CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels bestemmingsplan Brouwersstraat 2a, Heeswijk-Dinther

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 17 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Brouwersstraat 2a, Heeswijk-Dinther26.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Brouwersstraat 2a te Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze Vastgesteld

Bestemmingsplan Brouwersstraat 2a te Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze Vastgesteld

Rapportnummer:

P05562

IMRO-identificatienummer

NL.IMRO.1721. BPBrouwersstr2aHD-VG01

Datum:

29 april 2024

Opdrachtgever:

Particulier

Projectteam BRO:

TAu, JVo, RVe

Concept:

oktober 2022, mei 2023, november 2023

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

november 2023

Vastgesteld:

april 2024

Kaft:

BRO, Abstract 1

Trefwoorden:

--

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

7 7 8

3. BELEIDSTOETS 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid

11 11 11

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.3 Provinciaal beleid

11 12 13 13

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.3.2 Interim Omgevingsverordening 3.4 Gemeentelijk beleid

13 15 20

3.4.1 Woonvisie ‘Perspectief op goed wonen in onze kernen’ 3.4.2 Omgevingsvisie Bernheze 2040

20 21

4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Inleiding 4.2 M.e.r.-beoordeling 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Natuurbescherming 4.5 Waterparagraaf 4.6 Bodem 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Akoestiek 4.9 Geurhinder 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Externe veiligheid 4.13 Kabels en leidingen 4.14 Gezondheid

26 26 26 27 29 33 34 35 39 39 41 43 44 47 47

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding

50 50

Inhoudsopgave

1

5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen

50 51

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Kostenverhaal 6.2 Financiële haalbaarheid

53 53 53

7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg

54 54

7.1.1 Omgevingsdialoog 7.2 Procedure 7.3 Beroep

54 54 55

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundige schets Bijlage 2: Aanmeldingsnotitie Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Onderzoek geur veehouderijen Bijlage 5: Stikstofonderzoek Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Archeologisch onderzoek Bijlage 8: Programma van eisen leefomgeving Bijlage 9: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 10: Watertoets Bijlage 11: Omgevingsdialoog Bijlage 12: Asbestinventarisatie Bijlage 13: Nota van zienswijzen

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding Aan de zuid-oost-zijde van de kern Heeswijk-Dinther is het dorpse bebouwingslint de Brouwersstraat aanwezig. De Brouwersstraat vormt de afronding van de kern richting het buitengebied en vormt van origine een gemengd bebouwingslint. Naast woningen is er agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig. Onderdeel van dit bebouwingslint is de intensieve veehouderij Brouwersstraat 2a. De locatie Brouwersstraat 2a bestaat uit de kadastrale percelen gemeente Heeswijk-Dinther, sectie C, nummers 3317, 5309, 5310, 6513, 4796 en 2746 (deels). Momenteel is op de locatie een veehouderij inclusief bedrijfswoning aanwezig. De locatie is gelegen op de grens tussen het buitengebied en de bebouwde kom. Eigenaar van het perceel Brouwersstraat 2a is voornemens zijn eigen perceel te herontwikkelen ten behoeve van (senioren)woningen en zorgwoningen voor dementerende ouderen. De bedrijfswoning zal hierdoor ook niet meer als bedrijfswoning fungeren en om worden gezet tot burgerwoning. De locatie is op basis van het geldende bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’. Hierbinnen is het niet mogelijk om (zorg- en/of senioren) woningen op te richten.

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze heeft op 21 maart 2022 besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van de Brouwersstraat 2a. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan (postzegelplan) ex artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld. Hierin wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied beslaat een totale oppervlakte van circa 1,3 hectare. Het plangebied ligt op de grens van de dorpsrand van Heeswijk-Dinther en wordt aan de noord-, oost-, en westzijde begrenst door bebouwing (zowel woningen als (niet-) agrarische bedrijvigheid). Aan de zuidzijde grenst het stroomgebied van de Aa. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de figuur 1.1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

3

Figuur 1.1: Overzicht van het plangebied (Bron: PDOK Viewer)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied is bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze op 8 oktober 2014. Het plangebied (zie figuur 1.2) heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ met de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ en de maatvoering ‘aantal bedrijfswoningen: 1’. Over het gehele perceel is een bouwvlak opgenomen. Tevens is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen en geldt de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ en deels de gebiedsaanduiding ‘groenblauwe mantel’. Op basis van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ is wonen niet toegestaan (in zoverre er geen aanduiding over de gronden is gelegen waaruit blijkt dat dit wel is toegestaan). Het bestemmingsplan dient dan ook te worden herzien om voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. In figuur 1.2 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan opgenomen. .

Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’

Hoofdstuk 1

5

1.4 Leeswijzer De toelichting bij dit bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2. De beleidstoets is in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan opgenomen. In hoofdstuk 4 worden alle relevante milieuonderwerpen behandeld en verantwoord. De juridische toelichting is in hoofdstuk 5 opgenomen en in hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 7 is tenslotte de maatschappelijke haalbaarheid beschreven. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage aan dit bestemmingsplan gevoegd.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan het bebouwingslint van de Brouwersstraat. De Brouwersstraat vormt de afronding van de kern richting het buitengebied en vormt van origine een gemengd bebouwingslint. In de directe omgeving zijn woningen en (niet-)agrarische bedrijvigheid aanwezig. In de huidige situatie is het perceel in gebruik voor agrarische doeleinden, te weten een melkrundveehouderij. Op basis van de huidige vergunning mogen er circa 220 koeien (inclusief jongvee) worden gehouden. Ook is er een bedrijfswoning aanwezig welke is gesitueerd aan de Brouwersstraat (de bedrijfswoning is gelegen achter deze bedrijfswoning). De huidige bedrijfsbebouwing bestaat uit 3 schuren ten behoeve van stalling van de koeien, bedrijfswerkzaamheden en opslag. Ook vindt er buitenopslag plaats in het meest zuidelijke deel van het perceel. In figuur 2.1 is een afbeelding weergegeven van de huidige situatie binnen het plangebied.

Figuur 2.1 Impressie huidige situatie (bron: Google Streetview)

Hoofdstuk 2

7

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Programma Initiatienemer is voornemens de voormalige agrarische bedrijfslocatie te transformeren ten behoeve van (senioren)woningen en zorgappartementen voor dementerende ouderen. In totaal worden 11 (senioren)woningen gerealiseerd en 22 zorgappartementen. Deze woningen worden gesitueerd op het achterperceel van de bestaande woning aan de Brouwersstraat 2a. De (senioren)woningen en zorgwoningen zullen in een hofje worden gerealiseerd, waarbij de gebouwen richting het hof staan georienteerd. Bij het transformeren van het agrarisch erf naar een woonhof is gekeken naar een passende afronding van dit deel van de bebouwde bom van Heeswijk – Dinther. Heeswijk en Dinther zijn van oorsprong lintdorpen die bestonden langs de route van Den Bosch naar Veghel. In de afgelopen eeuw hebben de dorpen zich met name in noordelijke richting ontwikkeld. Dat resulteerde erin dat de woningen aan de zuidzijde van de hoofdroute (o.a. de Hoofdstraat – Sint Servaasstraat, Raadhuisplein, Brouwerstraat) op sommige plaatsen nog steeds de rand van het dorp vormt. Daarachter bevindt zich het open landschap van het Aa-dal. Op sommige plaatsen is er aan deze zuidzijde in de loop van de tijd wel enige verdichting geweest. Meestal betrof het bedrijvigheid waarvan weer een deel in latere jaren is omgevormd tot woningen.

Vanuit gemeentelijk beleid (Gebiedsvisie bebouwingsconcentratie Bernheze) wordt ingezet om dit deel van de dorpsrand te verbeteren. Door de sanering van de agrarische activiteiten en panden kan hier een bijdrage aan worden geleverd. De seniorenwoningen bestaan uit twee- en driekappers bedoeld voor de huisvesting van senioren. Zij zullen beschikken over één bouwlaag met flauwe kap. Het zorgcomplex zal over maximaal 1,5 bouwlaag met kap beschikken. Dit zorgcomplex ligt als kop achter in het hof. De bestaande bedrijfswoning gesitueerd aan de Brouwersstraat zal worden gehandhaafd en worden omgezet naar een burgerwoning. Tevens wordt het mogelijk gemaakt om extra oppervlak aan bijgebouwen te realiseren bij de bestaande (bedrijfs)woning. Het bijgebouw zal een nevenfunctie dienen bij de woonfunctie en kan worden ingezet ten behoeve agrarische bezigheid. Stedenbouwkundig schetsontwerp Met onderhavig plan wordt de realisatie van 11 (senioren)woningen en 22 zorgappartementen beoogd. Deze woningen worden rondom centrale ‘hofje’ gepositioneerd, waarbij de bestaande woning aan de weg georiënteerd is en de ‘entree’ tot het hofje vormt. Het hofje een maat van ca. 26 meter breed (gevel tot gevel) om het enige schaal te geven zodat het naast de ontsluiting kan dienen als volwaardige groenruimte.

Beoogd wordt om een samenhangende bebouwing te bewerkstelligen, die qua uitstraling en positionering een eenheid vormen. Bij de inpassing van de nieuwe bebouwing is gekeken naar de waarden richting het Aa-dal. In de huidige situatie ligt het bouwvlak dieper richting het Aadal. Dit is niet gewenst aangezien dit deel van de dorpsrand dient te worden verbeterd. Er is daarom gekozen om qua begrenzing de bestaande bebouwing als contour aan te houden. Vanuit de Avensteinstraat (in de buurt van de Aa) en de Boterweg is er zicht op de planlocatie en op de dorpsrand en is de kleinschaligheid van de dorpsrand te ervaren. De nieuwe bebouwing sluit zoveel mogelijk aan op de maat en schaal van de woningen aan de lint. Voor de seniorenwoningen houdt dit in dat zij bestaan uit één bouwlaag met kap. Om de doorzichten richting het achterliggend landschap te waarborgen is er gekozen voor een hogere bebouwingsdichtheid aan de westzijde van het plangebied en een lagere dichtheid aan de oostzijde. Hiermee worden ook de doorzichten richting

Hoofdstuk 2

8

het achterliggend landschap gewaarborgd. Het zorgcomplex draait zich open richting het landschap waardoor hier ook een doorzicht ontstaat en daarmee een logische afronding van het hofje. Voor het ontwerp van het zorggebouw dient te worden voldaan aan de Handboek WoonKeur (module 1 t/m 4). Een voorwaarde voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is dat de waardevermeerdering van de planlocatie deels wordt geïnvesteerd in landschappelijke kwaliteit. Deze kwaliteitsverbetering wordt beschreven in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Het artikel stelt dat ‘een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving’. Het plangebied ligt voor een deel in het stedelijk gebied (waarin een dergelijke kwaliteitsverbetering niet aan de orde is) en deels in het landelijk gebied. Gelet op de ligging is een landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering noodzakelijk. In bijlage 1 van dit bestemmingsplan en onderstaande figuur 2.2 is landschappelijke inpassing opgenomen. Hieronder volgt een korte toelichting op de inpassing.

De bebouwing is ingepast in het landschap, waarbij met name wordt gezocht naar een goede overgang van de bebouwing naar het achtergelegen Aa-dal. Deze overgang wordt onder andere bewerkstelligd door een hogere bebouwingsdichtheid aan de westzijde tegen het buurperceel aan, en een lagere dichtheid aan de oostzijde bij de tweekappers om doorzichten (circa 11 meter breed) op het achterliggende landschap te realiseren. Daarbij draait het zorgcomplex-gebouw zich open richting het landschap waardoor er ook hier een doorzicht ontstaan. Het hofje zelf dient ook als volwaardige groenruimte. Het hof is namelijk circa 26 meter breed (gevel tot gevel). Tot slot zijn de woonpercelen en parkeerhavens omkaderd door lage hagen. De bestaande bebouwing ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering worden gesloopt. Dit is ook opgenomen als voorwaarde binnen de regels van het bestemmingsplan. Concreet zijn de volgende inrichtingsmaatregelen voorgesteld: 1. Aanleg knip- en scheerhagen; 2. Behoud bestaande hagen; 3. Aanplanten leibomen; 4. Aanplanten solitaire bomen; 5. Aanleg wadi. i.c.m. bloem- en kruidenrijk grasland; 6. Aanleg houtsingel.

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.2 Stedenbouwkundige schets

Ontsluiting en parkeren Ontsluiting van het woonhof vindt plaats aan de Brouwersstraat. Vanaf deze straat is direct zicht op het hof. De ontsluiting begint bij de entree als dubbelrichtingsweg en bij het hof begint de eenrichtingsweg. De voetpaden (geel) en rijbaan (rood) zijn een shared space (van ca. 4m.) waar de auto te gast is. Het parkeren is voorzien in parkeerhavens (24pp) die uit het zicht zijn gepositioneerd, op eigen opritten op percelen (10pp), en op grasstenen in het hof (2pp). Na realisatie zal de openbare ruimte in beheer komen van de gemeente. De inrichting van de openbare ruimte zal aansluiten op het Programma van Eisen leefomgeving. Dit document is als bijlage toegevoegd.

Hoofdstuk 2

10

3.

BELEIDSTOETS

3.1 Inleiding In dit hoofdstuk is een toets van het plan aan de verschillende beleidsdocumenten beschreven. Als eerste wordt het plan getoetst aan de landelijke regels, vervolgens zijn de provinciale randvoorwaarden beschreven en hoe het plan zich daartoe verhoudt en tenslotte is het pan getoetst aan de gemeentelijke beleidsstukken.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in artikel 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; Hoofdstuk 3

11

4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19.

behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. ontwikkelen van een duurzame visserij. Conclusie De NOVI heeft, gezien de aard en de beperkte omvang van het project, geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Het project speelt zich af op lokaal niveau en er zijn geen nationale belangen in het geding. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Conclusie Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied.

Hoofdstuk 3

12

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (Artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in de transformatie van een voormalig agrarische bedrijfslocatie naar een woon(zorg)locatie waar 11 (senioren)woningen en 22 zorgwoningen worden gerealiseerd. Vaste jurisprudentie wijst uit dat een woningbouwontwikkeling als stedelijke ontwikkeling wordt gezien wanneer sprake is van de toevoeging van meer dan 11 woningen. In onderhavige situatie is dan ook sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit onderstaande kaders (met name paragraaf 3.2) blijkt dat er een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte bestaat aan onderhavige ontwikkeling.

Zo wordt er door de gemeente ingezet op het bouwen van woningen en dan met name voor senioren en mensen met een zorgbehoefte. Onderstaand wordt hier nader op ingegaan.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

13

Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden:  gaan voor meerwaarde-creatie;  gaan voor technische én sociale innovatie;  gaan voor kwaliteit boven kwantiteit;  gaan voor steeds beter;  gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd:  Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”.  Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen.

Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”. De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd:  werken aan de Brabantse energietransitie;  werken aan een klimaatproof Brabant;  werken aan de slimme netwerkstad;  werken aan een concurrerende, duurzame economie. Conclusie Middels onderhavige ontwikkeling wordt agrarische bebouwing gelegen in het aanloopgebied naar de kern van Heeswijk-Dinther geamoveerd. Deze ontwikkeling zorgt voor een verbetering in de omgevingskwaliteit van dit deel van Heeswijk-Dinther. Zo wordt met de woningbouwontwikkeling een logische afronding van de bebouwing van Heeswijk-Dinther beoogd. De locatie bevindt zich momenteel in een bebouwingslint waar met name gewoond wordt, en een kleinschalig, dorps opgezet woonhofje wordt hier dan ook passend geacht. Met het plan wordt niet alleen een logische afronding van de dorpskern Heeswijk-Dinther beoogd, maar ook een goede overgang naar het zuidelijk gelegen Aa-dal. De woningblokken zijn bijvoorbeeld zo opgezet dat er meerdere doorkijken naar het Aa-dal zijn (zie voor een toelichting paragraaf 2.2).

Daarnaast is de initiatiefnemer ook voornemens maatregelen te nemen in het kader van duurzaamheid en de energietransitie. Zo worden er zonnepanelen geïnstalleerd en zullen de woningen gasloos worden opgeleverd. Initiatiefnemer is daarbij aan het kijken naar de mogelijkheden om duurzame verwarmingsinstallaties aan te leggen (zoals infraroodpanelen). De exacte uitwerking hiervan wordt duidelijk in het kader van het verdere planverloop. Tot slot wordt de basisopgave voor een veilige en gezonde omgevingskwaliteit in acht genomen. Dit wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 3

14

3.3.2 Interim Omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld. De meest recente versie is augustus 2023 geconsolideerd. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het zuidelijke deel van de planlocatie ligt volgens de Interim Omgevingsverordening in de zone ‘landelijk gebied’. Daarnaast stelt de verordening als eis dat ontwikkelingen binnen het ‘landelijk gebied’ samen dient te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap (zie artikel 3.9). Het noordelijk deel van het plangebied bevindt zich in de zone ‘Stedelijk gebied’ en ‘Landelijke kern’.

In artikel 3.42 zijn regels opgenomen ten aanzien van een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen. Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.9 Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Hoofdstuk 3

15

Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Doorwerking plangebied De gewenste ontwikkeling voorziet in de sanering en herbestemming van agrarisch vastgoed. Overtollige agrarische bebouwing zal worden gesloopt en de agrarische bedrijfsvoering zal worden gestaakt. De projectlocatie behoort tot het coulisselandschap. Het is een halfopen landschap dat wordt gekenmerkt door kleine onregelmatige percelen die worden afgeschermd door heggen, houtwallen en of muurtjes. Het landschap is ontstaan doordat men de hoge gronden ontgonnen voor akkerbouw. De lagere gronden waren hiervoor niet geschikt en werden veelal gebruikt voor gras- en hooilanden. De kavels werden in het verleden veelal omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers te houden. Veel van deze karakteristieke patronen zijn door de jaren heen verdwenen.

Hoofdstuk 3

16

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland, wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop in zuid tot zuidoostelijke richting van ca. 8,90 m +NAP ten hoogte van de Brouwersstraat tot ca. 8,0 m +NAP in het zuidoosthoek van de planlocatie. Richting de Avensteinstraat loopt het maaiveld verder af tot een hoogte van 6,85 m +NAP. De bosschage ten westen van de perceel 4796 ligt op een hoogte van ca. 8,0 m +NAP en daarmee ten opzichte van de omgeving lager. De GHG is ingeschat op 8,0 m +NAP. De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau en de toekomstige bouwvlakken voldoende. De bouwpeilhoogten dienen ten opzichte van het aanwezige straatpeil tenminste 20 a 30 cm hoger te zijn gelegen. Op basis van de leggerkaart van waterschap Aa en Maas is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. De dichtstbij gelegen watergang betreft de Aa die ten zuiden van de planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 280 m. De Aa betreft eveneens ook een ecologische verbindingszone. Vanuit archeologisch oogpunt is het plangebied gelegen op een dekzandrug. Het gebied was gelet op de grondwaterstand en samenstelling van het dekzand te nat om een aantrekkelijke plaats te vormen van bewoning. Bij het ontwerp is rekening gehouden met de aanwezige waarden van het gebied, met name de openheid van het beekdal is hiervan belang.

Het plangebied bestaat uit de stallen met verhardingen en de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf. De zuidzijde maakt visueel deel uit van het beekdal van de Aa, waar openheid de belangrijkste landschappelijke waarde is. Voor de stedelijke ontwikkeling is gezocht naar een passende afronding van het stedelijk gebied, hierbij is als voorwaarde gehanteerd dat nieuwe bebouwing niet te diep binnen het beekdal mag worden gepositioneerd. Het bouwvlak aan de zuidzijde zal fors worden verkleind en een betere afronding krijgen door de aanplant van een houtwal. Dit sluit ook aan op de omgeving. Vanuit de Avensteinstraat (in de buurt van de Aa) en de Boterweg is er zicht op de planlocatie en op de dorpsrand en is de kleinschaligheid van de dorpsrand te ervaren. Nieuwe bebouwing zal zich moeten aanpassen aan deze schaal: de rand moet bestaan uit enkelvoudige niet te grote bouwelementen, duidelijk gescheiden van elkaar. Dit moet qua schaal aansluiten op de schaal van de woningen aan het dorpslint. De woningen hebben om die reden ook een passende maat gekregen, namelijk één laag met kap. Het plan heeft daarnaast geen nadelige effecten op het gebied van water, archeologie en natuur. Het plangebied wordt in de huidige situatie gebruikt voor agrarische activiteiten in de vorm van een melkveehouderij.

De agrarische activiteiten binnen het plangebied wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing. Hiervoor komt in de plaats woningbouw gericht op zorg en senioren waar binnen de kern Heeswijk-Dinther veel behoefte aan is (zie ook paragraaf Woonvisie). Het plan heeft gelet hierop per saldo een positief effect op de aanwezige waarden binnen en rondom het plangebied. Gelet op de maat en schaal van de ontwikkeling betreft dit een stedelijke ontwikkeling, waarvoor in de IOV geen aparte regels zijn opgesteld (zie toelichting bij artikel 3.80 IOV). Er dient derhalve een verzoek te worden ingediend voor de herbebegrenzing van het stedelijk gebied, artikel 6.2 IOV. Artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek Lid 1 In het geval dat burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een verzoek tot wijziging van de grens van een werkingsgebied te doen ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling, maakt dit voornemen deel uit van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan. Lid 2 Het ontwerp besluit bevat de volgende gebiedsaanduidingen: a. gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening toe te voegen [naam gebiedscategorie];

Hoofdstuk 3

17

b. gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening te verwijderen[naam gebiedscategorie]; c. gebiedsaanduiding - vanwege natuurcompensatie te realiseren natuur, beheertype [landelijke code], indien van toepassing. Lid 3 Een verzoek wordt na afloop van de terinzagelegging bedoeld in artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht, bij Gedeputeerde Staten ingediend en gaat vergezeld van een beschrijving waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze verordening gestelde voorwaarden waaronder wijziging van de begrenzing mogelijk is en, in voorkomende gevallen, van naar voren gebrachte zienswijzen. Lid 4 Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld eerste lid. Lid 5 Een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, wordt vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing. De ontwikkeling is in lijn met de ontwikkelingsrichting van (dit deel van) Heeswijk-Dinther. De ontwikkeling en met name de beoogde functie/activiteit is passend binnen de omgeving en de aanwezige functies. De locatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther en aanliggende Aa-dal. In dit aanloopgebied zijn verschillende (stedelijke) functies zoals maatschappelijk, bedrijvigheid, agrarisch, detailhandel en wonen aanwezig.

Om mee te gaan in de transformatie van dit deel van Heeswijk-Dinther en te voorzien in een behoefte is gekozen voor het realiseren van (senioren)woningen en zorgwoningen die, gelet op de omgeving, het woon-en leefklimaat niet aantasten (zie hiervoor ook hoofdstuk 4). Het plan creëert een aantoonbare meerwaarde op deze onderscheidende plek, die vanwege de ligging aan de rand van de kern enerzijds, en anderzijds direct tegen het Aa-dal aan op een afgeschermd perceel een goede omgevingskwaliteit biedt voor specifieke zorgbehoevende en. De locatie is bij uitstek geschikt voor de beoogde functie en in dit opzicht onderscheidend. Het plan geeft een passende invulling aan de herbestemming op deze locatie, met nieuwe duurzame bebouwing die aan alle huidige eisen voldoet. Het initiatief creëert in meerdere samenhangende opzichten een meerwaarde, omdat zowel de maatschappelijke opgave tot het creëren van voldoende en goede zorgvoorzieningen en seniorenwoningen als de opgave tot kwaliteitsverbetering van het landschap worden ingevuld en is daarmee in lijn met de zorgplicht. Bij het ontwerp is daarnaast ook specifiek rekening gehouden met de Groenblauwe Mantel en specifiek de locatie richting het achterliggend Aa-dal. In het ontwerp is specifiek gekozen om het bestaande agrarische bouwvlak te verkleinen, waarmee de afronding van het stedelijk gebied een logische begrenzing krijgt.

Hierdoor zal de nieuwe bebouwing niet te diep in het achterliggend landschap worden gesitueerd. De nieuwe functie (woon(zorg)bebouwing) leidt verder tot een versterking van de omgevingskwaliteit. Daarnaast is sprake van een in de omgeving passende functie met passende omvang. Het plan

Hoofdstuk 3

18

draagt bij aan het versterken van de landschappelijke aantrekkelijkheid (door middel van het betrekken van het achterliggende landschap in het stedenbouwkundig plan) en een goede woonomgeving met een natuurrijke omgeving. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan de beleving en kwaliteit van het gebied. Eén van de manieren om dit doel te bereiken is hergebruik van leegkomende locaties, zoals in onderhavig geval. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Het plan geeft hier invulling aan door een bestaand bouwperceel, dat voor agrarische activiteiten is bestemd, een passende nieuwe invulling te geven. Er is sprake van een intensivering en optimalisering van het gebruik enerzijds en een verkleining van het bouwperceel ten gunste van groen en inpassing anderzijds. Daarbij wordt met dit plan het landschap behorende bij de projectlocatie voorzien van een kwaliteitsimpuls. Er is sprake van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik. Tot slot ziet de woningbouwontwikkeling toe op een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Niet alleen wordt (zoals bovenstaand toegelicht) een goede omgevingskwaliteit bevorderd, ook wordt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toegepast aangezien voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zal worden geamoveerd om plaats te maken voor de woningen. Daarnaast worden maatregelen genomen in het kader van duurzaamheid en de energietransitie. De woningen worden gasloos opgeleverd, en er zullen zonnepanelen worden geïnstalleerd. Eventuele overige maatregelen worden in het kader van het planverloop uitgewerkt. Conform artikel 6.2 zullen de gronden die worden omgezet van ‘Landelijk Gebied’ naar ‘Stedelijk gebied’ de passende aanduiding op de verbeelding, waarmee wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6.2 van de IOV. Omgevingsverordening Noord Brabant Per 1 januari 2024 zal de IOV worden vervangen door de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening zal de procedure voor herbegrenzing lopen via artikel 5.56 Ov. Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling In afwijking van artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling , eerste lid, aanhef, kan een omgevingsplan voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen , binnen Landelijk gebied als: a. binnen Stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b.

transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12 ; d. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 7.2 Regionaal samenwerken ; e. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden; en f. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. Zoals in de voorgaande alinea’s is betoogd ziet de woningbouwontwikkeling toe op een duurzame stedelijke ontwikkeling. Niet alleen wordt (zoals bovenstaand toegelicht) een goede omgevingskwaliteit

Hoofdstuk 3

19

bevorderd, ook wordt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toegepast aangezien voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zal worden geamoveerd om plaats te maken voor de woningen. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Het voornemen is alleen mogelijk onder voorwaarde dat een kwaliteitsbijdrage wordt geleverd. De kwaliteitsbijdrage komt bovenop de ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Voor de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage 1 van de toelichting en paragraaf 2.2. van deze toelichting. De kwaliteitsbijdrage dient ter compensatie van het verlies aan waarden in het buitengebied die door de ontwikkeling wordt veroorzaakt. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet voor realisering van groen, natuur, landschap en herstel van landschappelijke cultuurhistorie (niet zijnde de inpassing). De landschappelijke inpassing (zie bijlage 1 van de toelichting) maakt geen onderdeel uit van de kwaliteitsbijdrage. Naast landschappelijke inpassing wordt een kwaliteitsverbetering noodzakelijk geacht gelet op artikel 3.9. Een aanvullende kwaliteitsprestatie op locatie heeft de voorkeur, maar als het niet mogelijk is om op het eigen terrein of de directe omgeving te investeren, kan er elders binnen gemeenten geïnvesteerd worden, of zal er een betaling aan het Fonds Omgevingskwaliteit plaatsvinden.

Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op een storting van 1% van de uitgifteprijs (dat overeen komt met een compensatiebedrag van € 17.365,-) dat wordt gestort in het fonds. Hierover zijn de anterieure overeenkomsten afspraken gemaakt om dit te borgen.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Woonvisie ‘Perspectief op goed wonen in onze kernen’ De Woonvisie van de gemeente Bernheze is op 16 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente heeft in dit document haar visie beschreven omtrent de doelstellingen en richtingen die aangehouden moeten worden wanneer het aankomt op wonen en het realiseren van woningen. De volgende thema’s zijn hierbij van belang:  woningbouw betaalbaar, duurzaam, genoeg en passend bij de vraag;  voortzetten actief woningbouwbeleid;  blijven bouwen in alle kernen;  speciale aandacht voor senioren op de woningmarkt, door bestaande woningen levensloopgeschikt te maken;  inzetten op de realisatie van betaalbare en ook levensloopbestendige huur- en koopwoningen. Betaalbaarheid van woningen is één van de belangrijkste aandachtspunten.

Hiermee bedienen we starters, jonge gezinnen en senioren;  gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de leefomgeving en bewust zijn van de mogelijkheden tot verduurzaming (en de eventuele mogelijkheden tot subsidie op dat gebied);  bestaande woningvoorraad verduurzamen;  ruimte voor andere en vernieuwende woningbouwconcepten en woonvormen (‘tiny houses’, flexwoningen, inzet vrijkomende agrarische bestemmingen (VAB’s) of maatschappelijk vastgoed, projecten met vernieuwende aanpak zoals een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) gericht op duurzaamheid, voor ouderen en/of jongeren);  (CPO) en Individueel Particulier Opdrachtgeverschap (IPO) blijven prominent op de agenda;  ruimte voor inbreidings- en uitbreidingslocaties met aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie;  aandacht voor bijzondere doelgroepen. We moeten oplossingen vinden voor mensen die echt in de knel zitten en met spoed een woning zoeken.

Hoofdstuk 3

20

beschermd wonen en wonen met zorg blijft een belangrijk aandachtspunt, waarbij we ons beleid in overleg met sociale en maatschappelijke partners nader vorm gaan geven.

Deze woonvisie is inclusief: de gemeente heeft daarbij in ieder geval extra aandacht voor de volgende doelgroepen:  mensen met een laag inkomen  senioren  starters en jonge gezinnen  statushouders  woonwagenbewoners  internationale werknemer Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkelingen worden 11 (senioren)woningen en 22 zorgwoningen gerealiseerd op een voormalig agrarisch perceel. De (senioren)woningen zijn qua maat en indeling zeer geschikt voor deze doelgroep. Een zorgaanbieder zal de (24uurs-)zorg aan de bewoners van de zorgwoningen verstrekken. Deze ontwikkeling ziet dan ook toe op meerdere van bovenstaande belangrijke thema’s en sluit goed aan op de bestaande behoeftes: het bouwen van woningen voor senioren en voor mensen met een zorgbehoefte. In de Woonvisie is beschreven dat er aandacht moet worden besteed aan senioren op de woningmarkt. Het toevoegen van levensloopbestendige woningen op deze locatie zorgt voor een betere doorstroming op de reguliere woning. De verschillende vertrekken zoals slaapkamer, woonkamer, toilet, keuken en badkamer zijn zonder trap te bereiken. Gelet op de toekomstige nabije ligging van de zorgwoningen, de stedenbouwkundige invulling van het hofje, kan hier een gezonde mix van verschillende woonvormen ontstaan. In de woonvisie wordt ook specifiek benoemd dat in de dorpen Heeswijk-Dinther opgaves liggen voor hofjeswoningen.

Het initiatief speelt hierop in. Het initiatief voldoet derhalve aan de gedachte van de Woonvisie. Het plan zet in op het realiseren van senioren/levensloopbestendige woningen. Het ontwerp van de woningen (grondgebonden en appartementen) is ook zo afgestemd dat deze niet grootschalig zijn. Zo hebben de grondgebonden woningen een goothoogte van 3,5m (1 bouwlaag met kap), wat ook passend is voor seniorenwoningen. Ook is in het bestemmingsplan vastgelegd dat er sprake moet zijn van levensloopbestendige woningen. Het concept, namelijk een hof met woningen en zorgappartementen, sluit hierbij ook specifiek aan de doelstellingen binnen Heeswijk-Dinther. 3.4.2 Omgevingsvisie Bernheze 2040 Op 7 maart heeft de gemeenteraad de ‘Omgevingsvisie Bernheze 2040’ definitief vastgesteld. De omgevingsvisie is tot stand gekomen door samenwerking met inwoners, ondernemers en zo’n honderd partners. Deze langdurige visie is bedoeld om de omgevingskwaliteit te verbeteren en een toekomst te creëren die schoon, duurzaam, leefbaar, gezond en klimaatbestendig is. Een toekomst die zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies voor onder meer landbouw, natuur, wonen, recreatie, economie en water.

De gemeente hanteert daarvoor de volgende aanknopingspunten om slim met de ruimte om te gaan:  Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen;  Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan;  Voorkomen van afwenteling.

Hoofdstuk 3

21

Naast bovenstaande aanknopingspunten is in de Omgevingsvisie een onderscheid gemaakt in drie verschillende deelgebieden met ontwikkelperspectieven die aan de hand van vijf strategische thema’s worden uitgewerkt. Deelgebieden 1. De hoog gelegen Peelhorst (de rug) met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. In een ‘levendige schil’ rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en bieden we mogelijkheden voor meer bos en andere natuur. 2. De Dekzandgebieden (de flank) waar de intensieve veehouderij bijdraagt aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier ontwikkelen we ook kansen voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld de productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelsranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie (zoals tijdelijke waterberging), lokaal voedsel et cetera. 3. Het Beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw. Vijf strategische thema’s De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. De vijf thema’s zijn: 1. Gezonde leefomgeving 2. Leefbare kernen 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit 4. Vitale en duurzame landbouw en economie 5. Kwaliteit landschap en erfgoed

Hoofdstuk 3

22

Doorwerking plangebied De locatie van het plangebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Beekdallandschap’, zie hiervoor ook figuur 3.2. Aan de hand van de hierboven vijf strategische thema’s zijn leidende principes geformuleerd voor het Beekdallandschap.

Figuur 3.1: Uitsnede gebiedsindeling Omgevingsvisie Bernheze.

1. Gezonde leefomgeving  Bereikbaar, veilig en toegankelijk per fiets en wandelen;  Schoon, stil en natuurlijk;  Natuurinclusief voedsel;  Zorg in het groen. Het plan voorziet in het saneren van een agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van (senioren)woningen en zorgappartementen voor dementerende ouderen. In totaal worden 11 (senioren)woningen gerealiseerd en 22 zorgappartementen. Door de sanering en het wegbestemmen van de agrarische bedrijfsmogelijkheden zal dit per saldo een positieve bijdrage leveren aan een gezondere leefomgeving. Als onderdeel van een gezonde leefomgeving dienen nieuwe ontwikkelingen te worden getoetst aan het Groenstructuurplan. In het Groenstructuurplan zijn de volgende speerpunten opgenomen: 1. De gemeente wil de kernen leefbaar houden door te zorgen voor voldoende kwalitatief openbaar groen en het huidige gemiddelde van 107 m2 openbaar groen per woning minimaal behouden. 2. De gemeente wil dat openbaar groen meer bijdraagt aan identiteit, beleving, oriëntatie en het agrarische karakter in de hele gemeente. 3. De gemeente wil dat openbaar groen meer bijdraagt aan het herstel en versterken van de biodiversiteit. 4. De gemeente wil dat het openbaar groen meer gelegenheid biedt aan recreëren, sporten, ontspannen en ontmoeten zodat het bijdraagt aan een gezonde leefomgeving.

Hoofdstuk 3

23

5. De gemeente wil openbaar groen meer inzetten als natuurlijk middel om de gevolgen van klimaatverandering (hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen) te verminderen, en passen ons sortiment aan op het veranderende klimaat. 6. De gemeente wil inwoners en andere partijen stimuleren om samen de gemeente voor bovenstaande doelstellingen in te zetten, in de openbare ruimte en op eigen terrein. Het uitgangspunt is dat bij nieuwe ontwikkelingen er minimaal 10% wordt ingezet op het realiseren van groen. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,3 ha. Op basis van de ambitie betekent dat er circa 1.300 m2 aan groen dient te worden gerealiseerd. Op basis van het huidige stedenbouwkundige plan is de openbare ruimte (waar geen bebouwing voor de woningen is toegestaan) vele malen groter dan 1.300 m2. Met andere woorden, de gronden waar groen kan en mag worden gerealiseerd wordt hiermee ruimschoots voldaan. Bij de nadere uitwerking van het plan zal bij de inrichting van de openbare ruimte, in overleg met de gemeente, hiermee rekening worden gehouden. 2.

Leefbare kernen Kenmerken van het beekdallandschap vertalen in de inrichting:  Vasthouden van water;  Beken grootste deel van het jaar voeden uit kwelwater;  Circulair;  Klimaat- en natuurinclusief bouwen;  Revitaliseren van wijken;  Prioriteit aan wandelen en fietsen in met name de GGS;  Doorgaand verkeer ontmoedigen;  Alleen vrachtverkeer op basis van elektriciteit of waterstof (H2). In de Omgevingsvisie is beschreven dat de gemeente Bernheze voor de komende jaren een forse woningbouwopgave heeft. Het is noodzakelijk deze opgave te combineren met het behouden en versterken van aantrekkelijke kernen waar het fijn wonen is. Door innovatief in te breiden met een compact, betaalbaar en divers woningaanbod, ziet de gemeente kansen om deze woningbouwopgave te combineren met de eerder genoemde opgaven. De gemeente wenst een grote variatie aan woningen, die aansluit bij de behoefte. Bijzonder aandacht betreft de toename aan ouderen woningen, gezien de vergrijzing van de komende 20 jaar. Gezondheid, groen, klimaat, landschap en water zullen sturend zijn bij het bepalen van de locatie en de inrichting. Met onderhavige ontwikkelingen worden 11 (senioren)woningen en 22 zorgwoningen gerealiseerd op een voormalig agrarisch perceel. De (senioren)woningen zijn qua maat en indeling zeer geschikt voor deze doelgroep.

Een zorgaanbieder zal de (24uurs-)zorg aan de bewoners van de zorgwoningen verstrekken. Deze ontwikkeling ziet dan ook toe op meerdere van bovenstaande belangrijke thema’s en sluit goed aan op de bestaande behoeftes: het bouwen van woningen voor senioren en voor mensen met een zorgbehoefte. Het is daarmee ook in lijn met de Woonvisie. De inrichting van het en gebied en openbare ruimte wordt zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt, ook gelet op de doelgroep. Het gebied krijgt een groene invulling en betreft mede een passende afronding van de bebouwde kom van Heeswjk-Dinther. Zeker gelet op de kwaliteiten richting het Aa-dal is de locatie zeer geschikt voor de beoogde doelgroep en zorgt daarmee voor het versterken van de kern Heeswijk-Dinther. 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit  Grondwaterpeil 10 – 15 entimeter omhoog;

Hoofdstuk 3

24

Het vasthouden en infiltreren van water voor de natuur en om ‘s-Hertogenbosch te beschermen;  Meer moerasbos en andere natuurlijke terreinen ontwikkelen;  Natuurinclusieve landbouw;  Herstellen van de historische lopen van beken;  Meer meanderingen en overstromingsgebieden;  Wind- of zonneparken of nieuwe gebouwen in het buitengebied gaan we (de gemeente) terughoudend mee om. Zoals onder thema ‘gezonde leefomgeving’ is beschreven zal met deze ontwikkeling een agrarische bedrijfslocatie worden gesaneerd. Dit versterkt de mogelijkheden om te komen tot een betere biodiversiteit, klimaatadaptie en beekherstel. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van één of meerdere "groene" bovengrondse voorzieningen zoals een wadi. Een wadi is een voorziening waarbij het hemelwater, bij voorkeur oppervlakkig, wordt getransporteerd naar een laagte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. De groene ruimte centraal binnen het plan biedt kansen om vanuit de wegverhardingen en woningen de eerste neerslag op te vangen. Dit kan door het maaiveld lokaal te verlagen en landschappelijk in te passen.

Door bij het toekomstige ontwerp in het Aa-dal te werken met hoogteverschillen kan tijdens zware regenbuien tijdelijk water worden vastgehouden in de onverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het (regen)water geleidelijk infiltreren in de bodem. 4. Vitale en duurzame landbouw en economie  Natuurinclusieve landbouw en nieuwe verdienmodellen voor bijvoorbeeld dag- en verblijfsrecreatie, waterberging en natuurbeheer;  Dorpskernen hebben een levendig centrum met horeca en winkels;  Agrarische ondernemers ondersteunen bij de transitie of het verplaatsen naar het dekzandgebied. De ontwikkeling zet voort op de trend die in de Omgevingsvisie wordt beschreven, namelijk een afname aan agrarische bedrijven. Ook deze ontwikkeling betreft de omzetting en transformatie van een agrarisch bedrijf naar een passende woonlocatie die aansluit op de gemeentelijke behoeften. 5. Kwaliteit landschap en erfgoed  Het herstellen en beschermen van historische gebouwen met bijbehorende landerijen en van andere cultuurhistorische structuren. Bij het transformeren van het agrarisch erf naar een woonhof is gekeken naar een passende afronding van dit deel van de bebouwde bom van Heeswijk – Dinther. Heeswijk en Dinther zijn van oorsprong lintdorpen die bestonden langs de route van Den Bosch naar Veghel. In de afgelopen eeuw hebben de dorpen zich met name in noordelijke richting ontwikkeld.

Dat resulteerde erin dat de woningen aan de zuidzijde van de hoofdroute (o.a. de Hoofdstraat – Sint Servaasstraat, Raadhuisplein, Brouwerstraat) op sommige plaatsen nog steeds de rand van het dorp vormt. Daarachter bevindt zich het open landschap van het Aa-dal. Op sommige plaatsen is er aan deze zuidzijde in de loop van de tijd wel enige verdichting geweest. Meestal betrof het bedrijvigheid waarvan weer een deel in latere jaren is omgevormd tot woningen. Vanuit gemeentelijk beleid (Gebiedsvisie bebouwingsconcentratie Bernheze) wordt ingezet om dit deel van de dorpsrand te verbeteren. Door de sanering van de agrarische activiteiten en panden kan hier een bijdrage aan worden geleverd. Geconcludeerd kan worden is dat de ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 3

25

4.

MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING

4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische aspecten.

4.2 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk.  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie getransformeerd ten behoeve van woningen. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied Voor onderhavig plan is een aanmeldnotitie opgesteld.

Hieronder de conclusie uit de aanmeldnototie: Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=790b537c-0166-48fe-9da6-945563370036