningen en een zorgcomplex mogelijk, hetgeen geurgevoelige objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij zijn. Door De Roever Omgevingsadvies is voor het naastgelegen perceel, Schoolstraat 38, een onderzoek uitgevoerd naar de geurhinder van de omliggende agrarische bedrijven.

Vanwege de nabijheid van dit perceel en het feit dat het geuronderzoek zeer recent is opgesteld (april 2019) wordt aangenomen dat de conclusies uit dit onderzoek ook op onderhavig perceel relevant zijn. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek.

Hoofdstuk 4

39

Gelet op de datum en gewijzigde ontwikkelingen wordt dit nader toegelicht. Ten opzichte van het onderzoek uit 2019 en heden hebben de volgende wijzigingen plaatsgevonden:  In de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021’ artikel 3.1.3 gelden gehalveerde afstanden ten opzichte van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv);  Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom;  Er dient een voorgrond te worden gehanteerd van 3 ouE/ m³;  Het agrarisch bedrijf van Brouwersstraat 2a zal met dit bestemmingsplan komen te vervallen. Sinds uitvoering van het geuronderzoek van 26 april 2019 zijn er geen veranderingen geweest bij de meest relevante veehouderijen in de omgeving van het plangebied. De berekende voorgrondbelastingen en achtergrondbelastingen zijn onveranderd. Zoals eerder vermeld komt de veehouderij aan Brouwersstraat 2a met dit bestemmingsplan te vervallen. Aangezien deze veehouderij met 0 ouE/s niet bijdraagt aan de voor- en achtergrondbelasting is de geursituatie nog altijd gelijk als ten tijde van het geuronderzoek. De complete rapportage is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen.

Deze paragraaf is daarom opgesplitst in twee delen, een beschrijving van de voorgrondbelasting en een beschrijving van de achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting Vanuit de Wgv is sprake van zogenaamde afstandsdieren (bijvoorbeeld melkkoeien) en dieren met een geuremissiefactor (bijvoorbeeld varkens). Voor deze laatste dieren dient een berekening te worden uitgevoerd om te kijken hoe groot de geurhinder bij geurgevoelige objecten is. Voor afstandsdieren geldt een vaste afstand. Conform de Wgv dient een veehouderijbedrijf te voldoen aan een geurhindercontour van maximaal 14 ouE/m³ (odeurunits). Dat betekent dat een individueel veehouderijbedrijf niet meer dan 14 ouE/m³ op geurgevoelige objecten mag uitstoten. In de Verordening Fysieke Leefomgeving van de gemeente Bernheze, zie artikel 3.1.2 is vastgesteld dat de geurnorm binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 ou/m3 mag bedragen. Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom.

Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Op 12 december 2013 heeft de gemeente Bernheze de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. Deze is op 19 december 2013 in werking getreden. Ter plaatse van het plangebied heeft de gemeente Bernheze geen afwijkende afstand vastgesteld. In de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn ten opzichte van de afstanden wel een afwijking opgenomen, namelijk een halvering. Gelet op de ligging van het plangebied ligt deze op de grens tussen de halvering en de volledige afstand. Er is derhalve uitgegaan van een afstand van 100 meter binnen een bebouwde kom, welke afwijkend is van het onderzoeksrapport van De Roever.

Hoofdstuk 4

40

Gelet op de totale geuremissie en de afstand tot het plangebied is de veehouderij aan AA-brugstraat 19 maatgevend voor de beoordeling van de voorgrondbelasting. Op basis van de omgekeerde werking van de Wet geurhinder en veehouderij is een geurberekening uitgevoerd. Dat wil zeggen dat uitgegaan is van één emissiepunt op de rand van het bouwvlak, zo ver mogelijk in de richting van het plangebied. Voor de overige parameters is ook uitgegaan van een worst-case situatie. Het plangebied (waarvoor een geurnorm van 3 ouE/m3 geldt) ligt buiten de geurcontour van 3 ouE/m3. In het onderzoeksrapport is uitgegaan van een worst-case scenario van 8 ouE/m3. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en de belangen van de veehouderij worden niet geschaad.

Figuur 4.5 De contouren worst-case voorgrondbelasting van AA-Burgstraat 19

Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen. De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. De achtergrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel VStacks Gebied. Uit het onderzoek komt dat de hoogst berekende geurbelasting op de Schoolstraat 38 ten tijde van het uitvoeren van het onderzoek 2,7 ouE/m3 bedroeg (overeenkomstig met een ‘zeer goed’ woon- en recreatieklimaat). Hierin zijn ook de geuremissies van de veehouderij van de Brouwersstraat 2a opgenomen. Aangezien deze geuremissie wegvalt na sanering van de veehouderij aan de Brouwersstraat 2a kan worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de Brouwersstraat 2a toe zal nemen. De achtergrondgeur vormt geen belemmering voor het plan.

4.10 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er op treden en of dit een effect heeft op de verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte. De effecten op het aantal verkeersbe-

Hoofdstuk 4

41

wegingen wordt bepaald met de CROW-publicatie 317. De effecten op de parkeerbehoefte wordt bepaald met de Parkeernormennota gemeente Bernheze (2015). Deze nota is bedoeld om een inzicht te geven in de parkeercapaciteit die benodigd is voor de diverse functies. Locatiekenmerken Volgens het CBS kan Bernheze worden gecategoriseerd als een 'weinig stedelijke' gemeente. Daarbij is het plangebied gelegen in het buitengebied. Doorwerking plangebied Parkeren In de Parkeernormennota 2011 worden normen gehanteerd die onder meer zijn gebaseerd op de categorie van de beoogde functies. Het onderhavige project valt deels in de categorie ‘Serviceflat’, hetgeen een parkeernorm van 0,6 per woning inhoudt. In het kader van het project zullen ook woningen worden ontwikkeld die onder de parkeernormcategorie ‘Meerpersoonswoning > 60 m²’ vallen en derhalve een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning hebben. Het project zal de ontwikkeling van 11 geschakelde woningen en een zorgcomplex met 22 units op het perceel mogelijk maken, wat betekent dat er in totaal in 35,2 (afgerond 36) parkeerplaatsen moet worden voorzien. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein ingepast. Verkeer De nieuwe functie zorgt voor extra verkeersbewegingen. Voor het berekenen van de toenemende verkeersgeneratie kunnen kencijfers van het CROW gehanteerd worden.

De kencijfers van het CROW gaan uit van een minimum en maximum. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de gemiddelde CROW normen. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied, in een ‘weinig stedelijke’ gemeente. In onderhavige geval worden de categorieën "serviceflat", “Koop, huis, twee-onder-een-kap" en “Koop, huis, tussen/hoek” van het CROW gehanteerd. Er zal sprake zijn van 22 zorgappartementen in de vorm van een serviceflat, 8 twee-onder-een-kap woningen en 3 rijtjeswoningen. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van deze woningen weergegeven. In totaal worden (afgerond) 142 motorvoertuigbewegingen per etmaal gegenereerd. Functie

Motorvoertuigbewegingen

Hoeveelheid

Totaal

per etmaal per woning (gemiddeld) Serviceflat

2,6

22

57,2

Koop, huis, twee-onder-een-

7,8

8

62,4

7,4

3

22,2

kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal

141,8

Bovenstaande verkeersgeneratie is geen absolute toename aangezien in de huidige situatie reeds verkeer wordt gegenereerd. In de huidige situatie is sprake van in totaal 2.448 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing. Deze bedrijfsactiviteiten die momenteel worden uitgevoerd kunnen geschaard worden onder de functie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’ met een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,8 per 100 m 2 bvo. De verkeersgeneratie van de huidige functies bedraagt 118 motorvoertuigen per etmaal. In de toekomstige situatie is dus sprake van een

Hoofdstuk 4

42

zeer beperkte toename. Wel is in de huidige situatie sprake van een aanzienlijk deel aan zwaar verkeer. Dit zal afnemen in de toekomstige situatie.

4.11 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Doorwerking plangebied Regeling NIBM De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling (woonzorgfunctie en seniorenwoningen) valt beneden de drempel van de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen met één ontsluitingsweg). De onderhavige ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de omgeving. Dat betekent dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er niet in betekende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2022 Daarnaast moet worden aangetoond of sprake is van een goed leef- en verblijfsklimaat ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling. Hiervoor moeten de achtergrondwaarden m.b.t. de luchtkwaliteit bekend zijn. Deze waarden kunnen achterhaald worden middels de NSL-monitoringstool. De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten zijn in onderstaande tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan ook sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

43

ID

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10

PM2.5 μg/m3

Jaar

overschrijdingsdagen 33124

16.4

17.8

6.2

10.4

2022

33125

16.4

17.8

6.2

10.4

2022

33126

15.9

17.7

6.2

10.4

2022

33127

16.7

17.9

6.2

10.4

2022

33128

14.35

17.6

6.1

10.2

2022

33129

14.7

17.7

6.2

10,2

2022

Norm

40

40

35

25

Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland Naast de NSL-monitoringstool is ook gebruik gemaakt van de GDN-kaarten om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te beoordelen. Op basis van de GDN kan het volgende worden aangegeven: Kaart Fijn stof (PM2,5) Fijn stof (PM10) Stikstofdioxide

Waarde 10.2 μg/m3 18 μg/m3 13.21 μg/m3

4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10- 6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Hoofdstuk 4

44

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zij om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.

Spoor- en rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.

Hoofdstuk 4

45

Doorwerking plangebied Om inzicht te krijgen in de risicobronnen in de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van de Risicokaart. Onderstaand is een uitsnede van deze kaart weergegeven ter plaatse van het plangebied.

Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart (plangebied met blauwe stip weergegeven)

Inrichtingen Uit een inventarisatie op basis van de risicokaart blijkt dat op een afstand van ongeveer 504 meter van het plangebied zich de Zwemschool ’t Geburg, aan de Aa Brugstraat 4, bevindt. Deze beschikt over een propaantank (5000 liter) en een opslagtank voor chloorbleekloog (200 liter). Volgens de gevarenkaart uit de Leidraad is voor deze inrichting geen risicoafstand beschikbaar. Op een afstand van ongeveer 766 meter van het plangebied, op het adres Kanaaldijk-Noord 44a, ligt de Proefboerderij Laverdonk. In deze inrichting is een propaantank (2000 liter). Een PR 10-6 ontbreekt, conform het REVI omdat een PR 10-6 niet van toepassing is op deze inrichting. Transport Op een afstand van circa 2.215 kilometer van het plangebied is de rijksweg A50 (wegvak B87) gelegen. Over deze weg worden ontvlambare en giftige vloeistoffen vervoerd (LF1, LF2, LT2). Ten aanzien van LT2 geldt een grootste invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied bevindt zich buiten deze risicocontour. Buisleidingen Tot slot ligt op een afstand van circa 2,6 kilometer ten zuiden van het plangebied een aardgasleiding (A-521). Deze aardgasleiding heeft een 100%-letaliteitsafstand van 180 meter en een 1%-letaliteitsafstand van 430 meter.

Hoofdstuk 4

46

Conclusie Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied of risicocontour van een risicobron. Het aspect externe veiligheid zorgt derhalve niet voor een belemmering ten aanzien van de voorgestane planontwikkeling.

4.13 Kabels en leidingen Uit de klic-melding blijkt dat er in het plangebied verschillende kabels en leiding liggen. Deze kabels en leidingen vereisen geen beschermingszone die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Derhalve vormen deze geen belemmering. Wanneer graaf- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd dient hier wel rekening mee te worden gehouden. Hoogspanningslijnen De afstand tussen onderhavig plangebied en de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn bedraagt ruim 2.500 meter zodat kan worden gesteld dat er binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

4.14 Gezondheid Met dit bestemmingsplan worden woningen mogelijk gemaakt en wonen betreft een gevoelige functie. Er dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Doorwerking plangebied Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de toevoeging van een nieuwe woning. De uiteindelijke keuze is een afweging welke wordt gemaakt door de gemeente. Stap 1: De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden van varkens- en pluimveehouderijen. Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. De ontwikkeling betreft namelijk in totaal 22 zorgwoningen en 11 (senioren)woningen. Stap 3a-b: Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In onderhavige situatie is geen sprake van een overbelasting voor geur (zie paragraaf 4.9).

Het is ook niet aannemelijk dat de gezondheidskundige normen (in het buitengebied een voorgrondbelasting van maximaal 5 ouE /m3 en een achtergrondbelasting van 10 ouE /m3) worden overschreden. In paragraaf 4.9 is namelijk aangetoond dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is te zien dat het plangebied buiten geurcontouren van omliggende veehouderijen ligt.

Hoofdstuk 4

47

Stap 4a-b: De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij In de toekomstige situatie zal er binnen het plangebied geen sprake zijn van een veehouderij waarbinnen bedrijfsmatig meerdere diersoorten worden gehouden en zal met het planvoornemen niet de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf worden verkleind. Stap 5. Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen en overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter. De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf: Aabrugstraat 4 te Heeswijk-Dinther (circa 520 meter). Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd.

Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de ODBN in overleg met de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij. Stap 6: De aanwezigheid van mestbe- of verwerking (verder mestbewerking) Er is geen sprake van mestbe- of verwerking bij omliggende (agrarische) bedrijven (al dan niet als nevenactiviteit). Stap 7. Ongerustheid bij omwonenden Vanuit de omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in het kader van de volksgezondheid ook te worden ingegaan op de afstand van het plangebied tot de percelen die in gebruik zijn door de tuinbouwbedrijven en de daarbij behorende spuitzones. Hoewel in geen enkele wettelijke regeling bepaalt, volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waar de teelt plaatsvindt en de gevoelige functie zoals woningen kan worden gehanteerd.

Kortere afstanden zijn ook mogelijk, indien dat blijkt uit een locatie-specifiek onderzoek. Met de beoogde ontwikkeling worden er in totaal 11 (senioren)woningen en 22 zorgwoningen mogelijk gemaakt, gelegen achter de Brouwersstraat 2a. Aangrenzend het plangebied, ten zuiden van de beoogde woningen, hebben de gronden de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden’. Binnen deze bestemming zijn de gronden o.a. bestemd

Hoofdstuk 4

48

voor agrarisch grondgebruik. In de huidige situatie worden de gronden gebruikt als grasland. Er is derhalve geen sprake van telen van gewassen.

Hoofdstuk 4

49

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Toelichting op de verbeelding Bestemmingen Op de verbeelding is de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’, ‘Wonen’ en ‘Verkeer’ opgenomen. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies) en de aan een gebied toegekende waarde. De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Aanduidingen Onderscheid wordt gemaakt in gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen, bouwaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen. Deze aanduidingen geven de feitelijk en juridisch te beschermen waarden weer. Deze aanduidingen met de toegekende waarden zijn met name van belang voor de toepassing van het stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werk, of van werkzaamheden, en de gebruiksverboden. Voor activiteiten die een aantasting betekenen van een waarde kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, of van werkzaamheden worden verplicht gesteld. Ook kan voor dergelijke activiteiten een gebruiksverbod gelden.

Hoofdstuk 5

50

5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de opgenomen bestemming ‘Agrarisch met waarden’, ‘Wonen’ en ‘Verkeer’. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van bouwwerken te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 2. Bestemmingen Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden Bij de wijze van bestemmen is aangesloten bij het moederplan 'Buitengebied' voor deze bestemming. De gronden krijgen hierbij de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden'. Het opnemen van deze bestemming is noodzakelijk om een deel van de gronden waar nu nog reeds een bouwvlak is gesitueerd te verwijderen, maar geen nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=790b537c-0166-48fe-9da6-945563370036